ANNA

Jaargang 2, aflevering 22, donderdag 23 februari 2016

 

 

ANNA

 

Gedwongen door ‘sehnsucht’ zoals de Duitsers hun hang naar nostalgie noemen, bracht ik na jaren weer eens een bezoek aan het Haagse Westeinde. Tussen de hondendrollen door laverend over het stoepje dat ooit door een aan pleinvrees lijdende gemeenteambtenaar moet zijn bedacht, kom ik stil te staan bij de poort waarachter ik ooit schoolging. Niets veranderd. Zelfs de lantaarn erboven zit er nog steeds.
Na het verderop gelegen voormalige ziekenhuisgebouw waar tegenwoordig godweetwat wordt gedaan sta ik voor ik het weet aan de overkant op de hoek van de Loosduinsekade, de straat waar meer dan vijf decennia geleden mijn roots zijn ontstaan.
Ter hoogte van nummer 58, bij een mij zeer bekende maar inmiddels muisgrijs geschilderde voordeur stop ik even en doe mijn best niet even door het raam ernaast naar binnen te kijken. Dus als u daar woont en u ziet een vreemde kerel voor het raam staan: niet schrikken, ik ben het maar. Maar nu u dan toch in de gang staat, kijk dan even omhoog naar de barst in een van de raampjes boven de deur: die is van mij. Gebeurd tijdens het sneeuwballen gooien in ‘63. Mijn excuses daarvoor.
Het liefst had ik aangebeld om u te vragen of ik even binnen mocht komen, maar er is iets dat mij tegenhoudt. Misschien bevalt het bloemetjesbehang mij niet, of bevindt zich achter de voordeur een wietkwekerij. In dat geval weet ik van niets, wat eigenlijk maar beter is ook.
De herinneringen die ik aan dat adres heb voordat de deur grijs werd zijn mij dierbaar en hoeven nog niet direct weg.
Daar klinkt een zekere weemoed uit, wat klopt. Het komt door mijn herinneringen aan de lijfelijke aanwezigheid van mijn oma die er destijds woonde, een robuust gebouwde, hoe kan het in zo’n geval ook anders, dochter van een hoefsmid. Oma, of Anna zoals ze heette was een vrouw met een missie. Haar ongekunstelde, Haagse kijk op de gebeurtenissen in de straat bezorgden haar in de buurt bijkans de status van orakel. Daarnaast bediende Anna zich van curieuze opmerkingen van het soort waar je tegenwoordig last mee krijgt, zoals die keer toen ze tijdens het wachten op de tram in het glazen wachthokje en na het ondanks de aanwijzingen van haar dochter het verdomde om op het enig daar aanwezige stoeltje plaats te nemen.
  “Er kon,” zei ze, “wel net een Tamil op hebben gezeten.”
Zij, ‘de moeder van mijn moeder’ zoals Sabien Tiels ooit zong, was degene die het voor elkaar kreeg om, naast het voortbrengen van mijn moeder wat op zich al een hele prestatie was, op effectieve wijze tegengas te bieden aan mijn opa, een zuinige, rechtvaardige, maar voor zijn eigen kinderen uiterst strenge vader.
Dat tegengas geven vond plaats op een woordeloze manier, behalve dan wanneer er derden bij waren.
Voorbeeld: vroor het buiten dat het kraakte, dan zette oma de kachel op vijf, totdat ze tijdelijk de kamer even moest verlaten zodat opa de kans kreeg het ding weer terug in zijn drie te schakelen, vice versa. Dat ging de hele dag zo door totdat het bezoek weg was waarna opa witheet geworden, zijn atelier weer in snelde en oma ijskoud de regisseurskamer oftewel haar keuken in dook waar ze met absolute verve de rol van keukenprinses vervulde. Dat toneelstuk herhaalde zich iedere winter. Afgezien van de kachel zelf merkte niemand iets van de machtsstrijd die zich binnen de opgevoerde eenakter afspeelde en werd je op gepaste wijze geëntertaind, zonder nauwelijks waarneembare naschokken.
Mijn opa had bij mijn weten geen vrienden, een eigenschap waar ik hem in evenaar. Oma daarentegen trok met haar georakel als een magneet van heinde en verre allerlei figuren aan, waaronder mejuffrouw Berger, een ongetrouwde, op leeftijd zijnde francofiele kleuterjuffrouw annex bovenbuurvrouw die ze opriep door met een omgekeerde bezem tegen het plafond te kloppen. Een enkele klop betekende ‘ben je er?’ Tweemaal kloppen hield in dat ze naar beneden moest komen en bij drie keer was de koffie klaar, een feilloos werkend maar door opa verfoeid systeem, in het bijzonder wanneer het daarna kalk in zijn koffie regende.
  “Daar zal je de duvel hebben,” zei hij dan stoïcijns, want opa had het niet zo op haar wat hij in haar bijzijn liet merken door stilzwijgendheid of het plaatsen van enkel sarcastische opmerkingen.
Ikzelf, nog maar een kleuter, werd dagelijks door dit wonder in de pedagogie geprezen en verdacht van het bezitten van grootse literaire talenten wat zich uitte in haar geschenk voor mijn vijfde verjaardag, ‘Het Letterkundig Lexicon der Nederlandse Taal,’ een werkje dat mijn bevattingsvermogen vanzelfsprekend ver te boven ging.
  “Wat moet dat wurm -er werd thuis uitsluitend in parasitaire termen gesproken als ik werd bedoeld- dáár in godsnaam nou mee,” riep mijn moeder boos toen ze mij ermee aantrof. “Kon ze niks anders vinden? De Slegte verkoopt ook prentenboekjes.”
Vanwege haar voorkeur voor het in haar beleving mondaine gebruik van Franse woorden prefereerde mevrouw Berger zichzelf in stijl maar geheel boven haar stand, madame ‘Bergé’ te laten noemen, een etiket waar zowel opa als oma à la Johnny en Rijk regelmatig de draak mee staken.
   “Kom, laat ik l’illumination eens uit gaan doen,” sprak ze toen nadat het een keer hevig had geonweerd buiten weer licht was geworden.
   “Wat gaat ze uit doen?” vroeg oma naïef, de Franse taal niet machtig.
   “Der onderbroek geloof ik,” vulde opa behulpzaam aan, waarop het slachtoffer opa’s huis verliet, al knarsetandend. Gelukkig voor oma duurde haar afwezigheid nooit lang en kon hun vriendschap een stootje hebben dat ieder jaar tijdens kerst weer werd bewezen als de twee gearmd de nachtmis in de Theresia van Avilakerk in het Westeinde bezochten waarbij oma zich voor de veiligheid want ‘je kon onderweg immers nooit weten met dat gespuis van tegenwoordig’ bewapende met in haar handtas een levensgroot broodmes.
Dat met oma in het geheel niet te spotten viel bleek wel uit de omvang van haar onderarmen waarmee ze op straffe wijze de koffiemolen hanteerde door er tussen haar knieën geklemd te houden aan te draaien op een manier dat er vonken uit sloegen. Daar kwam een einde aan toen het ding tenslotte bezweek en ze gedwongen werd een moderwetse elektrische koffiemolen in gebruik te nemen met als gevolg dat er tientallen jaren later nog steeds koffiebonen achter het fornuis werden gevonden. Niemand had oma van tevoren verteld dat ze haar hand op het deksel moest houden.
Op gas of elektra werd niet gekookt maar uitsluitend op houtvuur, wat het hele jaar door gebeurde door houtspaanders in een daarvoor bestemd gat tevens asbak van het enorme fornuis dat dag en nacht aan was te steken, waarna spontaan de brand erin vloog. Koud was het er nooit zodat oma zowel ‘s zomers als winters op sloffen liep wat ervoor zorgde dat haar voeten door slijtage en ouderdom zoveel te lijden hadden dat als direct gevolg ervan grote eeltknobbels op de plek waar het groteteengewricht zich bevond waren ontstaan. Omdat ik al vroeg wist dat ik een deel van haar genen deelde keek ik gedurende mijn jeugd iedere ochtend of die dingen ook op mijn voeten begonnen te groeien, doodsbang als ik was om voortaan als een hobbit door het leven te moeten gaan omdat ik anders niet meer in mijn schoenen paste en om er dan maar naast te gaan lopen is niets voor mij. Daarvoor ben ik teveel Hagenees.
Ook was oma zonder het zelf te weten een menselijke katalysator en superlijm tegelijk. Wat UHU uit het gele tubetje niet voor elkaar kreeg, het bij elkaar houden van de familie, lukte oma op haar sloffen, inclusief knobbels. Haar aantrekkingskracht was zo groot, dat het soms gebeurde dat er wildvreemde mensen met ons aan tafel mee aten, tot ongenoegen van opa die wel een groot hart had maar dat op een andere manier liet blijken, wat bleek uit de tijdschriften over ontwikkelingshulp op zijn bureau. ‘Leven en laten leven,’ zegt het spreekwoord en dat was dan ook precies wat hij deed.
Verder lopend kijk ik nog eenmaal om en zie een klein jongetje naar buiten komen met in zijn hand een tennisbal. Hij kijkt mij brutaal aan en trekt een gezicht of hij op het punt staat iets te ondernemen wat beslist niet mag.
Ik kon hem afraden het niet te doen, of hem waarschuwen voor de gevolgen. Zijn moeder kon naar buiten komen en hem straffen maar op tijd bedenk ik mij.
Wat kan het mij schelen ook. Die ene barst zat er al.

 

Vond je dit leuk? Doe de schrijver een plezier en klik een keer op de link van zijn sponsor. Zo blijven alle door hem gepubliceerde verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een WC bril) Alvast heel erg bedankt!

 

 

 

 

 

NOCTURNE

Jaargang 2, aflevering 21, donderdag 16 februari 2017

 

 

NOCTURNE

 

  “Ik ga er uit,” zeg ik resoluut. “Ik doe verdomme geen oog dicht!” en stap met enige spijt uit bed. Een vanonder de berg textiel naast mij opstijgende brom herinnert mij eraan dat ik de status als slapeloze met haar deel.
Sommige dingen heb je nu eenmaal niet voor jezelf.
Het de slaap niet kunnen vatten overkomt mij zeker een paar maal per week. Ook heb ik voor mijzelf het gevoel dat het steeds vaker voor komt. ‘Gevoel’, schrijf ik hier expliciet, want ik sta uit privacy overwegingen wetenschappers niet toe de met mijn vrouw gedeelde slaapkamer te betreden om op de rand van het bed gezeten hun ongetwijfeld boeiende theorie te komen onderbouwen. Dank je de koekkoek. Mijzelf verdiepen in statistieken over schrijvers met last van slapeloosheid gaat me te ver.
Geabonneerden op het maandblad ‘Arts en Auto’ zullen nu zeggen dat het de leeftijd is, werkstress, of een tekort aan slaaphormonen maar daar trap ik niet in omdat als ik ze carte blanche geef, ze mij slaapbevorderende middelen voor zullen schrijven wat ze alleen doen om in hun aldus door mij gesponsorde Jaguars rond te kunnen blijven rijden.
Die theorie gaat trouwens sowieso mank omdat mijn tante Truus uit Den Haag die in de Goudenregenstraat woonde in haar laatste jaren op Aarde juist beter sliep dan in haar hele leven ooit daarvoor en ze zo, postuum het niet-levende bewijs ertegen vormt.
Om nu ik er toch uit ben iets nuttigs met mijn extra verkregen vrije tijd wil doen en moet voorkomen dat mijn huisgenoten ongewild deelgenoot worden van mijn wakker zijn, doe ik expres geen licht aan, wat het gevaar oplevert over ruim 60 kilo levend hondenvlees zonder vaste slaapplaats dat zich ergens op mijn nachtelijk pad op weg naar de woonkamer bevindt te struikelen, een probleem dat ik om mijn aanwezigheid aan eventuele entiteiten te melden op los door in mijn onderbroek, raspend en kuchend als een verkouden reiger met zevenmijlslaarzen aan in het rond waar, intussen reuzenstappen nemend tot ver buiten het risicogebied.
Als iemand op dat moment opeens het licht aan zou doen dan had dat een heel raar gezicht opgeleverd, bedenk ik mij in die gevallen steeds, een tafereel dat mijn status als rationeel denkend en handelend hoofd van het gezin definitief zou hebben ondermijnd.
Heelhuids aangekomen op de gewenste plek is het eerste wat ik doe een kleine schemerlamp op mijn bureau aanknipsen zodat ik kan zien wat ik straks ga denken. Het tweede is de oude notebook waarop ik deze stukjes schrijf openen zodat het portret van Godfried Bomans dat guitig vanaf de muur op mij neerkijkt kan zien dat ik het echt meen. Vaak staan er al een paar regels want ik heb pas innerlijke rust als ik, nadat ik weer een stukje voor u heb geschreven en dat hier kenbaar heb gemaakt bij wijze van voorschot alvast aan een nieuw ben begonnen wat mij kortstondig een riant gevoel van geestelijke rijkdom en macht oplevert.
Vanaf dit gelijkwaardig kruispunt kan ik besluiten verschillende dingen te gaan doen. Dit stukje afmaken bijvoorbeeld, aan een nieuw beginnen of werken aan de Engelse vertaling van het boek waar ik nog geen agent voor gevonden heb. Sommige dingen werken buiten Nederland nu eenmaal anders.
Dit schrijvend dwalen mijn gedachten af naar de tijd dat op de plek waar nu mijn bureau staat zich daarvoor een trog bevond waar ooit een muilezel zich dagelijks door een hoeveelheid haver werkte. Dat weet ik, omdat ik hem eigenhandig met een voorhamer heb weggeslagen, die trog dan. De ezel was al weg. De woonkamer was vroeger namelijk een stal met een hooizolder, en daarvoor, ongeveer honderd jaar geleden nog het woonhuis van een Portugese familie met een rijke kinderschare, een feit dat ik herleid aan de hand van de vondst van een aantal schoenzolen in diverse maten tijdens een verbouwing onder de granaatappelboom in de tuin. De vergelijking als metafoor dat tegenwoordig op dezelfde plek een ezel zich door een hoeveelheid letters werkt vind ik zelf geschikt, maar als u een betere weet houd ik mij aanbevolen.
Over ezelsbruggetjes gesproken: rechts van het ouderwetse bureau staat op een kast een buizenradio van het merk Erres die eigenwijs als hij is al na vijf minuten vanzelf een andere zender opzoekt, ergens tussen Stutt-gart en Leipzig I in. Aan de linkerkant staat een overvolle boekenkast met daarin een Underwood schrijfmachine uit 1932. Dat ik die niet meer gebruik komt niet zozeer doordat ik dat niet wil want hij heeft in tegenstelling tot een notebook iets waarachtigs, maar vanwege het lawaai dat het ding produceert als ik op een bakelieten letter druk.
  “Als je dat maar laat,” is de opmerking die mij quasi terloops bij iedere poging daartoe wordt toegeworpen. “Je gaat er maar lekker mee achter de vijgenboom zitten,” waar de verst van het huis verwijderde plek in de tuin mee wordt bedoeld.
Roald Dahl had makkelijk praten.
Omdat je op een ouderwetse schrijfmachine wel prima stukjes en verhalen kunt schrijven maar het onmogelijk is dat te doen zonder er lawaai mee te maken, mail op te lezen, social media en websites bijhouden doe ik die dingen op een notebook, vaak begeleid door klassieke muziek wat bijna altijd wordt weggehoond door een puberende jongeling waar ik ‘s avonds de woonkamer mee deel. In zijn beleving is dat altijd kerkmuziek. Puur giswerk, omdat hij dat onmogelijk zeker weten kan, want hij stamt uit een bouwjaar waarin geestelijk verdwaalde herders zich aan hun kuddes begonnen te vergrijpen in plaats van ze ordentelijk te beheren, voor mij een belangrijke reden er niet meer te komen.
Hem ermee wegpesten is niet heel moeilijk. Albinoni’s Adagio in G mineur volstaat meestal. Bij totale belegering ga ik tot de aanval over met behulp van het lanceren van de 64 voets baspijpen van het Müllerorgel uit de St. Bavo in Haarlem waarmee ik octaven uit Bach’s Toccata & Fugue in D mineur afvuur in zijn richting waarna hij zich meestal overgeeft.
Dat kan ongehinderd, want de muren zijn zo dik dat de oase buiten er niet door verstoord wordt en Gerard de steenuil die in de buurt woont en ‘s nachts zijn best doet om met zijn ‘joehoe’ door Gordon de boomspecht gehoord te worden er niet door wordt verjaagd. Luister ik heel geconcentreerd dan hoor ik Gordon’s geklop, in dit geval een foutje van de evolutie want net als de echte Gordon richt hij zich niet op saaie bomen maar alleen op blinkend metaal, de glimmende uiteinden van telefoonpalen waar hij als hij zo doorgaat volgens mijn berekening pas in het jaar 3051 doorheen prikt, maar zo lang heeft hij niet te leven.
Ik ook niet trouwens.
De natuur is onbarmhartig. Ik bedenk mijzelf opeens dat het mij zomaar zou kunnen overkomen dat tegen de tijd wanneer ik allang dood ben vanwege mijn op papier vereeuwigde literaire geklop de schrijfmachine naast de gebruikte tampon van Heleen van Rooyen wordt tentoongesteld.
Ook de mens is onbarmhartig. Ik ga maar weer liggen.

 

‘KRONKELTJE’

Onder deze naam schrijf ik korte verhaaltjes van niet meer dan een paar regels over uitspraken van en vermakelijke situaties met kinderen in de hoofdrol. Dat kunnen mijn kinderen zijn maar ook die van u. Hebt u een iets meegemaakt of herinnert u zich een leuke uitspraak, laat het mij dan weten. Eens in de zoveel tijd plaats ik er een op deze plek.
Deze week: ‘NELSON MANDELA’

Na op een regenachtige zondagmiddag op zolder te hebben gespeeld kwamen mijn drie zonen van 6, 7 en 9 jaar weer naar beneden de huiskamer binnen, waar ze alleen mij aantroffen.
  “Weet je waar mama is?” was hun vraag, want ook kinderen streven er net als honden naar dat de horde altijd compleet is.
Omdat ik wel degelijk wist waar ze uithing maar er liever de voorkeur aan gaf haar bezigheid op een meer bedekkende manier aan ze mee te delen was een Haags synoniem het eerste maar ook de meest toepasselijke die in mij opkwam.
  “Ze is geloof ik Nelson Mandela op de trein aan het zetten,” zei ik. “Ze is net vertrokken. Als jullie snel zijn kun je haar nog net zien wegrijden.”
  “Echt??” klonk het in koor.
Toen ik mij omdraaide stonden daar drie kereltjes, zwijgend, met hun neuzen platgedrukt tegen het raam.

 

Vond je dit leuk? Doe de schrijver een plezier en klik een keer op de link van zijn sponsor. Zo blijven alle door hem gepubliceerde verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een WC bril) Alvast heel erg bedankt!

(sponsor)

  

 

 

 

 

 

 

   

 

NELSON MANDELA

NELSON MANDELA

 

Na op een regenachtige zondagmiddag op zolder te hebben gespeeld kwamen mijn drie zonen van 6, 7 en 9 jaar weer naar beneden de huiskamer binnen, waar ze alleen mij aantroffen.
  “Weet je waar mama is?” was hun vraag, want ook kinderen streven er net als honden naar dat de horde altijd compleet is.
Omdat ik wel degelijk wist waar ze uithing maar er liever de voorkeur aan gaf haar bezigheid op een meer bedekkende manier aan ze mee te delen was een Haags synoniem het eerste maar ook de meest toepasselijke die in mij opkwam.
  “Ze is geloof ik Nelson Mandela op de trein aan het zetten,” zei ik. “Ze is net vertrokken. Als jullie snel zijn kun je haar nog net zien wegrijden.”
  “Echt??” klonk het in koor.
Toen ik mij omdraaide stonden daar drie kereltjes, zwijgend, met hun neuzen platgedrukt tegen het raam.

 

  

KLAARTJE

Jaargang 2, aflevering 20, donderdag 9 februari 2017

 

 

KLAARTJE

 

Tijdens een wandeling door het vestingstadje in de provincie kwam ik haar weer eens tegen.
Ze was in de tussenliggende jaren nog niets veranderd en kon met haar blonde vlechten en ronde roze konen zo van een koetjesreep zijn afgesprongen.
  “Dááág!” riep ze vanaf de overkant van de weg, met een hand boven haar hoofd uitbundig zwaaiend. “We spreken elkaar gauw weer hoor. Ik heb nu een afspraak!”
Ik stak mijn duim omhoog en grijnsde terug ten teken dat het goed was.
  “Wie is dat?” wilde mijn vrouw weten.
  “Dat is Klaartje, een verre achternicht,” zei ik. “Ze is een beetje naïef maar heel erg aardig. Echt een schat. Je moet haar eens ontmoeten.”
Het weerzien bracht mij terug naar de eerste keer dat ik aan Klaartje werd voorgesteld, een dag die ik mij herinner als de dag van gisteren. Haar levenslust, ongedwongenheid maar vooral de chronisch blije oogopslag waarmee ze door het leven ging maakten haar onweerstaanbaar. Levensgevaarlijk ook in zekere zin, vooral voor jongeheren met een pas ontloken libido. Om die reden ook werd ze door haar ouders die het allemaal van te voren zagen aankomen een beetje achtergehouden, zoals de Japanse zonnegodin die volgens de legende veel te mooi was om staand aan het firmament het benedenwolkse crapuul met haar aanwezigheid te beschijnen.
Ik, een van de halsband losgebroken jonge hond, bereid om iedereen die mij bij mijn voornaam riep een pootje te geven had dat nog niet zo een-twee-drie in de gaten. Klaartje met haar korenblauwe ogen wel, wat voor haar ouders aanleiding was om na het bereiken van consensus met die van mij, en gezien mijn nog steeds onbevlekte habijt, hun oogappel tijdens noodzakelijke bezoekjes aan de stad onvoorwaardelijk onder mijn vleugels te plaatsen.
De rol van mannelijke gouvernante ging mij een tijdlang wonderwel redelijk goed af. Aan de voorkant kwispelende reutjes kregen dankzij mijn vervaarlijke geblaf en gegrom geen enkele kans bij haar.
‘Love is a dog from hell,’ zei Charles Bukowski ooit.
Ondanks alle maatregelen en omdat ook ik maar een mens ben met dagelijkse verplichtingen was niet te voorkomen dat het toch een keer mis ging nadat gebleken was dat Klaartje zich door een chocoprins had laten verleiden.
Pas zes weken nadien zag ik haar weer, dit keer zonder de chocoprins. Uiterlijk was ze nog steeds de versnapering waar elke jongen zonder mankeren direct al zijn zakgeld aan zou spenderen, maar die wisten in tegenstelling tot ikzelf dan ook niet het fijne ervan. Er was van binnen iets veranderd bij Klaartje wat na een bezoek aan een abortuskliniek snel werd verholpen.
Het voorval bracht tot mijn verrassing in tegenstelling tot wat ik vreesde, geen breuk tussen haar ouders en die van mij voort, integendeel. ‘Eigen schuld,’ zo luidde het door de familie uitgesproken vonnis en ‘een wijze les’, die haar moest bijbrengen voortaan niet meer zomaar iedere zich Valentino noemende en aan haar voeten liggende hartendief tot het Organum Sacrum toe te laten, een maatregel die de consequentie meebracht dat Klaartje zich gedwongen zag zichzelf binnenshuis te vermaken.
Een straffe ingreep, maar wel een die haar pianospel en stembeheersing zeer ten goede kwam. Volkomen in vervoering was ik bij het voor de eerste keer bij wijze van proefkonijn aanhoren van haar uitvoering van Franz Schubert’s ‘Ständchen’, zichzelf op piano begeleidend. Mijn ‘encore’s’ en ‘bravo’s’ in combinatie met haar virtuositeit leidde er zelfs toe dat ze, in tegenstelling tot haar ouders die haar hadden voorbestemd tot het vak van kleuterjuffrouw, in plaats daarvan koos voor rebellie en zich bij wijze van wraakneming aanmeldde bij het conservatorium. Gelokt door eeuwigdurende roem, zoals zij het in bijzijn van haar ouders omschreef, ging het in werkelijkheid zoals ze mij later toevertrouwde om voortaan ‘Ad Libitum’ te kunnen leven, wat evenwel met zich meebracht dat ik haar steeds minder zag.
Die vrijheid liet ze zich evenwel goed smaken, zo bleek een jaar later toen ik haar in gezelschap van een bleke, enigszins slungelige, rijkelijk van jeugdpuistjes voorziene maar met een weinig betrouwbare blik bedeelde jongen tegenkwam.
  “Dit is hem. Hij heet Gijsbert,” deelde ze enthousiast mee. “Hij speelt dwarsfluit en we wonen toevallig allebei in dezelfde studentenflat. We hebben ontdekt dat we heel veel dingen met elkaar gemeen hebben, dus zijn we voortaan sámen.”
Op mijn vraag wat dat dan wel was dat hij met haar in gemeenschap deelde, verklaarde ze dat Gijsbert net als zij ‘dol’ was op tuinboontjes, eindeloze zondagmiddagen verafschuwde en ouderlijke prietpraat te haten.
Dat hij veel gemeenheid in zich had bewees Gijsbert negen maanden later toen hij na zijn dwarsfluit ‘Allegro con Fuogo’ bij Klaartje had bespeeld spoorslags bleek te zijn vertrokken, haar achterlatend met een partituur aan luiers en geblèr maar zonder toegift.
Het ouderlijk huis van Klaartje was te klein. De maandelijkse toelage van Gijsbert eveneens, zo bleek toen hij was opgespoord waarna Klaartje, bedrogen en diep geraakt door het gebeuren koos voor het een tijdje doorbrengen bij vrienden op een afgelegen, bosrijke plek in de Peel om daar op gepaste wijze in retraite te gaan.
Het duurde een hele tijd voordat ze weer terugkwam.
Gijsbert en zijn fluit zag ik later nog één keer, ditmaal voor de ingang van een inmiddels teloor gegaan warenhuis in het centrum van Den Haag, gekleed in een vale legerbroek en een dito jack met daarover bij wijze van poncho een grijze vuilniszak, zittend op de grond achter een lege gleufhoed. Toen hij mij zag verscheen een blik van herkenning op zijn gezicht, gevolgd door diepe haat.
Direct dacht ik terug aan de tuinboontjes.
Nu lust ik zelf geen tuinboontjes, dus liep ik door, Gijsbert achter mij latend.
Dat van die lange zondagmiddagen zal ook wel niet kloppen.  

 

 

Vond je dit leuk? Doe de schrijver een plezier en klik een keer op de link van zijn sponsor. Zo blijven alle door hem gepubliceerde verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een WC bril) Alvast heel erg bedankt!

 

 

 

(sponsor)

 

 

  

 

  

  

 

 

 

 

 

BUURMAN

Jaargang 2, aflevering 19, donderdag 2 februari 2017

 

 

 

 

BUURMAN

 

  Na hem al een tijdje niet meer voorovergebogen op zijn stok te hebben zien rondscharrelen is hij onlangs dan toch komen te overlijden. Tenminste, dat vermoed ik. Niets is tegenwoordig nog zeker. Je bestaat pas wanneer Google Maps je huis heeft gevonden.
Dat gold ook voor mijn buurman, want ondanks dat hij op leeftijd was en een paar beroertes had weten te overleven, wílde hij maar niet, zodat het net leek alsof Magere Hein de toegang tot de site was ontzegd.
Dat komt doordat hij en vele andere ouden van dagen in dit land zowel bij leven als het tegenwoordige zich maar zelden in het openbaar vertonen, een van de vele eigenschappen die de Portugees zo treffend kenmerkt. Zelfs als ze dood zijn verschuilen ze zich in een huisje, maar dan op het kerkhof.
Ook in zijn tuin, een met valse margrietjes overwoekerde boomgaard waar de Voorzienigheid niets tot ontwikkeling wilde laten komen toonde hij zich de laatste tijd steeds minder, wat gerust een hele opluchting voor zowel mens en dier mag worden genoemd. Als er een Nobelprijs zou bestaan voor de grootste kwelgeest van huisdieren dan behoorde de man zeker tot de genomineerden.
De reden daarvoor was zijn compassie voor het dagelijks met harde hand kwellen van alles dat blaft, een poot geeft en als het de kans krijgt de provisiekast leeg eet, behalve dan misschien zijn schoonmoeder. Voordat u mij daar nu over belastert: ik hoor niet tot de categorie echtgenoten die daar praktische ervaring mee heeft, integendeel. Maar je hoort tegenwoordig wel eens wat.
Een hondenleven, want daarover beschikte hij als eigenaar van zijn behaarde lijfeigenen, betekende onder zijn dictatuur minder dan niets. Dat kon, omdat hij tot dezelfde leeftijdscategorie behoorde als de gekozen volksheld en dictator António Oliveira de Salazar, de man die Portugal tussen 1932 en 1968 in een ijzeren greep hield. Of hij hem persoonlijk heeft gekend weet ik niet maar hij kéék in elk geval wel zo. Meerdere malen verwachtte ik als enige niet-Portugees in de buurt tijdens een razzia op zoek naar in het openbaar lachende bewoners onder zijn leiding door het lokale vuurpeloton te worden geëxecuteerd, een maatregel waaraan ik voor mijn gevoel al meerdere malen nipt aan ben ontsnapt.
Het bezitten van een Nederlands paspoort kent soms ook enkele voordelen.
Steeds vaker trof ik in zijn tuin verschillende viervoeters aan waarop zich een tekenwedstrijd afspeelde, die in stilte wegkwijnden en waren vastgemaakt met een ketting van nauwelijks een meter aan een eveneens naar water smachtend kaal boompje, met als onderkomen voor Luca, want zo heten alle honden hier, de helft van een olievat. Het was een droevig tafereel dat kan ik u verzekeren.
Luca stiekem water en eten geven kon, maar dat werd door de despoot gezien als het van achter de linie clandestien leveren van rantsoen aan zijn krijgsgevangenen door de vermeende vijand, ik dus.
Het kon nog erger, bleek een paar maanden later.
  “Hè, ik ruik stront,” meldde mijn vrouw zonder dat ik daar aanleiding toe gegeven had.
  “Dat zal komen doordat Salazar, de buurman bedoel ik, kippen houdt.” was mijn antwoord. “Tussen kippen houden en van ze houden zit volgens de Nederlandse taal en de Partij voor de Dieren een wezenlijk verschil: het gebruik van een voorzetsel en de aanzet tot een liefdesverklaring.”
  “Dank je. Dit is geen hoenderuitwerpsel, dat ken ik,” antwoordde ze, bekend met mijn gevoel voor humor. “Ik kom van het platteland, punt. Dit ruikt anders, aromatischer.”
  “Aromatisch?” plaagde ik terug. “Toch niet met de wilde frisheid van limoenen? Die groeien hier ook.”
  “Ik weet het al weer,” snoof ze, mijn douceurtje negerend. “Dit komt uit een varken.”
  “Zou je denken?” zei ik. “Ze was vorige week toch nog op bezoek geweest, weet je dat niet meer?”
  “Ik bedoel een echt varken. Het komt van hiernaast.”
  “Een varken!” jubelden mijn zonen van negen, acht en vijf in koor.
  “Mogen we gaan kijken?”
Ze waren al weg voordat ik antwoord kon geven. Het ouderlijk gezag is waardeloos wanneer de natuur roept.
Binnen een minuut waren ze alledrie weer terug, ditmaal met betraande wangen en beteuterde gezichten.
  “Het mocht niet van de meneer die daar woont,” meldde de middelste, hun bij voor en tegenspoed gekozen woordvoerder. “Hij was heel boos en riep dat hij ons door de kop wilde schieten. Hij heeft een pistool.”
Nu is er een plek op Aarde die als uiterst gevaarlijk bekend staat en waarbij een vulkaan minder schadelijk is dan een pan hete soep: het gebied tussen een vader en zijn kinderen. Na onderzoek bleek het kwaad te schuilen in de fulminerende werking en aanwezigheid van de oudste zoon van de buurman, een dag en nacht lawaaierige en dronken man, in het dagelijks leven politieagent.
Ik heb niets met dronken politiemannen. Ook niet met deze. Hun bestaan zegt iets over hoe macht en het beheer daarover in deze wereld is geregeld, een meestal naar corruptie riekende cultuur die naast dat het de mijne niet is weinig uitnodigt tot het vriendelijk bejegenen van elkaar, iets wat ik nastreef.
Met op mijn netvlies het beeld van de drie Martelaren van Vilnenses en die van Guadelajara schoot ik, geheel tegen mijn zin uit mijn slof dat uiteindelijk resulteerde in de totale terugtrekking van alle zich buiten de linie gevestigde gelederen.
   ‘If you want a friend in Washington, get a dog,’ zei voormalig president Harry S. Truman ooit, en dat gaat ook op voor dit land met het verschil dat het de honden zijn die op zoek zijn naar een vriend. Bevriend raken met de lokale bevolking is daarom als het wachten bij een Chinese bushalte: de mogelijkheid bestaat dat ooit een bus zal arriveren. Of ik dan nog instap acht ik erg onzeker.

 

Vond je dit leuk? Doe de schrijver een plezier en klik een keer op de link van zijn sponsor. Zo blijven alle door hem gepubliceerde verhalen gratis beschikbaar! Alvast heel erg bedankt!

 

(sponsor)