KLOP KLOP!

Jaargang 1, aflevering 11, donderdag 1 december 2016

cannibals

 

KLOP KLOP!

 

  Mijn schoonvaders opa was een Chinees. Dat kan, omdat ik in een ander leven met zijn achterkleindochter was getrouwd. Lourdes heette ze, heel beloftevol.
Ze kwam op 24 april 1959 en ging weer heen op 5 december 2007, een rotdag om dood te gaan, als een cadeautje dat je ‘s morgens kreeg, je ‘s avonds ongeopend weer in mocht leveren.
Ik ontmoette haar ver buiten Nederland in dat deel van de wereld waar de constante warmte die er heerst, je het gevoel geeft voortdurend met een lauwe dweil tussen de benen rond te lopen, een ongemak waar je na de belofte te hebben gedaan je zo min mogelijk te zullen bewegen op den duur wel aan went.
Al direct na aankomst op Schiphol werd, om te voorkomen dat ze niet nog voordat ze de schuifdeuren voorbij was onmiddellijk zou doodvriezen, Lourdes direct van top tot teen ingekapseld, zodat ze in de gewatteerde cocon waar ze nadien wekenlang mee rondliep meer weghad van een vanuit Alaska vers ingevlogen vrouwtjes Eskimo.
Die mate van ontbering bleek dezelfde middag nadat ik van mijn werk thuisgekomen in eerste instantie niemand aantrof, tot ik haar bij het doorzoeken van de slaapkamer terugvond, zittend op de grond met drie truien aan en met haar rug strak tegen de centrale verwarming die ik uit overwegingen van solidariteit op zevenentwintig graden zette, een gevoelstemperatuur die in mijn beleving gelijkstond aan het laten sudderen op een zacht vuurtje.
Nog diezelfde nacht droomde ik dat ik op ontdekkingsreis was door de Amazone en gevangen werd genomen door kannibalen die van plan waren draadjesvlees van mij te willen maken. Net voordat de kok die ik herkende aan het botje door zijn neus, mij in de gereedstaande ketel waaronder al een vuurtje brandde wilde mieteren, schoot ik wakker en bereikte ik naar adem happend op mijn blote voeten de voordeur waar ik, enkel gekleed in mijn onderbroek op de buitenthermometer las dat het min zesentwintig graden was.
    “Lekker weertje he?” was vanaf het jaar erop een van haar eerste en tegelijk meest gebruikte Nederlandse uitroepen bij het zien van -alweer- een loodgrijze, zwaar bewolkte lucht uit het arsenaal van die ene schakering grijs waar Nederland patent op heeft. Dat kan, want in haar land is dezelfde tint het equivalent van twee maanden natte moesson, het enige jaargetijde waarin je op adem kan komen van de normaal aanwezige hitte.
Niet iedereen begreep haar enthousiasme.
Naast dat Lourdes een grote voorliefde voor uitgesproken koel weer ontwikkelde, bezat ze een uitgesproken opgeruimdheid en een ongedwongen maar levensgevaarlijk ochtend positivisme van het soort waar een aantal Nederlanders die ik kende niet tegen ingeënt bleken te zijn. Dat liet ze blijken door elke dag haar geschonken, te omhelzen alsof het haar laatste kon zijn wat zijn weerslag vond in het zo hard mogelijk op haar fiets naar het werk te rijden, om daar blij als een kind en met het gezicht van iemand die zojuist voor de tweeëntwintigste keer de Staatsloterij had gewonnen binnen te stormen.
Ze was, zeker vergeleken bij zowat elke Nederlander, opvallend klein van gestalte. Hoe gering bleek tijdens een bezoek aan de kerk van Teresia van Avila in Den Haag -want in tegenstelling tot ikzelf, een ketterse rebel, was ze zeer gelovig- waar de bijziende pastoor haar vanaf het altaar uitnodigde om, net als het rijtje kinderen dat vooraan zat, een keuze te komen maken uit een stapeltje jeugdkerkboekjes. Pas bij het achterom kijken waar ik alleen oude besjes zag begreep ik wat hij bedoelde.
Dat ze ook van dichtbij voor anders werd versleten waren die keren toen bij het bezoek aan een slagerswinkel de eigenaar vroeg of ‘de kleine meid een stukje worst lustte.’
Naast zonder zijwieltjes te leren fietsen en praten, het in winkels zonder ellebogenwerk voor haar beurt op leren komen was het absolute hoogtepunt de voortdurende kennismaking met het ‘vreemde’ Holland wat neerkwam op het naar binnen werken van grote hoeveelheden voedsel waarmee ze ondanks haar geringe postuur met gemak een regiment dragonders overtrof en bij een bezoek aan het park bleek de broodzak al leeg te zijn voordat we bij de eendjes aangeland waren. Dit had niet mis te verstane gevolgen voor haar figuur, maar vooral het doen van boodschappen op een manier alsof de hongerwinter in aantocht was. Omdat vanuit haar optiek ieder moment een staatsgreep kon worden gepleegd waarmee het direct afgelopen was met de pret, vond ze het absoluut noodzakelijk dat na haar bezoek aan de supermarkt waarmee ze een innige en diepe band mee had, uit voorzorgsmaatregel de volle schappen met haar mee naar huis moesten worden genomen. Via de kassa, wel te verstaan, waarbij de bedrijfsleider zelf uit zijn kantoor kwam afgedaald om haar uit dank de hand te komen schudden, want in voor een praatje met iedereen was ze altijd.
De vraag “Kun je dat eten?” stond haar chronisch op de lippen gebrand. Het in haar geboorteland veel gebruikte gezegde ‘alles dat zwemt, vliegt of loopt is eetbaar, behalve een onderzeeër, een vliegtuig en een tafel,’ was er de oorzaak van dat de huismus er in 1912 voor het laatst gezien is tijdens een door José Rizal gegeven feestmaaltijd ten behoeve van het natuurbehoud.

Haar favoriete bezigheid was het bezoeken van visrestaurant van Simonis in Scheveningen, waar ze het presteerde om wanneer wij onze buik vol hadden vanwege de enorme hoeveelheden die er werden opgediend ze er als iedereen klaar was er doodleuk met de helft die er nog lag, vandoor wist te gaan. Die behoefte aan hamsteren beperkte zich tot grote bedroefdheid van mijn creditcard en bankrekening niet alleen tot voedingswaren maar ook ten voordele van Christian Dior, Chanel en Bruno Banani die hun bivak hadden opgeslagen in haar kledingkast, dit tot groot plezier van de directies van de plaatselijke ING bank en verschillende incassobedrijven want een groot gevoel voor humor, dat had ze.
Een voorbeeld daarvan was toen ze, gewapend met een veelbelovende blik in haar ogen thuis kwam, een jaar na het begin van haar inburgeringscursus.
    “Luister: ik weet een mop!” vertelde ze buiten zinnen van enthousiasme. “Ik zeg iets en dan zeg jij daarna: “Wie is daar?”
Ik, ongeveer wetend wat er ging komen gaf mijn erewoord mee te zullen doen.
   “Klop-klop!” zei ze vol overgave. “Nu jij.”
    “Wie is daar?” antwoordde ik op overtuigende toon.
     “Slagroom!” riep ze vervolgens en dan buitelde ze gierend van de lach achterover, zichtbaar genietend van de voorpret bij de gedachte bij wie ze hem nog meer uit kon proberen, want velen konden haar Oosterse charmes niet weerstaan.
De kannibalen zijn sindsdien nooit meer langs geweest. Zeker geen trek meer in draadjesvlees.    

ONDERONSJES MET KORTING

Jaargang 1, aflevering 10, donderdag 24 november 2016

 

 

alfalfatoothache

 

ONDERONSJES MET KORTING

 

“Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe…!” zong ik staand voor de petroleumkachel, gestoken in mijn pyjamaatje met een jongenshartje vol verwachting en de haartjes nog nat.
Dat kon, want Sinterklaas was toen nog een onaantastbaar instituut en genoot samen met zijn knecht een zekere diplomatieke onschendbaarheid.
Mijn vocale aanhoudendheid werd, mede vanwege het naar binnen schrokken van grote hoeveelheden pepernoten, taai-taai, borstplaat en beesten van suikergoed al de volgende dag afgestraft toen ik op 8-jarige leeftijd met een als buiten het seizoen gelegd paasei inclusief strik in een theedoek verpakt hoofd werd meegenomen naar een bij notoire kinderhaters geliefd adres in Den Haag waar een uit het leger ontslagen tandarts illegaal praktijk hield, wat het voordeel met zich meebracht dat ook gewone burgers zich met korting bij hem konden laten tormenteren.
De plek bleek recht tegenover het gebouw te zijn waar de evangelist/prediker Johan Maasbach dagelijks zijn beminde gelovigen toesprak. Al direct bij binnenkomst in de behandelkamer -want ik mocht direct door- werd duidelijk dat de instralingen van de profeet niet verder reikten dan tot net buiten zijn eigen voordeur.
De man bemìnde mij niet, en aan zijn gezicht was te zien dat hij dat vandaag ook niet van plan was. Dat kwam mij goed uit want ik beminde Gargamel evenmin wat kwam door mijn snelle blik op de gereedstaande schietstoel en de ernaast liggende gruwelgereedschappen, voldoende reden om mijn kaken niet van elkaar te doen.
  “Zolang dat rotjong het verdomd mee te werken kan ik er niet bij,” klaagde hij bij mijn stiefvader, een statement wat mij deed besluiten de ophaalbrug voorgoed omhoog te hijsen, het valhek te laten vallen en emmers kokende olie en teer klaar te zetten, in afwachting van wat de vijand nog meer voor mij in petto had en het voor de zekerheid maar op een schreeuwen zette zodat mensen op straat bleven staan en nieuwsgierig geworden naar wat zich daar afspeelde door het raam naar binnen probeerden te kijken.
  “Zeg hem onmiddellijk zijn bek te houden!” riep de kindervriend in een vergeefse poging om met zijn blote handen mijn kaken van elkaar te krijgen. “Zo verlies ik klanten. Als hij niet meewerkt zal ik hem vast moeten binden en verdoven, als u dat maar weet!”, een dreigement dat ervoor zorgde dat ik alleen nog maar harder begon te schreeuwen waardoor mijn stiefvader zich tot in tegenstelling tot daarvoor wèl bereid vond tot het doen van aan mij in het vooruitzicht gestelde materiële en culinaire beloften. Pedagogische raad bleek duur, toen ook al.
  “Als hij zijn kop niet houdt roep ik de politie erbij,” dreigde de man na het inzien dat hij op het punt stond een nederlaag te lijden.
  “Doet u dat dan maar, dokter,” antwoordde stiefvader die het spelletje van de man wel een goede oplossing vond in een uiterste poging mij tot bedaren te brengen. “Dan moet hij maar voelen hoe het is om niet te willen luisteren.”
Rechtop gezeten in de schietstoel met mijn zich verkneukelende stiefvader ernaast was ik er getuige van hoe hij woest de gang in beende waar hij op de telefoon die daar hing een nummer begon te draaien.
  “Hallo! Politie?” hoorden we hem vervolgens zeggen. “U spreekt met tandarts ‘……’ Kunt u direct hierheen komen? Het betreft een geval van huisvredebreuk, verstoring van de openbare orde en het weerstand bieden tegen het militair gezag. Het betreft een minderjarige, een snotaap die denkt de boel hier te kunnen verstoren. Het adres is….”
Nep, dachten we simultaan, maar toen er vijf minuten later inderdaad een donkerblauwe Volkswagen kever voor de deur stopte vond zelfs mijn stiefvader dat net even te ver gaan en zo stonden we tot mijn grote vreugde even later maar onverrichter zake weer op straat. Zoet smaakte mijn overwinning! Maar eenmaal thuis bleek die te bestaan uit een mand rotte appelen.
    “Zijn jullie weer terug?” klonk vanuit het trapgat.
Het even later zien van de verbeten blik op het donkere gezicht van mijn begeleider en het waarnemen van de betraande ogen en de dikke wang van het tot buitenaardse proporties gezwollen paasei daarachter was voldoende voor haar om te beseffen wat er was gebeurd, of beter: wat niet.
  “In godsnaam, breng hem dan maar naar het ziekenhuis,” verzuchtte mijn moeder toen ze van hem hoorde over het voorgenomen politieoptreden. ”Daar weten ze wel raad.”
Op weg naar het naar een Portugees jongetje dat heilig was verklaard nadat het op achtjarige leeftijd van huis was weggelopen genoemde ziekenhuis ‘Johannes de Deo’ waar een constante permageur van lysol en Boldoot de man met de zeis op afstand moest houden, zag ik in iedere voorbijganger een lustmoordenaar die zich voor eigen vertier zijn of haar handen in mijn veel te kleine mond wilde steken. Binnen, voortijlend langs overbezette, met open ruggetjes en afgezette ledematen gevulde zalen zonk mij de moed nog verder in de schoenen.
Welk kwaad was in de Schepper gevaren dat hij zijn onderdanen opdracht had gegeven de mens aan zijn behoefte tot zulke onmenselijkheden te onderwerpen? Was het feit dat ik in het proletariaat was geboren dan niet genoeg? Waar is hij als je hem nodig hebt: Heilige Antonius van Padua, beschermer van kinderen, zatlappen, koekebakkers en zeelui?
Zijn afwezigheid werd duidelijk toen ik mijn stiefvader een onderonsje zag houden met een vervaarlijk breed uitziende zuster met een snor die even later, gewapend met een flesje en de andere hand gevuld met een pluk watten op mij af kwam gelopen.
  “Zo, mannetje! Ik ben zuster Ignatius,” zei ze, “Hoe heet jij?” en voordat ik niets vermoedend kon zeggen hoe ik heette duwde ze de prop watten onder mijn neus waarna ik mijzelf onderuit voelde glijden en zag hoe het plafond in een roze suikerspin veranderde. “Grijp hem!” was daarna het enige dat ik haar nog hoorde zeggen.
Een kwartier later vond ik mijzelf weer terug in de gang, languit op mijn rug op het bruine zeil van een brancard uit de Tweede Wereldoorlog met wieltjes, een naar gevoel rijker en een melkkies en een illusie over de rechten van de mens armer. De rest van de dag bracht ik in vrijwillige eenzaamheid door op zolder met op mijn netvlies nog steeds het gezicht van mijn stiefvader met daarop de triomfantelijke blik waarvan ik van te voren al wist dat die daar een week zou blijven zitten.
Sinterklaas ging datzelfde jaar ons huis voorbij. Voor in slappe thee gedompelde beschuitjes zing ik niet.      

DE MOSSELMAN

DE MOSSELMAN

 

Roept u dat de ware helden die ons land ooit rijk waren zijn uitgestorven dan is mijn antwoord daarop een driewerf “nee.”
Het bewijs daarvoor blijkt uit mijn naspeuringen nadat ik op een snikhete dag een tip ontving van het O.Z.V.V, het Opvanghuis voor Zeewezen en Varende Vondelingen omtrent de geheime verblijfplaats van ‘s lands bekendste inwoner van Scheveningen.
Al tijdens het bestijgen van het duin trof ik hem, de uit gepekt tuigleer opgetrokken ziltenaar bezig een pijp te stoppen voor de deur van zijn domicilie, een tijdens de watersnoodramp van 1953 losgeslagen stuurhut van de destijds met man en muis vergane kotter Neeltje Geertruida Juliana XVIII.
  “Zag u het?” vroeg hij toen hij mij in het oog kreeg.
  “Net gemist. Wat was het?”
  “Het weeromstuit.”
Onbekend met het fenomeen vroeg ik hem wat dat was.
  “Ik heb niet het flauwste benul eerlijk gezegd,” sprak de held zijn schouders ophalend. “Het staat sinds 1953 beschreven in de Scheveninger Almanak maar het is tot op de dag van vandaag nooit voorgekomen. U bent een geluksvogel, weet u dat? Vraagt u mij nu eens hoe groot de kans is op een zuidwesterstorm.”
Die kans liet ik niet aan mij voorbij gaan.
  “U bent een bofkont,” gierde hij. “Volgens de almanak- die van Scheveningen is veel ouder dan die van Enkhuizen- is het de komende nacht raak. Merkt u die zweem daar?”
Hij wees naar een plek in de strakblauwe lucht recht boven ons waarna ik hem moest bekennen dat ik het niet zag.
  “T is ook meer een zier, een zwek, niet zichtbaar voor landrotten.”
  “Wat doet het?” wilde ik nieuwsgierig geworden weten.
  “Op zichzelf niets,” zei de man in zijn handen wrijvend. “Zeerotten daarentegen zegt het dat binnen het uur een wind uit Zuidzuidwest ons zal bereiken met elk uur een afwijking naar pal noordnoordwest. Zoiets is sinds de Sint Elisabethsvloed van 1421 niet meer voorgekomen, weet u dat? Persoonlijk heb ik ze zo het liefst en als het kan een keer per week. Voor dat weer gaat zelfs Medusa lopen alhoewel het van mij de laatste keer nog wel wat heftiger kon maar dat terzijde. Wat wilde u van mij weten?”
  “Vragen hoe het komt dat u dat weet van die storm voor vannacht. Ik zie nergens een wolk en het is volkomen windstil.”
  “Dat denkt u maar,” lachte hij fijntjes. “Binnen nu en een kwartier slaat het stuit om, let op mijn woorden.”
Hij legde een vinger tegen zijn linkerneusgat en snoot. Daarna hield hij zijn wijsvinger in de lucht waar nog steeds geen wolk te zien was en stak die toen in zijn mond.
  “Zouter dan dit krijg je het niet opgediend,” sprak hij stellig. “Alleen een mossel voelt zich daarin thuis.”
  “Moest het niet andersom?” vroeg ik tegen beter weten in. “Eerst je vinger nat maken?”
  “Ha! Meneer denkt het beter te weten. Die methode is al jaren achterhaald en sinds de invoer van de Warenwet verboden. Als mijn vinger al van te voren nat zou zijn geweest beïnvloedt dat het resultaat op negatieve wijze alsof het regent maar dat doet het niet. Het zegt mij dat de storm tussen middernacht en half een op zijn sterkst zal zijn met om half twee springtij. Hebt u uw reddingsvest bij u?”
Ik antwoordde dat ik die niet had.
  “Dan bent u straks een speelbal voor de golven en daarmee reddeloos verloren,” sprak de geweldenaar niet zonder gevoel voor dramatiek.
“Typisch landrottengedrag. Ze nemen het ervan en gaan er intussen vanuit dat het allemaal wel mee zal vallen maar als puntje bij paaltje komt zitten ze als eerste in het vooronder. Vrouwen en kinderen eerst.”
  “Wordt hij zo erg?” vroeg ik. “Het acht uur journaal heeft gezegd -”
  “Het acht uur journaal is een farce meneer, een lachertje. Weet u van wie zij hun weersvoorspellingen vandaan halen? Niet bij de bakker op de hoek zeg ik u, al bakt die merakels goed scheepsbeschuit. Ziet u die faxmachines en telexen daar staan? Elk uur loopt het hier storm, meneer. De hele mikmak waaronder het KNMI, de ANWB, de Christelijke, Fijnzinnig Gereformeerde en Lutherse tuindersverenigingen, alle glasverzekeringsmaatschappijen, Piet Paulusma, de binnenschippersbond, ze hangen aan mijn lippen als het gaat om het krijgen van een nauwkeurige voorspelling. Laatst meldde zich de voorzitter van de ABVV nog bij me voor advies.”
  “De ABVV? U bedoelt de Amsterdamse Beleggers VakVereniging.”
  “Beslist niet. Ik heb het over de Apeldoornse BlaasVoetbal Vereniging. De man wilde weten of hij veilig kon gaan vissen op het Tjeukemeer.”
  “Die zit. Wat dat voorspellen betreft,” vroeg ik. “zit u er nooit eens een keertje naast?”
  “Vrijwel nooit. Er zijn voorspellers die daar goed in zijn maar daar doe ik niet aan mee. Ik lever alleen betrouwbaar maatwerk en dan heb ik het over stormen met minimaal voor twee miljard schade en minstens honderd doden waarvan er al minimaal vijftig naar de haaien gaan door omvallende bomen, dakpannen en lantaarnpalen.”
  “Wauw. Dat heet aan wal een ramp,” opperde ik. “Windkracht elf uit het zuidwesten is een -”
  “Ja stopt u maar weer,” onderbrak hij mij nors. “Elf telt niet mee. Dat heet in de almanak een flauwe koelte. Voor zoiets kom ik mijn kooi niet eens uit.”
  “En twaalf?”
  “Slappe koelte. Alles tot en met windkracht veertien is amper de moeite van het meten waard. Je hebt een flauwe koelte, een slappe, een dunne, een fletse. Bij alles daaronder draai ik mij nog eens lekker om. Nee, het echte werk begint pas bij achttien, dat heet een koude bries en dan briezen we meteen door tot en met tweeëntwintig. Een stijve.”
  “U zegt?”
  “Bries. Stijve bries wel te verstaan. Wat had u dan gedacht, een strakke? Alhoewel, windkracht tweeëndertig heeft ook zijn charmes. Als ik daaraan denk…”
  “Bestaat die dan?” vroeg ik ongelovig.
  “Of die bestaat,” sprak de zeebonk onder het uitkloppen van zijn pijp tegen mijn knie. “Hoe denkt u dat de scheve Jan in Delft anders aan zijn naam komt? Of waarom de Cauberg in Limburg ligt en niet bij Katwijk aan Zee? Juist meneer. Daar is kracht voor nodig, veel kracht en dan met name een krachtige wind. Kom daar maar eens om vandaag de dag! Nee, het sjeu is eraf. Heel Nederland denkt tegenwoordig dat-ie sterk is. Sommige mensen ruiken misschien sterk, maar zij zijn het niet,” sprak hij, een dode vis vanonder zijn zuidwester tevoorschijn halend.
  “Hier, neem deze gerookte bokking bijvoorbeeld. Ruikt-ie?”
  “Zou’k wel denken,” antwoordde ik met dichtgeknepen neus.
  “Aha! Nu komen we ergens. Maar is-ie ook sterk?”
  “Geen idee.”
  “Dan nemen wij de proef op de som.”
De mosselman legde de bokking op de houten vloer en ging er met zijn volle gewicht op staan. Er gebeurde niets.
  “Ziet!” sprak hij opgetogen. “Het dier is dood maar niet te slap om mij te dragen. Vraag beantwoordt.”
Ik schoot in de lach. “Wat had u dan verwacht? Een rondje ermee om de vuurtoren?”
  “Meneer is niet leuk en gaat tegen beter weten in. Een gerookte bokking is sterker dan de meeste mensen die ik ken. Zelfs politici, die zijn levend nog te slap om hun verantwoording te dragen.”
  “Dat brengt mij op mijn tweede vraag: of u getrouwd bent. Ik zie namelijk nergens jonge mosseltjes of zelfs maar iets dat lijkt op de aanwezigheid van iemand anders behalve uzelf.”
  “Dat ziet u goed. Niet dat ik het nooit heb geprobeerd, integendeel. Zout water laat zich juist goed mengen met zoet, dat heet dan Brak, de achternaam van mijn opoe aan vaders kant. Op mijn 18e deed ik het al met de Kleine Zeemeermin. Een lekker wijf wel, moet ik zeggen. Daarna kwam er een tijdje gewoon niets van terecht omdat ik het te druk had met de opening van mijn visrestaurant. Maar zeewater komt nu eenmaal op plekken waar je het liever niet hebt dus een jaar later lag ik alweer te flikflooien met de dochters van Neptunus. Ik had de hele Noordzee als mijn waterbed dus wat wil je? Soms was ik er zogenaamd eentje kwijt die ik dan moest zoeken. Het voordeel van zout in je waterbed is dat de mossel daardoor wat verder open gaat staan als u begrijpt wat ik bedoel. Dat was toen. De laatste relatie die ik had dateert alweer van een tijdje geleden, dat was met het Vrouwtje van Stavoren. Op zich een best mens maar op het laatst werd ze vreselijk achterdochtig en na een reeks andere relaties hield ik het wel voor gezien.”
Ik liet hem merken dat ik het begreep.
  “Is het zo niet vreselijk eenzaam, hier in uw eentje op het duin?” wilde ik weten. “Ik kan mij voorstellen dat een kindervriend zoals u omkomt in de vrienden.”
  “Ha! Vrienden zegt u? Die heb ik niet. Naast de paar kinderen die mij nog kennen van het versje die inmiddels allemaal al volwassen zijn geworden of overleden heb ik er nog maar eentje over. Piggel heet hij, een beste kerel en een voormalig BN’er. Hij woont hier vlakbij.”
De mosselman wees met zijn duim naar een duinpan niet ver van de zijne waar ik nog net zag hoe een dun kringeltje grijze rook vanuit een duinpan opsteeg.
  “De anderen liggen allemaal op de bodem van de Noordzee. Lou de Palingboer hebbe hun ziel.”
Er begon mij iets te dagen.
  “Piggel? Bedoelt u soms Piggelmee? Dat kleine mannetje dat samen met zijn vrouwtje een omgekeerde Keulse pot bewoont?”
  “Die. Zijn vrouw heet Tureluur. Kent u hem?”
Ik legde hem uit dat er thuis uitsluitend thee werd gedronken.
  “En wat betreft uw naam, ‘Mossel,’ waar hebt u die aan te danken? Ik weet van een buurtschap in Bronckhorst dat zo heet en een -”
De mosselman onderbrak mij, wijzend naar de plek waar mijn broek overging in het duinzand.
  “U zit erop, en naast mijn naam. Die luidt Mytilus Edulis.”
  “Wablief?”
  “Een stuk prikkeldraad. Mytilus Edulis zijn mijn voornamen. Die heb ik van mijn moeder Ka, geboren Toet-Vissch maar vanwege haar huwelijk met een visser uit Yrseke noemde ze zich voor het gemak Kaat Mossel. Zijn beroep en later dat van haar was mosselsorteerder.”
   “Mosselen sorteren? Op grootte, neem ik dan aan?”
  “Geenszins. Het ging erom mosselen niet ziek waren of niet open wilden  eruit te vissen. Bij twijfel ondergingen ze een vitaminekuur in het Zeehospitium. In het ergste geval werd de bank gebeld en kregen ze of ze het leuk vonden of niet de hele oogst recht in hun mik geschoven weer terug.”
  “De bank?”
  “De mosselbank, slome. Op een paar enkelen na herstelden de meesten zich wel. Die niet open wilden of stonken gingen onverwijld naar de delicatessenwinkel bij het Binnenhof om de hoek. Ze waren veel te gevaarlijk om ze aan de gewone bevolking uit te delen en op die manier maakten ze zich nog nuttig ook. Vandaar de daaraan gerelateerde uitspraken die nog steeds in de Tweede Kamer worden gebruikt zoals ‘doe mij maar een teiltje,’ of ‘ik zie groen en geel meneer de voorzitter,’ en ‘ik ga even liggen.’ Jammer genoeg herstellen de meeste politici zich snel. En nu eruit want het is weer zowat tijd. Mijn klanten hebben een hekel aan te moeten wachten.”
  “En die zuidwesterstorm dan?” protesteerde ik.
  “U hebt weer geluk. Hebt u zich daar wel eens op laten testen? Een zuidwester is niets vergeleken bij een Noordwester en er is niets dat u ertegen kunt doen.”
  “Ja, maar ik zie niet wat -”
  “Dat leest u in de Scheveninger Almanak, zeventigste editie, bladzijde tweeëntachtig. En voordat u erover begint: mijn exemplaar krijgt u niet.”
Ik spoedde mij naar de dichtstbijzijnde kantoorboekhandel en doorzocht het boekje na het te hebben gekocht open naar de betreffende bladzijde die niet bleek te bestaan. Op bladzijde eenentachtig stond gedrukt:

U bent beetgenomen. In noodgevallen: scheur de volgende bladzijde eruit en houdt hem tussen duim en wijsvinger. Waait hij weg dan waait het. Wordt het nat dan regent het. In elk ander geval is er niets aan de hand om u zorgen over te maken.

  

DE HAAT-IMAM

DE HAAT-IMAM

 

Overdag vermomd als gynaecoloog en ‘s-avonds bijklussend als garderobejuffrouw was de doemprediker niet eenvoudig te lokaliseren. Steeds als ik dacht hem voor een interview te hebben gestrikt slaagde hij er op miraculeuze wijze in te ontkomen totdat ik bij toeval zijn schuilplaats wist te achterhalen, een knusse zolderkamer van een gezellig anoniem blijf-van-mijn-lijf huis voor mannen in Bergen op Zoom.
Al bij het naderen van de gemeentegrens was het raak. Bordjes met daarop de waarschuwende tekst ‘Iedereen go home!’ gaven aan dat er voor andersdenkenden geen plaats was. Ook de aanduiding ‘Eikels weg!’ in het stadspark met daarin alleen wat platanen, lariksen en een enkele wilg liet niets te raden over. Een plaquette bij twee defecte schommels en een wip zonder stoeltjes waarop duidelijk stond te lezen ‘Opstaan voor de dood misstaat niemand’ was voor mij het bewijs dat de haat-imam in deze gemeente woonde en bij het aantreffen van propagandistische teksten op de muren van een schoolgebouw zoals ‘Jean-Claude: uw moeder houdt niet van u!’ en ‘Het leven is een keuze’ wist ik het zeker. Uitzinnig van vreugde werd ik toen ik op het deksel van de brievenbus van een herenhuis de tekst ’Hier is het niet’ tegenkwam.
De voordeur werd – gelukkig zag ik bijtijds de punaise die op de bovenste deurbel was gelijmd – geopend door een kind gewapend met een enorm kromzwaard in een T-shirt. ‘Ik haat de haatsmurf!’ stond er op.
  “U komt voor?…” vroeg het kind.
  “De imam zelf,” antwoordde ik. “Is de prediker thuis?”
De jongen van hooguit tien jaar oud wilde iets zeggen maar bedacht zich. Drie tellen later scheen hij zich iets te herinneren. “Bent u van de PVV?”
Dat moest ik ontkennen.
   “He pa!” schreeuwde hij in de richting van het donkere trapgat achter hem. “Er staat weer zo’n patjepeejer aan de deur. Zal ik ‘em effe voor je scalperen of mag-tie naar binne?”
Even bleef het stil totdat een stem van boven klonk: ‘Vraag hem of hij gewapend is.”
  “Alleen met mijn pen en mijn tong,” antwoordde ik voor mijn beurt.
    “Sta hem dan toe tot mij te komen,” sprak de stem weer. “Hij is onschadelijk.”
  “Burger,” sprak de ruigbesnorde ongeschoren in een driedelig krijtstreepjespak gestoken grootgeestbezitter met een theedoek van Blokker op zijn hoofd. “Ik heet u van harte niet welkom. Maak het uzelf ongemakkelijk.”
De man wees mij naar een plek op het spijkerbed in de hoek.
  “Op welke wijze is het dat ik u kan haten?” vroeg hij toen ik zat.
Ik haalde mijn schouders op. “Doet u mij een passend voorstel. Ik ben een kostwinner in bezit van een oude fiets en geloof alleen in Clint Eastwood.”
De imam boog. “In dat geval bid ik voor u dat er plaats zal zijn in de Christenhel. Moge u branden tot in de eeuwigheid.”
  “Amen,” antwoordde ik en liet hem zonder zijn reactie af te wachten weten dat mijn beroep schrijver was, zeer vereerd te zijn hem te mogen ontmoeten en vertelde hem van mijn voornemen meer te weten te willen komen over zijn doel en wat hem drijft.
De imam krabde zich tussen de benen, rook even aan zijn middelvinger, hief hem in de lucht en zei: “Een schrijver is als de haan die denkt dat de zon slechts is opgekomen om hem te horen kraaien. Wat wilt u weten?”
  “Hoe u ertoe bent gekomen om alles en iedereen te haten? Naast een paar ondergedoken Zwarte Pietenhaters en een louche weerman staat u algemeen bekend als iemand die erop uit is verdeeldheid en ruzie onder de bevolking te zaaien.”
  “Op die vraag past een eenvoudig antwoord,” gaf hij te kennen. “Het afzweren van humor.”
  “Van humor?”
  “Dat zeg ik. Humor brengt vreugde in het leven, een verderfelijk iets. Haat daarentegen nodigt uit tot nadenken. Het schept tweespalt onder de bevolking en houdt de mens wakker, zoiets begrijpt een kind. Samenwerking op basis van humor is slecht voor de ontwikkeling van het individu. Het maakt hem tot een lui varken.”
  “Is dat waarom u geen varkensvlees eet?”
Hij lachte in zijn baard. “U moet niet alles geloven wat de media u voorschotelt. Dat maakt u tot een sukkel. Weet u waarom?”
Hier moest ik bekennen het antwoord daarop niet te te weten.
  “Omdat u met uw neus overal intrapt. U wordt misleid. Luister!”
Vanonder zijn kussen knetterde een klinkende scheet.
  “Daar! Wat valt u nu op?”
  “Dat het hier behoorlijk begint te stinken,” antwoordde ik voorzichtig.
  “Aha! En ziet u iets, ongelovige?”
  “Niet meer of minder dan daarnet. Maar dat wil nog steeds niet zeggen dat-”
Hier schoot de prediker uit zijn krulslof.
   “Moge de profeet u roosteren! Uw geloof is hetzelfde gebleven. Toch is er iets veranderd. Veel mensen durven dat als het hen overkomt niet toe te geven. Geeft u dus maar gewoon toe dat u in het ootje wordt genomen.”
Het gevoel dat iets niet klopte aan zijn redenering bekroop mij.
  “Een andere vraag: als haat-imam hebt u vele vijanden, vooral in linkse kringen. Is dat de reden waarom u in een blijf-van-mijn-lijf huis woont?”
  “Dat ziet u verkeerd zoals u alles in het leven verkeerd ziet. Dit adres is slechts mijn dekmantel, een lege façade waarvandaan ik uw maatschappij systematisch van humor besteel.”
Ik begreep dat ik hier te maken had met een groot ziener.
  “Christenen bedienen zich vaak ten onrechte van humor,” sprak de man. “Dat is platvloers. Wij salamifisten snappen dat niet. Humor weerspiegelt de zwarte ziel, vooral joodse grappen. Die gaan bijna altijd over zelfspot. Gemeende ernst, gespeend van enige grappigheid daarentegen siert de mens omdat hij daarmee direct duidelijk maakt wat hij bedoeld. Vertelt u maar eens een grap. U zult direct merken dat ik u verafschuw.”
Ik vertelde hem die van wat het verschil is tussen een pastoor en een varken maar toen hij afgelopen was gebeurde er niets.
  “Ziet u wel? Stelt u zich eens voor wat er zou gebeuren wanneer er de hele dag gelachen werd in de Tweede Kamer. Niemand zou de politiek nog serieus nemen. Er zouden verkeerde beslissingen worden gemaakt met alle gevolgen van dien. Vertelt u mij; neemt u politici serieus?”
Ik bekende dat ik dat van jongs af aan al niet deed.
  “Dat zal komen omdat mijn vader er een was. Ik ken het klappen van de zweep een beetje.”
  “Aha! Dus u kreeg zweepslagen. Hoeveel?”
  “Ja, nee, ja. Soms zes keer, figuurlijk gesproken dan,” antwoordde ik. “Ik had het wel eens met hem aan de stok.”
De imam zette een zuinig gezicht op. “Dus het was geen zweep maar een stok! Dat is precies wat ik bedoel. Uw vader was een groot man behalve wat uw opvoeding betreft.”
  “Hoezo?” protesteerde ik. “Ik verzeker u dat ik altijd mijn bordje leeg at.”
  “Dat telt niet mee. Wat die stokslagen betreft, het hadden er 50 moeten zijn. Een ogenblikje. Ik bewijs u graag een dienst.”
Door een ruk aan een koord met daaraan een belletje riep hij de jongen bij zich. “Breng de Stok!”
  “Mag ik?” vroeg hij mij toen de jongen terug was met een soepele bamboelat.
  “Heel graag!” antwoordde ik oprecht dankbaar en liet mijn broek zakken. “Als het kan doet u er maar een paar extra plus eentje voor onderweg. Goed voor de versterving.”
Een kwartier later zat ik naast hem op hetzelfde kussen, mijn billen wrijvend. “Ik weet niet hoe ik u genoeg kan bedanken, maar hoe weet ik of het heeft geholpen?”
  “Door het nogmaals vertellen van een mop. Als er niets komt werkt het.”
Ik probeerde mij er nog een te herinneren maar hoe ik ook perste, er kwam niets.
  “Ziet u nu dat ik gelijk heb?” zei hij trots. “En dit was nog maar een kleine demonstratie. Wacht u maar eens af wat er gebeurt wanneer bij heel Nederland de broek op de knieën hangt. Binnen een jaar wonen er alleen nog hoogbegaafden.”
In gedachten was ik al bezig met het ontcijferen van het Voynich manuscript.
  “Ik kan bijna niet wachten,” vroeg ik. “Hoe bent u op het idee gekomen dit te gaan doen? Daarmee wil ik maar zeggen dat als u ermee doorgaat het straks in Nederland wemelt van de haat-imams. Daar zit niemand op te wachten. Kansloos dus, zou ik zeggen.”
Hier sprong de imam verontwaardigd op.
  “Denkt u dat ik dit allemaal maar verzin? Het was in een visioen, in Scheveningen. Om precies te zijn in de vitrine van een visrestaurant waar de profeet mij de oorzaak van alle ellende liet zien. Ik weet het nog goed. Hij zat tussen de gerookte makreel en de scharretjes in toen ik onwel werd.”
  “Een foute mossel?”
  “Geenszins. Kees, sprak Hij tegen mij, ‘het is uw taak die ketterse ongelovigen te doen inzien dat zij zich op de verkeerde weg bevinden. Ga heen en vernietig allen die niet in mij geloven. Onthoud dat humor de wortel is van alle kwaad.’ Aldus de woorden van de profeet. En weg was-tie weer. Plop, samen met de makreel en de knoflooksaus in een plastic zak.”
  “Interessant. Maar hoe weet u wanneer iemand al bekeerd is. Zoiets is niet een-twee-drie vast te stellen.”
  “Dat ziet u wederom verkeerd. Door het dragen van een snor.”
    “Aha! Dus daarom draagt u er een?”
     “Waarom anders? Weet u een andere reden? Die weet u niet omdat hij niet bestaat! Een snor bewijst slechts dat u een extra servetje hebt gekregen van Moeder Natuur. Als mannen worden gevormd door een snor dan zou de kakkerlak de meest manmoedige van hen zijn. U hebt geen snor dus vraag ik u er een te laten groeien of het pand te verlaten.”
Wanhopig geworden zocht ik een uitweg.
  “Wat als ik mijzelf bekeer? Mijn opa zaliger had uit principe een reuze hekel aan leuke dingen en mijn oma bezocht uit beginsel drie keer daags het belastingkantoor.”
De imam keek bedenkelijk.
  “En uw vader?”
  “Van hetzelfde laken een pak. Was van Pruisische afkomst, een echte draaideurkniesoor en verslaafd aan zure zult, zure bommen en karnemelk. Schreef grafsteenteksten voor zijn beroep. Bijvoorbeeld: ‘Deze kant boven. Niet snijden AUB.’ Die maakte hij voor een vertegenwoordiger in verpakkingsmateriaal zonder donorcodicil.”
  “U bent ongeschikt,” sprak hij na diep te hebben nagedacht. “Wegens het hebben van geen respect voor de ouderen. Gaat u heen alstublieft en stop met uzelf te vermenigvuldigen.”
  “En die snor dan?” probeerde ik ten einde raad.
  “Laat maar,” zei hij, een wegwuifgebaar makend. “Uw zou er uw neus nog mee te schande zetten. Dat doet u nu al door hem in zaken te steken die u niet aangaan. Ik groet u.”

DE UITGEVER

DE UITGEVER

 

Bij wijze van hoge uitzondering werd het mij toegestaan de uitgeverij die mijn werk publiceert met een bezoekje te vereren. Na drie keer op het adres, een statig pand aan de Herengracht in Amsterdam te hebben aangebeld werd de deur uiteindelijk opengedaan. Voor mij stond een mager, bleek meisje van 12, hooguit 13 jaar.
  “Is de directeur aanwezig?” vroeg ik.
  “Spreekt u mee. Kan ik iets voor u betekenen?”
Verbaasd meldde ik dat ik kwam voor de afspraak.
  “Daar kan ik mij opeens niets meer van herinneren,” sprak ze kortaf. “Maar in dat geval, komt u verder.”
Ze ging mij voor, een lange gang door met aan het uiteinde links en rechts twee deuren. ‘Vagevuur,’ stond op de linker terwijl op de rechterdeur een bordje was bevestigd met, o voorzienigheid, het woord ‘Hemel.’
  “Die bordjes, waar zijn die voor?” vroeg ik achterdochtig geworden.
  “Om verschil aan te geven,” zei ze voortsnellend. “In het Vagevuur bevinden zich schrijvers die ooit hun manuscript aan ons hebben toegestuurd en op ons antwoord wachten. De Hemel, dat spreekt voor zich.”
Omdat ik na een jaar mijn royalties nog steeds niet binnen had werd ik nieuwsgierig naar de plek waar ik was ondergebracht.
  “Daar,” zei ze, en wees naar de bezemkast. “Wilt u er in plaatsnemen? Ik kom zo bij u.”
Binnen bevond zich een zandbak waarin de Dichter des Vaderlands bezig was zandtaartjes te bakken.
  “Wilt het een beetje lukken?” vroeg ik teneinde het ijs te doen breken.
  “Enigermate,” sprak hij. “Hopla! Hier is een schepje.”
Al scheppend viel mij een hele muur overspannende tot het plafond reikende boekenkast op met daarin welgeteld maar drie titels. ‘Uitgeven voor Dummies’  een Suske en Wiske album ‘De Gierige Graaier’ en een dik boek met de titel: ”God is een uitgever”. Net voordat ik mij in het laatste kon verdiepen stapte het meisje weer binnen. “Komt u met mij mee?”
We verlieten de bezemkast en liepen verder de gang in tot ze stopte voor een met goud beslagen deur. ‘Walhalla,’ stond er op.
  “Sigaar?” vroeg ze, neerploffend achter een reusachtig eikenhouten bureau. “Deze zijn uit eigen doos.”
Ik zei dat ik niet rookte en besloot maar direct mijn belangrijkste vraag op haar af te vuren.
  “Als uitgeverij De Luie Leguaan hebt u een naam alle manuscripten ongelezen naar de prullenmand te verwijzen. Wat zijn daarvoor de criteria?”
  “Slechts een paar. Wij accepteren alleen manuscripten via de reguliere post op 90 grams geschept papier, handgeschreven met een vulpen of ganzenveer,” somde ze op. “De gebruikte inkt moet afkomstig zijn van de galappels van de Noord-Tibetaanse zwerfeik. Het toegestane lettertype is Times New Roman, 11 punts met een regelafstand van 1.5. De kleur van het toegestane papier is vastgesteld op…”
Een snotje ontsnapte aan haar neus.
  “Groen,” verontschuldigde ze zich. “De drempel om die rotzooi, excuseer, manuscripten aan ons op te sturen moet zo hoog mogelijk zijn. Zo halen we de motivatie er wel uit bij de dames en heren schrijversvolk.”
Ze zag de teleurstelling op mijn gezicht.
  “Maar een keer per jaar accepteren wij wel een manuscript.”
Ze telde op de vingers van haar hand. “Uitgezonderd de schrikkeljaren natuurlijk.”
Ik besloot het haar te vergeven. De krokusvakantie was tenslotte nog maar een week geleden begonnen.
  “Wat doet u met het overschot?” wilde ik weten. ‘Bewaren voor een geschikter ogenblik?”
  “Zoiets. Dat sturen we na acht jaar weer terug.”
  “Acht jaar? Waarom zo lang?”
  “Louter uit professionele afwegingen. Zo geven we iedereen het idee dat er wel degelijk naar gekeken wordt. In feite gaat alles op een grote stapel. Dan doe ik iene miene mutte en pak er met mijn ogen dicht een tussenuit.”
‘En wat gebeurt er dan?”
  “Dan geven we het, wat het ook is meteen uit. Zo snel mogelijk. Vorige week bijvoorbeeld ging een fotoboek voor blinden zo snel dat het in de winkels lag voor het zelfs maar gedrukt was.”
  “Maar, dat betekent dat er op dit moment een boek in de winkel ligt -”
  “Zonder letters ja. Blanco. Maar zo zijn we de concurrentie voor en niemand verwachtte het. Zo blijven we innovatief, creatief en concurrerend tegelijk.”
  “Maar dat is toch niet eerlijk?”
Ze keek me niet-begrijpend aan en begon onbewust aan haar jurk te friemelen.
  “Ik mag van mama ook maar een koekje per dag uit de trommel pakken. Dat is ook niet eerlijk.”
  “Wat ik ook graag wilde weten,” stelde ik. “Waarom stuurt u nooit een bericht terug? Steeds als ik via e-mail of via de post een vraag stel moet ik wachten op een antwoord. Tot nu toe heb ik er nooit een mogen ontvangen.”
  “Zelfde verhaal. Direct of uberhaupt antwoord geven is onprofessioneel en weinig respectvol. Als ik direct een antwoord geef zou u denken dat ik niets te doen heb ook al is dat zo. Het gaat erom dat zoiets niet past bij een bedrijf zoals het onze. Het niet beantwoorden van post geeft een betere indruk en is helemaal van deze tijd.”
  “Dat is verschrikkelijk,” reageerde ik verontwaardigd. “Dagelijks gaan over de hele wereld miljoenen schrijvers kapot door kou, hitte, slaaptekort en alcohol. Ze worden afgezeken door schizofrene, bi-polaire, manisch-depressieve op geldbeluste uitgevers zoals u, die met hun….”
  ‘Als u me aan het huilen maakt wordt ik boos,” zei ze met een trillende bovenlip. “En dan vind ik u niet meer aardig.”
Snel bood ik mijn zakdoek aan waar ze drie keer heel hard in snoot.
  “Dank u, zei ze. “‘U bent lief. Wilt u kauwgum? Ik heb eens twee bubbels tegelijk gemaakt die toen klapten en op mijn voorhoofd bleven plakken.”
Op dat moment zag ik vanuit mijn ooghoeken iemand de kamer voorbij lopen met zwemflippers aan, gekleed in een roze tutu met bretels en twee pluche konijnenoren op zijn hoofd. Op zijn borst prijkte een flinke bos over de rand van de tutu uit golvend krullerig borsthaar.
  “Zag u hem ook?” knipoogde ze naar me.
  “Ja. Wie was dat?” vroeg ik joviaal.
  “De redacteur non-fictie, fictie, kinderboeken, proza, fantasy, SF, kruiswoordpuzzels… Wacht even.”
Ze liep de gang op en schreeuwde: “Hè Stanislaus, welke doe je nog meer?”
  “Sport!” werd er teruggeroepen.
  “Potdikkie! Was ik er toch een vergeten. Waar waren we?”
  “Dat u er een potje van maakt.”
  “‘Nietes, dat doe ik nooit, behalve wanneer ik op mijn jurk heb gemorst bij het vingerverven elke woensdagmiddag.”
Te laat realiseerde ik me dat het woensdag was en het tegen twaalven liep.
  “Wilt u het ook eens proberen?”
  ‘‘Nee dank u.”
  “‘Kom eens hier,” fluisterde ze, aan welk verzoek ik met schroom voldeed, bang doof te worden geklapkauwgumd.
  “Ik weet nog een mop,” zei ze. “Het is rood en het laat een spoor na op elke pagina van elk manuscript…is dat een echt onderwaterhorloge?”
Ik bekende dat ik het niet wist. Ondertussen was ze met het puntje van haar tong uit een mondhoek bezig met een krijtje een hinkelbaan op de parketvloer te tekenen.
  “Wat is het?” vroeg ik na een puntenslijper in vakje een te hebben gegooid. “Ik mag beginnen!”
  “Het corrigeerpotlood van de redacteur. Jij bent af.”
  ‘Dat is oneerlijk.”
  ‘Klopt!” zei ze, en gooide de puntenslijper via mijn voorhoofd in vak 8. “Gewonnen!”
Ik heb mijzelf toen maar uitgelaten.

DE MANNETJESPUTTER

DE MANNETJESPUTTER

 

Gewaarschuwd door een handelaar in tweedehands waxinelichtjes uit Vogelenzang dat ‘s lands nog enige in leven zijnde mannetjesputter zich in Nederland zou bevinden – kenners kennen hem als Carduelis Carduelis, bij het grauw beter bekend als putter of distelvink, familie der vinkachtigen – besloot ik om niets van het beestje zijn capriolen te hoeven missen mij direct naar de plek te begeven waar het fenomeen het laatst werd gezien. Het betrof het Kopje van Bloemendaal te Bloemendaal waar na een korte briefing van de door het dier met zijn uitwerpselen bekogelde Luitenant ter duin eerste klasse van het korps Vogelspotters Majoor Borstje bleek dat het niet om zomaar een mannetje ging, maar om een bronstig exemplaar.
U begrijpt het inmiddels: dekking zoeken was geboden, een voorstel waarin na het trekken van gemerkte lucifers drie Milva’s van tegen de zeventig zich direct in konden vinden.
Daar klonk eindelijk zijn lokroep! Het was een langgerekte imitatie van het lied ‘De paden op, de lanen in,’ een kreet die niets te raden overliet en door Borstje zelf met ‘Vooruit, met flinke pas!’ werd beantwoord.
Om het dier niet direct alle gras onder zijn pootjes weg te maaien en het zodoende een kans te geven van zich te laten horen zetten wij luidruchtig in met ‘Overal, overal, waar de meisjes zijn…,’ wat tevergeefs bleek te zijn want een antwoord bleef uit. Een recruut die trachtte de zaak nog te redden met ‘In het bronsgroen eikenhout’ en ‘Aan de blanke top der duinen,’ werd terstond teruggefloten en voor straf tot gewoon burger gedegradeerd.
Oplettende lezers bespeurden het al: de vogel waar het hier om ging was allerminst een vogel, laat staan lid van de stam der Chordata en al helemaal niet van de orde der passeriformes oftewel zangvogels, een conclusie die majoor Borstje en zijn manschappen deed terugtrekken waarmee de rust op het Kopje weer was hersteld.
Luisterend naar de naam Bestebreurtje bleek dat het ging om een kerel in het kwadraat, durfal en schrik van nietsnutten en hangjongeren oftewel een mannetjesputter pur sang, te herkennen aan zijn donkerbruine vanachter zijn khaki overhemd in golvende manen wapperende borsthaar.
Benieuwd naar de man achter het verhaal betrad ik de bosjes om hem te benaderen voor het aan hem stellen van een paar prangende vragen.
  “Meneer Bestebreurtje, mag ik u vragen hoe u het toch steeds fikst?”
  “Wablief?”
  “Hoe u het doet. Neem nou het Kopje beklimmen. De top ervan ligt op een ijselijke hoogte van 43 meter, een col van de 61e categorie. Bepaald geen sinecure en een niveau waar menig Nederlander zich niet snel aan zal wagen.”
  “Dat is voor mij dagelijkse kost en voor u een onmogelijke hindernis,’ stelde de alleskunner. “Bovendien bent u abuis. Officiële metingen uitgevoerd door de Staatscommissie voor Overbodige Zaken tonen aan dat het Kopje zich 51 meter boven zeeniveau bevindt.”
  “Ja?”
  “Daarmee wil ik zeggen dat het in de buurt komt van mijn volgende doel, de Catrijper Nok in Bergen dat ruim 55,4 meter telt. Een beste uitdaging, vooral na mijn overwinning op het Vuurboetsduin op Vlieland dat inmiddels nog maar 1071 bewoners telt, een mijlpaal die er bij de Vlielanders aardig heeft ingehakt, moet ik zeggen. Mag ik dat zo zeggen?”
  “Dat mag u. Hoe hebt u zich uiteindelijk als mannetjesputter kunnen vestigen?”
  “Allereerst door bovenmatig veel te zuipen. Het beste is alles door elkaar, dat verhoogt de weerstand. Daarnaast, en ik kan het maar niet genoeg herhalen, door zo vroeg mogelijk te beginnen.”
  “Met zuipen?”
  “Dat ook. Ik bedoel met het beklimmen van stoepranden, taluds en bermen.”
  “Deed u dat vroeger ook al?”
  “Wat denkt u zelf? Al sinds mijn eerste communie,” meldde de man trots. “Ooit begonnen op een oude krant ging het daarna steeds sneller, vooral nadat ik voor de gein madeliefjes en boterbloemen begon te bestijgen. De vaart kwam er pas echt in toen ik op mijn 16e verjaardag, ik weet het nog goed, mijn eerste paardenbloem bedwong. U begrijpt, ik had de smaak te pakken. Geen uitstulping in het landschap was veilig voor mij. Tegelijkertijd begon ik mij toe te leggen op het figuurzagen.”
  “Wat leuk! Dat deed ik vroeger ook. Mijn zaagjes braken steeds af in het triplex.”
Een bulderende lach steeg op. “Wie heeft het hier over triplex? Thuis zaagden wij in anderhalve duims staalplaat. Dat was andere koek! Hoefijzers, aambeelden, ploegscharen… Dat soort dingen.”
  “Tof. Wat deed u nog meer?”
  “Tja wat denkt u? Wat alle gezonde Hollandse jongens in die tijd deden. Fierljeppen zonder stok, branieschoppen met mijn broer, een nog grotere waaghals dan ik en een echte bluffer. Loopt nog met pijn rond van de schoppen die ik hem, de branie gaf. Verder deden wij na school aan uilen opblazen met een rietje, kikkerballen verzamelen, zaklopen. Man, wat was dat onhandig als je per ongeluk op die van jezelf ging staan! Er kwam een week lang bij het piesen alleen maar bloed uit. Maar dat terzijde. Op een gegeven moment wist ik het.”
  “U werd conducteur?”
  “Nee natuurlijk niet. Mij niet gezien. Ik besloot mij toe te leggen op het achterstevoren bergbeklimmen.”
  “Een goede keus,” gaf ik toe. “De Cauberg is een goed begin, of anders de Sint Pietersberg.”
Hier schudde de Hercules zijn hoofd.
  “Te ingewikkeld. Het is mij te doen om de afdaling, niets meer dan dat. Dat verwacht niemand en is veel minder inspannend dan klimmen.”
De man neeg in mijn richting. Kunt u een geheimpje bewaren?”
Ik meldde dat ik dat wel kon.
  “Aan de andere kant van het Kopje bevindt zich een weg omhoog waar ik mij per auto tegenop laat brengen. Eitje.”
  “U bedoelt: gemakkelijk.”
  “Nee dat bedoel ik niet. U bent een eitje.”
Hierbij ging de man rechtop staan. Kunt u dit?”
Bestebreurtje blies op het puntje van zijn rechterduim tot die rood werd waarna zijn biceps begon op te zwellen tot machtige proporties. Toen hij er zelf ook achter dreigde te verdwijnen vond ik het wel genoeg.
  “Nee, helaas,” antwoordde ik.
  “Dat had u ook niet gekund,” sprak hij. “Alleen ik kan dat.”
  “Ik snap het. Wat kunt u nog meer?”
  “Alles wat de meeste mensen niet kunnen of durven. Dit bijvoorbeeld. Zag u het?”
Ik gaf toe dat ik niets had gemerkt.
  “Ziet u wel? Nu stel ik u een vraag: waar is uw portemonnee?”
Ik gaf mijzelf gewonnen.
  “Kunt u mij uitleggen hoe u dat doet?” vroeg ik. “Er zullen lezers zijn die zich liever niet laten besodemieteren.”
  “Stuur ze maar naar mij. Door een passende leefstijl en goede voorbereiding natuurlijk. Daar kom je het verst mee. Let op!”
Bestebreurtje tilde een enorme steen van de grond en wierp die in westelijke richting.
  “En wat gebeurt er nu?”
  “Afwachten,” meldde de krachtpatser. “Wat wilt u nog meer weten?”
  “Uw leefstijl,” begon ik. “Hoe is die?”
  “Goed, dank u. Maar dat wilde u natuurlijk niet vragen. Grapje van mijn kant. Een simpele leefstijl, gespeend van alle aardse gemakken doet wonderen. Mensen zijn gewend geraakt aan allerlei fratsen. Ze laten zich teveel verwennen zeg ik u. Het is de oorzaak van alle kwaad en ellende in de wereld. Neem bijvoorbeeld het knippen van teennagels. Dat doe ik met een haakse slijper. Eelt verwijder ik eenvoudig met een schrobvijl. Pas als het zoveel is dat ik niet meer onder een deur door kan ga ik ermee naar de hoefsmid. Buikpijn? Driemaal daags een theelepeltje afwasmiddel en ik ben van de pijn bevrijd. Een kapper bezoek ik ook niet. Een keer in de zes weken rijd ik met open kap zo hard mogelijk door de Maastunnel in Madurodam en klaar is Kees!”
Ik voelde mij terstond een zwakkeling.
  “Het zijn van die kleine dingen die het doen, meneer de schrijver, ja schrijft u dat maar op. De maatschappij gaat erdoor naar de knoppen en het doet het nageslacht ook geen goed.”
  “Bent u altijd zo geweest, een mannetjesputter bedoel ik?”
  “Wacht.”
Bestebreurtje pakte een stanleymes uit zijn zak en sneed er een splinter ter grootte van zijn hand mee uit zijn wijsvinger die hij voor mijn voeten in het zand smeet.
  “Daar! Is dat genoeg bewijs? ‘T zat al in de familie voordat ik geboren werd. Al sinds de Middeleeuwen is het geslacht Bestebreurtje bekend van zijn daden. Kent u de Bierkaai?”
  “Van de uitdrukking ‘Vechten tegen de Bierkaai?”
  “Die!” riep hij geanimeerd. “Hebben wij nog tegen gevochten, en gewonnen natuurlijk.”
  “Zijn er nog meer van dergelijke uitspraken waarin uw familie voorkomt?”
  “Zou ‘k wel denken. ‘Het is kwaad kersen eten,’ kent u die? Slaat op de Slag om Opheusden in ‘44, toen mijn opa die in de Betuwe woonde de duitsers verjoeg door kersenpitten naar ze te spuwen. ‘Het loodje leggen,’ ‘naar de Filistijnen,’ ‘het onderspit delven,’ allemaal uitdrukkingen die dank zij de Bestebreurtjes in het taalgebied zijn blijven hangen. Bukken!’
Te laat zag ik de vanuit het oosten naderende steen die ik tegen mijn achterhoofd kreeg.
  “Auw!”
  “Dat was de steen. Herinnert u zich dat die vertrok in westelijke richting?”
Ik knikte.
  “Hij trof u vanuit het oosten. Wat maakt u daaruit op?”
  “Dat de Aarde rond is?”
  “Fout,” grijnsde Bestebreurtje. “Het toont aan dat met ons niet moet worden gespot.”
  “Wat wordt uw volgende heldendaad?” vroeg ik mijn hoofd wrijvend. “Het bedwingen van de Kilimanjaro? Vechten met een komodovaraan? Of misschien tussen de piranha’s zwemmen?”
Bestebreurtje stak een vinger op.
  “Ik herinner mij opeens dat ik mijn vrouw beloofde voor het eten nog een keukenkastje af te lakken. De groeten.”

HET OUD-HOLLANDS SPREEKKOOR

HET OUD-HOLLANDS SPREEKKOOR

 

In het clubblad van de plaatselijke voetbalvereniging ‘A.V.V’ (Achtergat Veerkrachtig naar Voren) stond gedrukt dat per aanstaande zondag een algemeen verbod op spreekkoren in zowel het Nederlandse amateur- als betaald voetbal zou worden ingevoerd. Een maatregel waarmee voorgoed een eind komt aan aan branie schoppen op zijn Hollands, het openlijk provoceren van publiek, politiek en politie. Een uiting die, net zoals het rapen van kievitseieren en beukennootjes op het punt staat om als een rotte kies te worden getrokken uit het Nederlandse cultuurgebied, in dit geval het recht op onze vrije meningsuiting.
Om geen kostbare tijd te verliezen zocht ik contact met het S.A.O.B.A. (Steungroep voor Anonieme en Oraal Benadeelde Arbiters) waar niemand bereid was mij te woord te staan. Hetzelfde verhaal bij het L.M.S. (Landelijk Meldpunt van Spreekkoorslachtoffers). Uiteindelijk trof ik de gewenste expertise in een instituut waar ik zonder Hagenees te zijn nooit op was gekomen, het Haagse koffiehuis annex Tempel van Wijsheid (TvW) aan het Savornin Lohmanplein waar Pallas Athena zelf niet eens naar binnen durfde. Ik had direct beet toen Arie en Koos Ballegooijen bereid waren hun duit in ‘t zakkie’ te doen.
  “Weet u, meneer de schréver, ‘t is allemaal de schuld van die rooie dakduif, hoe heet die gozer ook al weer, Arie?”
  “Krijg ‘t schompes Koos. Hoe mot ik dat nou wete? Was dat niet die scheids met zo’n lèpe ballesnijer?”
  “Dat was ‘m! Die eikel verbood in ene datte we schuttingtaal ginge gebruike, de achterlijke mongool. Alleen nog ‘boe’ of ‘joepie’ roepen mocht van hem. Van mij mochtie optieften.”
  “Ojaa! Ik weet ‘t weer Arie. ‘Hoera’ mocht ook niet meer. Want, zei die dan, dan kwamen hoer b en hoer c en de rest ook allemaal!”
 Binnen het half uur onder het genot van een broodje knarsham wist ik de clientèle het geheim te ontfutselen dat niet Amsterdam (Mokum), Rotterdam (Feijenoord), Utrecht (grafstad) of de hofstad zelf (Du Haag), maar een miniem dorpje in Zeeland het recht had op de titel tot nu toe de meeste boetes te hebben mogen incasseren voor ‘ontoelaatbaar gedrag op de tribune, discriminatie en belediging van het plaatselijk gezag.’ Daar, in Koeienkerke, een dorp niet groter dan een voetbalveld woonden volgens Harrie, eerlijk huisschilder van beroep en duivenmelker als hij zijn kwast niet hoefde te hanteren (of ik dat er zo in wilde zetten), de meest hardnekkige ‘overtreders’, of zoals Harrie het zelf verwoordde ‘Regelregt tuig van de richel, allemaal mongolen en tiefuslijers.’
Dus begaf ik me die zaterdag naar Zeeland. Nog maar net voorbij het bord ‘Koeienkerke heet u welkom, Zompekerkers go home’ werd het duidelijk dat het hier menens was.
  “Ork, ork, ork, die scheids die is een hork” klonk het uit de wijd openstaande ramen van een tussen het fietsenhok en de kantine van de Koeienkerkense voetbalvereniging: “K.V.V.” (Koeienkerke Ver Vooruit) ingeklemde bouwkeet.
Enthousiast geworden door dit vroege succesje spitste ik mijn oren.
  “Hi ha hondenbrood!” klonk het daarna, gevolgd door “Ollekebolleke rebusolleke ollekebolleke KNOL!”
De uitwerking van ‘KNOL!’ bleek nagenoeg identiek aan ‘KNAL’ toen de prijzenkast van de muur viel. Ik was onder de indruk, dat mag u best weten.
Aangetrokken door dit verbale geweld verliet ik mijn schuilplaats en wilde “Bravo!” roepen maar werd meteen vastgegrepen door twee leden van het koor door wie ik onder het zingen van ‘En van je hela hola hupfalderee!’ door hetzelfde raam als waardoor ik naar binnen was gekomen weer naar buiten werd gejonast. Wat was hier gaande?
Niets. Behalve, zo bleek, dat het gezelschap door mij was betrapt op de geheime algemene repetitie voor de vocale begeleiding van de komende uitwedstrijd aanstaande zondag, de match tegen Z.K.V. (Zompekerke Komt Verder) uit het verderop gelegen Zompekerke.
Een kale man met een rood hoofd en een megafoon aan zijn lippen en een geelgroene sjaal om zijn nek die de senioren geestdriftig aanvoerde hielp mij overeind, zichzelf begeleidend met ‘En van je een, twee,’ Bij ‘drie’ stond ik weer op mijn benen.
  “Gaat het weer een beetje?’ vroeg hij met een bezorgd gezicht. “Wilt u een glas water?’
  “Dat is heel vriendelijk van u, ik…”
“Drie emmertjes water halen,” gilde hij nog voor ik was uitgesproken. “…Drie emmertjes pompe!”
Ik zag mijn kans schoon, rukte de megafoon uit zijn handen en toeterde zo hard mogelijk: “Hoe heet de burgemeester van Wezel?”
   “Eikel,” beet de man die de dirigent bleek te zijn me toe. “En geef dat ding terug, ezel.”
   “Fout,” zei ik. “En het is andersom. Ik weet nog een goeie. Deze: moet je horen joh:”
  “Hamas, hamas, alle….”
Met een ruk trok hij de megafoon van mijn lippen.
   “Bent u gek geworden? Hier houden we alles zo zuiver mogelijk. Voor het trappen van rotzooi verwijs ik u naar elders.”
  “Waarheen? Waarvoor? Dit is toch het Oud-Hollands Spreekkoor?”
  “Dat rijmt maar is niet goed! Dit is het Niet Vrijzinnig Oud-Hollands Spreekkoor.”
  “Dus ben ik hier verkeerd?“
  “Ja. Ik moet u verwijzen naar het Vrijzinnig Oud-Hollands Spreekkoor van Koeienkerke, die wonen in de deelgemeente Zompekerke, onze vijand. Zware concurrentie. Die fout maakt bijna iedereen.”
Ik droop af.
   “Spijtig. Ik wed dat u vast niet weet wat ik daarnet wilde roepen.”
  “Niks spijtig. Naar die vuiligheid kan ik wel raden en wil het niet weten ook. Hij wees met een afkeurend gezicht en een priemende vinger naar een denkbeeldige kerktoren in de verte. “Dáár moet u wezen.”
  “Waar? Ik hoor niks. Het is zeker stil aan de overkant.”
  “Tsss. De leukste thuis zeker! Ik bedoel daar, tussen het fietsenhok en de kantine. U kunt het niet missen.”
Beschaamd, uitgejouwd door het voltallige koor verliet ik de keet. Pas na een tiental meters durfde me om te draaien en stak ik uit venijn mijn handen bij wijze van megafoon aan mijn mond en riep hard:
   “Hamas, hamas, alle boterbloemen in het gras!”
  “En je opoe die is kras,” echode het terug.
Om wat een op een teleurstelling was uitgelopen snel te vergeten begaf ik me naar de andere lange zijde van de eeuwig groene mat. Net op tijd, want ook hier werd flink geoefend en bepaald niet stil.
  “We hebben een hie! We hebben een ha! We hebben een hand-gra-naat!” klonk het uit het raam.
Ik wist het, dit was mijn geluksdag! Dit was nog beter dan de dichtsels van Ramsey Nasr.
  “Hie-ha hondenlul!” riep ik aangestoken door de orale rebellie bij het naar binnen klimmen zo hard mogelijk.
  “Stop!” blafte de aanvoerder van het stel, een zwaargebouwde man met een bivakmuts zonder gaten over zijn hoofd. “Dat is dan vijftienhonderd euro en eenennegentig cent. Direct te voldoen in de clubkas.”
  “Voor wat? Ik heb niks gedaan!”
  “O nee? Voor wat u daar riep! Hou toch je kop man. Die spionnen van de auditcommissie zitten overal, dus ook hier. Of bent u soms ook van die commissie?”’
Ik deinsde achteruit.
  “Neenee, godzijdank niet. Wat zouden die hier trouwens moeten in Koeienkerke?”
De man keek me vreemd aan.
  “U bevindt zich niet in Koeienkerke. Dit is Zompekerke. Als bakermat van spreekkoren worden wij scherp in de gaten gehouden. Voor u het weet zijn we er allemaal bij, De harde kern, u, ik ook.”
  “Dus als ik dit roep: ‘Hij is een paardenlul. Hij is een paardenlul…’  (op de maat van ‘de dikke dominee’) dan krijgt u een boete?”
Ik keek om me heen in de verwachting een soort Spaanse Inquisitie in donkerblauwe blazers met oranje stropdassen te zien opduiken maar er gebeurde niets.
  “Ja en nu zij het er zelfs twee.”
  “En deze? “Het is zwart, het is geel, het is homoseksueel,’” probeerde ik nogmaals, wanhopig bijna.
De man schudde afkeurend zijn hoofd.
  “En dat maakt drie. Een duur grapje. Verdient u wel zoveel? Ze zijn tegenwoordig meedogenloos weet u. Journalist of schrijver, dat maakt voor die lui geen verschil.”
  “Hoe weet u dat ik..?”
  “Omdat we ze zo dom als u bent hier nog niet hebben gehad.”
De man liep naar een hoek van de keet om het deksel van een afvalbak die daar stond te lichten en vandaar naar buiten waar hij een keurende blik wierp in de naast de keet staande beerput.
  “Ze kunnen nu elk moment te voorschijn komen, de AA.”
  “Wilt u zeggen dat de Anonieme Alcoholisten hierachter zitten?”
  “Bent u gek? De Auditcommissie Amateurvoetbal bedoel ik. En het Joods stiltecentrum, en het C.O.B.”
  “Het C.O.B?”
  “Het Centraal Orgaan Buiksprekers.”
  “Oei! Dat is valsspelen,” opperde ik.
  “Kop dicht nu!” De man legde zijn vinger tegen mijn mond. “De repetitie gaat verder.”
Hij stelde de megafoon op zijn hardst in en telde af.
  “Een, twee, drie!”
“De keeper van Den Haag, van Den Haag, van Den Haag,
De keeper van Den Haag die heeft een dildo in zijn maag.
Dat is toch, dat is toch, dat is toch niet gezond,
Zo’n dildo, zo’n dildo, zo’n dildo in je kont.” (op de maat van ‘de staf van Sinterklaas’)
Meteen diende ik mijn protest in.
  “Wat u daar riep is geen slogan maar een belediging.”
  “Is dat zo?’ schreeuwde de man met bolle wangen en een rood hoofd. “Gaan we dreigen? Weet u het soms beter?”
  “Ja. Ik kom zelf uit Den Haag dus kijk maar uit.”
Onverschrokken, niet onder de indruk zette hij in:
  “Schiet ‘em dood, in zijn poot, leg ‘em in een kissie, doe er dan wat water bij dan zwemt-ie als een vissie! (refrein) toemba toemba toemba…..”
  “Die boete betaal ik niet. Hij is voor u,” riep ik zwaar beledigd. “Geef me het telefoonnummer van die auditcommissie.”
Toen het was afgelopen klonk: “Ik zag twee Ieren ‘t veld af stieren, o het was een wooooo-nder. ‘T was een wonder boven wonder, dat die Ieren stieren konden. Hi-hi-hi! Ha-ha-ha! Ik stond erbij en ik keek ernaar.” (op de maat van ‘ik zag twee beren…’)
En:
  “Daar in die haaaaa-ven, daar ligt begraaaa-ven, een speler van Willem II, met zijn dikke snee!”
(het Zuiderzeelied)
Gevolgd door:
“En de keeper van PSV stinkt uit zijn bek (uit zijn bek)! En de keeper van PSV ja die is gek (die is gek)!
(‘A ja jippie’)
  “Dus dit mag allemaal wel,” vroeg ik toen ze uitgezongen waren.
  “Officieel niet maar het wordt gedoogd.”
  “Waarom? Het is toch beledigende taal?”
  ‘Dat zegt niets. Dit wordt toegestaan omdat er geen namen van spelers aan te pas komen. Kijk, dit mag bijvoorbeeld weer niet.”
Hij maakte een gebaar naar een jongeman vooraan die met een stem als gemalen grind riep:
  “En de Boer die zoekt een hoer…” (op de maat van ‘en de man die zoekt een vrouw…’)
Gevolgd door:
  “Kees is geen bees maar gewoon een teringhagenees!”
  “Mis,’ zei ik. ”Heb ik u mooi tuk want ik heet geen Kees.”
  “Hoe heet u dan?”
  “Gaat u niks aan.”
Hij trok zijn schouders op.
  ”Ook goed. Als het moet komen we er toch wel achter. Vergis u niet, dit zijn getrainde, door de wol geverfde mannen. Allemaal Summa Cum Laude afgestudeerd in de Nederlandse taal en letterkunde, gecertificeerd in het bedienen van schuttingtaal, vuiligheden en beledigingen in minimaal vier talen.”
Hier moest ik even over nadenken.
  “Wat als een vereniging, de tegenpartij uit Friesland komt bijvoorbeeld? Die verstaan uw koor in dat geval niet.”
  “Dan zetten we ons geheime wapen in: Esperanto in gebarentaal.”
  “Belachelijk. Dat begrijpt toch geen zinnig mens?”
  “O? Hebt u het voetbalpubliek dan wel eens goed bekeken? Dat hebt u dus goed mis. Daarnaast, alle leden van mijn koor kunnen liplezen in braille.”
Ik voelde een zinloze discussie aankomen dus stelde ik een andere, meer neutrale vraag.
  “Hoelang bestaat het Nederlandse Vrijzinnig-OudHollands Spreekkoor al?”
  “Op de kop af tweehonderd jaar en dertig dagen,” glunderde de man trots. “De oprichters waren destijds bij de bestorming van het Haagse Binnenhof. Incognito als ontevreden, morrend volk. Dat waren toen nog eens tijden. Alles mocht. Een populaire leus in die tijd was deze:
  “Waarom zijn de Witten gesneuveld door het musket? Omdat ze de Prins van zijn ambten hebben ontzet.”
  “Beetje tam geef ik toe, maar in die tijd moest je ook goed oppassen wat je riep. Overal zaten ze, die Spanjolen. Jaja, we hebben het zo door wanneer mensen de boel proberen te belazeren.”
  “Belazer ik u?”
  “De hele tijd al. U bent hier alleen om mij een verhaaltje te ontfutselen voor uw boek.”
  “Dat klopt. Wat zijn uw toekomstplannen?”
  “Winnen van Koeienkerke. En nu opzouten.”

DE VRIJMETSELAAR

DE VRIJMETSELAAR

 

   “Psst! U bent er al.”
Op weg naar een middernachtelijke afspraak hield ik verrast en tegelijk op mijn hoede mijn pas in. Voorzichtig kwam ik dichterbij. Vanuit een half door de straatlantaarns beschenen portiek kwam een driedelig krijtstreepjespak op me af. Er was verder niemand in de buurt dus zijn aanwijzing kon alleen voor mij zijn bestemd. Op zoek naar een soort van houvast zag ik dat het gebouw waar ik voor stond toebehoorde aan een firma in bancaire diensten.
  “Komt u mee?” wenkte de man. “Het is niet ver hiervandaan.”
Te verbaasd om direct te reageren viel mijn oog op een bordje achter een van de ramen dat meldde: ‘Wij beleggen voor u onze boterham.’
Met een sierlijke zwaai duwde de man mij door de zware met koper beslagen deur in het portiek waar ik tot mijn verbazing constateerde dat ik voor de tweede keer voor het gebouw met hetzelfde huisnummer en identieke voordeur stond.
  “Sorry,” grijnsde de man. “Speciale voorzorgsmaatregelen. U weet wel.”
Na de deur voor de tweede keer te zijn doorgegaan stond ik in een ovale, rondom met mahoniehout betimmerde hal met een zwart-witte mozaïekvloer die glom als een geitenkeutel in de maneschijn. Het rook er naar dure sigaren en boenwas.
  “Neemt u plaats,” sprak de man uitnodigend en wees op twee houten hobbelpaarden die in het midden van de ruimte stonden. “Neemt u die witte alstublieft. Het zwarte is nogal eenkennig.”
  “Welkom bij Valkuil en Strop. Bankiers sinds 1539,” sprak de man hobbelend nog voordat ik goed en wel in het zadel zat. “Hofleveranciers en witwassers van al uw zwart geld. Mijn naam is Valkuil. Hebt u het bij u?”
Ik ontkende, en zei dat ik daar niet voor was gekomen.
  “Komt u dan niet voor de vuile was?”
  “Waarom zou ik,” riep ik achterop rakend. Het zwarte paard lag inmiddels al een staartlengte voor. “Die hang ik meestal niet buiten maar doe ik zelf, meestal in een sopje op 40 graden. Vanwaar deze race?”
  “Hebt u het nog niet door?” riep hij over zijn schouder, “U zit op het witte paard. Dat betekent dat u iets hebt wit te wassen.”
Onwillekeurig kwam de gedachte op aan de erfenis van oudoom Karel die ik had verzwegen voor de fiscus.
  “Zullen we van paard ruilen?” stelde ik voor. “Ik bedenk me net iets.”
Met een ruk bracht hij zijn paard tot stilstand. “Nee. Ik heb trouwens gewonnen.”
  “Fijn voor u.”
 “Het is niets, sprak hij joviaal. “Het is mijn gewoonte om vals te spelen. Excuseer, een moment alstublieft,” sprak hij geaffecteerd. “Ik hield u voor een ander.”
Terstond verdween hij door een zijdeur die ik nog niet had gezien en was weer terug op zijn plek voordat de deur dicht kon slaan.
  “Welkom bij de Vrijmetselarij afdeling Amsterdam!” riep hij. “U bent neem ik aan de schrijver?”
  “Ja. Wat vreemd,” reageerde ik. “Daarnet zou ik toch zweren dat u bankier was.”
De man keek wild om zich heen als iemand die net hoorde dat hij werd afgeluisterd.
  “Wie heeft u dat verteld?”
  “Niemand,” antwoordde ik rustig. “Tenminste, behalve uzelf.”
  “O. Dan is het goed. Zullen we?”
We gaven elkaar een hand en gleden in drie slagen over de pas geboende vloer naar een hoek van de ruimte waar hij na het maken van een volledige pirouette me een plek op een lege cementkuip aanbood, pal naast een half afgebouwd stenen muurtje waarop hij na een plié te hebben gemaakt zelf ook op plaats nam.
  “Welkom in de Loge,” zei hij en plaatste zijn linkerbeen over het rechter. “De eerste vraag alstublieft.”
  “Prima,” zei ik en greep naar mijn pen en blocnote. “Hier komt-ie: u zegt dat dit een Loge is. Dan bent u, neem ik aan een vrijmetselaar. Met alle respect, kunt u mij vertellen wat Vrijmetselaar zijn precies inhoudt? We weten allemaal dat het momenteel bar slecht gaat in de bouw en…”
  “Stop!” De metselaar hief zijn hand. “U noemt mij een vrijmetselaar.”
  “Ja. Bent u dat dan niet?”
“Dat ligt eraan. Wij noemen onszelf geen vrijmetselaars. U doet dat. De buitenwereld, het klootjesvolk, de menagerie, schuim der Aarde enzovoort. Wij noemen onszelf ‘De Loge.’ Meer niet. Meer is ook niet nodig.”
  “Mij best maar dat veranderd niets aan de vraag. Wat doen de leden van de Loge, de vrijmetselaars, bedoel ik. Er zullen vast lezers zijn die de Vrijmetselarij als instituut niet helemaal begrijpen.”
  “Dat zal ik u vertellen,” antwoordde Valkuil. “In principe doet een lid, door u een vrijmetselaar genoemd volstrekt niets. Dat kan, omdat dat ook niet van hem wordt verlangd. Wil een lid toch iets ondernemen zoals een slagerij of bloemenwinkel dan hebben wij daar tegen betaling in principe geen bezwaar tegen. Een stemming onder de leden moet dan uitwijzen of het geoorloofd is. Gelukkig wordt een stemming als werk beschouwd dus is het nog nooit voorgekomen dat iemand zoiets wenst.”
  “Waarom is de Loge dan gevestigd in een bankgebouw? Dat rijmt niet met de regels als een beroep uitoefenen ongewenst is?”
  “Dat ziet u verkeerd. Bankieren is een uitzondering en zelfs verplicht. Kijk, bankiers doen uit zichzelf ook helemaal niets. Kent u het gezegde: ‘Slapend rijk worden?’ Die is van ons.”
  “Ik had het me niet anders voorgesteld. Nu vraag drie: hoe wordt iemand vrijmetselaar?”
  “Dat weet ik niet. U bent hier degene die dat zou moeten weten. Wij doen er zelf niets aan. Sommige mensen worden lid van de Loge, als u dat soms bedoelt.”
  Ik knikte, een beetje vermoeid. “Kunt u daar iets over vertellen?”
  “Graag. Afgezien van het in kwadraat kunnen metselen moet een aspirant lid kunnen liegen alsof het gedrukt staat. Liegt u wel eens?”
  “Een enkel keertje,” gaf ik toe. “Meestal alleen om bestwil.”
Direct schoot me een vraag te binnen.  “Worden er ook wel politici lid van de Loge?”
“Alleen maar. Bovendien, politicus zijn is geen vak dus dat mag. Of je moet naast het liegen ook zakkenvullen meerekenen maar dat rekenen wij niet als vak. Dat is een roeping. Kent u de begrippen ‘verkiezingsbelofte’, ‘raamovereenkomst’ en ‘verkiezingsprogramma’?”
Ik erkende dat ik daar wel eens van had gehoord. “Was het niet in 1962 dat het kabinet zich er voor het laatst aan hield?”
De ogen van de man verkleinden zich tot spleetjes.
  “Weet u heel zeker dat u schrijver bent, en niet stiekem timmerman? In dat geval moet ik u vriendelijk verzoeken om op te sodemieteren.”
Ik haastte me om de binnenkant van mijn handen te laten zien wat hem weer gerust stelde.
  “Gelukkig. U sloeg daarnet namelijk de spijker op zijn kop. Op het moment dat een politicus over de schreef gaat krijg ik per sms een seintje van de opperkamerheer dat het ‘weer zover is.’ Direct daarna wordt de politicus in kwestie een enveloppe toegeschoven met daarin een uitnodiging om tot de Loge toe te treden. Dat kan iedereen zijn. De premier, minister of staatssecretaris. Ze jokken allemaal.”
Nu wordt het pas interessant, dacht ik. “Kunt u niet eens een paar namen noemen? Mijn lezers zouden dat erg interessant vinden.”
De man barstte uit in een hartelijk schaterlachen. “Dat zou u wel willen! Sterker, dat zouden we allemaal wel willen. Ik kan u wel een paar namen geven maar hoe weet u of ik de waarheid spreek? Nee, gelooft u mij, niemand weet precies wie het zijn. Alleen leden van de Loge boven de 33e graad weten dat. Alleen zij kennen elkaar.”
  “Zijn er wel eens leden afgevallen? Niet qua gewicht bedoel ik maar uit de Loge?”
  “Nooit. Niet bij mijn weten, tenminste.”
  “Echt niet?”
“Nee. Maar houd u voor het gemak een slag om de arm. Nu bijvoorbeeld, lieg ik weer tegen u.”
  “Wat lastig! Zo maakt u het niet bepaald gemakkelijk voor mij om iets over uw werk te schrijven.”
  “Dat is uw probleem. De Loge is en blijft de Loge. Alleen domme en nieuwsgierige mensen zoals u worden aangetrokken door loze kreten zoals de Vrijmetselarij.”
  “Vraag zeven alweer: hoe zit dat met die beroemde symboliek van de Vrijmetselaars? Ik noem bijvoorbeeld het Alziend Oog, de passer, de drie pilaren en andere opvallende zaken. Die horen toch bij u?”
Hij keek mij aan en nam intussen met een geringschattende blik een steen van de naast het muurtje gereedstaande stapel af en woog die in zijn hand.
  “Mijn beste, wat denkt u dat dit is?”
  “Een klinker,” suggereerde ik. “Die zijn hard en -”
Direct gaf hij mij er een tik mee op mijn kop.
  “Au!”
  “Mis! Het is een baksteen, al rekende ik de ‘a’ en ‘u’ goed als ze medeklinker waren. Waar u zojuist met uw hoofd tegenaan liep, meneer de schrijver, is een voorbeeld van zo’n symbool, namelijk die van de sluitsteen. Er is er ook een voor de hoeksteen van de samenleving en voor elke eerste steen van zowat iedere constructie of het nu een gebouw is, een brug of een kanaal. Daarnaast is de baksteen een geliefd instrument van demonstranten om hun eisen bij te zetten maar dat is een andere organisatie. Ons gaat het om de impact van het symbool in kwestie. Voelde u daarnet die totale afwezigheid van weerstand in uw hoofd? Het was alsof er niets inzat! Heb ik gelijk of niet?”
De vrijmetselaar sloeg zich van pret op de knieën. Ik knikte en voelde dat de bult op mijn voorhoofd zo groot was geworden als een kippenei.
  “Mijn advies aan u,” kraaide de man. “Onderschat nooit de symbolische kracht van een voorwerp. Zeker niet die van een steen. Kent u die van de ezel die zich geen drie keer…”
“Vraag acht en een half. Wat doet u er dan nog meer mee, behalve dan mij ermee slaan. Gooien?”
Even overwoog ik dekking te zoeken.
  “Kijk, als u al zo begint dan komen we nergens.” begon hij. “U weet het antwoord al voor ik de kans krijg het te zeggen. Gaat u eens staan. Daar ja.”
  “Niks daarvan. Eerst vraag negen. U bent, volgens mijn in uw ogen armoedige zienswijze, lid van de Loge en dus vrijmetselaar. U ziet er niet bepaald zo uit met uw goedvinden. Een metselaar draagt werkkleding, poetst zijn tanden met bier, fluit onder het werk naar mooie meisjes, eet als het moet elke dag een volle asbak leeg en rookt op zijn minst drie pakjes zware shag per dag. Met alle respect, dat zie ik u niet doen.”
  “Was dat het? Het klonk niet als een vraag.”
  “Oke,” zuchtte ik. “Wat onderscheidt u van een echte vrijmetselaar?”
  “Dat, mijn vriend,” begon hij, “Hoort bij het mysterie van de Vrijmetselarij.”
  “Aha! En wat is dan dat verschil?”
  “Dit: een gewone metselaar doet de dingen zoals u die net beschreef. Daarnaast metselt hij uitsluitend in enkelsteens of dubbelsteens verband. Wij daarentegen metselen vrij in het kwadraat zoals ik al eerder zei. Soms zelfs tweekwadraats.”
  “Dat kan iedereen toch als hij dat wil? Mijn opa was een begeesterd doe-het-zelver en ik pak zelf ook regelmatig de troffel op.”
  “Driemaal nee! Het vrij metselen in kwadraat is uitsluitend voorbehouden aan leden van de Loge. Alleen grootmeesters en leden boven de 33e graad metselen in drie- en vierkwadraats, maar dat heb ik zelf nog nooit iemand zien doen. Ik ben een van de lagere goden. U twijfelt aan mijn woord zie ik. Dat mag u. U bent een buitenstaander en niet bekend met deze tak van sport. Wist u trouwens dat vrij metselen het op een na oudste beroep ter wereld was?”
  “Fout! Daar heb ik u,” riep ik triomfantelijk. “Dat is de timmerman!”
  “Alweer mis. U hebt mij in het geheel niet. Ik heb u daarentegen wel. Ziet u die deur daar? Hij is op slot. Ziet u, de mens metselt al vrij sinds 4000 jaar. Het zal best dat daarvoor, tijdens de Dageraad van de Mensheid er wel eens werd getimmerd. Daar wil ik vanaf, maar dat beperkte zich hooguit tot het timmeren op elkaars smoel.”
Daarbij trok hij een bijzonder lelijke tronie die ik de lezer wil besparen.
  “Meneer de schrijver, mag ik u een wedervraag stellen? Gooit u wel eens met modder? Eerlijk zeggen.”
  “Tegenwoordig niet veel meer,” liet ik schoorvoetend los. “Maar vroeger wel. Toen, op het braakliggend terrein naast de gasfabriek gooiden we heel wat af tot op het hoogtepunt een politieagent werd geraakt waarna de pers er lucht van kreeg. Binnen de kortste keren zag iemand van de Tweede Kamer het ons doen. Ik herinner me de dag erna nog heel goed, toen de hele Partij van de Arbeid die toen in de oppositie lag het kabinet te pakken nam met klodders -”
  “Zo bedoelde ik het niet,” interrumpeerde de man mij boos. “U bent flauw. Bovendien kent u het verschil niet tussen iets symboliek en realiteit. Waar ik heen wil is te zeggen dat het vrij metselen al werd gedaan ten tijde van de Babylonische koningen.”
“Met bakstenen?”
“Nee. Door met modder te gooien. Kijk zo!”
Met een snelle duik voorover kon ik nog net een natte kluit ontwijken die me anders vol tussen de ogen zou hebben geraakt wat de vrijmetselaar alleen maar bozer maakte.
  “Waarom deed u dat?”
  “Ik deed niets. Als ik…”
  “U bukte! Dat had u niet moeten doen. Dit was alleen maar ter demonstratie. Het echte werk kwam pas veel later.”
  “Het spijt me,” zei ik oprecht. “Als u wilt mag het van mij nog een keer.”
  “Echt?”
  “Tuurlijk!”
  “Joepie!”
  “….!*”
  “Meneer de schrijver, bent u er nog?”
Ik kroop gebroken overeind.
“Nauwelijks.”
Verrukt klapte de vrijmetselaar in zijn handen. “Geweldig! U bent ervoor geboren, weet u dat? Enfin, zo ging het honderden jaren achtereen tot men er achter kwam dat modder in vaste vorm veel harder aankwam op iemands gezicht. Herinnert u zich die baksteen nog? U ziet, op die manier ontstonden bij het massaal elkaar stenigen met gedroogde modder heel aardige bouwwerkjes. Daarna was het hek compleet van de dam en werd er echt gemetseld al was het nog wel in het wilde weg, maar: nooit vrij in het kwadraat! De eerste die dat voor elkaar kreeg was Haram Abiff.”
  “Wablief?”
  “Haram, koning Solomon’s hofarchitect, mijn bet- bet- bet- bet- …….”
Na een kwartier keek ik op mijn horloge waarbij ik nog net een gaap kon onderdrukken.
  “-overgrootvader,” besloot de vrijmetselaar met een diepe zucht.
  “Proost! Gelijk maar vraag elf: hoe werkt dat, vrij metselen in het kwadraat? Kunt iets demonstreren?”
Vertwijfeld schudde de metselaar zijn hoofd. “Dat zal niet gaan, vrees ik. U bent geen lid van de Loge.”
Nog net op tijd zag ik hoe de vrijmetselaar met zijn rechterhand iets onduidelijks in de lucht krabbelde.
  “Zag u dat?” vroeg hij op geheimzinnige toon.
Ik zag het. “Wat betekent het?”
“Voor u niets. Als u het weten wilt, het was symbolisch dus u kunt het niet opschrijven. Probeert u maar.”
Ik probeerde het maar er kwam niets.
  “Grappig, vindt u niet?”
  “Inderdaad,” was mijn reactie. “Het lijkt wel op toveren. Mijn hand doet niets. Hoe kom ik er weer van af?”
  “Gewoon, door goed te luisteren in plaats van te letten op dingen die u niet aangaan. Zegt u mij eens hardop na: ‘Ikbeneenongelooflijkesufferdentrapoveralin.’”
Ik deed het en werd direct afgestraft met een okkernoot.
  “Wat ik al dacht. U bent hopeloos.”
  “Maar wat is dan het nut van dat symbolisch metselen,” wilde ik weten. “Vraag twaalf.”
  “Geen. We doen het alleen omdat sufferds als u en andere lieden dat interessant vinden. Tegenwoordig moet alles altijd verantwoord zijn. Vroeger was dat anders maar dat snappen jullie toch niet. Toen deden we wel eens dingen die alleen maar leuk waren of mooi om te zien. Jullie, de burgers hebben het voorgoed verpest, verkwanseld. Mijn grootvader kon urenlang zitten lurken en turen naar de rook uit zijn pijp zonder iets erbij te doen. Dat hoefde ook niet! De maatschappij zat toen simpel in elkaar zodat we tijd hadden voor dat soort dingen. Jullie moeten zo nodig ‘multitasken’ of hoe je dat ook noemt. Hier in de Loge houden we vast aan onze traditie. Dit interview bijvoorbeeld is ook zinloos, net als uw boeken, uw hersenspinsels en vergeet uzelf niet. U bent zelf ook volkomen zinloos. Hebt u zich wel eens goed bekeken in de spiegel? Wat zag u daar?”
Ik zag op tijd waar dit gesprek heen ging. Een beetje beschaamd tuurde ik naar de punten van mijn schoenen.
  “U hebt gelijk. Niets.”
Toen ik weer opkeek was de man weg, net zoals de hobbelpaarden, het gebouw, alles, zelfs mijn portemonnee merkte ik. In plaats daarvan stak een kaartje uit mijn zak. Ik pakte het en las:
  ‘Geloven is gratis, een droom kost iets meer en sprookjes zijn onbetaalbaar. Wij gaven u iets om in te geloven en een droom om na te jagen. Sprookjes zijn niet echt. Ze bestaan in uw hoofd en in uw portemonnee.’
Een droom rijker en een sprookje armer besloot ik die ochtend nog te stoppen met geloven dat mijn uitgever niet stiekem lid is van de Vrijmetselarij.

DE CONFUCIUS VERSCHIJNING IN TER APEL

DE CONFUCIUS VERSCHIJNING IN TER APEL

 

Van de bevolking in het minder drukke noordoosten van Nederland is het bekend dat de bevolking een doorgaans frisse, nuchtere kijk heeft op de dagelijkse gang van zaken. Een karaktereigenschap die ontleend schijnt te zijn aan de dagelijkse moeizame gang door de kleigrond, volgens de Chinese mythologie het zwaarste element van de vier. Daar, in Groningen bestaan vele, al sinds hun bestaan in bijna totale vergetelheid geraakte dorpen die het nooit verder brachten dan de geboorte van een weerman binnen de gemeenschap of de vondst van een gasveld.

Zo niet het hechte Ter Apel (Troapel). Daar is de sfeer kort geleden volledig omgeslagen van een vorm van chronische aardappelmoeheid naar regelrechte euforie. De oorzaak is een mysterieuze verschijning binnen de gemeentegrenzen met als gevolg dat het dorp compleet met haar negenduizend inwoners voortaan eeuwige roem geniet, dit tot grote frustratie van het naburige Jipsingboermussel dat op slag haar naam veranderde in Ji Psing.

De allergelukkigste mens van Ter Apel is ongetwijfeld burgemeester Wa Li, tevens eigenaar van Chinees Restaurant de Gele Draak, tevens voorzitter van de Nederlands-Chinese Feng Shui Kleurplaat Associatie tevens erelid voor het leven van de carnavalsvereniging LI-JP. Glimmend van trots en met vooruitgestoken buik verhaalt hij:

  “Hiel verscheen hij. Daal, tussen plubak en kappestok in. Ongelooflijk ja? Ik heb er nog steeds kipvelletje van. Jij eten hiel. Menu?”

Ik schudde mijn hoofd en liet hem de inhoud van mijn nog volle broodtrommeltje zien. Prompt wees hij mij snaaks op een klein bordje naast de garderobe.’Verboden meegebrachte etenswaren te nuttigen’ stond er. En eronder: ‘Honden toegestaan.’

  “Wat gebeurde er precies? Kunt u dat vertellen?”

  “Simpel. Er kwam vuul uit plubak,” meldde hij. ”Ik dacht eelst aan geëelde lollige gast met sigalet vel ovel datum. Daalna: Poef!”

Met een ernstig gezicht stak het ronde kereltje een kort, vlezig vingertje in de lucht en sprak accentloos: ‘Het is goed als geëerde gast dooft sigaret, maar is beter wanneer sigaret dooft geëerde gast voorgoed.’

  “Bravo,” riep ik in mijn handen klappend. “Was die van uzelf?”

“Nee. van mijn opa. Pa Ling uit Volendam.”

“Uw opa was een groot dichter,” complimenteerde ik hem. “Maar wat deed u toen? Pakte u de brandblusser?”

  “Dankuwel. Nee. Confucius houdt niet van zeer hoofd.”

  “Verstandig. Maar hoe wist u dat het Confucius was die in de paraplubak zat?”

  “Gewoon. Voorouders vertellen mij.”

  “Hoe?”

Wa Li’s gezicht betrok wat kennelijk betekende dat hij nadacht.

  “Welke Hoe bedoelt u? Hoe Dan, Hoe Nu, Hoe Lang of Hoe Nou?”

  “Gewoon, hoe,” suggereerde ik.

  “Dan vermoed ik dat u Hoe Dan bedoelt, mijn opa aan moederskant. Vreemd. Hoe is het mogelijk dat u die kent?”

  “Die ken ik ook niet en dat bedoelde ik ook niet. Wat ik bedoel is: hoe kon die weten wie het was die u hebt gezien? Hoe, bedoel ik.”

De ogen van de Chinees vernauwden zich tot nog kleinere spleetjes.

  “U bent minder grappig dan u zelf denkt,” beet de uitbater mij toe. “Ik kan u ook buiten de gemeente laten zetten. Ziet u die jongemannen daar buiten?”

Ik keerde me om maar niet snel genoeg om nog te zien hoe Wa Li ongemerkt mijn broodtrommeltje uit mijn jas viste dat hij in de paraplubak wierp. Buiten zag ik een groepje van ongeveer twaalf in wijde zwarte kostuums geklede grijsaards met lange witte puntbaarden. Twee ervan speelden haasje-over. De rest droeg lange puntige stokken. Het meest opvallend was hun geringe lichaamslengte, die van een kleuter.

  “U wilt toch niet zeggen dat… Die oude mensen daar?”

  “Die bedoel ik wel,” verduidelijkte hij toen ik me weer had omgedraaid. “Vergis u niet. Dit zijn wilde Kantonese vechtboeren, rechtstreeks geimporteerd van het platteland. Ik heb ze speciaal voor de veiligheid laten invliegen. De jongste is vandaag 93 geworden. Daar wilt u vast niet mee te maken krijgen.”

Wa Li zag mijn lachende gezicht en boog. “Confucius zei ooit: Hij die geweld gebruikt is gevaarlijk, maar hij die buitensporig geweld gebruikt kan doen en laten wat hij wil.”

  “Vanzelfsprekend,” zei ik op royale toon. “Maar daar kom ik niet voor. Waar ik wel voor kom is Confucius. U zegt hem daarin, in die bak te hebben gezien.”

  “Ja. Gelooft u mij niet?”

  “Natuurlijk, maar met alle respect: Confucius is een Chinees, nietwaar? Waarom is hij dan niet in Beijing, Shanghai of Tianjin verschenen maar wel gewoon hier in Groningen, in Ter Apel, een plaatsje dat voor de verschijning amper op de landkaart stond en waar afgezien van wat asielzoekers niemand wil wonen. Vind u dat zelf niet een beetje vreemd?”

  “Hoezo? Waarom is dat vreemd? In de grotten van Han mijn broer, een plaatsje in Luxemburg verschijnen zo ongeveer alle goden van de Christelijke wereld samen op een en dezelfde dag. Waarom mag Confucius dan niet in Ter Apel verschijnen?”

  “Van mij mag het, als u dat wilt horen. Maar kunt u dan aangeven wat er precies gebeurde?”

  “Alstublieft. Er was vuur en toen een knal. Poef! Geen sigaret wist ik toen. Misschien een asielzoeker.”

  “Pardon? Een voetzoeker bedoelt u zeker.”

  “Ja. Nee. Toen ik weer durfde te kijken stond hij daar.”

  “En toen wist u dat hij het was, Confucius. Hoe kan dat?”

  “Dat, beste geëerde klant, hoort nu eenmaal bij het mysterie. Confucius is een Taoïstische halfgod, alziend en dus alomtegenwoordig. Daarom weet hij alles.”

  “Hebt u een voorbeeld?”
  “Zeker. Hij weet bijvoorbeeld dat u straks menu 54 met rijst zult bestellen.”

  “Werkelijk? Hoe doet hij dat?”

  “Dat weet niemand. Hooguit de kok, maar die is nu ziek.”

  “Aha. Dat betekent dus dat de kok met hem communiceert.”

  “Natuurlijk. Hoe weet hij anders of de Foe Yong Hai opnieuw moet worden gelabeled? Zeg mij: wat voor kleur heeft een bamisliert als het licht uitgaat?”

Wa Li gaf met zijn hand een klap op de lichtschakelaar.

  “Lichtgevend groen,” schatte ik.

  “Tsss. Een toevalstreffer. Maar nu, ongelovige, zeg me welke kleur ik nu heb!”

  “Dat wordt moeilijk,” antwoordde ik met schroom. “U bent geen bamisliert.”

  “Dat weet u niet want u kunt mij niet zien.”

Met een klap ging het licht weer aan.

 “U ziet, Confucius ziet alles,” besloot Wa Li. “Als halfgod is dat voor hem een fluitje van een cent.”

  “Dat klopt,” zei ik enthousiast. “Ik was laatst in een Chinese bazaar. Daar kocht ik een fluitje dat het dezelfde dag niet meer deed.”

Wa Li reageerde als door een tijger gebeten.

  “Aha! Wat kostte dat fluitje? Minder dan een euro?”

  “Vijftig cent.”

  “Dan was het uw verdiende loon. U hebt meer geld uitgegeven dan u is geadviseerd. Had het fluitje u een cent gekost dan had hij het nu nog steeds gedaan. Wie is hier nou dom?”

Tegen zoveel wijsheid tegelijk kon ik niet op.

  “Het ziet ernaar uit dat u mij te pakken hebt,“ zei ik. “Maar hoe komt u erbij dat Confucius een halfgod is?”

  “Twijfelt u daar dan nog steeds aan?”

  “Ik weet het nog niet zeker. Waar ik naartoe wil is de reden waarvoor hij nu juist Ter Apel heeft bezocht. Ik vind die hele verschijning namelijk een beetje verdacht, weet u. Tussen ons gezegd: wie kent Ter Apel? Het dorp heeft nationaal nooit in het middelpunt van de belangstelling gestaan, er is geen Rotary Club en de schuren staan al eeuwenlang leeg, En dan verschijnt daar opeens Confucius in hoogst eigen persoon. Hopla uit het niets! Kent u het gezegde ‘De wens is de vader van de gedachte?’ Wat ik wil zeggen, vind u dit nou zelf niet allemaal wel heel erg toevallig?”

  “Was die van uzelf?”

  “Nee.”

  “Daar had ik u ook niet voor aangezien. Om op uw vraag terug te komen, Toeval bestaat niet. Daarnaast, Confucius verschijnt nooit zomaar, dat verzeker ik u. Er is altijd aanleiding.”

  “Het duizend jaar durende tekort op de gemeentebegroting misschien?” probeerde ik. “Per slot van rekening heeft die verschijning de gemeente tot nu toe geen windeieren gelegd. Vooral u niet. En dan die rij touringcars op de parkeerplaats. Waarmee ik maar wil zeggen…”

  “De gemeente doet niet in windeieren. U bedoelt Pidan, nummer 61 op ons menu. Een duizend jaar oud ei gevuld met sambal.”

  “…waarmee ik wil zeggen dat het Ter Apel niet verkeerd uitkomt, deze verschijning.”

  “Meneer geëerde gast is abuis. Ter Apel heeft jaarlijkse carnaval, wonderschoon Museum voor Kerkgeschiedenis en Religieuze Kunst en in de zomer touwtrekwedstrijden tussen Troapel en Munnekemoer.”

  “Dat zijn puur lokale aangelegenheden,” protesteerde ik. “Die hebben niets met Confucius te maken.”

  “Wat wilt u horen?” vroeg Wa Li. “Dat ik het was die Confucius heeft uitgenodigd in de plubak plaats te nemen? Een halfgod bepaalt zelf wel waar hij verschijnt.”

Ik haalde mijn schouders op.

  “Wat u wilt. Een andere vraag is wat u ermee gaat doen? Ter Apel is niet in het bezit van de middelen voor een jaarlijks terugkerende Confucius-herdenking.”

  “Dat ziet u verkeerd. De kerk staat al jaren leeg. Die wordt verbouwd tot tempel. De oude straatverlichting uit 1872 wordt vervangen door rode lampionnen en de streekbus gaat weg. In plaats daarvan komt een dertig meter lange draak door het dorp te rijden. Kinderen gratis.”

  “Is het vieren van carnaval dan niet genoeg? Als u toch wilt overdrijven, waarom laat u het dan niet samenvallen met Chinees Nieuwjaar?”

  “U brengt me op een idee. Maandag, tijdens de gemeenteraad zal ik het direct voorleggen.”

  “Krijg ik dan nu mijn broodtrommel terug?”

Snel legde Wa Li een vinger tegen zijn mond bij wijze dat ik stil moest zijn.

  “Luister!”

Ingespannen probeerde ik iets te horen maar er kwam niets.

  “Ik hoor niets,” zei ik. “Maar dat ligt misschien aan mij. Volgens de nonnen had ik tijdens mijn pubertijd regelmatig last van slechthorendheid. Als dat zich weer voordoet moet ik ze driemaal daags druppelen met slaolie.”

Voor ik nog iets kon zeggen haalde Wa Li met zijn vlakke hand uit en deelde een enorme muilpeer uit, recht op mijn linkeroor.

  “Vertel. Wat leert u hier uit?”

  “Dat ik zo een fluitje heb dat niets hoeft te kosten?”

  “Dat ook. Weet u nog wat ik daarnet heb gezegd?”

Ik probeerde me iets ervan te herinneren wat me niet lukte.

  “Nee, ik vrees van niet. Op de een of andere manier ben ik het nu kwijt.”

  “Dat, meneer de schrijver is een geluk en een waarheid die ons allen dagelijks treft. U bent een van de meest gelukkigen bij wie het direct zichtbaar is. Vergeet niet wat Confucius hierover heeft gezegd: ‘hij die hoort, vergeet. Hij die ziet, herinnert het zich en hij die doet, begrijpt.’

  “U daarentegen bent het vergeten dus hebt u niet geluisterd. U zag hem niet dus weet u er niets van en behalve schrijven doet u ook nog eens helemaal niets. Scheer u weg.”

DE WINKEL VAN SINKEL

DE WINKEL VAN SINKEL

 

Kortgeleden viel mijn oog tijdens het lezen van een papieren krant toevallig op de naam Sinkel, van oudsher een beroemde Utrechtse naam. Mijn kop eraf als het hier niet om een nazaat van de gelijknamige familie ging! Om daar achter te komen toog ik naar Utrecht.
In de Domstad aangekomen bleek het echter mis. Op het aangegeven adres trof ik geen warenhuis maar het magazijn van de heer Kwaaitaal, ex NSB-er in ruste, tegenwoordig rondreizend handelaar in biljartkrijtjes. Foute boel dacht ik, dus zocht ik verder. Na urenlang door de stad te hebben gewandeld wat in eerste instantie niets opleverde trof ik uiteindelijk de nering op nummer tien in een naamloos steegje achter de Domtoren waar ik eerder al doorheen was gelopen maar zonder het te hebben opgemerkt.
  “Een doos pillen om te poepen alstublieft!” riep ik enthousiast bij het binnenkomen en miste een trede. Met een gracieuze koprol en de deurknop in mijn hand landde ik precies voor de toonbank met daarachter een krom, stokoud grijs mannetje in een bruine stofjas te midden van tot in de hemel reikende stapels dozen, rekken, kasten, vitrines en doorbuigende schappen.
  “Vangen!” piepte de grijsaard en wierp mij een tube toe. “Somalische ijsberenbalsem. Werkt goed bij kneuzingen, netelroos, huidwaterzucht en de Engelse Ziekte. In uw geval bij huisvredebreuk en bijziendheid. Driemaal daags insmeren.”
Ik wreef het uit over mijn zere kont en bedankte hem. “U bent de heer Sinkel?” vroeg ik intussen mijn broek ophijsend.
  “Junior” sprak hij trots. “Vader is boven. Ga hierlangs, volg dan de schappen tot u bij de kisten schietgaten zonder rand bent. Vandaar linksaf en dan steeds verder naar achter tot u een stapel dozen ziet met voorgeknoopte veters. Onderweg nergens aankomen AUB. Daar neemt u de trap. Opgelet! die mist elke oneven trede. Ruimtegebrek.”
Omdat ik vreesde dat het al te laat was rende ik naar achteren en stormde met twee treden tegelijk de trap op. Op de plek aangekomen trof ik een nog veel ouder mannetje.
  “De erven Sinkel, neem ik aan?” vroeg ik.
  “Zoon van,” kraste de oude baas terug vanaf een vanaf de vloer tot het plafond reikende gigantische stapel dozen gevuld met mottenballen. “U moet zeker mijn vader hebben. Die is boven. Hebben ze dat beneden niet gezegd?”
Ik ijlde verder omhoog, de ladder op met de hoop de eigenaar nog levend aan te treffen.
Daar, met een been op de bovenste sport van een ladder en het andere opgevouwen achter zijn hoofd wiebelde iets dat leek op de schim van een mannetje dat eigenlijk allang dood had moeten zijn.
   “De heer Sinkel zelf?” schreeuwde ik zo hard mogelijk in zijn oor.
  “Ben ik, sinds 1879” meldde de schim. “En nog steeds niet doof. Mag ik u ergens mee helpen? Ik was eigenlijk aan het balansen.”
  “Ja. Verkoopt u spijkervoetjes? vroeg ik bij wijze van test.”
  “Heb ik,” meldde de oude.
  “En kompasnaalden?”
  “Ook. Zoekt u een bepaalde windrichting? Zuid-zuid-oost is momenteel in de aanbieding.”
  “Maakt niet uit. En bougievonkjes dan?”
Met een welgemikte worp wierp hij een blikken doosje naar mij toe dat ik nog net kon vangen.
  “Dit zijn de originele van Franse makelij. Anders nog iets?”
  “Dat ligt eraan, of u hebt wat ik zoek.”
  “Die kans acht ik 99,9 procent. Wij grossieren in alles behalve schoonmoeders en oude wijven. Daar is vreemd genoeg geen vraag naar. Jammer wel want de kachel moet ook branden.”
Ik knikte bij wijze van verstandhouding.
  “Maar nu u daar toch staat,” zei hij. “Kunt u mij even die doos met plintenladders daar aangeven?”
Ik keek achter me waar een doos stond met daarop: ‘Plintenladders 1e kwaliteit. Alleen voor goedgelovigen en personeel onder de 18.’
  “Die ja.”
  “Wat toevallig,” begon ik. “Daar wilde ik net over beginnen. Ik heb voor u een paar…”
  “Ahum!” raspte senior op een bordje wijzend dat mij nog niet was opgevallen. ‘Hof leveranciers’ stond er op geschreven.
  “Nog van harte!’ riep ik zo enthousiast mogelijk. ”En? Sinds hoeveel jaar?”
  “Geen enkel. We zijn het nooit geworden.”
  ”Maar vanwaar dan dat bord?”
  “Met dat bord is niks mis. Er hoort te staan: ‘Verboden toegang voor ‘T Hof Leveranciers achterom’ maar moest wegens ruimtegebrek worden ingekort. Dus voordat u verder gaat: lieden van ‘T Hof moet ik hier niet. Concurrentie, snapt u?”
  “Ik snap ‘m,” loog ik. ”Maar ik heet niet zo en ben hier alleen om u een paar vragen stellen. Het is voor een boek.”
De man gleed wijdbeens langs de trapleuning naar beneden.
  “Een boek zei u? In dat geval moet ik u waarschuwen. Hoeveel vragen zijn het bij elkaar? Meer dan twaalf?”
Ik greep mijn blocnote en telde ze.
  “Dertien, om precies te zijn.”
“Dat is er een te veel. Dertien in een dozijn is hetzelfde als anderhalf paar schoenen. Daar kun je ook niet op lopen.”
  “Doet u mij er dan maar twaalf, als het mag.”
De erven Sinkel nam een bruin papieren puntzak, krabbelde met een potloodje dat hij vanachter zijn oor vandaan toverde het woord ‘DOM’ op en zette hem omgekeerd op mijn hoofd. “Goed. Een dozijn vragen. Anders nog iets?”
  “Nee zo is het goed,” lispelde ik. “Maar vanwaar dat getal? Eentje extra, wat maakt dat uit?”
  “Wat maakt dat uit? Dat er ‘dom’ op uw hoofd staat geschreven betekent dat u mij niet nog eens extra hoeft te bewijzen dat u het bent.” jammerde hij. “Regels zijn regels en een dozijn is een dozijn. Punt. Bovendien heb ik hier geen ruimte om uw vragen beantwoorden. Daarvoor moeten we naar buiten.”
Ik keek door het dakraam en zag dat het met bakken tegelijk uit de hemel kwam. “Daar regent het,” zei ik. “Pijpenstelen.”
  ”Vanzelfsprekend,’ sprak hij onder de toonbank duikend. “Wenst meneer de Goudse gebogen of de Swifterbantse rechte?” vroeg hij even later met twee dozen in de hand. “De rechte pijpensteel is de laatste tijd erg in trek. De gebogen daarentegen doet het vooral goed bij stijve begrafenissen.”
Ik bedankte daarvoor en stelde mijn tweede vraag. “Van welk artikel hebt u het meest verkocht?”
Met een oog dichtgeknepen naar het plafond en zijn lippen getuit keek de oude naar het plafond.
  “Hoedemaker’s Pastilles,” zei hij zonder na te denken. “Puik spul.”
Sinkel greep een glazen pot van de toonbank met witte dingen erin die hij mij uitnodigend voorhield.
  “Zijn ze dat?” vroeg ik nieuwsgierig. “Ze zien er uit als een -”
  “Pepermuntje?”
  “Dat wilde ik net zeggen. Nee dank u.”
Het mannetje dacht even na. “Een meeuwenflats dan misschien,” raspte hij. “Of een hondenneus? Nee wacht. U bent het Haagsche hopjestype. Bleekjes en een beetje bekakt.”
Ik wuifde zijn aanbod vriendelijk weg. “Andere keer. Die Hoedemakers Pastilles, waarom heten ze zo?”
  “Uit eerbetoon. Genoemd naar Achiel Hoedemaker, Utrecht’s bekendste dominee. Hij mocht tijdens de zondagse preek graag zijn oren leeg peuteren waarna hij het tot balletjes rolde en vanaf de kansel de kerk in schoot. Een sterk gevoel voor statement noem ik dat. De dominee had een schurfthekel aan alles en iedereen maar vooral aan kerkgangers die tijdens de preek niet luisterden. Lette je niet goed op dan kreeg je de volle laag.”
  “Doeltreffend,” vond ik. “Waar dienen ze voor?”
  “Het tegengaan van derdegraads verzuring, Haags doemdenken en pisnijd.”
Ik schrok wat ook de grossier opviel.  “Zo reageerde mijn betovergrootvader, destijds nog een broekie ook. Tot die een paar van die balletjes begon te verzamelen, ze confijtte en bij wijze van grap aan een paar mensen uitdeelde.”
Ik vreesde het ergste.
  “Ze werden ernstig ziek.”
  “Dat niet zozeer.”
  “Wat gebeurde er dan nog meer?”
  “Een algehele ramp van nationale omvang. De vrolijkheid sloeg toe meneer, algeheel en in vrij ernstige mate zelfs. Eerst begrepen we niet waar het aan lag, tot de boekhouder van de gemeente tijdens het voorlezen van het begrotingstekort er in bleef met een enorme grijns op zijn gezicht. Oorzaak: dood door lachen. Dat zette de politie op ons spoor. Toen bekend werd wat de oorzaak was ging het hek van de dam. De juten en de brandweer hadden de zondag erop de grootste moeite met het handhaven van de orde vanwege de gevaarlijke soort vrolijkheid die in de kerk maar vooral in het openbaar heerste.”
 “Gevaarlijk?”
  “Dat zeg ik. Bent u doof? Toen twee dagen later de burgemeester de gemeentebegroting presenteerde bleek daar meer dan 1000 keer het woord ‘kak’ in voor te komen zodat een verbod op het luisteren naar de dominee volgde, nota bene via een speciale politieverordening. Niemand had in de gaten dat mijn overgrootvader clandestien intussen was begonnen met de productie van die oorsmeerballetjes in de kelder waar het nu nog steeds plaatsvindt. ‘Op ambachtelijke wijze,’” benadrukte hij trots.
  “Clandestien zei u. Vanwaar dat?”
Sinkel boog diep over de toonbank heen.
  “Kan meneer een geheim bewaren?” vroeg hij op fluistertoon. “In het geniep aftappen natuurlijk. De belastingdienst is overal.”
  “Dus de oorsmeer komt niet meer van de dominee maar gewoon uit de kelder?”
Sinkel lachte schril zodat de potjes op de toonbank begonnen te rinkelen. “Waar anders vandaan? Uit Afrika of zo?”
Uit het trapgat stak een zwart hoofd omhoog en riep iets naar Sinkel in een taal die ik nog nooit had gehoord.
De grossier riep iets onverstaanbaars terug waarna het hoofd zich weer liet zakken.
  “Wie was dat, als ik mag vragen?”
“Onze productiemanager, Abuku Filopi. Hij is het stamhoofd. De wattenstaafjes raken op. Niet vreemd. Ze zitten daar al zolang ik me kan herinneren.”
   “Ze?”
   “Ze zijn met zijn vijven. En zijn familie, met ooms en tantes erbij ongeveer honderd nakomelingen.”
Vanaf een overvolle plank haalde hij een plastic potje tevoorschijn. “Alstublieft. 50 stuks Hoedemaker’s Pastilles, gemaakt van een super kwaliteit honderd procent Pygmeeënoorsmeer uit een gegarandeerd onontdekt Afrikaans regenwoud.”
 “Hoe kan iets in een onontdekt regenwoud worden gemaakt als de leden van een stam die er woonden voor u werken?” protesteerde ik. “Daarbij, dit komt gewoon uit uw kelder. Valt dat niet gewoon onder oplichting?”
  “De mensen willen tegenwoordig besodemieterd worden,” sprak Sinkel vals. “Uit een Utrechtse kelder, wie voelt zich daarmee nog aangesproken?”
Om dat antwoord kon ik niet zo snel heen.
  “Wie koopt dat spul eigenlijk nog tegenwoordig?” wilde ik weten.
  “Allerlei lui. Accountants, belastinginspecteurs, ambtenaren. Laatst had ik de hele fractie van die uiensnijderspartij hier in de zaak die meteen de hele voorraad wilde meenemen. Hoe heten ze ook al weer? Ze boden mij de dubbele prijs te betalen maar daar ging ik niet op in. Het gewone volk heeft ook rechten, vind ik. Wat een huilebalken.”
  “D66! Wie nog meer?”
  “Tegenwoordig vooral veel celebrity’s, bekend volk dus. Maar waarom zou ik dat u aan uw neus hangen?”
  “Geen idee maar het komt mij van pas. Het spreekt de lezers aan. En leden van het Koninklijk huis, komen die hier wel eens naar binnen? Ik weet van horen zeggen dat wijlen Prins Bernhard hier een balletpakje maat 150 heeft gekocht.”
  “Dat verhaal ken ik en is pertinent niet waar. Geen idee hoe het in de wereld is gekomen. Ik weet het nog precies want ik heb hem zelf opgemeten. Het was maat 138 exact, van kuiltje in de hals tot aan zijn kruis.”
  “Volgende vraag: wat is het vreemdste dat u ooit hebt verkocht?”
  “Hamerstelenvet. Dat was het absolute toppunt. We hadden op een gegeven moment de complete Nederlandse bouwsector hier binnen. BAM!”
Geschrokken ging ik in elkaar gedoken op de grond liggen.
  “Wat doet u?”
  “U zei opeens BAM!”
  “Daarmee bedoel ik de Bataafsche Aanneming Maatschappij. Voelt u zich wel goed? God, wat hebben we daar achteraf om moeten lachen. Ik krijg weer pijn in mijn buik als ik eraan denk. U had de gezichten van die lui moeten zien toen ze verhaal kwamen halen bij mijn overgrootvader.”
  “Groots! En die andere dingen?” zei ik met een knipoog. “U weet wel.”
Vraagtekens verschenen op Sinkel’s voorhoofd. “Nee, dat weet ik niet. Hoe moet ik weten wat u bedoelt. Ik heb hier meer dan zeventigduizend artikelen op voorraad. Als u wilt dat ik antwoord geef zult u toch specifieker moeten zijn.”
Ik gaf mijzelf gewonnen. “U weet wel, ooievaarskuitenvet, duwdrop, richtingaanwijzerolie, knoopsgaten op een rol. Ieder groentje is ermee opgegroeid of ermee op het werk getreiterd.”
Sinkel lachte zodat de ene tand die hij nog bezat zichtbaar werd. “Dus ze hebben u ook te grazen genomen.”
  “Vraag drie. Is er iets dat u niet verkoopt?”
  “Niet dat ik weet. Wij verkopen alles dat los en vast zit, van woestijnzand tot gletscher ijs.”
  “Pardon?”
Sneller dan ik met mijn ogen kon knipperen greep de man naar een klein flesje dat hij onder zijn jas bewaarde. “Alstublieft. Vijftig cc Pardon. Zachtjes de plek inwrijven met de top van uw wijsvinger. Vergeet niet daarna uw handen te wassen. Nu u er toch bent,” vroeg hij. “Wilt u even uw vinger hier op het strikje leggen? Het moet vandaag nog de deur uit. Een spoedbestelling uit Oelegem.”
‘2x twaalf dozijn zwaluwstaarten’ stond op de doos gedrukt. Met daaronder ‘Niet bedoeld voor consumptie.’
  “Voor wie zijn ze?”
“Een Belgische kozijnfabriek. De arme drommels daar denken al sinds de tweede wereldoorlog nog steeds dat ze die nodig hebben voor het maken van zwaluwstaartverbindingen.”
  “Wordt het dan niet eens tijd dat u ze daarvoor waarschuwt?”
  “Moet u niet toevallig ook nog ergens anders wezen?” vroeg de oude, wijzend naar het dakraam. “Kijk, het is alweer droog buiten.”
  “Nee. Ik heb verder geen afspraken. Vraag vier. Hoelang denkt u nog door te gaan met de winkel?”
Sinkel trok een vies gezicht.
  “Wij blijven bestaan zolang er goedgelovige sukkels zoals u rondlopen. Zeg nou eerlijk: wie heeft er nog pillen nodig om te kunnen poepen? Juist, niemand. Het loopt je tegenwoordig vanzelf al tussen de benen vandaan, met al die troep die je tegenwoordig als voedsel krijgt voorgeschoteld. Een middel tegen algemene verzuring zei u? Drie adressen verderop zit een koffieshop waar je voor een paar euro een lachkick kunt halen zo lang als de hele dag. Het loont bijna niet meer.”
  “En de bougievonkjes dan?”
“Ach, een enkele keer loopt er nog wel eens een jongste bediende van een of ander bedrijf hier naar binnen om te vragen naar die dingen, dezelfde als waar u het net over had. Spijkervoetjes, kompasnaalden, hamerstelenvet, plintenladders, ze bestaan allemaal ja, zolang u hier binnen bent. Zet maar eens een stap buiten de deur en laat me daarna weten wat er gebeurt.”
Verbaasd maar tegelijk ook nieuwsgierig nam ik het advies aan en liep naar buiten om te kijken wat er zou gebeuren en zag dat mijn hand leeg was. De tube ijsberenbalsem, het flesje Pardon, ze waren verdwenen.
Toen ik me verbaasd omdraaide om weer naar binnen te gaan stond ik met mijn neus tegen de muur van een blinde gevel. Hoe ik ook zocht naar een kier of naad, nergens zat een spoor van een etalageraam of winkeldeur.
Een politieagent zag me staan.
  “He,” riep hij. “Wildplassen is verboden. Dat kost u honderdzestig euro.” Geschrokken zette ik het op een lopen.