WIJN MEESTER

Jaargang 2, aflevering 27, donderdag 30 maart 2017

 

 

 

 

WIJN MEESTER

 

Langs de schappen lopend in de plaatselijke drankenhandel viel mijn oog op een fles Vieux. Het weerzien met de jajem bracht een uitspraak van Louis, een oud-collega bij mij naar boven.
   ‘Vieux is de cognac voor degenen die zich geen Porsche kunnen veroorloven.’
De woorden voerden mij terug naar de tijd waarin mijn grootvader iedere zondag klokslag drie uur in de namiddag een tot aan de rand met de armeluisborrel gevuld kelkje naar binnen nipte en Porsches toen alleen waren voor mensen met geld die het daarbij ook nog eens lieten hángen. Bij hem hing alleen een tot binnenkomst uitnodigend touwtje uit de brievenbus, een geste waar je zeker niet rijk van wordt. Louis was dat ondanks zijn kennis van dit vuurwater dat in de volksmond dan ook ‘koetsiertje’ werd genoemd, evenmin.
Deze oud-werknemer van distilleerderij Hellebrekers geboren Delftenaar met een spichtig voorkomen en zijn gering postuur met glad, door middel van pommade steil achterover gestuct zwart haar waardoor hij wel iets van een kraai weghad, was in vaste dienst bij ‘meneer’ zoals de corpulente, met een op een blauwe aardbei lijkende snotkoker uitgeruste eigenaar van de drankenhandel waar ik in die tijd als hulpje was aangenomen aangesproken wenste te worden. Gestoken in een blauwe overall met een koppelriem van de verkennerij om zijn smalle middel, constant sabbelend op een donkerbruin peukje tussen de lippen, zwaaide Louis de scepter over zijn rijk dat zich uitstrekte tot over het magazijn, de spoelbakken, de etiketteermachines en de rijen eikenhouten fusten vol met in passende rust rijpende sherry, vieux, cognac, port, rode en witte wijn.
Naast dat Louis alles wist van geestverruimende liquide middelen in de orde der Spiritae en die kennis steeds als hij het proeflokaal voorbij liep met mij deelde, beheerste hij ook de fijne kneepjes van het houden van Cyprinidae, orde der Cypriniformes, beter bekend als zebravisjes. Dat bracht als effect met zich mee dat naarmate de werkdag verstreek hij zich steeds meer wijnmeester voelde, wij voor die dag beiden de wijn meester waren en onze gesprekken over het eerste streeploos overgingen in het laatste.
Drank verbroederd.
Zijn verstandhouding met de baas was die van voorganger tot parochiaan, wat zich op hete zomerse dagen uitte in de uitnodiging van meneer zelf om in zijn bijzijn, gezeten in zijn prieel achter de zaak een koel pijpje Grolsch te komen ‘kelen.’ Dat wij vanwege de weeromstuit ‘s morgens alvast met het kelen waren begonnen ontging de baas volledig wat jarenlang zo doorging tot aan diens overlijden zodat de tijd werd doorgebracht in een air van koel doch beneveld vakmanschap, een traditie waar ik mij als puber uitgerust met een chronische dorst uitstekend in kon vinden maar wat in beginsel grondig vloekte met het ‘In Vino Veritas’, de spreuk die hing boven de deur van het door ons courant bezochte proeflokaal.
Naast dat clandestiene proeven liepen mijn taken uiteen van spoelen en sorteren, het bottelen en handmatig kurken van flessen sherry, limonadesiroop en de ‘sjuu’ waarna de etiketten werden aangebracht op dezelfde manier zoals de voorouders van meneer dat in vroegere eeuwen pleegden te doen. Het kwam echter regelmatig voor dat na het proeven er geen kurken meer op sommige flessen gedaan hoefden te worden.
Afgezien van tegen de constante dranklucht die in de bottelarij hing ergens tegenaan leunen was strafbaar, wat gold voor zowel de torenhoog gestapelde dozen met dozijnen flessen drank als voor de muren van het onder monumentenzorg vallende pand zelf, een overtreding die ik eenmaal beging toen een muurtje in de tuin waartegen honderden lege flessen die nog een loden manchet hadden, instortte onder mijn gewicht.
  “‘T geeft niet,” bracht meneer naar voren toen hij van het gebeuren had gehoord. “Hij kon er niets aan doen. Dat muurtje stond er toch al sinds de veertiende eeuw.”
Onder de kandidaten van de zorg voor monumenten viel ook het vervoermiddel van de nering, een totaal doorgeroeste Bedford bestelwagen uit 1948. Gezeten naast de chauffeur bij het rondbrengen van de diverse bestellingen kwam ik onder het rijden handen tekort bij het bijeenhouden van het portier aan mijn kant. Politieagenten die de rochelende, roet kuchende bezienswaardigheid in beeld kregen wreven zich de handen met het voornemen het vehikel tot een onverbiddelijk halt te bewegen. Groot was mijn kater als de agent dan naar ons zwaaide in plaats van het geven van een flinke uitbrander en dito prent wat ervoor moest zorgen dat meneer gedwongen werd het wrak voorgoed af te danken. De teleurstelling groeide uit tot een nederlaag toen bij navraag het politiebureau een vaste klant bleek te zijn.
Ook Louis bezat humor, wat zich uitte in het op vermaledijde wijze aan de onderkant verstoppen van tijdens transport ontstane deuken in de vaten glucosestroop, het hoofdbestanddeel van zelfbereide limonadesiroop zodat bij het argeloos door mij losdraaien van de dop de deuk er dan uit schoot waarna ik in de erop volgende explosie veranderde in een transparante suikerspin. Onderweg op de brommer naar huis ving ik meer vliegen, bijen en hommels dan waar een fabrikant van vliegenstrips ooit van zou kunnen dromen.
   ‘Als we daar de heilige Franciscus van Assisi niet hebben! Dierenvriend en groot in het vangen van klein grut,’ riep mijn stiefvader bij het zien van mijn kleverige vermomming polemisch uit, mijn toch al aan slijtage onderhevige beeld van katholieke humor definitief versplinterend.
Ik besloot mij niets van zijn opmerking aan te trekken. Haagse esoterie en Brabantse wijsheid gaan nu eenmaal slecht samen.

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor, Bol.com te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

 

   

 

 

 

 

 

   

 

   

 

ROZETTENPRET

Jaargang 1, aflevering 26, donderdag 23 maart 2017

 

 

ROZETTENPRET

  “Kijk,” sprak stiefvader op een avond vanaf de bank in de richting van mijn moeder die net de kamer in kwam gelopen. “Dit is echt iets voor hém.”
Met hém bedoelde hij mij, dat via zijn huwelijk met haar door de zere strot geduwde jongetje dat hij sindsdien steevast met het persoonlijk voornaamwoord omschreef.
Wederkerig keken mijn moeder en ik op.
  “Wat is dat ‘iets’ voor hém dan wel?” wilde ze weten, intussen bezig de tafel af te ruimen. “De vorige keer moesten we met hém naar het ziekenhuis, weet je nog?”
  “Dat telt niet mee. Die vishaak kwam per ongeluk in zijn been terecht. Ik bedoel dít.”
Hij ging rechtop zitten en hield de met Haagsche Hopjes volgedrukte pagina van de Haagsche Courant voor haar neus. Er stond:


‘Nette hulp gevraagd voor de zaterdagen en de woensdagmiddag. Banketbakkerij Groenendijk, Soestdijkseplein 24 Den Haag. Tel. 070 …..’


  “Een uitgelezen kans,” vervolgde hij. “Dat iedere zaterdag zinloos op straat rondhangen moet maar eens afgelopen zijn.”
Ik schrok. De gewetensvrijheid van katholieke echtparen nam, ook toen al, gevaarlijke vormen aan en van banketbakken wist ik behalve het proefondervindelijk testen van deegwaren net zoveel af als van klompensnijden. Mijn werkervaring strekte zich uit tot het overeenkomstig de beginselen van het proletariaat verrichten van zuurbetaalde handenarbeid. Daaronder bevond zich het iedere vrije woensdagmiddag plaatsen van kleverige deegballetjes door een luikje van een machine op voorbij sjezende, gloeiendhete plankjes in een aan de Uilenbomen gevestigd stroopwafelfabriekje waarna er, o wonder, aan de andere kant op ‘traditionele en ambachtelijke’ wijze gebakken stroopwafels naar buiten kwamen.
Een andere bezigheid was het voor een fotoontwikkellaboratorium aan de Zoutkeetsingel op een steenworp van mijn huis per fiets door heel Den Haag met spoed rondbezorgen van bestellingen aan fotowinkels.
Voordat u nu begint te roepen dat hier sprake is van kinderarbeid zeg ik alvast maar dat het zo goed was. Ik deed die dingen om ze thuis -voorlopig- hun zin te geven maar vooral om ook buitenshuis iets te doen te hebben. Nu bracht ik vanwege de vele gaten in het dak waaronder ik sliep al meer uren buitenshuis door dan wie dan ook maar dit kon er volgens mijn ouders ook nog wel bij.
Gezellig was het wel, tussen al die duiven.
Na op het aangegeven adres langs te zijn geweest kon ik als ik wilde, diezelfde zaterdag om 5 uur ‘s morgens meteen beginnen. Dus toog ik, nieuwsgierig geworden naar de geheimen der patisserie die binnenkort voor mij zouden worden ontsluierd die dag in alle vroegte, gewapend met bij wijze van lunch twee krentenbollen per fiets naar de banketbakkerij waar toen ik er aankwam op dat moment juist een dikke blauwe walm via het raampje onder de etalage ontsnapte. Er was brand uitgebroken, meende ik, en wilde rechtsomkeer maken.
Gelukkig riep de bakker, de baas zelf, mij terug met de mededeling dat er geen sprake was van brand maar dat het zo hóórde. Hij was, volgens eigen zeggen, bezig met de bereiding van mokka, een zwarte, als pek ruikende en uitziende substantie. Binnen, in de onder de winkel gelegen bakkerij in een verstikkende atmosfeer ontwaarde ik tussen de rookwolken door nog meer mensen, naast de bazin mijn brandnieuwe collega’s John en Ludo, een illuster gezelschap van zich de longen uit het lijf hoestende plaaggeesten en twee zich tranen met tuiten huilende, met roodomrande ogen tussen de bakkerij en de winkel heen en weer snellende winkelmeisjes.
Al spoedig hoestte en huilde ik met ze mee, een teken dat de mokka klaar was en ik er al een beetje bij hoorde. Al een week later toog ik naar “De Werkman”, een winkel voor bedrijfskleding aan de Torenstraat pal naast ijssalon “Florencia” voor het passen van een blauwgeruite broek en wit bakkersjasje met overslag op de borst.
Mijn zaterdagse taak bestond onder meer uit het mijzelf kastijden. Daaronder was het ‘in de olie draaien’ van hele hazelnoten door middel van een de eeuwen trotserende amandelpers waar mijn vingers precies tussen pasten, het “wellen” der amandelen in gereedstaande bakken kokendheet water om ze naast mijn eigen huid van hun bruine velletjes te ontdoen, het branden van mijn handen tijdens het kletskoppen rapen en het invetten van valmessen die als bakplaten werden gebruikt. Daarnaast deed ik boodschappen en verrichte ik vele opruim- en schoonmaakwerkzaamheden. Ook werd ik met grote regelmaat gevraagd om als proefkonijn te fungeren, wat rond pasen uitmondde in het mogen aanwijzen van het enige echte ei dat de baas tussen de nep eieren van marsepein had verstopt.
Daarin slaagde ik nooit, tot groot plezier van de bakker bij het zien van mijn beteuterde gezicht wanneer ik mij weer eens door hem had laten foppen. De man was een perfectionist zo begreep ik, wat nog eens bewezen werd door zijn eis aan de groentenboer om de hoek waar hij wekelijks zijn goudreinetten van betrok. Iedere appel hoorde volgens het principe van de Gulden Snede te zijn volgroeid en als gevolg daarvan te zijn voorzien van een volkomen recht door het middelpunt lopend klokhuis.
Ook bakkers moeten het bij Moeder Natuur ontgelden.
Woedend was hij, wanneer ik dan terugkeerde met een lading appels waarvan er een niet deugde. Niet op mij, want ik kon wegens grote inzet en aantoonbare betrouwbaarheid geen kwaad meer bij hem doen, evenmin bij de twee bakkers zelf die zich uitsloofden om mij, de jongste gezel naar de zin te maken wat ik door middel van hun grappen en grollen zeer wist te waarderen.
Melig geworden door het in het rond stuivende bloem openden wij wanneer er weinig te doen was het bovenlicht dat uitzicht gaf op de schoenen van het zich aan de in de etalage uitgestalde waren vergapende publiek die wij met de spuitzak voorzagen van eetbare versiersels. Groot was onze pret bij de verkneukelende gedachte dat wanneer ze thuis kwamen er een roze, bruin, geel of wit gekleurd rozetje op hun schoenen prijkte wat net zolang duurde totdat de bakker er lucht van kreeg.
Dat John en Ludo niet vies waren van het plaatsen van een scherts of mij in het ootje nemen bleek op de dag vlak voor ‘het heerlijk avondje’ zou aanbreken.
‘Er is feest vanavond bij mij thuis. We vieren Sinterklaas.’ liet John, de blonde van de twee, een plaaggeest van twee meter terloops weten onder het geven van een vette knipoog aan Ludo die ik miste.   ‘Het wordt erg gezellig en de meisjes zijn er ook. Kom maar om een uur of zeven.’
Naïef, maar ook omdat ik stiekem een beetje verliefd was op een van de twee winkelmeisjes toog ik om tien voor zeven ‘s avonds met gekamde haren, strak in het pak, een zweem van Old Spice achter mij latend zo hard ik kon per fiets naar zijn woning, een door hem opgegeven adres in een portiekwoning aan de Fahrenheitstraat waar ik aanbelde.
‘Ik kom voor het Sinterklaasfeest!’ riep ik overlopend van plezier, denkend aan wat voor geneugte mij te wachten stond.
‘Feest? Er is helemaal geen feest,’ meldde John bovenaan de eerste etage, zichtbaar verrast door mijn verschijning in het trapportaal.
Het duurde even voordat wat er moest zijn gebeurd tot hem doordrong.
‘Het sinterklaasfeest… Sorry. Het was een grap.’
Volkomen aangeslagen reed ik terug naar huis.
‘Het was maar een grap,’ meldde ik bij binnenkomst.
‘Een grap,’ herhaalde mijn moeder. ‘Zo kan ik het ook. Fijne collega’s heb jij.’
De volgende dag zag ik aan het gezicht van John dat er iets bij hem broeide. Onder het gevulde koeken steken hield hij het blijkbaar niet meer uit en toverde toen ik even niet keek snel een in sinterklaaspapier verpakt doosje neer op de werkbank.
‘Nog vanwege gisteravond,’ kwam er stroefjes uit. ‘Namens ons, en de meisjes.’
Die avond reed ik moe en een beetje ontdaan naar huis met onder mijn snelbinders een doos met daarin een kerstkrans van honderd procent roomboter en amandelspijs voor mijn moeder, in mijn zak een cadeautje voor mijzelf en in mijn hoofd de zekerheid dat het wel goed komt, met de bakkers.

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsors te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar (Ben spaart voor een deur in de WC)! Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

   

 

   

 

 

 

  

   

   

 

VROLIJK BLIJVEN

Jaargang 2, aflevering 25, donderdag 16 maart 2017

 

 

VROLIJK BLIJVEN

 

Op een kille zondag in maart per fiets het Westland doorkruisend joeg de ijzige wind mij, bevangen door wat zich nog het best laat beschrijven als harteloos hemelwater een langs de duinweg, enigszins verloren gelegen café in. Bij mijn binnenkomst scheen ik de enige gast van het etablissement te zijn want de uitbater, een vadsige, op een koeiige manier kijkende man die als een reclame uiting op hem van toepassing was het die van ‘doorregen runderlappen: zes euro vijfennegentig per kilo’ zou zijn, richtte zich rechtstreeks tot mij.
  “Zat u in die bui van daarnet?” vroeg hij loom, bezig glazen te poetsen intussen mijn doorweekte kleding van top tot teen bekijkend. “Dat had u vooraf kunnen weten. Het is ten slotte nog maar maart.”
Uit de ouderwetse radio op een plank achter hem klonk het nummer ‘Op een mooie pinksterdag.’ Kennelijk wist Annie M.G. Schmidt van mijn veel te enthousiaste fietsplan.
Het was er warm en er hing de muffe geur van sigarenrook, leesportefeuilles en zelfgebakken appeltaart die mij in gedachten terug voerde naar een tijd van vrolijke logeerpartijtjes bij tante Truus en ome Jan bij wie ik tot mijn deportatie op mijn achtste naar andere oorden de zomervakanties doorbracht.
   “Het is brengen en halen vandaag,” sprak hij op de toon van een fruitverkoper die doorhad dat zijn waren rot was en er zo snel mogelijk vanaf wilde wezen. “Dus blijven de mensen binnen en sta ik hier voor niks.”
Opeens scheen hij zich iets te herinneren.
  “Op u na dan, natuurlijk. Wat mag het zijn?”
Ik bestelde een koffie en een uitsmijter met ham waarna ik in afwachting van hetgeen hij zou brengen plaats nam aan een tafeltje naast het raam waar ik nog net zag hoe buiten een heel mooi meisje van een jaar of negentien, twintig, op een omafiets haar best deed er op te blijven zitten en tegelijk zichzelf en een klein wit hondje dat ze grotendeels achter haar veel te korte jasje verborgen hield tegen de volgende hemelse lading probeerde te beschermen.
  “Da’s er een van Boelens,” verklaarde hij zonder dat ik erom vroeg. “Ze is lesbisch. Niks mis mee, maar moet je dat kind nou zien gáán. Ze sterft het af van de kou maar zich er warm op kleden, ho maar.”
De zin deed mij denken aan een uitspraak van Jan Wolkers. ‘Ze is zo lesbisch, die koopt geen onderbroekjes in de HEMA omdat ze vlak bij de warme worst liggen.”
  “Dat zie je tegenwoordig trouwens steeds vaker,” ging de waard verder. “Ze lopen erbij in kleren die ze bij het Leger des Heils nog niet eens willen hebben. Mode noemen ze dat dan. Vroeger stak je eerst een hand buiten het raam voor je ergens heen ging, of je luisterde naar Hilversum 1 met ‘s ochtends vroeg de weersverwachting voor land- en tuinbouw. Dan wist je voor de hele dag waar je aan toe was en als je het dan helemaal precies wilde weten luisterde je ook nog naar de waterstanden voor de binnenscheepvaart. ‘Delfzijl: honderddrieënzestig,’ en dan wachtte de omroeper even. ‘Min negen!’ zei die dan, of een ander getal maar meestal zat ik er niet ver naast. Wanneer je dan hoorde dat het veer AnnaJacobapolder-Zijpe uit de vaart was dan waren de rapen gaar en kon je storm verwachten.”
Omdat ik mij die berichten wel kon herinneren en het overeenkomstig mijn kop weinig zin had te doen alsof ik van ná hem ben knikte ik maar eens.
  “U is niet van hier, toch?” vervolgde hij. “Ikzelf eerlijk gezegd eigenlijk ook niet maar woon hier wat komt door mijn eerste vrouw, die is in dit dorp geboren. Ze is nu al weer jaren dood. Toen alles achter de rug was had ik weg kunnen gaan maar dat deed ik niet en ben blijven hangen. Slap misschien van me, maar ik wist zo effe gauw niks anders. Gek, vind u niet?”
Ik antwoordde dat we allemaal wel eens iets doen dat niet strookt met de lijn der verwachting maar dat het lot soms ontaardde in iets waarvan je later kon zeggen dat het zo had moeten zijn.
  “Wat u zegt,” beaamde hij. “Ik kón wel, maar iets van binnen hield me tegen. Kijk: ik was gek op haar en we hadden het hier goed samen, dat geef je niet zomaar op. Bovendien, door haar werd ik uiteindelijk geaccepteerd in het dorp. Een Westlander wordt je niet zomaar. Van oorsprong kom ik namelijk uit Den Haag. Ik werkte daar als fietsenstallingbeheerder op het Buitenhof, daar neergezet via een project van de gemeente. Niks bijzonders maar het was tenminste wérk wat toen schaars was. Iedere dag om stipt half negen kwam ze langs om haar fiets bij mij neer te zetten, behalve op haar vrije dag en op zondag natuurlijk. Ze werkte als verkoopster bij de Maison de Bonneterie, vandaar. Die dagen vond ik op het laatst stomvervelend wat natuurlijk kwam doordat ik haar op een gegeven moment miste, zo kwam ik erachter. Zoals ze daar kwam aangereden met haar duffelse groene houtje-touwtje jas, een baretje op haar blonde haren, altijd vrolijk en zonder scrupules -ik was tenslotte maar een fietsenbeheerder- maakte ze zonder het te weten jarenlang mijn dag. Om eens wat terug te doen en om de tijd te doden begon ik tussendoor haar fiets op te knappen. Gewoon, voor de gein. Een likje verf hier en daar, het chroom oppoetsen tot je op het laatst je haar erin kon kammen, de jasbeschermers vervangen en dat soort dingen. Dat waardeerde ze. Uiteindelijk kwam het tot een afspraakje. We zijn toen naar de film gegaan. ‘The Wild ones’, met Peter Fonda erin, dat herinner ik me nog steeds. Gek hé?”
Er trad nu een jongen binnen met een opmerkelijk klein en tenger postuur, ik schatte hem een jaar of zestien. Hij droeg zijn haar kort geknipt en had opvallend wijd uitstaande oren. In zijn ogen lag, toen hij mij zag zitten, een zeer onbevangen blik waarvan het een zonde zou zijn tegen hem te zeggen dat het allemaal wel iets minder kon. Zoiets laat je normaal gesproken uit je hoofd. Privé-feestjes verstjeer je niet.
   “Een flesje Coca cola en een zakje chips. Páprika,” zei hij bij wijze van bestelling.
De waard leunde tot voorin de koelvitrine waarna de jongen afrekende en weer verdween met dezelfde ‘ik weet wat jullie denken maar dat kan me niks bommen,’ uitstraling.
  “De jeugd, ik ken ze allemaal bij naam en toenaam,” ging hij verder, de jongen nastarend. “Hun vaders, hun moeders, en als het even tegenzit ook hun opa’s en oma’s maar dat worden er steeds minder naarmate ik zelf ouder word. Het sterft hier van de Jeroenen en de Patrick’s, de Marja’s en de Moniques. Ik heb ze regelmatig over de vloer voor sigaretten, flesjes prik en snoep. Niet gezond maar het levert wel wat op. En wat hebben ze nou tegenwoordig, de jeugd bedoel ik te zeggen? Leren tot je een ons weegt en dan het leger in, of achter de kinderwagen. Nee, geef mij vroeger maar, ook al had ik toen vrijwel niks te makken. Je wist tenminste waar je aan toe was, kom daar tegenwoordig nog maar eens om! Je had contact met je medemens ook al wilde je er wel eens een verrot slaan als je ruzie had, of je werd zelf in mekaar geramd. Dat verlies pakte je gewoon. Nu rennen ze gelijk naar hun advocaat en sta je voor je het weet in het bankje waarna je tot een schadevergoeding wordt veroordeeld. Een laffe oplossing voor een oeroud maar simpel probleem.”
Mijn blik gleed naar zijn handen. Twee kolenschoppen met daarin een frêle glaasje.
  “Het bleef niet bij dat eerste afspraakje,” sprak hij verder. “Het werd dansen in de Marathon, film kijken en na afloop friet eten bij Willy’s op de Herengracht waarna ik haar naar huis bracht, op de fiets natuurlijk. Een klere-eind maar dat deed je gewoon, gek he?”
De deur ging weer open waarna het mooie meisje binnentrad, doornat en ditmaal zonder het hondje maar wel met een veel langer, minder mooi meisje dat dicht naast haar kwam staan.
  “Hebbie ook iets warms?” vroeg ze. “Ik leg het zowat af.”
Ik legde het verschuldigde bedrag op tafel en knoopte mijn jas extra goed dicht. Bij het naar buiten treden zei een stem op de radio ‘…we kunnen er beter vrolijk onder blijven want we moeten nog zo lang.’
Annie M.G. Schmidt was slechtziend, maar een vooruitziende blik: die had ze.

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver dan een plezier, deel dit verhaal met anderen en klik een keer op de link van zijn sponsor. Zo blijven alle door hem gepubliceerde verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt!

 

 

 

WAKKER

Jaargang 2, aflevering 24, donderdag 9 maart 2017

 

 

 

 

WAKKER

 

Omdat het donker is en nog veel te vroeg is om nu al op te staan lig ik nog steeds onder de dekens.
Na onder het mom van werk veertig jaar lang de sponde op de meest onchristelijke uren te hebben moeten verlaten hoef ik sinds kort niet meer zo nodig. Buitenlandse inmenging in nationale aangelegenheden zoals het leveren van arbeid door niet-Portugezen wordt in dit land beschouwd als verraad aan het proletariaat en bovendien wees niets in mijn omgeving op acuut ineenstorten, overstromen of ontploffen, voor mij de bevestiging dat zelfs hier de dingen gewoon doorgaan. Dat geeft op dit jonge uur te denken, vooral omdat ik het nog steeds als een wereldwonder beschouw dat sommige vanzelfsprekendheden ook zonder mijn bemoeienis blijken te kunnen. Daaronder valt het huisvuil dat hier een keer per week ‘s nachts op mirakelse wijze verdwijnt, hoe het elektriciteitsbedrijf meent te kunnen hardmaken dat de meter het getal 28074 in plaats van 28047 aangeeft, en de buurvrouw haar afgedankte ondergoed waaronder een slipje met kindermaat 164 voorzien van tijgerprint ter donatie aan eventueel geïnteresseerde voorbijgangers op het muurtje naast de vuilniscontainers aanbiedt.
Nog steeds diep in slaap steek ik onbewust af en toe een voet buiten het bed, voor mij met mijn lengte van twee meter en elf centimeter onvermijdelijk vanwege de net te korte, tot iets boven mijn navel reikende dekbedovertrekken van de HEMA maar voor Bono, een met hondenhaar bedekt ongeleid projectiel het niet te versmaden signaal dat wat hem betreft de dag mag aanvangen. Dat doet hij volgens zijn vaste ritueel door op het bed te springen en het uitdelen van gratis likken aan iedereen die zich op dat ogenblik binnen zijn actieradius bevindt
Klaarwakker door zijn capriolen ga ik op de rand van het bed zitten om op mijn gemak de acceptatiebeginselen van weer een nieuwe dag in ogenschouw te nemen.
  “Wat had jij nou vannacht,” wordt mij door mijn vrouw vanaf de andere kant toegeworpen. “Je ging tekeer als een beest.”
Nu moet ik u teleurstellen. Waar u nu aan denkt dat is het niet. Voor bestiale liefdesuitingen verwijs ik u naar het consumeren van voor dat doel meer geschikte blaadjes.
  “Hoezo?” vraag ik zo luchtig mogelijk, want ik meen de onschuld in pacht te hebben. “Dit keer sliep ik voor de verandering eens door. Daarnaast: je bent getrouwd met een schrijver, weet je nog? Die kennen net als dolfijnen geen vast dag-nacht ritme. Wist je dat die beesten beurtelings hun linker- en rechter hersenhelft kunnen laten slapen? Naar zoiets zoek ik al jaren.”
   “Zal wel. Jij was daarnet anders weer vreselijk aan het voetballen. Had je een nachtmerrie?”
Nu heb ik een hekel aan voetballen maar niet aan nachtmerries. Die zijn vaak een bron van inspiratie.
  “Volgens mij niet, en voetballen valt in mijn geval per definitie af,” zeg ik, denkend aan de uitspraak ‘Twee bassisten op hetzelfde podium zijn samen een nachtmerrie,’ gedaan door iemand wiens naam mij niet te binnen wil schieten.
“Ik moet dus over iets anders hebben gedroomd, fietsen is waarschijnlijker, dat vind ik leuk. Deed het zeer?”
  “Bij mij dit keer niet. Ik kon op tijd dekking zoeken. Voor meer details verwijs ik je door naar de hond. Die kreeg een paar keer een oplawaai. Ik denk dat je hem zijn excuses moet aanbieden.”
Met de plechtige belofte aan mijzelf dat vandaag vooral te zullen doen sta ik op.
  “Heb je pleisters?” vraag ik zittend aan de keukentafel nadat ik verbaasd de achterkant van mijn been heb bekeken waarop een aantal schrammen en krassen zichtbaar zijn die er daarvoor nog niet zaten. “Ik heb mijzelf ergens aan opengehaald al kan ik mij bij God niet herinneren waaraan.”
  “Hondentanden misschien?” zegt ze, een doosje voor mij neerleggend. “Deze zijn waterafstotend.”
  “Onwaarschijnlijk,” luidt mijn antwoord. “Ik vermoed eerder een vangrail, of een scherp onderdeel van een fiets waar ik tijdens mijn droom op terecht moet zijn gekomen. Ik herinner mij tijdens een klim namelijk een massale valpartij. Ik lag op kop van het peloton tot de soigneur mij plotseling een natte spons in het gezicht duwde zodat ik ten val kwam.”
  “Jij bent gek.”
  “Mag ik je er dan aan herinneren dat je mij onder die conditie als echtgenoot hebt gekozen? Ik weet van een geval waarin de vrouw haar man om dezelfde aanklacht in een muur ingemetseld heeft. Pas na tien jaar vonden ze hem weer, met een krankzinnige grijns op zijn gezicht. Ze kreeg levenslang.”
  “Dan mag je wel oppassen,” zei ze. “Ik kan metselen.”
  “Da’s waar,” geef ik eerlijk toe. Getrouwd zijn met de dochter van een metselaar heeft zekere voor, maar ook enkele gevaarlijke nadelen.
Omdat ik vind dat je als vent niet moet zeuren over een paar schrammen geef ik het werk in de tuin van de dag ervoor de schuld, een plek waar het wemelt van de uitsteeksels.
  “Moet je een schaar?” vraagt ze, een vraag waarvan ze weet dat het zinloos is hem te stellen want ik behoor tot het soort mens dat splinters uit zijn huid verwijder met een Stanley mes en overtollig eelt verwijder met een houtrasp uit de altijd gereedstaande, hoe kan het ook anders, gereedschapskist.
 “Laat maar,” is haar reactie bij het zien van de malicieuze uitdrukking op mijn ochtendgezicht. “Ik kan net zo goed aan de hond vragen of hij voor mij wilt stofzuigen.”
  “Doe dat,” stel ik voor. “En stuur hem als hij daarmee klaar is maar meteen door naar mij. We gaan naar buiten. Wakker worden.”

 

Vond je dit leuk? Doe de schrijver een plezier en klik een keer op de link van zijn sponsor. Zo blijven alle door hem gepubliceerde verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt!

      

 

  

 

   

 

 

 

 

 

KOP

Jaargang 2, aflevering 23, donderdag 2 maart 2017

 

 

KOP

 

Ik zat nog maar net op mijn kruk in een bekend café aan de Haagse Kazernestraat toen een grote man met een geruit petje binnen kwam lopen en met veel omhaal naast mij plaats nam. Zijn tred was onvast en hij bezat het aplomb van iemand die gewend was in de melk méé te brokkelen maar door om redenen van efficiency gehouden reorganisatieronden de lol van werken was ontgaan. Door hem moest ik denken aan de uitspraak van Maarten Luther ‘De wereld is als een dronken boer; tilt men hem aan de ene kant in het zadel, dan valt hij er aan de andere kant weer af.’
Mij aankijkend met de meest vermoeide ogen die ik ooit heb gezien zette hij er een gezicht bij alsof hij dat van mij ergens van meende te herinneren. Alles in zijn houding zei: ‘eindelijk een bekende waar ik weer eens lekker tegenaan kan zeiken.’
Nu heb ik van nature iets tegen mensen die denken mij daarvoor te kunnen gebruiken, maar déze kon het niet helpen. Drank verbroederd.
  “Ik wil niet onbeleefd zijn,” sprak hij met een gemarineerd stemgeluid. “Maar ik meen u ergens van te kunnen kennen, al zegt dat nog steeds niets want ik ben tegenwoordig ontzettend vergeetachtig. Nou ja, ontzéttend: verstróóid, zeg maar.”
Ik maakte een wegwerpgebaar waarmee ik aan wilde geven dat er wat mij betreft nog steeds geen man overboord was geslagen.
  “Niks zeggen,” haastte hij zich. “Ik kom er nog wel op. Geef me tien minuten en ik weet u haarscherp te plaatsen. Henk, doe mij maar een wodka-sjuu!”
  “Vorige week nog, ik zie ‘t zo weer voor me,” vervolgde hij na het nemen van een ferme slok. “Sta ik op de parkeerplaats voor de flat mijn auto te wassen. Dat doe ik altijd zelf want ik vertrouw geen robot met een borstelkop, komt er een vreemde vent langs op een knalrode brommer met zo’n spacehelm. Hij stopt, zet zijn schuifpui in de hoogste stand en zegt tegen mij: ‘als je hulp nodig hebt, zeg het dan tegen mij dan roep ik even iemand.’
Vond-ie kennelijk leuk, die opmerking. Maar ik vond hem helemaal niet lollig en reageer er dus niet op. Begint hij op mij af te geven dat het niet normaal meer is, onder meer dat als ik het echt goed wil doen de uitlaat van binnen ook hoor te stofzuigen en de kop een nachtje in de azijn moet laten weken! En ik kende hem niet eens! Maar omdat hij ervoor zorgde dat ik mijn goede humeur aan het verliezen was kon ik het niet nalaten wat terug te zeggen. Weet u wat ik zei? Dat ik zijn kop wel eens even in zijn uitlaat zou steken. Nou, had je die kop, de zijne bedoel ik dan, moeten zien. ‘Hohoho, tututut, begon hij. Ik ben het maar.’ Maar ik was woest en had met me leipe kop nog steeds niks de gaten. Ik zei: ik ken je niet man. Lazer dus op voor ik dat stuk schroot om je heen vouw. Roept-ie: stop! ik ben het, je collega Louis. ‘T was maar een geintje.’ Ik moest drie keer kijken voor ik zag dat hij het was!
Kijk, dat is het gevaar met die ruimtevaarthelmen waar ze tegenwoordig mee rondrijden. Onherkenbaar! En ik ben normaal gesproken helemaal geen tiep dat alles en iedereen maar gelijk in mekaar wil tieften. Integendeel. Maar er is tegenwoordig zóóóóóveel dat je moet onthouden en van je verwacht wordt dat ook nog te kunnen, begrijpt u? Wachtwoorden, pinpasnummers, verjaardagen van je hele familie want doe je dat niet dan heb je gelijk de grootste heibel, gezichten, namen, enzovoort. Voor de meeste dingen heb ik iets gevonden: alles dat ik niet ergens op kan zoeken of na kan trekken vergeet ik. Expres.”
Hij trok er een gezicht bij als een klein kind dat bij afwezigheid van moeder uit de koekjestrommel had weten te blijven en daar nu voor beloond wilde worden.
  “De hele santekraam aan dingen die ik in mijn hele leven lang in mijn kop mee heb lopen zeulen heb ik van de ene op de andere dag zo, hop, uit mijn botte harses geflikkerd,” vervolgde hij, “en dat was niet zo’n klein beetje. Sindsdien loop ik erbij als een leeg schoolbord in de zomervakantie.”

  “Maar hoe doet u dat dan als u een verjaardag hebt die u niet mag missen, vroeg ik.”
  “Dan kijk ik op Facebook. Dat zegt mij netjes van tevoren wanneer er een verjaardag aan zit te komen. Werkt perfect. Ik heb nog maar één wachtwoord voor alles en maar één bankrekening, meer niet. De rest hoef ik niet meer te onthouden, behalve dan gezichten, daar heb ik nog steeds problemen mee. Die zeggen me vaak niets. Ze brengen me steeds vaker in de problemen. Het overkomt me dan ook regelmatig dat ik de verkeerde voor me heb. Vooral als iemand die ik op Facebook heb zijn eigen smoel er niet bij wil zetten, maar in plaats daarvan een foto gebruikt van de kop van zijn hond of van iets anders, een paard of een kat. Maar het heet toch ‘Facebook?’”
Ik zei hem dat hij wat dat betreft daar gelijk in had, een antwoord waar hij genoegen mee nam.
  “En u bent… Nou ben ik het weer kwijt,” sprak hij na diep te hebben nagedacht vertwijfeld. “Maar komen zal het, al is het straks in mijn bed, nondeju!”
Omdat ik hem uit zijn lijden wilde helpen deed ik mijn mond open om hem het raadsel te verklappen maar hij was mij weer voor.
  “Dus sta ik op de verjaardag van een zwager in plaats van zijn kleindochter haar vriendinnetje af te zemen. Had je die gezichten moeten zien! Maar ik kon het niet helpen. Ze zat wel op Facebook maar met een foto van een lieveheersbeestje. Ja hallo!”
Uit balorigheid nam hij een extra grote slok.
  “Nee, met gezichten heb ik niks, maar geef mij een naam en ik weet alles van je. En weet u wat ik nou zo gek vind? Dat het niets uitmaakt of het een buitenlander is of niet. De meeste moeite heb ik met Chinezen. Dat komt vanwege mijn werk bij de gemeente. Ik bezoek restaurants en winkels, dus ook bij hun. Loop ik gisteren door de Wagenstraat, komt er eentje naar mij toe en geeft me een hand.
“Tjingtjong!” zegt-ie, en begint te lachen. Ik meelachen natuurlijk want je weet van te voren nooit wie het is en ik al helemaal niet. Voor hetzelfde geld is het een eigenaar van zo’n toko. Later bleek het dus inderdaad de eigenaar te zijn van een supermarkt waar ik de week ervoor nog was geweest om een verbouwing goed te keuren. Een week! Het rare is dat die badgasten allemaal op elkaar lijken. Als ik naar u kijk zie ik iemand. U lacht: goed, dan lacht u. Dat zie ik. U huilt: dat zie ik ook. U kijkt boos als u boos bent of voor mijn part doet u helemaal niks, maar ik zie nog steeds aan uw kop, pardon hoofd, dat u het bent. Maar geef me een Chinees en ik wordt gek. Dat is toch raar?”
  “Och, raar is het woord niet,” gaf ik als antwoord. “U hebt zelfs een beetje gelijk. Wij gebruiken onze gezichtsspieren een beetje anders, vermoed ik.”
Mijn antwoord op een gouden schaaltje afwegend schoof hij na een minuut of tien van zijn kruk af, betaalde voor zijn consumptie en wankelde naar de deur waar hij zich omdraaide.
  “Ik weet het weer,” sprak hij lallend. “Die kop vergeet ik van ze lang zal ze leven nie. U bent Wim de Bie!”
Ik heb het maar zo gelaten.

 

Vond je dit leuk? Doe de schrijver een plezier en klik een keer op de link van zijn sponsor. Zo blijven alle door hem gepubliceerde verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt!