KASIHAN, HET IS VOORBIJ

Jaargang 2, aflevering 34, donderdag 27 april 2017

 

 

 

 

KASIHAN, HET IS VOORBIJ

                                                                                                                                                               voor Wieteke

 

Door de Hoogstraat struinend, voornemens een bezoek te brengen aan het Lange Voorhout sloeg ik ter hoogte van de Kloosterkerk, ooit paardenstal en kanonnengieterij, een smal straatje in en kwam uit op de Kneuterdijk waar ik het daar gevestigde Indonesische restaurant passeerde. Omdat ik er vroeger wel vaker kwam besloot ik om de sfeer van weleer te proeven naar binnen te gaan waarna ik tot mijn blijdschap constateerde dat er door de tijd heen vrijwel niets was veranderd.
Ik nam plaats naast het immense raam waar ik een goed overzicht had op de zaak en haar veelal oudere clientèle.
Mijn timing bleek perfect. De atmosfeer die er hing bestond uit een lumineuze melange van tempo doeloe en adat, wat nog eens werd versterkt door de convenabele aanwezigheid van twee levendig kwetterende dames van ergens in de zestig, voorzien van een onwrikbaar Oosters patina en waren aan hun kruidige spraak te horen, beiden afkomstig uit de Gordel van Smaragd.
  “Meis,” hoorde ik de oudste van de twee met iets te zwart, in een knotje opgestoken geverfd haar in een knapperig soort Nederlands zeggen, “Neem het zoals het is. Je kunt niet alles terug willen halen. Het is voorbij, kasihan. Je gevoelens opkroppen helpt niet. Ga naar Suus. Die is hélderziend. Vraag of ze iets voor je kan doen.”
De ander, een vrouw met een tot het in de war maken uitnodigend, uit de jaren zestig geïmporteerd kapsel trok haar mondhoeken naar beneden en maakte daarbij een smakkend geluid.
  “He-eh, die sombong zeker. Ik brand zelf wel wierook als ik daar behoefte aan heb. De rest hoef ik niet. Ik geloof niet meer in de blanke God. Het is zo juju, zo oneerlijk. Ayah dood, ibu dood. Ayah heeft niet eens meer kunnen genieten van zijn pensiun. Zijn hele leven werkte hij voor die toko die niet eens van hem was maar waar hij wel de meeste energie in stak, sialan!”
  “De lampénwinkel? Maar die was toch failliet?”
  “Was, he-eh. Ayah heeft die Belanda zijn kont gered, wist je dat niet? Al zijn spaarcentjes zaten erin. De Belanda moest zonodig uitbreiden. Ja, zijn eigen toko thuis. En ayah maar doneren en werken terwijl hij eigenlijk niet meer hoefde! Nog geen maand daarna overleed ibu opeens. Long-tu-ber-cu-lo-se goddorie! Twee dagen voor ze dood ging waste ik nog met de botol cebok haar kont. Ik kreeg geen tijd om er bij stil te staan. En toen ayah. Waarom moest hij nog geen drie maanden na zijn pensiun er zonodig tussen uit knijpen? Hij had nog zoveel plannen en wilde nog een keer terug naar Soerabaja, de Kelenteng Sanggar Agung bezoeken. Daar kwam hij altijd met nenek.“
Na een miniem, lichtgroen slokje uit het glas voor haar te hebben genomen sprak ze verder.
  “Maar ik klaag niet. Hoor je mij klagen? Zonder hun is het zo zinloos allemaal. Paskah, kerst. Ze mogen ze van mij stelen. Het zien van de Jumbo reclame met al die uitvreters maakt mij ziek.”
  “Maar je kunt het toch proberen, met Suus?”
  “Nee, van mij krijgen ze de rust die ze verdienen. Salam terakhir!”
  “Kijk,” vervolgde Meis, luidruchtig haar vingers knakkend. “Ik deel alles met iedereen, stel me altijd bescheiden op en houd mijn mening over anderen voor mijzelf ook al heb ik laten we zeggen een paar schatten in de familie die erom vragen. Ik kook drie keer per dag warm voor Rudi, vaak veel te veel. Dat ligt aan mij, ik weet het. Ik kan alleen maar aan makanan denken, dag en nacht. Maar als ik dan in mijn tempat tidur lig denk ik steeds hoe het is gegaan en wat ik nog samen met ze had willen doen dan word ik boos, nog niet eens droef. Is dat raar?”
Zonder op antwoord te wachten opende ze met een sierlijke zwaai de menukaart.
  “Wat neem jij Pats? Ik ga voor de Nasi Uduk met Abon Sapi. Staat niet op de kaart maar ik fiks wel bij de kok.”
Pats zat er nog steeds met een bedenkelijk ‘hidung pèsèt’ gezicht bij.
  “De Mankok Nasi Koening lijkt me wel iets. Dat hebben ze ook in végetarisch.”
  “Vágeterisch? Jij? Sinds wanneer? Is je soesoehunan soms vegetaar?”
Pats schudde haar hoofd. “Nee. Ik alleen. Hij eet alles, gelukkig. Wel extra sambal door de hutspot, knoflof in de erwtensoep met rijst. Alles wat ik kook vind hij smakeloos als er geen sambal door zit. En drie keer opscheppen! Ik zeg wel eens dat hij moet minderen maar daar trekt hij zich niks van aan, de kendeng. Ik drink ook geen melk. Deed ik nooit trouwens. Dat vind ik niet horen. Maar ik vind het wel best zo. Hij doet zo lekker pitjit en kerreh op mijn rug als ik weer eens vastzit van achteren.”
  “Bofferd.”
  “Mijn rug bedoel ik, tollol. Begrijp mij niet verkeerd. Eddie houdt er niet van als ik over hem roddel. Dan wordt hij boos.”
  “Wat doet-ie dan?”
  “Pesterijtjes. Je weet wel. Schoenen aanhouden in huis, kretek roken in bed, mijn guling verstoppen. Die vond ik laatst terug in de garage. Dat is zijn manier. Niet echt boos maar wel sombong hebben snap je.”
Het gezicht van Meis verdween in een diepe rimpel.
  “Ik ken dat. Als het tegenzit duurt het maanden voor we weer goed zijn. ‘Jam-karet’ weetje. Dan verstop ik zijn kajaput-olie of zijn congklat hout. Dan moet je hem horen! Wat drink jij? Bier smaakt mij het best bij de nasi.”
  “Ik ga met je mee. Dus twee bir bintang.”
Met haar zwaar met goud beringde duim wenkte Meis de ober.
  “Een Nasi Uduk apehaar. Doe maar extra. Ik eet al een week beras-boontjes. En jij?”
  “Doe maar enkel een Telor Madoera vegetarisch, met extra katjang saus,” knipoogde Pats  naar de ober, een met een javaans hoofddeksel uitgeruste jongeman. “Dat eten we nooit. Eddie haat katjang. Hij is zo… lembut-lembut.”
Na mijn koffie te hebben afgerekend begaf ik mij naar buiten waar ik nog eenmaal omkeek naar het raam waarachter de twee nog altijd geanimeerd voortkeuvelden en dacht in stilte even aan Eddie en zijn lembut-lembut zijn. Nou heb ik gelukkig geen last van jaloezie en ben de laatste die er nieuwsgierig naar is maar zou Rudi ook pitjit en kerreh bij Pats doen?

 

—  

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor, Bol.com te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!


    

 

HET LOODJE

Jaargang 2, aflevering 36, donderdag 11 mei 2017

 

 

 

 

HET LOODJE

 

Lopend door de Grote Marktstraat langs de etalages van een van oudsher gevestigd kledingwarenhuis kwam ik voorbij een groepje mensen dat daar stond. Verkondigers van het ware Woord Gods, vermoedde ik.
Nog steeds niets aan de hand zou je denken maar omdat het pas woensdag was en bovendien geen van de leden een tamboerijn of gitaar vasthielden konden die het niet zijn. Toch keken ze allemaal, de een wat devoter dan de ander omhoog, zichtbaar geobsedeerd door iets dat zich volgens hun blikken daar bevond.
Een lichte paniek overviel mij.
Het is zover, dacht ik, alle misdrijven die ik in mijn leven gepleegd had opsommend. De Messias keert terug en dat moet uitgerekend nu ik hier een beetje sta te lanterfanten, iets wat ik normaal gesproken wel uit mijn hoofd laat, gebeuren!
Omdat ik mij niets ernstigs kon herinneren maar toch een paar prangende vragen voor de ‘Spirit in the Sky’ in petto had ging ik erbij staan en tuurde mee.
  “Het was overweldigend,” sprak een opmerkelijk dikke vrouw met een rond, blozend gezicht. “Van mij had het wel mogen blijven.”
  “Van mij ook,” viel een oudere man met een Indonesisch uiterlijk haar instemmend bij. “Ze hadden het moeten herbouwen, de smeerlappen! Zo is het met alle moois in Den Haag gegaan. De dierentuin, hotel Terminus, het gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, alles moest zo nodig worden gesloopt of werd in het andere geval wel in brand gestoken. Dit ook. Alleen maar omdat het plat moest om plaats te maken voor nieuwbouw.”
  “Het had iets betoverends,” sprak een kleine, bejaarde man met bevende stem. “Ik was er zeker wel een keer per maand te vinden.”
Er ging mij een licht op. Op de plek waarheen gekeken werd, nu een grijze hemel bevond zich ooit de opvallende kopergroene koepel van het Zeiss Planetarium van de Haagsche Courant. Een Hagenaar weet dat daaronder een bijzondere sfeer schuilging. Tegen betaling van één gulden vijftig nam je een kaartje in ontvangst waarna er door een meneer in een pak met glimmende knopen met een politiepet op door middel van een conducteurstang een gaatje in werd geprikt. Daarna stond hij je toe voor de duur van anderhalf uur intrede te doen in het universum, het politieke heelal op het Binnenhof niet inbegrepen. Achterover gelegen in een comfortabele stoel werd je zoet gehouden met de voorstelling die bestond uit een simulatie van de nachtelijke hemel boven een vrijwel onbebouwde, destijds nog tietloze skyline van Den Haag. Een meneer achter een enorm beweegbaar lichtkanon toverde als een Wizard of Oz complete sterrenstelsels, reeksen planeten en zelfs de Melkweg op de binnenkant van de koepel op een manier dat je zou zweren dat het echt was.
  “Ik weet nog,” merkte de dikke vrouw op, “dat er werd verteld over de Grote Beer, de Kleine Beer en de poolster. Die vormden volgens de operator samen een steelpannetje. Stom misschien van me, maar hoe goed ik ook keek, dat steelpannetje heb ik nooit kunnen ontdekken, behalve dan thuis onder in het gootsteenkastje maar dat kwam doordat ik het daar zelf in had gelegd. Soms was Jupiter te zien en een heel enkele keer de planeet Venus. Die was heel klein en bewoog nooit. Ik vond het altijd jammer als die aan bod kwam want dan wist je dat de voorstelling bijna was afgelopen wat gebeurde vlak voordat het grote zaallicht weer aanging. Dat heb ik zelf altijd een vreselijke afknapper gevonden. Alsof je wakker werd in een openbaar toilet.”
  “Het was een droomwereld waar een eind aan kwam toen de fik erin ging,” vulde de oude man haar aan. “En als je iets wilde weten dan kon je dat na afloop gewoon vragen. Dat kwam er in mijn geval nooit van want ik lag al te pitten voordat het licht uitging.”
  “Die fik toen was volgens mij een ongelukkie,” mompelde de Indonesische man.
  “Niks ongelukkie,” reageerde de oude fel. “Het was een paardenmiddel van de projectontwikkelaar. De tactiek van de verschroeide aarde heet zoiets. Er mocht niks meer herbouwd worden. Hij had die ruimte volgens mij gewoon nodig voor het verwezenlijken van zijn eigen droomwereld, die van een volle knip. Dat die projector het ‘toevallig’ heeft overleeft en er direct na de brand met de nieuwbouw werd begonnen, dat was allemaal veel te toevallig, let op mijn woorden.”
  “Ik herinner mij een keer toen de lamp van de projector kapot klapte,” sprak een andere man met een hond die zich in het gezelschap had vervoegd. “Poeff! Niks aan te doen, zei die man toen, en er een nieuwe in zetten kon niet meteen vanwege de warmte. Dus mocht ik de volgende keer voor niks naar binnen. Wat ik me ervan kan herinneren vond ik de Melkweg. The Milky Way heet die officieel, nog het mooiste.”
  “Dat heet nu een Mars,” grapte de dikke vrouw, een opmerking die aan zijn gezicht te zien allerminst bij de man in de smaak viel.
  “Dom mens. Ik verbeeldde mijzelf als jochie dat ik er tussenin zat, in die Melkweg dan, op zoek naar nieuwe ongerepte planeten met leven. Niet zoals hier. Dat is naar de kloten geholpen door volk dat alleen maar de hele dag aan eten denkt, altijd maar met zichzelf bezig is en iedereen besodemieterd.”
  “Heb je het nou over jezelf? Kan die bek van je soms niet verder open?” vroeg de vrouw kolerig. “Toevallig heb ik sinds een maand een maagverkleining ondergaan, doe vrijwilligerswerk bij de Zonnebloem en ik heb de schurft aan mensen die achter mijn rug om mij overal van beschuldigen.”
  “Rustig aan Mien, dat bedoel ik niet,” zei de man doodkalm. “Maar dat weet je zelf ook. Als jij het jezelf aantrekt wat ik zeg dan ben je rijp voor Parnassia of je hebt een slecht geweten. Denk aan je hart. Ik heb het over de bazen die het ondanks alles ervan nemen, daarnaast ook nog eens denken dat ze het voor het zeggen hebben. Respect voor de werkman: ho maar.”
Met een benige hand waaraan nog twee vingers zaten wees de oude man naar de plek waar het gebouw stond waar voorheen de kranten gedrukt werden, nu een met ongetwijfeld goede bedoelingen daar door een projectontwikkelaar neergeplompte maar uitstralingsloze schepping.
   “Veertig jaar lang werkte ik daar, op de begane grond als voorbereider in de drukstraat,” sprak hij met een bevend stemgeluid. “Hoger dat dat ben ik nooit geklommen, behalve die keren wanneer dat ik op het matje moest verschijnen wat gelukkig niet vaak voorkwam behalve wanneer ik iets had uitgevreten. Meestal vanwege de rotgeintjes die ik bij de leerjongens uithaalde. Die stuurde ik weg voor een letterzeef die ze bij de vakhandel moesten halen, of voor een blik nachtzwart bij Akkerman. Over geintjes gesproken: dat hele geintje wat op de kop af veertig jaar duurde kostte mij ook nog eens twee vingers, allebei kwijtgeraakt tussen de persen bij het vervangen van de drukcylinders. Niet dat ik het er heel slecht had maar het kon beter. Het hoorde bij die tijd, houd ik mezelf tegenwoordig maar voor. Verschil moest er wezen, volgens hunnie dan. Voor het hebben van een hobby was thuis geen geld, geen tijd en al helemaal geen ruimte. Als ik met mijn vrouw ergens over van gedachten wilde wisselen dan mosten we naar buiten. Nu vliegen ze, mijn kinderen bedoel ik, de hele wereld over, doen ze aan neusfluiten met kanaries, lange-afstandswandelen met kamelen en rijden ze in auto’s rond en dat terwijl in die tijd meneer de directeur, als-ie al op kwam dagen, in zijn mobiel aan kwam zakken. Met chauffeur, dat wel. Hij was de enige. De chef kwam op de fiets en de rest -wij dus- met de benenwagen. Dat was toen heel normaal. Nee, die tijd is goddank voorbij, Meneer ligt al jaren onder de zoden terwijl deze jongen daarentegen nog tamelijk fris en fruitig rondloopt, afgezien dan van een naar de verdommenis geholpen heup. Van de zaak heb ik nooit iets overgehouden, behalve die heup dan. Bij mijn afscheid was er geen gouwe klokkie, geen buffet met een drankie. Zelfs geen laf plakkie cake bij de koffie. Om dat te krijgen moest je eerst het loodje leggen. Snappie hem? Loodje leggen! Ik deed de hele dag niet anders.
Het mooiste van alles is dat ik tegenwoordig zelf een mobiel heb, eentje waar ik de krant op kan lezen en mee kan bellen, en dat met maar één vinger. Die andere steek ik op naar meneer, iedere keer als ik lang de begraafplaats aan de Laan van Eik en Duinen rijd. Mijn zoon zegt dan steeds dat ik niet zo kinderachtig moet doen maar dat zegt-ie omdat ie het niet begrijpt. Dat kan ook niet. Hij heeft alle vingers nog steeds. Wil je dat kunnen begrijpen dan moet je er eerst een paar kwijtraken. Behalve je middelvinger. Die is het belangrijkst.”

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor, Bol.com te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

  

 

  

 

  

ALLEMAAL DOOIEN

Jaargang 2, afflevering 33, donderdag 20 april 2017

 

 

 

 

ALLEMAAL DOOIEN

 

Op een herfstige, doordeweekse dag besloten mijn vrouw en ik sinds lange tijd weer eens een bezoek te brengen aan de ruïne van Brederode, het tijdens de opstand van het Kaas & Broodvolk in 1492 door onze Oosterburen expres vernietigde kasteel, gelegen in de mij zo bekende Santpoortse heerlijkheid.
Slenterend over het binnenplein, de nissen bewonderend waarin het onkruid nu welig tierde maar waar volgens de door hem in de muur gekerfde boodschap ene Maarten in 1981 op die plek iets had gedaan bij Frederique, waren wij getuige van het leeglopen van een langs de weg gestopte knalgele touringcar die op dat ogenblik zijn lading bestaande uit twee dozijn joelende schoolkinderen uitbraakte.
  “Daar gaat je uitstapje naar de middeleeuwen,” zei mijn vrouw in haar poging boven het uit de horde opstijgende voorwereldlijk gekrijs uit te komen. “Zo verjagen ze de geest van Brederode die hier vast nog wel ergens rond hangt.”
  “Onthoofd,” zei ik in de hoop dat de razende meute het tegenover de ingang gelegen restaurant als bestemming zou kiezen. “Lancelot van Brederode werd niet opgehangen maar onthoofd. Zou hun leiding weten dat het hier een heerlijkheid is?”
Tijdens het beklimmen van de donjon, de hoogste en meest versterkte toren vanaf waar we van het vrije uitzicht wilden genieten werd op de begane grond aan het rumoer te horen verwoede pogingen gedaan de ruïne alsnog van zijn laatste restje historische waarde te ontdoen.
  “O schone maagd!” sprak opeens een hoogdravend klinkende stem uit het trapgat achter ons. “O mokkapunt, is uw liefde mij niet gegund?”
  “Dat zal voor jou zijn,” zei ik tegen mijn vrouw die naast mij stond. “Ik ben vóór emancipatie. Bovendien staat mijn mannelijke geaardheid het openlijk verspreiden van zoete praatjes in de weg.”
Uit het trapgat steeg een meisje van een jaar of veertien met lang blond haar omhoog, gevolgd door een ongeveer even oude roodharige jongen.
  “Hè, hier zijn mensen!” riep de jongen toen hij ons in de gaten kreeg. “Ik dacht dat wij de enigsten waren. Hoe lang zijn jullie er al?”
  “Ik al vanaf 1954,” meldde ik bij wijze van attestatie de vita in het besef dat je per slot van rekening nooit van te voren kunt weten wat iemand met de door jou verstrekte expliciet foute informatie van plan is.
  “Al zo lang?” vroeg het meisje onzeker. “Dan bent u zeker de kasteelheer.”
  “Dat kan niet, stomme trut,” onderbrak de jongen haar, zichtbaar geërgerd door haar opmerking. “Hij is van látere datum,” mij daarmee de sensatie schenkend hoe een stuk oude Leidsche kaas zich ongeveer moest voelen. “De kasteelheer is al jáááren dood. Die komt al bijna weer terug.”
  “We zijn hier voor een opdracht,” vulde ze hem niet helemaal zeker meer van haar zaak aan. “Een schoolproject. Niks aan maar het moet.”
  “Geschiedenis,” verbeterde hij. “We moeten uitzoeken wie hier gewoond heeft. Weet u dat misschien?”
  “Zo’n beetje,” zei ik op mijn hoede, want als het om het prijsgeven van informatie gaat die door verder te kijken dan je neus lang is wat ik uit principe prefereer ben ik opeens hopeloos ouderwets.
Met mijn gedachten nog steeds bij de Leidsche kaas besloot ik eromheen te draaien.
  “Beneden in de grote kamer hangt een stamboom. Daar vind je vast wel waarnaar je op zoek bent.”
  “Een stamboom!” riep het meisje verrukt uit als ware het woord de sleutel tot het eeuwig durende geluk. “Dat is een plaatje van een familie van vroeger met allemaal dooien. Kom mee. Daar moeten we heen! Als de rest van de klas hem intussen al niet heeft gevonden.”
In drie stappen was de jongen bij de trap die hij onder het gillen van de kreet ‘Aaivanhooo, Aaivanhooo!’ weer begon af te dalen, gevolgd door het deemoedig kijkende meisje.
  “Denk je dat hij het zal vinden,” vroeg mijn vrouw.
  “Ik hoop het. Sir Roger Moore had Saksisch bloed en ik durf te wedden die jongen vast ook. Tegen de tijd dat hij bij Yolande van Lalaing is aangeland horen we het wel.”
De trappen afdalend zagen we het tweetal weer terug, met belangstelling de stamboomkaart bestuderend.
  “Ik vind dat je hem meer had moeten vertellen,” fluisterde mijn vrouw. “Een beetje helpen kan geen kwaad. Dat deden ze bij ons vroeger ook.”
  “Bij ons? Ik weet niet hoe het met jou zit maar ik hoefde niets te proberen,” pareerde ik. “Geen trucjes, niet spieken en zeker geen geslijm. Ze zagen je aankomen. Mijn rug doet nog zeer als ik denk aan die leraar die mij bij iedere keer dat ik iets probeerde tegen de centrale verwarming smeet. Dat het nu allemaal wel kan is te danken aan het ruggengraatloze beleid dat vanuit Den Haag de scholen wordt opgedrongen. Ik noem als het moet in mijn slaap nog steeds alle Friese steden uit mijn hoofd. Neem nou hoofdrekenen. Dat werd er vroeger met de harde methode ingeslagen met het gevolg dat ik de tafel van zeven beter ken dan de leidraad van het Groene Boekje. Toen kwam de rekenlineaal die je binnen de kortste keren alleen mocht gebruiken als je -let op- er mee om wist te gaan. Daarna kwam de zakjapanner, een rekenmachientje dat in het begin verboden was en je direct in kon leveren bij de juf. Binnen een jaar mocht je hem wel gebruiken. Komt-ie weer: alleen als je er mee om wist te gaan. En nu wordt je als buitenstaander gestimuleerd de oplossing aan kinderen die de jouwe niet zijn voor te zeggen. Zo kweek je kandidaten voor de lopende band in de luciferhoutjeszagerij of de rolmopsenfabriek.”
  “En,” vroeg mijn vrouw in het voorbijgaan aan de jongen. “De jonkvrouw al gevonden?”
  “Ja. Tenminste, dat denk ik,” sprak hij radicaal. “Iets met Bredero en Jolanda de Weetikveel. De meester vond het goed genoeg dus ben ik klaar.”
  “Zie je nou wel,” foeterde ik terug. “Jolanda de Weetikveel. De meester, vermoedelijk een waarvan je amper het verschil met een leerling kan zien in een zelfgebreide trui en jezussandalen vond het natuurlijk weer eens goed genoeg omdat hij van zichzelf vindt dat de bloedjes er -het wordt eentonig- mee om weten te gaan. Op die manier kun je wel met alles omgaan. Ziedaar de teloorgang der grondbeginselen van de pedagogie. Maar mijn zegen heb je.”
Bij het naar de uitgang lopen zagen we hem, de hoeder van het aan hem geleende grut. Het was een in een grijs pak met gesteven overhemd en dito boordje gestoken heerschap, voorzien van een parmantig naar voren stekend sikje.
  “Bent u de meneer die Teun en Anne heeft voorgezegd dat dit kasteel werd bewoond door de Brederodes,” vroeg hij aan mij in het voorbijlopen.
  “In het geheel niet,” antwoordde ik. “Teun heeft het zelf opgezocht. Wees maar trots op die jongen.”
  “Denk je dat hij er iets mee gaat doen,” vroeg mijn vrouw.
  “Ik hoop het. Ik herinner me een uitspraak: ‘Justitie is beter dan ridderlijkheid in het geval wanneer we niet allebei kunnen hebben.’ De deur voor elkaar openhouden is mooi maar het moet wel een deur zijn die ergens naar leidt. Teun was op weg die deur te vinden. Er was alleen iemand nodig om hem te openen.”
  “Jij.”
  “Het zij zo. Zijn leraar vroeg erom. En bovendien had de echte kasteelheer het vast wel goed gevonden. Zou Maarten anticonceptiemiddelen bij zich hebben gehad?”

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor, Bol.com te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

   

 

  

 

 

  

 

 

   

 

BLOKJE OM

Jaargang 2, aflevering 32, donderdag 13 april 2017

 

 

 

 

 

BLOKJE OM

 

  “Ik ben buiten,” zei George tegen zijn vrouw. “Even de hond uitlaten.”
Dinie’s wenkbrauwen kropen omhoog naar de plek op haar voorhoofd waar drie diepe rimpels zich vertoonden.
  “Maar we hebben helemaal geen hond,” antwoordde ze. Geschokt dacht ze na. Er gingen de laatste tijd wel meer verhalen onder haar vriendinnen in het rond over mannen die van de ene op de andere dag tekenen van geestelijke aftakeling vertoonden.
  “Luister,” sprak hij gedecideerd. “Jij weet dat, ik weet dat, alleen de hond zelf weet dat nog niet. Kom mee, Fido. Baasje staat te wachten.”
Ze wilde er nog iets achteraan zeggen maar bedacht zich. Zijn humor was nu eenmaal anders dan die van haar zodat ze er nooit helemaal zeker van was of zijn fratsen wel als humor bedoeld waren.
  “Zit!” hoorde ze hem in de gang zeggen. “Eerst je riem omdoen want zo kun je niet mee.”
Toen ze de voordeur in het slot hoorde vallen werd ze een beetje bang.
Buiten beende George voort, met in zijn jaszak een onzichtbare hondenriem. Dat hij het haar op deze manier moest laten merken voelde allesbehalve prettig aan, op het onaangename af zelfs, maar wilde hij dat er iets ging veranderen dan moest het maar gelijk gebeuren. Op de oude manier zo doorgaan kon niet meer en was ook niet meer vol te houden. Bovendien, meer dan praten zat er de laatste tijd ook al niet meer in en zelfs dat was ernstig aan slijtage onderhevig, alsof je steeds hetzelfde boek leest of naar die ene oude ansichtkaart aan de muur kijkt. Die aan hem gericht was al een beetje vaal van kleur en kreukelig geworden.
Bij het passeren van zijn stamkroeg zag hij door de vitrage heen dat het binnen druk was en besloot er even naar binnen te gaan.
  “Navend,” prevelde hij onder het plaatsnemen op een kruk. Zijn kruk.
  “Ook een goeienavond George,” groette de eigenaar hem terug. “Wat zal het zijn vandaag. Hetzelfde maar weer?”
George knikte. “En een bak water voor de hond.”
De eigenaar keek op van het poleren.
  “Welke hond? Ik zie niks. Trouwens, sinds wanneer heb jij een hond?”
  “Sinds vanavond. Hij doet je niks hoor. ‘T is een rustig beessie. Kijk maar. Fido: af!”
Met een gezicht of hij het in Keulen en Aken tegelijkertijd hoorde donderen tuurde de eigenaar over de rand van de bar waar hij niets zag, in elk geval geen hond.
  “Ga uitgerekend jij mij nou een beetje zitten te belazeren, George?” was zijn reactie. “Er is geen hond. Moet ik soms een ambulance voor je bellen? Neem er anders intussen maar eentje van mij. Om je aangevreten synapsen te spoelen.”
Met een royaal gebaar haalde hij de fles jonge klare tevoorschijn en kiepte het glas van George vol tot aan de rand.
  “Zo. En nou ga jij mij eens haarfijn vertellen wat er met jou de laatste tijd aan de hand is,” sprak hij wrevelig. “Ik heb je al langer in de smiezen en ik zeg je: als je zo doorgaat trek je het niet meer. Je zit erbij als een augurk uit het zuur. Een tip van mij: als het gebeurt doe het dan AUB niet hier. Dat schrikt de klanten af.”
Somber haalde George zijn schouders op.
  “Wat moet er dan gebeuren? Er is niks met me Joop. Geef die hond nou maar water, wil je. En doe er een koekje bij. Dat beest heeft honger.”
Met een diepe zucht greep Joop een schaal en vulde hem met water.
  “Een water, één. En de koekjes zijn op. Normaliter krijg ik ze gratis bij de pakken koffie maar ze hebben deze week niet geleverd.”
  “‘T is al goed Joop,” zuchtte George. “Ik geef hem -het is een reutje- straks thuis wel wat, he Fido?”
De eigenaar schudde zijn hoofd waarbij zijn dikke vlezige wangen heen en weer wiebelden.
  “Als je maar weet dat ik je de volgende keer niet meer schenk. Beroepsrisico.”
George dacht even na.
  “Goed dan. Als je mij belooft het niet rond te zullen bazuinen. Dit is privé.”
  “Op het graf van mijn moeder, en die is niet eens dood.”
Een licht grijnsje ontsproot aan George’s lippen.
  “Er is geen hond. Dat is een verzinsel om naar buiten te komen voor een blokje om. Gewoon even weg bij Guantanamo Bay. Zo noem ik Dinie tegenwoordig. Ze is de laatste tijd zo…. anders. Ze gedraagt zich alsof ik de laatste vent op Aarde ben die als je een kwartje in zijn gleuf doet voor een onbeperkte tijd gaat zitten luisteren. Ieder verhaal dat ze me vertelde heb ik daarvoor al vijftig keer gehoord. De sjeu is eraf. Daarbij, niemand komt aan mijn gleuf.”
Met een luide ‘pets’ knapte het glas in Joop’s handen kapot.
  “Luister!” sprak die onthutst. “Waarom gaan jullie er niet eens een keer samen op uit. Gezellig de stad in, lekker pierewaaien of zo. Altijd maar dat binnen op elkaars lip zitten is dodelijk.”
  “Dat hebben we al geprobeerd, wat dacht je? Zonder resultaat overigens. Je kunt me net zo goed vragen in mijn eentje de Frederikkazerne te belegeren. Het effect is hetzelfde. Doe mij er nog maar een.”
  “Wat dacht je van een therapeut inschakelen,” opperde Joop. “Dat werkt vaak. Die lui zijn in staat om zonder dat je het doorhebt je te vertellen welke kleur onderbroek je over pakweg drie jaar zal dragen. Dat weet mijn vrouw zelfs niet eens, laat staan ik.”
  “Je bedoelt een schimmenschifter, zo’n vaag tiep dat als je van hem wilt weten hoe laat het is je vervolgens vraagt wat je er zelf van denkt en voor je het weet je portemonnee uit je zak heeft getoverd. Mij niet gezien. Nee, ik ben verbliksemd, verdoemd tot het de rest van mijn leven te moeten uithouden met Pierrot. Elke dag is als een rondje in de draaimolen met dezelfde afgebladderde plastic paardjes, volkomen identieke, lullige brandweerautootjes zonder pedalen en eendere fietsjes zonder bel. Maar ik wíl geen fietsje. Ik wil een woest grommende Harley Davidson van minimaal duizend cc met een knallende uitlaat waarmee ik de buurt op stelten kan zetten en iedereen de pleuris uit zijn lijf kan laten schrikken verdomme! Mijn hele godganse leven heb ik in die achterlijke draaimolen doorgebracht, altijd maar op een fietsje, nooit op een motor, zelfs niet achter het stuur van een brandweerauto. Steeds als het geld van andere jongetjes op was en ik eindelijk de kans had om een keer op zo’n motor plaats te kunnen nemen was mijn moeder daar weer om te roepen dat het wel genoeg was voor die dag en we naar huis moesten. Nu ik doorheb hoe lang ik mij zo heb laten koeioneren is voor mij het hek van de dam, voorgoed. Dus heb ik vanaf vandaag een hond, hé Fido?” Hij is mijn vrijgeleide, mijn, hoe zeggen de Fransen dat ook alweer, mijn ‘laissez-passer.’ Overigens, wist je dat Fido Latijns is en ‘trouw’ betekent? Nou, dat istie! Als ik straks mijn bed opzoek en uren later weer wakker wordt zit Fido al te wachten op het moment dat ik hem mee naar buiten neem.”
  “En Dinie?”
  “Die snapt er natuurlijk niks van. Als ze slim is gaat ze naar het dierenasiel. Daar hebben ze nog wel een aftandse poes. Kunnen ze samen door de ramen kijken hoe Fido en ik de bloemetjes buiten zetten. Kom Fido, er loopt daar buiten vast nog wel een leuk teefje om mee te spelen. Wat krijg je van me, Joop?”
  “Niets,” antwoordde Joop. “Het is van ‘t huis. Ik verdom het medeplichtig te zijn aan het verzieken van de levens van zij die zich als doel hebben gekozen dat van zichzelf op te offeren om dat van anderen te verbeteren.”

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor, Bol.com te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

 

  

  

 

  

 

LEUK

Jaargang 2, aflevering 28, donderdag 6 maart 2017

 

 

 

 

LEUK

 

Overvallen door een bui schoot ik een automatiek in de Schoolstraat die op het punt stond te gaan sluiten binnen. Net na mij kwam een doornat geregend meisje de zaak in met kennelijk dezelfde bedoeling. Ze zag eruit als een verzopen kat en kon niet bijzonder mooi worden genoemd maar haar vrouwelijke kenmerken waren overvloedig en bovendien in de juiste verhoudingen aanwezig wat een voordeel kon worden genoemd.
‘She’s a peacock in everything but beauty,’ zei Oscar Wilde ooit. 
Die uitspraak gold ook voor het meisje. Ze liep een beetje mank en hield zich om overeind te blijven vast aan een glazen deurtje waardoorheen in ruil voor vijftig cent een mistroostig ogende bamibal kon worden gescoord. Ik vreesde voor een weinig vruchtbaar treffen tussen de twee als ze het zou openen en wilde ingrijpen maar gelukkig bleef het dicht.
Mensenlevens redden kost nu eenmaal offers.
  “Hebt u een sigaret voor mij,” vroeg ze onverwacht. Ik keek om mij heen en constateerde dat ik op haar na de nog enige overgebleven klant was.
  “Sorry, ik rook niet,” antwoordde ik eerlijkheidshalve, want de laatste peuk doofde ik al op mijn negentiende wat ongeveer haar leeftijd moest zijn, schatte ik.
  “O,” zei ze met een laatdunkend gezicht alsof het háár weer was overkomen de enige persoon op aarde te ontmoeten die wist waar de kip met de gouden eieren ‘the stuff’ bewaarde. Maar ook dat moest ik, als ze het me had gevraagd, ontkennen. Zulke kippen zaten meestal in Monaco aan de blackjack tafel of wandelden ‘s nachts door St. Tropez maar nooit in hun eentje door het centrum van Den Haag.
   “Nou, goed dan, dan niet,” vervolgde ze. “Eigenlijk wil ik wel stoppen, maar ik kan het niet. Het is misschien slap van me maar roken geeft me een voldaan gevoel, weet je. Alsof je aan iets werkt dat áf moet of net klaar is maar het enige dat bij mij klaar is, is mijn relatie, met hém.”
Omdat ze er ondanks de schelle TL-verlichting nog steeds redelijk bekoorlijk uitzag was het beeld dat ik daarentegen van hém kreeg dat van een naar, onhebbelijk manspersoon, van een jongen die uit zelfzucht zijn vriendinnen -want monogame mannen worden mijns inziens met uitsterven bedreigd- structureel allerlei vrijheden ontnam.
  “Ach, op zich is het wel een goed mannetje maar hij dramt zo vreselijk dóór wanneer hij een slokkie op heeft. Joke, want zo heet ik, zegt hij dan: daar moet jij niet zo zwaar aan tillen. Ik lul nu eenmaal veel na een paar biertjes. Maar ik kon er op het laatst niet meer tegen, weet je wel, ook al ging het nergens over.”
Mijn beeld van hem floepte uit als een defecte TV. Ik wist het niet.
  “Vanavond was het weer zover,” ging ze verder. “We hadden een discussie over wanneer iets ‘leuk’ is, wat in mijn ogen hetzelfde is als zeggen dat je iets hebt begrepen maar meer niet. Want wat is dat nou helemaal, het woord leuk? Al herhaal je het honderd keer, het zegt nog steeds niks. Als ik zeg dat ik jou leuk vindt dan betekent dat niets, afgezien van dat ik weet dat je niet rookt en mij dus geen sigaret kan geven. ‘Geweldig’ is ook zo’n woord. Zeg dan verdomme wat je bedoelt! Vind je mij mooi, zeg dat dan in plaats van ‘leuk.’ Als je mij lelijk vindt dan mag je dat ook zeggen waarmee je dan weer wel het risico loopt een knietje van me te krijgen. Het gaat er bij mij om dat je eerlijk bent en dat is hij dus niet, of was want ik kap ermee.”
Ik maakte een wegwerpgebaar en trok er het gezicht bij van iemand van wie het tot zijn dagelijkse routine hoort ‘s nachts in automatieken rond te hangen, voortdurend knietjes incasserend.
  “Op mijn werk precies hetzelfde geouwehoer,” sprak ze, mijn gebaar negerend. “Doen ze net, ik bedoel mijn collega’s, een beetje gezellig tegen me want het woord ‘leuk’ krijg ik niet meer uit mijn strot, verknallen ze het juist door alles expres ‘leuk’ te vinden. Mijn haar dat zogenaamd leuk zit, mijn schoenen, de jurk die ik tijdens het personeelsuitje droeg, tot mijn vriendje aan toe, die was zelfs ééénig. Gatver!
Weet je nou eigenlijk wel wat je zegt, zeg ik dan tegen ze. Helemaal niets! Iets is grappig, vrolijk, fijn, al vind ik dat woord ook zo’n dooddoenertje, mooi of misschien zelfs charmant maar nooit leuk. Volgens mij is Nederlands de enige taal met dat woord. Er is ook geen andere taal met iets dat erop lijkt, dat weet ik want ik heb het opgezocht.”
Ze zuchtte.
  “En dus ben ik ermee gestopt, opeens. Van een kant wel jammer. Ik had het op zich wel goed bij hem. Hij deed als ik moest overwerken netjes boodschappen voor me, hielp me in het huishouden en hield tenminste zijn handen bij zich als je begrijpt wat ik bedoel. Kom dáár tegenwoordig maar eens om! Sommige meenden serieus te weten dat ik hun eigendom was, een stuk speelgoed dat je naar hartelust kon meppen. Nou, mij niet gezien. Ik was al weg. Maar daar had hij geen last van, dat niet. Alleen dat gedram en gezeik steeds, hè? Ik kon er niet meer tegen en ben zo weggelopen. Hij deed me denken aan thuis.”
Omdat ik mij haar leed wel in kon denken, knikte ik instemmend. Op die leeftijd wil je wel eens een keer wat anders.
  “Maar waar moet je straks dan naartoe, vroeg ik. “Deze tent gaat zo dicht. Heb je geen familie waar je zolang terecht kunt?”
Met een gezicht of ik haar zojuist een oneerbaar voorstel had gedaan brandde ze los.
  “Familie? Ben je gek? Ik slaap nog liever op straat. Die hebben mij vijfentwintig jaar geleden al uitgescheten.”
Nog voordat ze uitgesproken was zag ze in dat zoiets gezien haar leeftijd eigenlijk niet kon zodat we gezamenlijk in de lach schoten.
  “Nou ja, ik bedoel maar. Je weet wel. Ik was zogenaamd onhandelbaar. Veel te grote mond. Maar wat moet ik dan?”
  “Ik denk dat je zelf net het antwoord op je probleem hebt gevonden,” antwoordde ik voorzichtig. “Je kunt altijd nog terug. Naar hem. Probeer het eens een keer door een beetje water bij de wijn te doen.”
Onmachtig in het rond kijkend viel haar blik op de door de fabrikant van snacks gesponsorde klok met daarin een slogan die eindigde op ‘altijd wat lekkers.’ Het was tien over een.
  “Jeetje is het al zo laat?” schrok ze. “Weet je, misschien heb je wel een beetje gelijk. Ik moest maar eens gaan. Hij kan niet zo lang alleen, mijn schuimpje. Tot kijk dan maar.”
Zonder nog iets te zeggen verdween ze in de nacht.
Thuisgekomen wilde mijn vrouw weten waarom ik zo laat was.
  “Een gevalletje Eerste Hulp Bij Onzekerheden,” was mijn antwoord. “Enne, tegen de tijd dat ik tekenen begin te vertonen van overmatig drammen zeg het me dan maar meteen want dan schiet ik mijzelf direct af. Deze wereld heeft al genoeg te verduren.”

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor, Bol.com te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!