NACHTSCHADE

Jaargang 2, aflevering 18, donderdag 26 januari 2017

 

 

 

NACHTSCHADE

 

Als arme student, want zo hoorde je jezelf volgens het korpsjargon destijds te presenteren, verruilde ik het dagelijkse métier, dat van verstokte huismijt, een tijdlang voor dat van beveiligingsbeambte wat mooier klinkt dan strażnik in het Pools en is een ander woord voor dwarskijker, een tijdsbesteding die schijnbaar als algemeen nuttig werd bevonden. Het in NAVO verband de tong tegen ze uitsteken zou de Russen wel eens uit kunnen lokken om in een onbewaakt weekend te besluiten ons land binnen te vallen, een op het Binnenhof algemeen gedeelde gedachte, want als het ons dan toch overkomt is het handig als er iemand paraat is om de vermeende vijand de hand te schudden. Dat ze nooit zijn gekomen ligt dus niet aan mij.
Een andere partij die eventueel in aanmerking kwam om de in een vette wietrook hangende sfeer te verpesten, want terroristen bestonden toen nog niet, was misschien die ene uit Amsterdam afkomstige bij het overstappen op het station Hollands Spoor verdwaalde provo op weg naar zijn moeder in Brussel die daar na de scheiding tijdens een feestje was blijven hangen.


Het door mij te beveiligen gebied strekte zich voornamelijk uit in het donker, en wel in nachtelijk groot-Den Haag waaronder het ministerie van Binnenlandse Zaken, het jongejongetjesblauwe Nederlandse Congresgebouw en Nieuw Babylon dat volgens Harry Jekkers er trouwens eigenlijk niet zo nodig hoefde te komen.
Die tewerkstelling bij het Congresgebouw bestond erin met de nodige tact en souplesse de bestelde artiesten naar het podium waar ze geacht worden hun artistieke plasje te plegen te begeleiden, om ze daarna, zoals Henny Huisman het omschreef ‘vlug weer terug’ naar hun kleedkamers te brengen. Zo kan ik u trots melden dat Nana Mouskouri op tournee altijd tien reservebrillen bij zich heeft, Tina Turner verzot is op Franse stinkkaas en dat een kleedkamer na het tweemaal een uur durend optreden van een wilde meidendansgroep uit Tanzania hetzelfde ruikt als een manege op zaterdagnamiddag. De band met de meeste dorst was Status Quo die nooit konden wachten totdat de artiestenfoyer werd geopend en dan maar met deur en al en al naar binnen vielen, op jacht naar meer bier.
Een aparte tak van sport was het veelvuldig maken van nachtelijke rondjes door het gebouw dat tien jaar na de oplevering nog steeds niet echt was opgeleverd. De ondergrondse parkeergarage dreef volgens de beheerder jaarlijks nog steeds een paar millimeter van het gebouw vandaan en ontbrak het gebouw aan ‘werknaden’ zoals mij werd mij verteld, een puur bouwtechnische tekortkoming die zich op pijnlijke wijze manifesteerde toen een buurtbewoner die een keer ‘s avonds zijn hondje uitliet en het dier zijn plasje onderaan de gevel liet doen, ter plekke de dood vond nadat hij een er af gevallen tegel op zijn hoofd kreeg.
Mijn vaste gezelschap ‘s nachts bestond uit Gerard, een voortdurend omfloerst uit zijn ogen kijkende, chronisch vermoeide, enigszins naïeve man, want goedgelovig dat was hij. Dat bleek wel toen hij een keer met een nog vermoeiender blik dan anders ‘s avonds op het werk verscheen. Op mijn vraag wat eraan schortte deelde hij mee ‘het niet meer aan te kunnen.’ Nu behoorde ik destijds als student zelf ook tot het soort dat bij gebrek aan ‘Wein, Weib und Gesang’ er regelmatig geen heil meer in zag, wat in voorkomende gevallen een zekere band schiep, zo ook toen. Als antwoord kreeg ik te horen dat het de tram was die hem iedere ochtend wakker hield en dan met name lijn zes en lijn twaalf.
  “Horendol word ik ervan, compleet gek,” zo luidde zijn klacht. “Nou woon ik aan de Paul Krugerlaan, precies in de bocht, je weet wel.”
Ik zei hem dat ik het wist, wat ook zo was want ik was er praktisch om de hoek geboren.
  “Een fijne buurt hoor, daar niet van. Je hebt er alle winkels bij de hand wat het voordeel heeft dat je er de stad niet voor in hoeft, behalve dan wanneer je iets speciaals nodig hebt, maar dat is niet het probleem. Wel dat zo gauw als ik mijn ochtendbammetje achter de kiezen heb zitten en me tussen de lakens vlei, ze me komen treiteren en ze me om de beurt met hun gekrijs elk kwartier uit mijn slaap houden dat ik er naar van wordt. Dat trek ik niet meer. Zo gaat het al zolang als ik er er woon. Kijk, dat ik alleen maar nachtdiensten draai en dat al vier jaar achter elkaar maakt mij geen ene moer uit maar dan moet ik wel een keertje goed kunnen pitten, begrijp je?”
Ik gaf toe dat ik het begreep. Tenslotte was ook ik kort daarvoor tot het nachtbrakersgilde toegetreden, een ontboezeming die voor Gerard reden was er nog een schepje bovenop te doen, vooral toen ik voorstelde er iets tegen te ondernemen.
  “Wat denk je?” was zijn reactie. “Ik heb al vanalles geprobeerd, van brieven schrijven naar de HTM tot de gemeente bellen: geen antwoord. De Inspectiedienst verkeersveiligheid gebeld: nakkes, nada! Zelfs TNO gaf geen gehoor. En daar betaal ik dan belasting voor. Ik kan naar mijn rust fluiten.”
Omdat ik graag praktisch meedenk en ik vroeg of hij al had geprobeerd het probleem zelf op te lossen was hij opeens een en al oor.
  “Hoe dan?” wilde hij weten.
  “Met een paar pakjes margarine,” opperde ik zo oprecht mogelijk kijkend met op mijn netvlies intussen het schrikbeeld van een aan de rails vastgebonden Zeeuws Meisje. “Of echte boter,” vulde ik voor de veiligheid aan, “maar dat merkt die rails toch niet. Als je dat op de rails smeert houdt het gegil wel op.”
  “Zou je denken?” vroeg hij peinzend.
Ik knikte maar eens, vol medelijden. Wat moest ik anders met een door Morpheus vergeten medemens aanvangen.
  “Weet je,” vervolgde hij toen hij van zijn ronde terugkwam. “Ik heb er nog eens over nagedacht. Op zich is het nog niet eens zo’n heel gek idee.”
De volgende avond bij het aanvangen van de dienst kwam hij breed lachend binnen met een blos op zijn gezicht.
  “Top man! Hartstikke bedankt voor de tip. Ik heb geslapen als een roosje. Het werkt echt. Ik heb de twee pakjes margarine die ik in mijn koelkast had mee naar buiten genomen en toen niemand keek er direct flink wat van op de rails gesmeerd. Vooral aan de binnenkant van de bocht. Daar maken de wielen volgens mij het meeste contact.”
Ik zag het tafereel al helemaal voor mij. De boterberg moest nog maar even wachten. Meisjes uit Zeeland hebben nu eenmaal voorrang.
De meest tot mijn verbeelding sprekende bezigheid was het in het duister over de smalle ijzeren loopbruggen wandelen die zich onder het plafond van de Willem Alexanderzaal bevonden waarvandaan je een uitzicht had naar beneden, tientallen meters hoog boven de stoelen en over het podium. Over het toneel wandelen kon ook. Dat bracht regelmatig het voordeel met zich mee dat er een kans bestond dat de instrumenten voor het Residentie Orkest er stonden opgesteld, klaar voor de repetitie de volgende ochtend. Een buitenkansje. Uit ervaring kan ik u zeggen dat een paukenslag in een lege zaal klinkt als Thor’s hamer en dat een stradivarius iets anders is dan een sigarenkistje met een stuk bezemsteel eraan.
Het is trouwens even goed opletten geblazen daar in het pikkeduister, vooral zonder portofoon. Het was al eens voorgekomen dat een collega nietsvermoedend op het zwarte tapijt stapte dat er lag wat achteraf geen tapijt bleek te zijn maar de orkestbak waar hij in viel, precies tussen het koper en de strijkers in.
Mijn portofooncode was 4711, wat regelmatig de nodige hilariteit opleverde bij nieuwkomers wanneer Gerard zich via de ether bij mij meldde met de tekst: “Hallo 4711, hier Boldoot over!”
Mijn dienst zat er pas op als ‘s morgens vroeg de repetities begonnen en de dames en heren artiesten via de artiestenfoyer het gebouw binnen kwamen. Regelmatig stonden Bassie en Adriaan voor mijn neus en moest een heer met Utrechts accent en sterk terugwijkende haargrens voorzien van een vioolkoffer met daarop een sticker voorzien van de afbeelding van Alfred Jodokus Kwak regelmatig van en naar zijn kleedkamer worden gebracht.
Weer in de trein op weg naar huis waar ik de ramen van de slaapkamer had dichtgeplakt met zwart papier met als doel de nacht na te bootsen droomde ik van gillende trams, met trombones gevulde valkuilen en straten waar je door de erop gesmeerde margarine kon schaatsen. Het kon ook boter zijn, maar daar wil ik vanaf wezen.

 

—-

 

Vond je dit leuk? Doe de schrijver een plezier en klik een keer op de link van zijn sponsor. Zo blijven alle door hem gepubliceerde verhalen gratis beschikbaar! Alvast heel erg bedankt!

 

DOORZAGEN

Jaargang 2, aflevering 17, donderdag 19 januari 2017

 

 

 

DOORZAGEN

 

  “Het zijn maar zestig vragen meneer. Als het een beetje meezit zijn we er in een uurtje of vier, vijf doorheen,” sprak hij amicaal, zijn benen onder mijn keukentafel stekend. “Dat wil zeggen, als u niets te verbergen heeft. Als dat wel het geval is kunt u daar beter nu mee komen dan wanneer ik straks weer weg ben. In het andere geval zitten we hier nog wel even.”
Het door de meneer van de AIVD afgelegde thuisbezoek kwam niet als een verrassing. Zijn bijpassende bulldogtronie evenmin. Aanleiding voor zijn komst was een voor mijn begrippen zeer vroeg telefoontje van een week ervoor.
‘Of het goed was dat hij even langs kwam,’ vroeg hij op beleefde toon. Het interview zou maar weinig van mijn tijd in beslag nemen en alle andere dagen die ik hem om de afspraak vooruit te schuiven voorstelde waren helaas niet meer beschikbaar.
  “Wie was het?” wilde mijn vrouw weten.
  “Een speurhond,” was mijn antwoord. “Niet van het soort waar je nu aan denkt. Hij wil even bij ons langskomen voor een interview.”
Zijn verzoek had te maken met mijn voorgenomen toetreden tot het ras ambtenaren dat uit hoofde van hun werk toegang heeft tot de Staatskeuken. Weigeren kon ook, maar dan zou ik zoals hij zei niets meer van hem of iemand anders vernemen. Omdat ik al ‘ja’ had gezegd en het nu eenmaal moest zou op het allerlaatste moment terugkrabbelen als bewijs kunnen worden opgevat dat ik een labiele geest bezat, een gesteldheid waarvoor al vele schrijvers tot de werkkampen zijn veroordeeld en ik Almere net even iets te ver vond, stemde ik uiteindelijk toe.
  “Moet ik nu bang worden?” vroeg mijn vrouw toen ik het haar vertelde.
  “Dat ligt eraan,” antwoordde ik. “Als we dit willen overleven moeten we per direct de Chinese boekhouding vernietigen die we sinds onze trouwdag hebben bijgehouden, stoppen we vandaag nog met het witwassen en drukken van euro’s, en zeggen we gewoon dat die Lamborghini voor de deur van de directeur van het Kankerfonds is die bij ons op kamers woont.”
De bleke, met een peper- en zoutkleurig hoofdhaar en van borstelwenkbrauwen voorziene man in een grijs pak met buikje die op die ochtend bij ons op de stoep stond leek in niets op een geheim agent, eerder een gewone ambtenaar. Zijn gezicht had de vale teint van iemand die nooit buiten kwam en de brede uitstulping rond zijn navel verraadde dat hij weinig sla at, maar dat kon ook komen door de gordel met allerlei handige gadgets die ik onder zijn overhemd vermoedde.
Hem observerend bij het openslaan van zijn notitiebloc kwam het mij voor dat hij ongetrouwd was vanwege het ontbreken van een trouwring en de vele kreukels in zijn ongestreken broek en overhemd. Een teken dat hij veel van huis was vermoedde ik, druk bezig met het afluisteren van over de schreef gaande ambtenaren.
  “Vraag een: hebt u wel eens een scheve schaats gereden?” vroeg hij bij wijze van wal steken van het gesprek dat gaanderweg steeds meer op een verhoor begon te lijken.
  “Koffie?” vroeg ik met mijn zo onschuldig mogelijke gezicht om niet direct door de mand te vallen. “Volgens Appie is deze gegarandeerd geplukt door meerderjarige negers tegen een tarief van negen euro per uur exclusief vakantiegeld. Fairtrade en klimaatneutraal, maar dat spreekt vanzelf.”
  “Graag! Zonder melk en twee klontjes alstublieft,” antwoordde hij. “Ik bedoelde eigenlijk of u ooit in aanraking bent gekomen met Justitie of de politie. Zo ja dan adviseer ik u het direct op te biechten anders hebt u een probleem.”
Omdat het in mijn eigen huis te biecht gaan niet paste in mijn privé oecumene schrok ik een beetje waarna ik besloot er op de WC even over na te denken. Zei ik ‘ja’ dan eiste de man natuurlijk meteen boter bij de vis en was het einde oefening. Zei ik eerlijkheidshalve ‘nee’ dan was ik even ver. Die man werkte natuurlijk al jarenlang bij de dienst, daar ging ik tenminste vanuit, want meneren met een dergelijke reukzin kunnen nergens anders terecht.
Ook verdacht ik hem ervan dat hij niemand op zijn blauwe ogen geloofde, en omdat mijn ogen grijs zijn waar ik niets aan kan doen, was de kans groot dat ik een uiterst diepgaand onderzoek over mijn persoon uitlokte waar direct tientallen onbezoldigde opsporingsambtenaren zich het hoofd over buigen, op zoek naar door mijn alter ego gepleegde misdaden tegen de Staat, vermeende contacten met drugsbaronnen, Russische dubbelspionnen en foute hackers.
  “Telt appeltjes jatten van de groenteboer ook mee?” wilde ik hem op mijn beurt vragen maar zag daar op tijd vanaf nadat ik mij herinnerde een keer ergens te hebben gelezen dat beroemde seriemoordenaars en kinderverkrachters hun carrière allemaal waren begonnen met het veroveren van verboden vruchten. Ik had hem kunnen vertellen dat ik uit een zeer saaie Haagse familie kwam, waar nooit in serie werd vermoord of verkracht, ook niet per stuk, dat er louter politiemannen, militairen en ambtenaren werden voortgebracht wat ook zo was, en dat het ergste vergrijp waar een lid zich ooit aan had schuldig gemaakt het ondersteboven in de beker zetten van zijn tandenborstel betrof.
Ik zou de man uit speelsigheid ook iets geks kunnen melden, bijvoorbeeld dat ik iedere zaterdag voor de spiegel uitgebreid pluisjes uit mijn navel pulkte, of mijn teennagels knipte in het bijzijn en onder het toeziend oog van de hele schoonfamilie maar toch deed ik dat niet. Je weet tenslotte nooit of niet net op dat moment een student psychologie bezig met zijn eindscriptie er was achtergekomen dat navelpulken en publiekelijk teennagels knippen juist bezigheden waren die leidden tot het ontwikkelen van een levensgevaarlijke soort schizofrenie en dat die juist voorkwam in families met veel politie, militairen en ambtenaren.
In plaats daarvan mompelde ik diep zuchtend ‘nee’. Opsporingsambtenaren zijn tenslotte ook maar mensen en moeten aan het werk gehouden worden. Als mijn alter ego iets ergs tegen de regering wilde ondernemen dat had hij daar vast een goede reden voor.
  “Vraag twee: hebt u wel eens meegedaan aan tegen de Staat georganiseerde demonstraties?” Zonder nadenken schoot mij een herinnering te boven naar een voorval tijdens het samen met mijn stiefvader vissen aan het einde van een beekje genaamd Zorgvliet aan de Groot Hertoginnelaan in Den Haag, recht tegenover de Russische Ambassade waarbij hij tijdens een protest om niet door een paard van de bereden politie te worden vertrapt fluks over een bosje dook en daarbij met hengel en al in het water belandde. “Komt u hier wel vaker?” vroeg de week erna op dezelfde plek een in een regenjas a la Koos Spee geklede, vanonder een gleufhoed sprekende man. Ik kan mij niet herinneren wat mijn stiefvader terug zei maar we zijn er nadien nooit meer terug geweest wat ik jammer vond.
  “Vraag drie: bezoekt u wel eens sekspagina’s op Internet?”
Ook over die vraag moest ik even nadenken, dit keer niet op de WC.
  “Geldt het ook wanneer die pagina’s mij bezoeken in plaats van andersom?” vroeg ik. “Als ik om vier uur ‘s morgens mijn bed uit moet en pas na achten ‘s avonds weer thuis kom heb ik daar geen tijd meer voor.”
Gelukkig was de meneer heel coulant.
  “Vraag vier: zijn er behalve uzelf in uw familie wel eens mensen in aanraking gekomen met Justitie of de politie?”
Omdat ik op die vraag het antwoord niet wist en gelukkig voor mij en mijn vrouw onze kennis rond door bloedverwanten gepleegde misdaden jegens de mensheid zich tot het gezin beperkte ontving ik ter plekke clementie.
  “Dat was vraag zestig. We zijn klaar,” liet hij mij vijf en een half uur later toen het buiten al donker was geworden met het dichtklappen van zijn notitiebloc weten. “Als u nog iets te binnen schiet wat ik absoluut moet weten dan mag u mij altijd bellen. Mocht ik zelf nog iets vinden dan merkt u dat vanzelf wel. Nog een goede middag samen en bedankt voor de koffie.”
  “Nou, dat was dan dat,” zei ik opgeruimd tegen mijn vrouw om maar iets te zeggen te hebben. “Ik weet niet hoe jij er bij zit maar ik voel mij net het doorgezaagde weesmeisje. In elk geval is mijn blazoen weer gezuiverd. Je ziet, mijn moeder had gelijk: er valt bij mij niets te halen, ik ben onomkoopbaar en heb geen gekken in de familie rondlopen.”
Lopend door de gang op de terugweg van de voordeur naar de woonkamer bedacht ik mij opeens een paar dingen die vast niet door de beugel konden. Ik besloot het er maar bij te laten zitten. Van doorzagen leer je veel.     

 

NADENKEN MET JE OGEN DICHT

Jaargang 2, aflevering 16, donderdag 12 januari 2017

 

 

 

 

NADENKEN MET JE OGEN DICHT

 

Ik zit nog maar net achter mijn bureau als mijn jongste zoon, een mollig blond kereltje dat net de leeftijd van tien jaar heeft bereikt voor het eerst die ochtend de kamer binnentreedt. Als hij mij ziet leeft hij op en komt zonder iets te zeggen naar mij toe om het deerniswekkende tableau ’vermoeide man, gezeten achter schrijftafel’ van dichtbij te kunnen bestuderen. Ik doe net alsof het de gewoonste zaak ter wereld is en werk door.
  “Heb je pijn?” vraagt hij opeens bezorgd.
    “Nee,” antwoord ik verrast. “Waarom vraag je dat?”
    “Waarom doe je dan steeds je ogen dicht?”
Betrapt, denk ik direct. Het is zover, en ben van plan mij er dit keer niet op een rationele wijze met een grotemensensmoes uit te lullen.
  “Dat gaat vanzelf, wanneer er iets is waarover ik moet nadenken, jongen.”
Zoon probeert het ook een keer en knijpt zijn ogen stijf dicht. Na een tijdje wordt de film ‘binnenkant oogleden bij nacht’ hem te gortig en opent hij ze weer.
  “Dat is saai. Waarover moet je dan nadenken?”
Ik zoek naar een passend antwoord dat ik risicoloos aan een bijzonder jongetje van die leeftijd kan geven maar veel meer dan een slap excuus vind ik niet. De toepasselijke uitspraak van Philip Roth dat de weg naar de hel geplaveid is met werken-in-uitvoering gaat mij veel te ver.
  “Over jou bijvoorbeeld, of je broer,” zeg ik bij wijze van alternatief.
Zijn ogen worden groot als schoteltjes.
  “Over ons? Ben je ziek of zo?”
  “Nee, ja, nee. Het is iets anders. Ik denk na omdat ik binnenkort niet meer goed voor jullie kan zorgen. Je weet toch dat jij en je broertje speciaal zijn?”
  “Ja. Maar hij is ge-han-di-capt. Ik niet.”
Ik zie aan zijn gezicht dat hij zijn uiterste best doet mijn antwoord een plek te geven. Zoals iedere keer wanneer ik wordt gedwongen het hem te vertellen lijkt het de eerste keer te zijn dat hij het hoort.
  “Maar waarom kan je dan niet meer goed voor ons zorgen? Je bent toch een nerd? Dan heb je zat werk.”
Ik kan mijn lachen bijna niet meer inhouden en moet tegelijk slikken waardoor ik in een vreselijke hoestbui terecht kom.
  “Dat is zo,” zeg ik happend naar adem. “En dat is ook het probleem. Daarmee verdien ik niet genoeg. Vreemde meneren in Den Haag die dat niet snappen komen geld tekort. Daarom moeten de mensen geld aan ze geven.”
  “Maar jij kríjgt toch geld?”
  “Tuurlijk,” zeg ik. “Maar dat is niet genoeg om goed voor jullie te kunnen blijven zorgen. Weet je nog dat ik zei dat we dit jaar minder leuke dingen kunnen doen en voorlopig geen nieuwe matras voor je broertje kunnen kopen?”
Hij knikt zo overdreven snel dat hij daardoor bijna omvalt.
 “Hij piest veel he?”
   “Ach, piesen is het woord niet. Hij kan niet zo goed praten als jij. Het meeste van wat hij tegen ons wil zeggen blijft in zijn hoofd vastzitten en dat komt ‘s nachts allemaal als zweet weer naar buiten.”
  “Krijg je omdat hij ge-han-di-capt is minder geld?” zaagt hij door. “Hoe kan dat? Je schrijft toch mooie boeken en verhalen?”
Ik moet weer lachen.
  “Daar krijg ik een enkele keer een beetje geld voor ja. Maar dat is niet genoeg voor ons om van te leven.”
Ik sluit mijn ogen zodat hij niet merkt wat ik van binnen voel.
  “Je doet het weer, pap,” zegt hij. “Nádenken.”
Ik zucht.
   “Ja. Ik zal het vanaf nu niet meer doen als jij erbij bent,” zeg ik plechtig. “Dat beloof ik.”
Maar dat is net een concessie te veel voor hem.
  “Van mij mag je best nadenken hoor. Ik heb er geen probleem mee.”
Nu zie ik mijn kans schoon.
  “Dank je wel. Daarom moeten we ook weg uit Nederland,” zeg ik. “Jij en je broertje hebben hier geen toekomst. We moeten weg omdat het hier voor ons te duur wordt. De meneren in Den Haag kennen jou en je broertje niet. Ze begrijpen niet dat jullie anders zijn.”
Hij denkt na en zet nog grotere ogen op. “Kennen ze jou wel dan?”
  “Mij weten ze wel te vinden ja,” zeg ik. “Maar als ik ze zeg wat er aan de hand is dan doen ze hun ogen dicht.”
  “Net als jij!” roept hij uit. “Denken zij dan ook na?”
Hoofdschuddend zeg ik: “Dat hoop ik van harte maar ik weet bijna zeker van niet.”
  “Klerelijers,” zegt hij dan en loopt boos weg.
Even later komt hij bij me terug.
  “Weet je pap, steeds wanneer je je ogen dicht doet dan weet ik voortaan dat je nadenkt. Als dat gebeurt moet je gewoon aan iets leuks denken. Dat helpt echt, want ik heb het net zelf geprobeerd.”

 

HARRY

Jaargang 1, aflevering 15, donderdag 5 januari 2017

 

 

 

 

HARRY

 

Tijdens een avondwandeling door de Haagse binnenstad kwamen we hem tegen. Het gebeurde recht tegenover de etalage van de toenmalige in de oude Passage sinds mensenheugenis gevestigde stropdassenwinkel. Het weerzien had iets onbeholpens, wat kwam doordat op zijn gezicht de uitdrukking stond van iemand die ergens op was betrapt, wat natuurlijk niet zo was want op die plek dééd je gewoon niets.
Harry, zoals hij heette was iemand die je zonder afbreuk te doen aan het instituut genaamd ‘proletariaat’ rustig een ‘gesjeesde jongen’ zou kunnen noemen, volgens Jan Wolkers een ‘medeburger van de gestampte pot’ wat werd bewezen door zijn feilloze gevoel voor profijt.
Als in de tijd toen ik nog maar net met hem bevriend was het nieuws rondging dat ergens in de stad voordeel te behalen viel, of er werd in het ‘Haagse circuit’ waar hij lid van was een ontdekking gedaan waarmee de Rijksoverheid of de gemeente voor vele tonnen kon worden opgelicht, dan kon je er gif op innemen dat Harry zich helemaal vooraan, in pole-position had gemanoeuvreerd. Dat hij daarmee het risico opliep regelmatig door de ‘plisie’ van zijn bed te worden gelicht, want het werkwoord ‘lichten’ past hier beter dan waar dan ook, vond in zijn beleving weinig blijk van herkenning.
Hoe ik ook mijn best deed hem in te halen, het lukte Harry keer op keer mij te verslaan in het uithalen van allerlei lucratief bedoelde maar onbezonnen acties wat achteraf gezien niet heel moeilijk was omdat ik er vaker dan hij voor koos eerder het brave jongetje uit te hangen.
Het voorval dat de meeste indruk op mij maakte was die keer toen Harry mij toevertrouwde dat hij bij de sociale dienst had aangeklopt voor het indienen van een verzoek tot het in ontvangst mogen nemen van eventjes twaalfduizend gulden voor het vernieuwen van het dak van zijn woonboot.
Na het voorgaande te hebben gelezen begrijpt u natuurlijk direct dat er niets mis was met Harry’s dak. Het de schijn ophouden dat er wel degelijk iets aan zou mankeren hoorde gewoon tot een van zijn zelfbedachte methodes om aan ‘snel geld’ te komen, in dit geval zijn speedboot van een nieuwe buitenboordmotor te voorzien, en met het ding ‘s nachts op en neer via Katwijk naar de kust van Normandië te varen om daar, zoals hij het noemde ‘een grote vangst’ te doen. Dus trof ik hem tijdens mijn bezoek, balancerend op een wankel trapje, bezig met een plantenspuit gevuld met water doende het plafond van zijn woonark nat te spuiten met de bedoeling om er, wijzend op de ontelbare waterdruppels die er al hingen een inspecteur van de Sociale Dienst van de gemeente mee om de tuin te leiden.
  “Nou meneer, het is hier een knap ongezonde bedoening als ik het zo mag zeggen,” sprak de gemeenteambtenaar na amper een kwartier binnen, voelend aan het drijfnatte sprei op het tweepersoons ledikant, want Harry’s ‘leed’ beperkte zich niet tot de woonkamer. “Weet u heel zeker dat twaalfduizend gulden wel volstaat?”
  “Ach, het moet maar,” gaf Harry de ontsteld kijkende man te kennen na een knipoog in mijn richting. “Ik zou het eventueel natuurlijk zelf kunnen doen. Dan spaar ik ongeveer drieduizend gulden arbeidsloon uit. Maar ja, mijn rug hé.”
Dat excuus resulteerde erin dat de man, diep geschokt door de ‘ravage’ die hij er had aangetroffen beloofde nog dezelfde dag het benodigde bedrag van vijftienduizend gulden op Harry’s girorekening te storten, wat ook gebeurde, want die buitenboordmotor, díé kwam er.
Een andere heldendaad die mij voor de geest staat was zijn meer op goed geluk dan wijsheid gebaseerde gemanipuleer met de allereerste geldautomaten waarbij het hem een tijdlang lukte gratis geld op te nemen van zijn rekening door het bovenste en onderste bankbiljet te laten zitten en alleen de tussenliggende biljetten er tussenuit te nemen, waardoor nadat de machine het bedrag weer had ‘ingeslikt’ het moest lijken of de hele som weer werd teruggeboekt wat vanzelfsprekend niet het geval was.
Een reactie van de meneer van de bank bleef natuurlijk niet uit zodat Harry binnen de kortste keren voor een tijdje uit het Haagse straatbeeld verdween. Hoe lang bleek pas toen hij een jaar later weer op het dek van zijn woonark verscheen. Er waren, zoals hij mij vertelde, twee heren van de FIOD langs geweest met een aan hem gerichte brief die begon met ‘uit ‘s Koning’s naam.’
Die maatregel was voor Harry geen reden om erbij neer te gaan zitten.
Zijn schuurtje tegenover de woonark lag vol met zoals hij ze noemde ‘mijn geldboompjes.’ Tientallen sterke magneten om zoals hij zei ‘elektriciteitsmeters mee af te remmen,’ een op tweetakt benzine werkende ‘Haagsuh Slijpah’ genoemd apparaat om zich van door de gemeentelijke parkeerdienst op zijn auto aangebrachte wielklemmen te kunnen bevrijden, handige tangen, in vreemde vormen gebogen stukken ijzerdraad en ander zelfgemaakt gereedschap waarmee hij de maatschappij van een overschot aan cash verloste dat anders toch maar ergens nutteloos lag te wezen.
“Wat een leuke verrassing!” begon hij heftig mijn hand schuddend, intussen een blik op mijn vrouw werpend. “Ik zie dat het goed met je gaat. Nog steeds schrijver?”
Ik knikte terug, onder de indruk van zijn joviale blik, weldoorvoede uiterlijk en de blozende wangen waarmee hij mijn vrouw en ik tegemoet kwam gelopen. Op mijn beurt vroeg ik hoe het met hem ging.
  “Ik mag niet klagen,” sprak hij met veel omhaal. “Dus dat doe ik dan maar niet en daarbij: je treft het. Overmorgen ga ik trouwen, vandaar mijn bezoekje daarbinnen. Mijn aanstaande wil per se dat ik een strik draag maar daar zie ik vanaf. Het wordt een stropdas, maar dan wel een hele mooie! Een strik zit mij veel te benauwd. En ik heb niks met strikken, vooral niet die waar je in kunt lopen,” grijnsde hij veelbetekenend terug. “Maar dat zal mij niet meer overkomen. Voor mij geen geklooi meer zoals vroeger. Ik ben tegenwoordig in zaken. Goede zaken, wel te verstaan.”
Zonder dat ik erom hoefde te vragen stak Harry van wal.
  “Ik sta op de markt. Niet met rotzooi maar met echte handel. Brandstofbespaarsystemen. Werken echt. Je moest eens weten hoeveel geld je daardoor in je zak kunt houden!”
Ik gaf aan in de gelegenheid te zijn niets te moeten weten maar dat bleek geen probleem want Harry draafde gewoon door.
  “Wat voor auto heb je, benzine of diesel? Ik garandeer je dat met dat systeem van mij je vijfentwintig procent minder gaat gebruiken, levenslang. Je zet het gewoon op je brandstoftoevoerslangetje en een ander deel op je luchtinlaat en hop! Besparen maar! Het mooie ervan is dat je er niet technisch voor hoeft te zijn. Ik regel alles.”
Mijn tegenwerping mocht niet baten. Met mijn meest vertwijfelde blik, zoekend naar een uitweg viel mijn oog op een volmaakte schepping in de vorm van de perfecte stropdas die daar zomaar in de etalage achter hem hing. Een absolute ‘must-have’ met het gedurfde tevens klassieke Italiaans design van een soort dat al jaren bovenaan op mijn verlanglijstje prijkte.
  “Schat, kijk daar eens!” riep ik zo luid en duidelijk mogelijk zodat ook passanten buiten de Passage het konden horen. “Dat is hem! Die zoek ik al zo lang! Kom mee, we gaan naar binnen voor ze sluiten.”
Na het schielijk nemen van afscheid van de verbouwereerde Harry maakte ik dat ik naar binnen kwam, mijn vrouw inderhaast achter mij aan sleurend.
  “Wat is er, ben je gestoord of zo?” riep ze onthutst uit vanwege haar ontvoering. “Dat ding daar is oerlelijk. En daarbij, je draagt helemaal geen stropdassen!”
  “Weet ik. Maar ik moest iets verzinnen.”
     “Wie was dat dan daarnet? Iemand van de garage?”
       “Nee,” ontkende ik. “Dat was Harry. Hij kweekt geldboompjes.”
  “Jij bent gek.”
     “Kan zijn, Ik wacht liever op de loterij. Dat is eerlijker.”