BLIJVEN HOPEN

Jaargang 1, aflevering 15, donderdag 29 december 2016

 

 

BLIJVEN HOPEN

 

  “Wushu”!
    “Wat zeg je, schat?”
  “Wushu”!
  “Bedoel je de Shaolin stijl of Wudang? Nummertje 23 op het menu van De Blauwe Lotus is ook niet te versmaden.”
   “Heel flauw,” sprak ze over haar leesbril wijzend op de deurknop. “Die is nog steeds lolliger dan jij. Je had ook gewoon ‘gezondheid’ of ‘proost’ kunnen zeggen en als het kan een beetje meer respect voor je strontverkouden vrouw graag.”
Als echtgenoot wist ik direct wat ze daarmee bedoelde. Een van de eigenaardigheden van vrouwen is dat, het moet gezegd, tijdens die ene keer dat ze ziek zijn naast hun gevoeligheid voor watervaste papieren zakdoekjes met korreltje 20 hun gevoel voor sarcasme evenredig toeneemt.
Balorig geworden loop ik naar de woonkamer waar ik mij richt op een veiliger bezigheid, het uitzoeken van een foto van vroeger met de bedoeling die bij dit verhaal te voegen in de wetenschap dat een toenemend aantal mensen visueel zijn ingesteld, een veel voorkomende eigenschap van volkeren waar praatjes minder zeggen dan plaatjes.
Nadat ze allemaal een keer door de uit mijzelf bestaande ballotagecommissie zijn gemangeld en ik het grondige besluit heb genomen ze allemaal naar het zeer statische archief te deporteren zwicht ik tenslotte onder zware druk van mijn vrouw dat toch vooral niet te doen. Haar motief: ‘je weet nooit of ze niet een keer van pas zullen komen,’ een reden waar ik gedreven door spot om moet lachen omdat het mij de nodige moeite kost mij een dergelijke situatie voor te stellen.
  “Afgezien van het ermee verdrijven van alle ratten uit dit huis,” zo luidde mijn weerwoord, “noem mij dan tenminste één andere legitieme reden.”
Maar die komt er niet omdat ze weet dat ik dan doordraaf, wat dan weer de kans vergroot dat het onderwerp de week daarop tijdens het wekelijkse vragenuurtje in de Tweede Kamer zal worden behandeld onder de calamiteit ‘Het preventief ruimen van knaag- en ander ongedierte in de Randstad en andere stedelijke gebieden.’
Zelf iets geschikts uitzoeken blijft moeilijk. Een foto waarop ik als baby in het middelpunt van de belangstelling ben afgebeeld, temidden van uitbundig lachende familieleden leg ik onverbiddelijk terzijde. Ongepaste jolijt, oordeel ik snel, want als het over mijzelf gaat ben ik keihard. Een andere, waarop ik gekleed als Henri Knap met scheef, in dezelfde stijl geknipt als Adolf Hitler vervuld van hoop naar een vogeltje kijk dat het ondanks de lokroep van de onder een zwarte doek verscholen fotograaf verdomd aan mij te verschijnen valt eveneens buiten de prijzen. Had de führer blond kroeshaar gehad, dan was het wellicht heel anders met hem en als gevolg daarvan ook met mij afgelopen, bedenk ik me.
Ik bekijk er nog een paar, waarna ik ze ten slotte bijeenraap en in de lade doe waarin ik oude rommel bewaar.
Later.
  “Wiewelwaauwuwowowie,” klinkt het dan vanuit de keuken, drie vertrekken en twee dikke natuurstenen muren verder.
  “Wat zeg je?” roep ik er achteraan.
  “Wiewelwaauwuwowowie!”
Omdat ik geen Swahili spreek en versta besluit ik, vastbesloten om achter het geheim te komen hoe het komt dat mijn vrouw die taal wel machtig is naar de keuken te lopen.
  “Wat zei je daarnet nou precies?” wilde ik weten.
  “Niks, ik vroeg alleen maar of je koffie of thee wilde, dat is alles.”
Overmand door gespeelde emoties vanwege het feit dat ik in tegenstelling tot ‘s avonds overdag altijd koffie drink beantwoord ik de vraag halfslachtig en wandel tot die klaar is naar buiten de tuin in, waar ik er net als ik er halverwege ben de telefoon hoor overgaan.
  “Sto?” zeg ik buiten adem met het toestel aan mijn oor want zo klinkt iemand in het land waar ik woon die de telefoon aanneemt.
Een stortvloed aan onsamenhangende, zwaar door de neus gesproken verzameling klinkers en medeklinkers wordt over mij uitgestort.
  “Posjevor,” zeg ik op mijn beurt en plaats het apparaat terug in zijn houder.
  “Wie was het?” vroeg mijn vrouw geïnteresseerd.
Met een blik vol melancholie haal ik mijn schouders op.
  “Geen idee maar het klonk niet gezond, eerder boos,” antwoord ik melig. “Heb jij toevallig een Spanjaard met neuspoliepen in je kennissenkring of naar je weet nog iemand anders met je verkoudheid aangestoken in de afgelopen twee weken? Zo lang duurt de incubatietijd.”
Met nog net geen opgestoken middelvinger naar haar voorhoofd verwijst ze de verdenking naar het land der fabelen.
  “Dan was het óf een verdwaalde Portugees, de school, de opticien óf de telefoonmaatschappij,” besluit ik, want afgezien van een nichtje van mijn vrouw worden we alleen nog maar gebeld door ingeblikte bedrijven die ons zonodig iets moeten verkopen.
  “De opticien?” vraagt ze verbaasd. “Sinds wanneer belt die ons? Niemand hier in dit huis draagt voortdurend een bril.”
Ik haal mijn schouders op. “Dat weten wij wel maar zij nog niet. Ze hopen denk ik iets aan ons te kunnen verdienen. Maar het kan ook de telefoonmaatschappij zijn,” zeg ik er snel achteraan. “Die bellen ons altijd een keer per maand, meestal  rond deze tijd. Hoop, alles bij die lui draait om hoop.”
  “Hoop? Waarop?”
    “Dat ik een filantroop blijkt te zijn die in een gulle bui hun meest snelle internetverbinding over glasvezel wil met daarbij hun meest uitgebreide programmapakket wil bestellen met minimaal duizend kanalen waarvan er tweehonderd over voetbal gaan, honderd met bloot entertainment, vierhonderd daarvan filmkanalen zijn waar ik geen tijd voor heb en de rest is lokale achterklap.”
  “Jíj, een filantróóp? Dan wens ik ze veel succes,” roept ze theatraal. “En daarbij, je houdt niet van voetbal, je hebt mij als entertainment, ons leven is net een film en de buurt zorgt voor de achterklap. Is dat niet genoeg? Mij is het in ieder geval de afgelopen vijftien jaar niet gelukt je op filantropische gedachten te brengen, waarom zij dan wel?”
  “Dat gaat ook niet,” geef ik toe onder het inhouden van de slappe lach. “Maar zij worden ervoor betaald. Om te hopen. Hoop doet nu eenmaal leven, weet je. Daar kun je niet omheen. Misschien was het wel een door haar ouders gepest, heel dik, bijziend meisje met vette haren en een orthopedische schoenmaat 44 dat van haar chef bij wijze van test de opdracht kreeg om te proberen mij over te halen.”
  “Maak jezelf geen illusie,” zegt ze vol overtuiging. “Dat was haar nooit gelukt. Ik ken je langer dan vandaag, om precies te zijn vijftien jaar, elf dagen en veertien uur. Moet je nog koffie?”
  “Doe maar,” antwoordde ik. “Dat meisje komt er zonder mij ook wel. Als ze maar blijft hopen.”     

 

 

 

  

 

THE MANNEQUIN AND THE TROUSER PRESS

 

 

 

The Mannequin and the Trouser Press

 

 

         Once, in the window of a little poor tailor lived a beautiful mannequin. It was not an ordinary mannequin made of wood, paper-mache filled with old newspapers. No, she was a dignified, old fashion mannequin with beautiful curves and little wheels. Within her body she wore a skeleton made of steel wire, covered with mohair, then a layer of real brocade which gave her the appearance of a chic mannequin.
         Sometimes people stopped in front of the window, asking the tailor how he got the doll, because everyone who saw it agreed with the rest that the doll actually was too chic and therefore should not belong to the little tailor.
        ‘There’s definitely something wrong here,’ people who saw her whispered behind his back. ‘That doll is just too beautiful. How could a poor tailor like him ever own such a thing?’
But then he showed them his friendliest smile and told anyone who wanted to listen that the mannequin was given to him a long time ago by a rich old lady to pay him in return for his services, but nobody actually believed him.
         The years passed by. The mannequin enjoyed herself and worked hard, doing her best every time when an order arrived, big or small to please the little tailor. Bridal gowns, cocktail dresses, evening gowns, it didn’t matter; the mannequin made sure everything fitted her in the most perfect way.
But after twenty years of service she suddenly started suffering from moths and became covered with countless frays and holes from the many pins and needles that pricked her body. The layer of brocade became pale and discolored, especially in summer when the sun shone on the window, this to the sadness of the mannequin who preferred to stay beautiful forever, dressed in new brocade causing people passing by to stop.
       Fewer and fewer people passing by stopped to see her,  until the time came nobody looked at her anymore. The tailor, getting old, bought a secondhand doll made of jute with fewer holes and without fraying. Affected by gout and rheumatism he was unable to lift the mannequin from the window, and after a few weeks he had simply forgotten her. The mannequin became scruffy and a layer of dust appeared on her shoulders, causing her to become ashamed of her appearance.
      ‘ Oh,’ she thought, ‘I wish I could be as beautiful again as before to attract people walking by the window.’ Then, she promised herself, she would sneak out at night to go dancing, because that was her deepest wish. How great would it be if she could dance in one of the most beautiful gowns designed by the tailor, even if it was for only one single night! But then she looked at herself in the old-fashioned full-length mirror in front of her who put out his tongue at her, saying that the mannequin was but a conceited creature.
       “You stupid piece of driftwood,” she then replied. “What do you know about real life, how it is to be asked by a handsome soldier who takes you out into the night to dance at the king’s court, spinning and waving until she dropped.
      Then the mirror sneered so the knot in his wooden frame got a little bigger again but not to fall apart, so he decided to shut up.
      But since then nobody ever came to release the mannequin from her miserable life in the window with the mirror. No handsome boy, old man or even a buyer of old stuff was interested in her. Even the mirror with his mockery towards her started to laugh more often about her.
      “Look at yourself!” He cried. “You body falls apart! It’s full of holes made by moths! Be glad you’re still standing here today. Tomorrow it may be your last, For me perhaps, but definitely for you!”
Then the mannequin wept and hoped that the full-length mirror would fall apart into thousand pieces.
Summer and autumn passed and the nights became colder where the mannequin felt quite naked, but because there still was no one who watched her she didn’t care much about that. Soon it would be Christmas again, she knew. The best time of the year when the window would be decorated, when people had an eye for beautiful things and they would pay more attention to stuff that really mattered such as friendship, sharing with each other and thinking of those who were forgotten throughout the year. In silence, the mannequin secretly thought about herself a little, hoping that someone would see her and would take her away, if necessary even to the trash!
It was an ordinary, frosty morning in December when she woke up. It was the full-length mirror again with his icy laughter who had awakened her.
‘Look over there, across the street,’ he taunted. ‘A new dweller in town. There he is, your fine gentleman! Should you not ask El Stiffo if he wants to dance with you?’
The mannequin swept the fraying out of her eyes to have a good look. This time, the mirror was right! There, across the street in the window of a shop for exclusive men’s clothing, she saw him. It was a distinguished-looking trouser press, made of mahogany. He must have had been placed there early that morning because the night before at the same spot a simple standard with a dull tweed jacket stood there which she ignored, out of sheer petulance.
‘Now that’s a true gentleman!’ She exclaimed, wished herself to the other side of the street in order to see the new occupant closer. The mirror wanted to laugh and had his knot already wide open but kept it shut, thinking about the blob of glue the tailor promised him if he got cracked.
How deep was her wish to meet her new neighbor! The more she looked at him, the more she longed to chat with him about the latest fashion, about the past, and things genteel; things simply shared with each other hoping he eventually would ask her to dance. With a fine pair of trousers, a fine jacket and the linen shirt he was the perfect partner to give her the confidence enjoying herself again, if possible throughout the night.
But at the same time it dawned on her that her wish never could become reality. How would that be? She, a disheveled middle-aged mannequin, full of holes and frays and on the other side he, a chic ‘Made in England’ trouser press, too far away from her because of the two thick glass windows, pavements and road between them keeping them separated.
She noticed that thinking about this made her sad so she decided it would be better not to think about him anymore.
The days passed and soon it was the night before Christmas. The street was filled with Christmas lights and the wife of the little tailor decorated the window where she was standing with a red paper bell, a dozen of real candles and a crown made of branches of a fir tree, the same things that were used every year. She wouldn’t dare to think about how the trouser press looked across the street. Though occasionally she couldn’t resist watching him secretly by peeking between her fraying to see he wore sprigs of holly on the lapel of the jacket.
A few hours more and then it would be Christmas night. Then, at twelve, people wrapped up warmly came out of their houses, moving towards the church for the midnight mass.
How pleased she would be to be joining them, wearing a dignified black frock with a nice thick duffel coat against the cold!
From afar the mannequin could hear the choir singing christmas songs, and she began humming along a bit. It was as if this year the choir sounded a bit nicer than the year before. Standing between the remnants of the already extinguished candles she thought of the things that had happened during her lifetime and which were undoubtedly for her in the offing. In about a week it was New Year’s Day when people rid themselves of many things to make way for newer, better or nicer items. A time where it could happen to her, being noticed and sent to the scrap yard.
The bell in the church tower rang, slow enough for her to be able to count the strokes. “Ten, eleven, twelve.”
A star flashed across the sky, even brighter than the moon, causing the mannequin to become startled.
‘Are you afraid now?’ the mirror asked derisively. ‘Why don’t you go to your fiancé on the other side of the street? I’m sure he will protect you!’
Thinking with all her iron wire the mannequin wished to be with the trouser press which, as in turned out, was also thinking of the mannequin and before she knew what happened  she stood beside him in the window, dressed in the finest and most expensive dress that the tailor had sewn a few days ago for a wealthy client.
‘Welcome, honorable lady,’ the trouser press politely said. ‘What a pleasant surprise. May I have the pleasure of your company tonight?
There was no need for him to say that a second time! Together, under the envious glances of the mirror she left the window at the hand of the trouser press, and disappeared into the night. She swayed and waved along the roads, waltzing through the meadows when it gently began to snow. Never before had the mannequin enjoyed herself so much as now. Finally her dream came come true!
The next morning, Christmas Day, after the people woke up in a white winter world, the tailor found his shopping window empty, without the mannequin except for the mirror. Also across the street the trouser press was missing.
Only now it occurred to him he realized he had forgotten the mannequin which had served him faithfully for many years. How could he ever discard her? And where was she now?
The next day, it was Boxing Day and the little tailor’s doorbell rang. Standing there were a group of boys who said they had found her while throwing snowballs.
He quickly shot into his slippers and ran after them despite his crooked legs, chasing through the snow, away from the street, to the park where they stopped at the wooden music chapel. There, under a thick layer of powder snow he found her, covered with the trouser press’ jacket, lying next to her, with their wheels worn down to the metal intertwined together. Only now the tailor realized how stupid he was, by not just putting a new layer of brocade on her, instead of buying a second hand one, just to save money.
With regret, he thoughts went to her. If he would have taken better care of the mannequin, with a new look she would attract more richer than poor clients, but now it was too late. The frame on her inside was bent and began to rust. Holes in her body were irreparably large and the brocade was fraying.
Only the birds did not mourn. They saw their nests in the spring lined with warm fringes of brocade and mohair with the result that in May they contained more eggs than ever before.

 

The End

 

 

 

 

  

 

 

  

 

DE MACHT VAN DE CONDUCTEUR

Jaargang 1, aflevering 14, donderdag 22 december 2016

 

 

 

DE MACHT VAN DE CONDUCTEUR

 

  Van achteruitgang in de amusementswereld was in Den Haag in de tijd toen ik er nog in een korte broek rondliep op de keper beschouwd geen sprake, de Vaudeville voorstellingen in Heck’s lunchroom aan het Spui dat zijn beste tijd toen al achter zich had, niet meegerekend. De enige keer die ik mij kan herinneren was een dag in het voorjaar toen ik, drie jaar oud aan de hand van mijn moeder de Cineac bioscoop aan het Buitenhof bezocht, waar op het toen nog witte doek een tekenfilm met twee grappig in het rond spetterende eendenkuikentjes werd getoond. Onschuldig, zou je kunnen zeggen, wat ook zo was, tot aan het moment toen het andere kuikentje dat tijdens zwemles waarschijnlijk had zitten suffen opeens onder water verdween en niet meer boven kwam, dit tot mijn opperste schrik. Reden voor mij om vanwege deze onvoorziene confrontatie met een prille dood moord en brand te schreeuwen, zo hard dat een door ‘ssssst!’ sissende toeschouwers gewaarschuwde juffrouw, gewapend met een zaklantaarn mijn moeder verzocht de zaal samen met mij zo snel mogelijk te verlaten wat ze uit solidariteit dan ook deed.
Als alternatief gingen we dan maar eendjes voeren in het park van de Paleistuin aan het Noordeinde wat toen nog openbaar was omdat de koningin er niet in wilde wonen wat dan weer het voordeel met zich meebracht dat je er gewoon, zonder bagagecheck, metaaldetectors en je schoenen uit te doen maar wel met kinderwagen en kroost ongestoord via de achterkant aan de Prinsenstraat naar binnen kon wandelen. Daar bleek al snel dat het gewone volk zich er had verschanst wat duidelijk werd doordat de korstjes brood die ik, onder toezicht van mijn moeder de echte eendjes die wél hadden opgelet tijdens het zwemmen vanaf de waterkant toewierp, door onbetamelijk schrokkende soortgenoten naar binnen werden gewerkt. Dat het wel degelijk om constitutioneel grondgebied van de monarchie ging, bleek uit de aanwezigheid van een iets te breed uitgevallen, maar met het aplomb van een koning statig de vijver overziende blonde knobbelgans met een figuurlijk gesproken grotere snater dan het luidruchtige falderappes om hem heen: de eendjes. Geen enkele durfde zich te dicht in zijn buurt te wagen zodat de korstjes die in het water terecht kwamen door hemzelf werden geconfisqueerd wat erop wees dat hij eraan gewend was als eerste op het banket aan te mogen vallen.
Heel andere soorten van vertier bestonden uit het achterop in het mandje per fiets brengen van een bezoek aan het Westbroekpark om daar in het rosarium de nog maar net gesnoeide struiken te pletten, we om te pierewaaien naar Scheveningen reden en ik onderweg in de oude lijn elf een standje kreeg van de conducteur vanwege het op de banken springen en het onophoudelijk aan de leren riem boven mijn hoofd trekken, omdat ik wist dat de tram dan gegarandeerd bij de eerstvolgende halte zou stoppen. De garantie dat ik daarna een draai om mijn oren kon verwachten nam ik op de koop toe. De wil van een klein jongetje om zoiets kolossaals als een tram van ettelijke tonnen gewillig staal op zijn commando te laten stoppen is nu eenmaal oneindig veel sterker dan de macht van een conducteur.
Een hoogtepunt vormde een bezoek aan het Zuiderpark dat een abnormaal grote aantrekkingskracht op mij uitoefende, wat niet kwam door het ADO stadion of het openluchtzwembad, maar door de aanwezigheid bij de hoofdingang van twee levensgrote ongeklede bronzen beelden van een man en een vrouw op hun voetstukken. Het steeds terugkerende weerzien van de piemelnaakte meneer met een aansteker in zijn hand en een blote mevrouw met een vogeltje was voor mij werkelijk onweerstaanbaar.
“Mama,” vroeg ik bij ieder bezoek, van te voren al wetend wat voor antwoord er zou komen. “Waarom hebben die mensen geen kleren aan?”
“Dat vinden ze niet fijn, denk ik. Jij zwemt toch ook niet met je kleren aan?” was dan het diplomatieke antwoord, want aan het benoemen van blote dingen werd thuis niet gedaan.
Over dat antwoord moest ik altijd diep nadenken want in de zinken teil die iedere zaterdag als mijn bad dienst deed viel allerminst iets te zwemmen, had ik geen aansteker en ook geen vogeltje om mee te spelen. Wel aardappelen die ik onderin het gootsteenkastje had gevonden waar ik vanuit het bad gezeten mee kon gooien met als gevolg dat er twee weken later vanachter het fornuis lange bleke stengels met bladeren eraan hun kopje begonnen op te steken. De aardappelen, zo hoorde ik later, waren van het oude vrouwtje waarmee we de etage die we bewoonden moesten delen.
Een andere vorm van amusement was het heimelijk bespioneren van de benedenbuurvrouw door een gaatje in de zoldervloer waardoor ik niet alleen uitzicht had op de binnenkant van de ouderwetse plafonniere maar ook op haar leunstoel. Doordat als ze er zat, urenlang niet bewoog en het een keer zelfs leek of ze dood was en voor mij de lol er dus snel vanaf was, werd mijn verbazing daarom des te groter toen de buurvrouw er een keer niet zat en ik hoorde dat ze ziek was geworden.
Gewend aan een wereld waarin de dingen om mij heen bewogen wilde ik per se dat ook buurvrouwen blijven bewegen, met of zonder batterijtjes. Peuters zijn genadeloos.
Die verbazing werd nog groter bij een bezoek aan de openbare begraafplaats aan de Binckhorstlaan, waar ik na het verstrekken van een suikerklontje aan paard Bles dat daar op een nog onbebouwd stuk grond op mij stond te wachten de confrontatie aanging met een heel andere wereld. een waarin volgens mijn moeder plaats was gemaakt voor alle buurvrouwen- en mannen die het niet meer deden. Gelukkig loste het probleem zich na het opsteken van een kaarsje en het deponeren van een kwartje in een daarvoor bestemde gleuf op toen ik de buurvrouw een dag later weer tegenkwam.
Mijn truc werkte! Direct begon ik met het inzamelen van kwartjes om ze tijdens mijn eerstvolgende bezoek aan die plek massaal in de voor muntjes bestemde gleuf te willen stoppen. Dat de buurvrouwen- en mannen het daarna nog steeds niet deden en van binnen echt anders in elkaar zaten dan het hobbelpaard in de winkel van V&D zoals mijn moeder me vertelde vond ik oneerlijk.
Dat de straf voor mijn wandaden niet altijd onmiddelijk werd voltrokken leerde ik toen ik voor de eerste keer mee werd genomen naar Chinees restaurant Fat Kee in de Wagenstraat waar gezeten achter een bord met daarop een loempia ter grootte van een flinke brillenkoker mijn hongerige oog viel op een sierlijk gevormd glazen potje gevuld met rozenbotteljam dat op tafel stond. Al na twee happen, gevolgd door een vreselijke huilbui liep het snot mij uit neus, keel en oren. Pas na het blussen van de brand met twee flessen 7-up die mij door de toegeschoten eigenaar ter beschikking waren gesteld en drie servetten kon ik weer uit mijn ogen kijken.
Wie vindt dat in die tijd het leven van een kleuter over rozen ging heeft niets begrepen van het doel van een rosarium.

 

 

 

 

 

 

   

KERSTMIS OP DE IC

Jaargang 1, aflevering 13, donderdag 15 december 2016

 

 

KERSTMIS OP DE IC

 

In het bij wijze van Intensive Care ingerichte bijgebouw van het ziekenhuis waar in kritieke toestand naar binnen gesleepte levensresten lagen van wat ooit mensen waren, leek alles op van bed tot bed rennende IC zusters, het verontrustend klinkende gezoem en geklik van beademingsapparatuur na vanavond opmerkelijk rustig.
‘Leek,’ schrijf ik hier uitdrukkelijk want voor een buitenstaander zoals ik, iemand die beroepshalve niets te zoeken heeft in de constant naar goedkope luchtverfrisser ruikende levensreddende industrie, was het onmogelijk vast te stellen of dat zo hoorde. ‘Verpleegsters hebben immers altijd haast, ook als er niets te haasten valt,’ zo luidt de wet van Florence Nightingale. Er bestond namelijk altijd de mogelijkheid dat in de tussentijd buiten mijn gezicht een ramp had plaatsgevonden die zij met een extra zintuig dat ik niet scheen te bezitten, wèl konden horen. Bijvoorbeeld dat op datzelfde moment een aan ‘shabu’, een mix op basis van crystal meth en aan ‘coco loco’ verslaafde chauffeur zijn bus vol passagiers op weg naar huis met topsnelheid van een viaduct af had gereden, wat de IC van het ziekenhuis voor de eerstkomende vierentwintig uur omtoverde in het decor van de quiz ‘doet-ie het of doet-ie het niet’.
‘Blijven lachen’ staat voortdurend op hun gezichten te lezen, want lachen is hier ondanks alles wat er gebeurt levenslang het motto, ook wanneer nog meer buschauffeurs zich in files boren, hun lading vanaf viaducten dumpen of wanneer zich naast het dagelijkse leed dat zich er afspeelt niets humoristisch voordoet en dat is in een land als de Filippijnen helaas dagelijkse koek.
Een visser die aan de kant van de Pasig River, hoofdstad’s open riool en afvaldeposit zijn hengel met ijzerdraad uit gooit terwijl hij zich op twee meter onder een kabel bevindt waar tienduizend volt hoogspanning op staat is niet leuk, of toch wel, als je de grijns van de IC-zusters die zich over hem ontfermen mag geloven.
Omdat het er de gewoonste zaak van de wereld is de door ongeluk getroffenen voor de deur van het ziekenhuis achter te laten omdat men de rekening voor de reparatie niet wilt of niet kan betalen, bestaat voor familieleden de verplichting om net als op school ‘over te moeten blijven.’ Zo ook ik die avond, nadat ik daarvoor nog met 160 kilometer per uur, knipperend met alles aan boord waarmee ik maar kon knipperen over de vluchtstrook richting Manila jakkerde waar ik exact 20 minuten later de enorme ruit van de spoedeisende hulp op een haar na miste. Dat was vierentwintig uur geleden. Het was vanwege die verplichting, dat ik, bij gebrek aan een bed of een ander soort verende comfortzone de beschikking kreeg over een houten bank waarop ik met mijn aan Westerse matrassen gewende botten voor het merendeel van de tijd gedwongen werd om rechtop te blijven zitten en alleen bij grote uitzondering een enkele keer lag. Het verschil daartussen was de ijle lijn gevormd door de afmetingen van mijn lijf dat zich decimeters buiten de reikwijdte van het te korte bankje uitstrekte; de mate van lamlendigheid en de aanwezigheid van anderen die ook wel eens op dat bankje wilde zitten.
Wat voor dag het was wist ik na een dag verblijf in het schemerduister al niet meer. Mijn wereld beperkte zich tot het uitzicht op een met luxaflex afgeschermde, hermetisch afgesloten door schelle TL-lampen verlichte ruimte waarin iets lag waar ik uren daarvoor nog een werkende relatie mee had of scheen te hebben gehad, want ronddolend tussen de met ontsmettingsalcohol en lysol gevulde spelonken van mijn gedachten voelde ook dat weinig realistisch meer aan.
Het adrenaline gehalte in mijn bloed, zo had ik het gevoel, was door de stress waar ik vierentwintig uur per etmaal aan leed, voldoende om als het moest alle patiënten op de IC  minimaal twintig keer te laten opdrukken, simultaan. Het voordeel van dat hoge stressniveau was dat het mijn honger voor die periode een tijdje stilde maar waar na een week vasten abrupt een eind aan kwam toen ik ontdekte dat ik in vijf minuten tijd een gekregen blik SkyFlakes crackers (van M.Y. San!) had leeggegeten dat bij wijze van scheepsbeschuit samen met flessen mineraalwater gedurende drie maanden deel uitmaakte van mijn rantsoen waar ook het kerstdiner uit dreigde te bestaan. Uit solidariteit met andere, op de afdeling tot crackers veroordeelden belegde ik ze in mijn fantasie, inmiddels hallucinerend van de honger, met virtuele camembert, onzichtbare paté de foie gras, luchtige tonijnsalade en de gaten tussen stokoude Leidse kaas. Wegspoelen met Aqua de Manila deed ik niet omdat ik zolang mogelijk van de smaak wilde blijven genieten. Op het laatst waren er nog maar tien crackertjes over, die ik verdeelde over de laatste tien dagen voor kerstmis. Elke dag nam ik, ijlend en gramstorig vanwege het voortdurende geknaag in mijn buik een cracker uit het blik tevoorschijn waar ik, onder het langzaam oppeuzelen naar het steeds kleiner wordende stukje in mijn hand voortdurend naar keek, hopend dat tegen de tijd dat ik de laatste had opgegeten mijn grootmoeder zou verschijnen die mij meenam naar een hemel vol met echte crackers belegd met waarachtige camembert, pate de foie gras, tonijnsalade en stokoude Leidse kaas.
  “Nou, het was kantje boord hoor,” hoorde ik in een droom een verpleegster op mij wijzend tegen een andere zeggen. “We hebben hem aan een infuus van glühwein moeten leggen, anders had hij de ochtend niet meer gehaald.”
Van de schrik schrok ik wakker en zag dat behalve dat ik op het bankje lag het ochtend was geworden, de dag voor kerst. Opeens zag de wereld er heel anders uit. De hartbewakings- en beademingsapparatuur naast de bedden met de vele aan en uit knipperende rode, blauwe en groene lampjes hadden, als er door mijn oogharen naar keek, wel wat weg van mini-kerstboompjes en de ingebakken grijns op de gezichten van de verpleegsters leek plotsklaps dieper dan op de dag ervoor.
Op dit soort dagen, wanneer het normale leven voor korte tijd wordt onderbroken door bijzondere gebeurtenissen wordt je met je neus op feiten gedrukt die het bestaan vaak een speciaal karakter geven, bedacht ik ter plekke. Bijvoorbeeld het tijdens de kerst moeten doorbrengen in een defecte lift gevuld met aan crystal meth verslaafde chauffeurs, een dozijn hoogzwangere moeders en een buslading met aan ADHD lijdende paaldanseressen, maar ook het op kerstnacht voor je werk aan boord moeten zijn van een met defecte hoogtemeter op een hoogte van twaalf voet in plaats van twaalfduizend voet richting Koala Lumpur vliegende Boeing 747, of het in een sneeuwloos landschap tijdens nieuwjaarsnacht in een arreslee op weg van Omsk naar Tomsk achtervolgd worden door een horde hongerige wolven. Ze hebben met elkaar gemeen dat je met een of meerdere slachtoffers voor zolang de gebeurtenis duurt tot hetzelfde bent veroordeeld. Dat schept soms een onverwachte band, in mijn geval met die bank, waarop ik die nacht bij gebrek aan concurrentie -want een beetje vent, ook op de Filippijnen, viert kerst gewoon thuis- eindelijk de benen kan strekken.
Voor de derde keer achtereen val ik in slaap maar wordt midden in de nacht gewekt door een hels kabaal dat van buiten lijkt te komen. Zover als de nachtelijke horizon reikt en overal om mij heen zie ik rook, hoor ik knallen en geweerschoten! Een staatsgreep, denk ik dan, en of de duvel ermee speelt weer precies wanneer ik er ben! De laatste keer, bedacht ik tijdens het snel uitrekenen van onze trouwdatum was in ‘86 toen Ferdinand Marcos, de toenmalige president op tijd zijn bestelde helikopter en ik het hotel – hadden we toch nog iets met elkaar gemeen- dat ik samen met mijn vrouw, onderweg bukkend voor de in het rondvliegende kogels bereikte.
Mijn oog viel op de tekst op het lege blik: crackers. Opeens herinnerde ik mij iets: vuurwerk!
   “Happy New Year!” roep ik vertwijfeld en steek bij gebrek aan beter mijn hand uit naar tegen een met een po in de hand voorbij snellende verpleegster die mij wild aankijkt en haar weg vervolgt. Dat doe ik vervolgens nog twee keer waarna ik voor idioot versleten terugkeer naar mijn bank.
‘Maar dat lawaai dan?’ vroeg ik aan een andere verpleegster die ik in opperste verwarring staand had weten te houden.
  “Dat zijn leden van de ordediensten, politie en onderdelen van het leger die ondanks het bevel van hogerhand hun wapens niet in wilden leveren,’ kwam eruit. ‘In het openbaar in de lucht schieten is tijdens kerst en nieuwjaar verboden, wist u dat niet? Maar u ook nog een gelukkige kerst,’ zei ze er nog achteraan. ‘Wilt u misschien een droge cracker?’
De rest van de feestdagen ben ik niet meer van de bank af geweest.

 

 

DE PASPOP EN DE BROEKENPERS

KERSTSPROOKJE 2017

 

DE PASPOP EN DE BROEKENPERS

 

9ea9899efbca2e53ae628cee64a42f1a

 

In de etalage van een arm kleermakertje woonde eens een mooie paspop.
Het was geen houten, gemaakt van papier-mache gevuld met oude kranten. Nee, het was een deftige, van fraaie rondingen en wieltjes voorziene pop met in haar binnenste een skelet van staaldraad omhuld met trijp waar overheen een laagje echt brokaat was geplakt. Helemaal zoals een sjieke paspop eruit hoorde te zien.
Mensen die haar in de etalage zagen staan vroegen het kleermakertje wel eens hoe hij aan de pop was gekomen, want iedereen die haar zag was het met de rest eens dat de paspop er eigenlijk niet thuis hoorde.
‘Dat kan toch niet,’ werd er dan gefluisterd. ‘Die pop is veel te mooi. Een arme kleermaker zoals hij kan zoiets duurs nooit betalen.’
Dan glimlachte hij maar weer eens vriendelijk en vertelde aan iedereen die het horen wilde dat hij de paspop lang geleden van een deftige rijke oude dame had gekregen in ruil voor zijn diensten, maar hem helemaal geloven, dat deed men niet.
De jaren gingen voorbij. De paspop had het naar haar zin en deed goed haar best als er een grote bestelling binnenkwam. Bruidsjaponnen, cocktailjurken, avondjurken, het maakte haar niet uit, ze zorgde ervoor dat alles haar even goed stond zodat het kleermakertje elke avond tevreden kon gaan slapen. Geen enkele kleermaker in de stad kon zulke mooie japonnen naaien zoals hij.
Maar na twintig jaar dienst kreeg ze opeens last van mot en veroorzaakten de vele spelden en naalden die ze in haar lijf geprikt kreeg ontelbare rafels en gaatjes en werd het brokaat vaal en verkleurd, vooral ‘s zomers als de zon de etalage bescheen, dit tot groot verdriet van de paspop zelf die het liefst voor altijd mooi bleef, gestoken in nieuw, puntgaaf en kleurig brokaat zodat de mensen in de winkelstraat zouden blijven staan om naar haar te kijken.
Maar dat gebeurde steeds minder tot er helemaal niet meer naar haar werd omgekeken.
Het kleermakertje werd oud en had intussen een tweedehands paspop van jute met minder gaatjes en zonder rafels op de kop kunnen tikken. Getroffen door jicht en reuma was hij niet in staat de paspop uit de etalage te tillen. Hij was haar gewoonweg vergeten!
De paspop verslonsde en op haar schouders verscheen door de jaren een laagje stof wat steeds dikker werd wat ervoor zorgde dat de paspop zich voor haar uiterlijk begon te schamen.
O, was ze maar weer zoals vroeger! Dan zou ze de mensen die voorbij liepen wat laten zien! Dan zou ze ‘s nachts de mooiste japon in de winkel aantrekken en er stiekem mee op stap gaan, want dat was haar diepste wens. Hoe geweldig zou het zijn als ze eens zou mogen dansen in een van de allermooiste japonnen door het kleermakertje ontworpen! Maar dan keek ze naar zichzelf in de ouderwetse passpiegel tegenover haar die steeds als ze dat deed zijn tong uitstak en de paspop maar een verwaand schepsel vond.
‘Jij dom stuk drijfhout,’ zei ze dan. ‘Wat weet jij nou van het echte leven, hoe het is te worden gevraagd door een knappe soldaat die je tot diep in de nacht mee uit neemt en je aan het hof van de koning ten dans vraagt waar hij je aan zijn hand laat zwieren en zwaaien.’
Dan lachte de spiegel spottend waardoor de noest in zijn houten lijst weer iets groter werd zodat hij om niet uit elkaar te vallen zijn mond moest houden.
Maar er kwam nooit meer iemand om haar uit de etalage te bevrijden. Geen knappe jongen, deftige oude man of zelfs maar een opkoper van oude spullen, met het gevolg dat de passpiegel steeds vaker en harder om de paspop moest lachen als die zichzelf weer eens in hem bekeek.
  ‘Kijk jezelf eens!’ riep hij dan. ‘Je rafelt en in je stoffen lijf wemelt het van de door motten gemaakte gaten! Wees blij dat je er nog staat. Morgen al kan het met je afgelopen zijn. Voor mij misschien, maar zeker voor jou!’ Dan weende de paspop en wenste ze dat de passpiegel in scherven viel.
De zomer en de herfst verstreken waardoor het ‘s nachts steeds wat kouder werd in de etalage zodat de paspop vond dat ze er nogal bloot bij stond, maar omdat er toch niemand was die naar binnen keek kon dat haar dat niet eens heel erg schelen. Binnenkort zou het weer kerstmis zijn, wist ze. De mooiste tijd van het jaar, waarin de etalage zou worden versierd, de mensen weer oog kregen voor mooie dingen en ze meer aandacht zouden geven aan zaken die er echt toe deden zoals vriendschap, het met elkaar delen en aan hen zouden denken die het hele jaar door iedereen werd vergeten. In stilte dacht ze dan stiekem een beetje aan zichzelf, hopend dat iemand haar zou zien en haar met zich mee zou nemen, als het moest naar het grofvuil, zolang ze maar weg was bij die vervelende spiegel.
Het was op een doodgewone, ijskoude ochtend in december toen ze wakker schrok. Het kwam door de passpiegel die haar met zijn ijselijk gelach had gewekt.
  ‘Kijk daar, aan de overkant,’ hoonde hij. ‘Een nieuwe aanwinst in de buurt. Daar staat hij, je verloofde! Moet je hem niet vragen of hij met je wilt dansen? Wat een stijve hark!’
De paspop veegde de rafels eens goed uit haar ogen en keek. Dit keer had de passpiegel gelijk! Daar, aan de overkant in de etalage van een winkel voor exclusieve mannenmode stond hij, een gedistingeerd uitziende broekenpers. Hij was gemaakt van mahoniehout, had brede schouders en glansde in het licht van de lamp die boven hem hing. Hij moest er nog die ochtend door zijn eigenaar zijn neergezet, want de avond ervoor stond op dezelfde plek nog een magere standaard met een saai tweedjasje dat ze van pure afkeer negeerde.
  ‘Dat is nog eens een heer!’ riep ze uit en wenste zich naar de andere kant van de straat om de nieuwe bewoner van dichtbij te kunnen bekijken. De passpiegel had om haar uit te lachen zijn brutale noest al geopend maar hield hem bij de gedachte aan een klodder houtlijm die hem een dag eerder door het kleermakertje in het vooruitzicht was gesteld, wijselijk dicht.
Wat zou ze graag eens kennismaken met haar nieuwe overbuurman! Hoe langer ze naar hem keek, hoe meer ze ernaar verlangde met hem te converseren over de laatste mode, over vroeger en dingen die deftige dingen nu eenmaal met elkaar deelden in de hoop dat hij haar op den duur ten dans zou vragen. Met een van fijn kamgaren vervaardigde pantalon tussen de pers en het dito colbert dat over de standaard hing en het linnen overhemd daaronder vormde hij de perfecte partner om mee aan de zwier te gaan, als het moest de hele nacht door.
Maar tegelijkertijd drong het tot haar door dat haar wens wel nooit werkelijkheid kon worden.
Hoe zou dat ooit moeten kunnen? Zij was maar een verfomfaaide paspop van middelbare leeftijd, vol met gaten en rafels. Hij daarentegen was een sjieke Engelse broekenpers van eersteklas mahoniehout, te ver van haar verwijderd met tussen hen in twee dikke glazen ruiten, stoepen en een weg. Ze merkte dat het haar bedroefde zodat ze besloot dat het beter zou zijn maar niet meer aan hem te denken wat ze dan ook maar niet meer deed.
De dagen verliepen en het werd de avond voor kerstmis. In de straat was kerstverlichting opgehangen en de etalage waarin ze stond was door de vrouw van het kleermakertje een beetje versierd met een rode papieren klok, een rij echte kaarsjes en een van dennentakken gemaakte kerstkrans, dezelfde dingen die er ieder jaar rond die tijd werden neergezet.
Aan de overkant durfde ze niet te denken, al kon ze zich af en toe niet bedwingen toch stiekem tussen haar rafels door naar de broekenpers te gluren die er met de takjes hulst op de revers van het colbert bij stond als om in te bijten.
Nog een paar uur dan was het kerstnacht. Dan kwamen de mensen warm ingepakt hun huizen uit om zich op weg naar de nachtmis te begeven. Wat zou ze er graag bijhoren, gekleed gaande in een deftige zwarte japon met daarover tegen de kou een lekker dikke houtje-touwtje jas!
Vanuit de verte kon de paspop het koorgezang een beetje horen. Ze betrapte zich erop dat ze zachtjes een beetje mee begon te neuriën. Het was alsof het dit jaar alweer een beetje mooier klonk dan de keer daarvoor.
Staand tussen de restanten van de allang gedoofde kaarsjes dacht ze aan de dingen die haar tijdens haar leven waren overkomen en die ongetwijfeld nog voor haar in het verschiet lagen. Over een week was het nieuwjaar, waarin de mensen van veel dingen afscheid namen om plaats te maken voor nieuwe, mooiere of gemakkelijkere voorwerpen. Een tijd waarin het ook haar kon overkomen te worden opgemerkt waarna de kans bestond te worden afgedankt.
De klok in de kerktoren sloeg, traag genoeg voor haar om de slagen mee te kunnen tellen.  ‘Tien, elf, twaalf.’
Een ster schoot door de hemel. Hij was zelfs helderder dan de maan zodat de paspop er van schrok.
  ‘Je bent toch niet bang?’ vroeg de passpiegel honend. ‘Waarom ga je niet naar je verloofde aan de overkant. Die zal je vast wel willen beschermen.’
De paspop was zijn getreiter zat. Met alle tegenwoordigheid van ijzerdraad dacht de paspop aan de broekenpers die op zijn beurt weer aan de paspop dacht, en voor ze wist hoe het kon bevond ze zich naast hem in de etalage, gekleed in de mooiste en duurste japon die het kleermakertje een paar dagen geleden voor een rijke klant had genaaid.
  ‘Wees welkom, weledele dame,’ sprak de broekenpers geaffecteerd. ‘Welk een aangename verrassing. Mag ik het genoegen u vanavond te kunnen begeleiden?’
Dat liet de paspop zich geen tweede keer zeggen. Samen verlieten ze de etalage waarna ze onder de jaloerse blikken van de passpiegel aan de hand van de broekenpers verdween, de nacht in. Ze zwierden en zwaaiden over de weg, walsden door de weilanden waar het zachtjes was begonnen te sneeuwen. Nog nooit had de paspop zo genoten. Eindelijk was haar droom in vervulling gegaan!
De volgende morgen, het was kerstochtend, toen de mensen wakker werden in een witte winterwereld vond het kleermakertje zijn etalage leeg, zonder paspop. Ook aan de overkant ontbrak de broekenpers.
Pas nu drong het tot hem door dat hij de paspop die hem jarenlang trouw had gediend was vergeten. Hoe kon hij tot zoiets in staat zijn geweest? En waar was ze nu?
De andere dag, op tweede kerstdag werd bij het kleermakertje aan de bel geklingeld. Het was een groep jongens die zeiden dat ze haar bij het sneeuwballen gooien hadden gevonden.
Snel schoot hij in zijn sloffen en holde ze ondanks zijn door het zitten kromgegroeide beentjes zo hard als hij kon door de sneeuw achterna, de straat uit, het park in om stil te houden bij de houten muziekkapel. Daar, onder een dikke laag stuifsneeuw lag ze, bedekt met het colbert van de broekenpers die naast haar lag, beiden met hun tot op het metaal versleten wieltjes ineen. Nu pas besefte het kleermakertje hoe dom hij was geweest, door niet gewoon een nieuw laagje brokaat op haar aan te brengen maar een andere, veel goedkopere te nemen. Met spijt dacht hij aan haar terug. Als hij beter voor haar zou hebben gezorgd zou ze met een nieuw uiterlijk meer rijkere dan arme klanten aantrekken, maar nu was het te laat. Het draad aan de binnenkant was al krom en begon te roesten, de gaten in haar lijf waren onherstelbaar groot en van het brokaat waren alleen nog rafels over.
Alleen de vogels rouwden niet. Die zagen hun nestjes in het voorjaar bekleed met rafels van brokaat, gevuld met warme trijp zodat er in mei meer eieren uitkwamen dan ooit tevoren.

 

 

  

 

  

 

SPOOK

Jaargang 1, aflevering 12, donderdag 8 december 2016

 

 

ghost

 

SPOOK

 

  “Zo. En nou blijf je hier netjes zitten dan haal ik je borreltje wel.”
Bij het zien van het oudere echtpaar dat het Haagse café waar ik wel eens kom kort daarvoor was komen binnen scharrelen moest ik denken aan een uitspraak van schrijver Arno Geiger:
‘Omdat mijn vader niet meer over de brug naar mijn wereld toe kan komen, moet ik naar de overkant naar hem toegaan.’
De man keek namelijk voortdurend op een manier zoals een brugwachter zou doen die erachter komt dat zijn verplaatsbare verbinding met het vasteland de nacht ervoor door oud ijzer dieven was weggehaald.
  “Hier ben ik weer,” sprak zij, een streng kijkende, rijzige vrouw met het grijze haar opgestoken in een knot. Ze droeg op een overdreven strakke manier een enkel borrelglaasje voor zich uit dat ze zonder veel gevoel voor empathie voor hem neerzette.
   “Nu niet achter elkaar opdrinken Erik,” mopperde ze. “Meer krijg je niet, dat weet je. Dus kleine slokjes nemen. Ik moet nu eventjes weg voor een paar boodschappen maar kom zo weer terug. Enne, nergens aanzitten aub. Je hebt al voor genoeg trammelant gezorgd.”
Dat laatste sprak ze nadrukkelijk op een toon of de man van plan was zich aan alles en iedereen te willen vergrijpen maar mijn fata morgana werd pas duidelijk na haar vertrek, toen de baas van het café, een gezette man met een stuurs gezicht zich rechtstreeks tot mij richtte.
  “Wat een spook hè, dat mens van hem. Ik heb wel een beetje met die ouwe te doen. Zo gaat het nu al maanden sinds ze hier saampjes binnenkomen. Maar ik snap het wel. Twee weken geleden had ik rond deze tijd een hele knappe meid voor de bar staan, zo’n lang afro type met benen als brandweerladders zo lang en der haar in een bossie. Nou, meneer, u had hem toen moeten zien! Alles aan hem dat kon kwispelen deed dat ook. Niet dat er erg veel te kwispelen viel als u begrijpt wat ik bedoel. De leeftijd hè? Maar ik bedoel maar. Evengoed een spook, zij dan. Ik heb mij laten vertellen dat hij ooit een hoge pief op een ministerie moet zijn geweest waar hij de boel met harde hand schijnt te hebben geregeerd. En kijk hem nu daar eens zitten, de aftandse arme ziel. Behalve dan dat ene borreltje per week mag hij niks en heeft hij alleen maar naar haar te luisteren. Nee, dan loop ik er bij hem vergeleken nog knapjes bij.”
Direct moest ik denken aan de Benny Hill show die altijd eindigde in een scène waarin na afloop steeds een kaal mannetje achter een dozijn blondines aan rende, een tafereel dat om onbekende redenen in mijn geheugen stond gegrift. Het was een tafereel waar ik altijd vreselijk om moest lachen.
De barman bleek nog niet uitgesproken te zijn.
  “Over spoken gesproken, het spookt weer in de binnenstad zeg ik u. Neem nou gisteravond, net voor sluitingstijd. Ik loop naar beneden, de kelder in om een nieuw fust aan te slaan; zie ik haar zitten, mijn overleden schoonmoeder. Altijd een best mens geweest, daar niet van maar ik schrok me de tandjes. Ze was een beetje vaag, zoals je wel eens ziet als je door een beslagen bril heen kijkt maar verder met alles d’r op en d’r an. Wat denkt u? Ze staat op en ze loopt dwars door mij heen, ik zweer het. Nu heb ik dat wel vaker, dat vrouwen mij het gevoel geven dat ze door mij heen kunnen kijken. Noem het mannelijk intuïtie, maar dit was gewoon eng.”
Niet goed wetend wat ik met zijn ontboezeming aan moest zei ik hem maar wat ik ervan vond waarna hij bij gebrek aan nieuwe bestellingen pas echt van wal stak.
  “Nou ben ik er toevallig, puur uit interesse, achter gekomen dat Den Haag in het verleden regelmatig door volk van ‘gene zijde’ werd bezocht. Je had het geklop in de vroegere Kabouterbar op de Plaats hier vlakbij, en het gerommel achter de lambrisering in het voormalige Spaansche hof, later het Britse consulaat in het Westeinde; een vrouwelijk spook volgens de overleveringen. En dan heb je nog de verschijningen in het gebouw van de Raad van Cultuur. Gerommel op de zolder, geluiden van mensen die er niet zijn; stipt om zeven uur ‘s avonds. Nee, van mij mogen ze wegblijven, die vage types,” sprak hij met veel omhaal. “Straks staat mijn hele schoonfamilie me daar beneden met bijlen op te wachten. Nog even, dan kan ik er naast gaan zitten. Mijn hart, weet u.”
Hij wees met een veelbetekenend gezicht naar een plek op zijn linkerborst waar het orgaan zich volgens hem bevond.
  “Die in het Spaansche Hof is trouwens een hele aparte. Dat hoorde ik van een huisschilder die er bezig was de boel op te knappen. Volgens hem is het spook een vrouw, de ex van Gerard van Assendelft, een raadsheer aan het Hof van Holland.”
Omdat ik bekend was met die naam wilde ik hem vragen hoe die man wist dat zij het was maar dat hoefde niet.
  “Wat blijkt? Hun huis, dat van de Assendelftjes, stond op dezelfde plek, vandaar. Ondanks dat ze vanwege valsemunterij door de verdrinkingsdood om het leven is gebracht is ze er nooit weggegaan, wat ik mij ergens wel kan voorstellen. Een beetje spook houdt zich niet aan onze wetten en laat zich niet zomaar eventjes wegsturen. Muren en deuren zeggen ze niets, hoe dik ze ook zijn. En sterk! Dat weet ik van dat geval met een drie meter hoge, loodzware spiegel die op een gegeven moment moest worden opgehangen. Die stond de volgende dag gewoon weer op de grond tegen de muur, heel. De haken zaten nog netjes in de muur. Kennelijk had ze zelf heel andere plannen. Dat ging zo nog drie keer door en toen zijn ze er maar mee gestopt.”
Intussen wierp ik een blik op de kwispelaar bij gelegenheid die, ondanks de afwezigheid van het ‘spook’ nog steeds roerloos achter zijn glaasje zat.
  “En dan dat spook van die van mij,” zuchtte hij. “Nogmaals een best mens maar de manier waarop ze naar me keek, brrrrrr! Maar ik verveel u nietwaar? Zal ik meneer nog eens inschenken?”
Toen ik hem zei dat het tegendeel het geval was maar nog wel iets lustte, ging hij verder.
  “Soms weet je gewoon niet of je met de aanwezigheid van een spook te maken hebt of met de geluiden van een krakkemikkig huis. Bij mij kraakt de vloer van de overloop ook als er niemand thuis is. Dan zit ik in de woonkamer en dan hoor ik het, maar ik trek me er niets van aan en doe net of ik het niet gehoord heb. Maar het gebeurt wel! Het gekke is dat je van binnen wel weet dat er niets is en toch houd je er rekening mee dat er wel iets is, als u begrijpt wat ik bedoel. Een voorbeeld: kijk, ik ben zelf niet gelovig, daar hebben mijn ouders wel voor gezorgd. Maar mijn vrouw wel! Elke zondag zit ze in de kerk, zingt braaf mee, is lid van de KRO, collecteert voor de parochie en dat soort dingen. Daarnaast, en nu komt het: verdomd ze het onder een ladder door te lopen, schiet in een portiek als ze een zwarte kat ziet en als de suikerpot omvalt is het moord en brand dat ze schreeuwt. Meneer, ik vraag u: wat is dat voor iets? Tegenwoordig, als het weer eens een keer zover is, zeg maar, zeg ik gewoon recht voor z’n raap dat haar geloof niet deugt. Boos dat ze dan wordt! Maar ik niet. Ik blijf strontnuchter en denk alleen: hoe kun je geloven in iets dat je niet ziet en waarvan andere zeggen dat het bestaat en aan de andere kant geloven in iets dat je wel ziet maar waarvan anderen zeggen dat het niet bestaat? Dat is toch abnormaal? Noem me voor mijn part gek maar ik weet wat ik zie en waarin ik geloof. Dat andere mensen dat niet hebben daar heb ik een beetje moeite mee. Kijk,” -hij maakte een wijds gebaar alsof hij met een arm alles in de omtrek omver wilde vegen- “als ik een kip haal bij de poelier en ik laat hem een, twee dagen op het aanrecht liggen dan weet ik dat daar beestjes op komen te zitten die zich vermenigvuldigen. Ga je dan met die kip aan de haal dan verspreid je die beestjes op de plekken waar je ermee naar toe gaat. Dat is logisch. Maar niet voor iedereen! Wat je niet ziet bestaat niet, zeggen ze dan. Maar ik ben toch niet gek?”
Inmiddels was de vrouw weer bij de kwispelaar teruggekeerd.
  “Kijk Erik!” sprak ze op gulle toon. “Speciaal voor jou meegenomen uit de automatiek hier op de hoek: een lekker kroketje van kalfsvlees. Dat lust je zo graag. Niet hier opeten anders wordt die meneer daar achter de bar boos.”
Het verhaal dat ze een spook zou zijn geloof ik niet. Spoken geven geen kroketjes. Sommige barmannen daarentegen…