ALLES KOMT GOED

Jaargang 2, aflevering 39, donderdag 1 juni

 

 

ALLES KOMT GOED

 

Vertwijfeld tuurde Albert naar de met boodschappen gevulde tas die zojuist bij hem was bezorgd. Een wildvreemde die bij hem een tas met boodschappen had afgeleverd, dat overkwam hem ook niet iedere dag. Op zijn vraag of de tas, met daarop gedrukt het gebruinde hoofd van een BN’er waarvan hij wist dat die wel eens aan liefdadigheid deed misschien voor nummer elf was bedoeld schudde de netjes geklede jongen zijn hoofd.
  “Echt niet. Dit is toch de Lombardstraat numero negen en u bent meneer van den Akker?”
Albert knikte.
  “Dan is hij echt voor u. En de tas hoeft niet terug, daar hoeft u zich echt geen zorgen over maken. Alles komt goed.”
Pas toen de jongen de voordeur weer achter zich had dichtgetrokken haalde Albert opgelucht adem.
Stom van hem. De volgende keer moest hij toch echt beter opletten voordat hij de deur voor iemand opendeed.
Met de tas achter zich aan sleepte Albert zich naar de keuken waar hij werd opgewacht door zijn kater die zijn intrek genomen had in de gootsteen.
  “We hebben weer voor een paar dagen te eten, Schollekop. Er is daarbuiten toch nog iemand die ons kan lijen. En nu deruit, hup!”
Met een handgebaar joeg hij het dier van zijn plek.
Albert merkte dat het voorval hem zelfs een beetje opvrolijkte, iets dat hem vandaag eigenlijk wel goed uitkwam. Er waren van die dagen bij, vooral sinds Annie, zijn vrouw was komen te overlijden dat hij zich bij het opstaan afvroeg wat hij nog in deze wereld te zoeken had. Maar vandaag, dinsdag was het volgens hem, beloofde een dag te zullen worden die beslist niet in dat rijtje thuis hoorde.
Gevolgd door de kater en gewapend met een pakje droge crackers en een blikje sardientjes, tenminste, dat hoopte hij dat het was, keerde Albert terug naar de woonkamer waar hij ermee voor het raam ging zitten.
  “BOM Amigo”, las hij hardop voor. “Een rare naam voor een blikje vis. Bovendien: voor vrienden die bommen bij je afleveren moet je extra goed uitkijken. Dat vraagt om beleid.”
Na twee keer proberen en een harde ruk aan het ringetje brak het deksel los waarna de volledige inhoud, vier mootjes tonijn en een heet pepertje in olijfolie in zijn schoot belandde.
  “Godver.”
Jaloers keek hij toe hoe de kat op zijn schoot sprong en zich tegoed deed aan de springlading.
Beleid. Dat was het toverwoord dat er bij hem tegenwoordig aan schortte.
Toen Annie er nog was die dit soort dingetjes voor hem regelde werkten de dingen met beleid en verliep als gevolg daarvan alles als van een leien dakje. Maar nu ze niet meer leefde gingen steeds meer dingen mis. Er was als het ware na verloop van tijd de klad in gekomen en hij had zich er dus maar bij neergelegd, letterlijk.
Met een zucht begaf Albert zich naar de keuken, grabbelde wat rond in de tas en keerde met iets dat hij erin had gevonden terug, samen met zijn leesbril die hij meteen opzette.
  ‘Rode bieten,’ las hij van het op de glazen pot geplakte etiket.
  “Ook goed,” besloot hij. “Al zijn het dobbelstenen voor mijn part. Bietjes zijn zoetzuur en lekker fris.” Aan sjoelen had hij al een tijdlang niet meer gedaan.
Met groeiende appetijt ging hij terug naar de keuken om terug te keren met een mes dat hij tussen de rand en het deksel van de pot plaatste die hij tussen zijn knieën geklemd hield en gaf er een flinke duw tegen waarna het deksel er gepaard met een knal af schoot.
  “Rood. Annie’s favoriete kleur,” constateerde hij na zich voor de spiegel staand in de gang te hebben bekeken. “Bijkomstig feit is evenwel dat het mij niet staat. Nu moet ik naar buiten om waspoeder te halen.”
Na een blik door het raam naar buiten te hebben geworpen bezag hij de steeds donker wordende, tot een grijs geheel samentrekkende lucht.
  “Vergeet dat laatste maar,” bromde hij naar Schollekop die begonnen was het bietensap van het kleed op te likken. “Het ziet ernaar uit dat we binnen moeten blijven, jij ook. En nog iets: wanneer je daarmee klaar bent, de afwas van vorige week staat er nog. Als jij die effe wil doen? Baas gaat even liggen.”
Vanaf de bank zag hij dat het buiten zoals verwacht was begonnen te regenen, een legitiem excuus om de deur niet uit te hoeven gaan.
Alberts maag rommelde.
Na er een tijdje naar te hebben liggen luisteren viel het hem op dat het weer stopte als hij zijn adem inhield, maar na een paar keer duizelig te zijn geworden had hij er snel genoeg van.
Had hij maar wat te eten.
Langzaam liet hij zijn benen zakken tot ze de vloer raakten waarna hij opstond en de keuken inliep waar de tas hem guitig aankeek.
  “Jouw schuld allemaal trouwens. Wedden dat er niets in je zit waar ik wat aan heb?”
Afgezien van een rol WC-papier, afwasmiddel, lucifers, schuursponsjes, een fles azijn en vier blikken bruine bonen en een reep chocola puur zat onderin de tas nog iets, een groot voorwerp dat glad en koel aanvoelde. Het zal toch niet…
Bij het zien van het etiket kon Albert zijn geluk niet op.
  “Madeira. Dat is hetzelfde als het winnen van de hoofdprijs. Ik mag doodvallen als dit geen gezellige middag wordt. Kat: doe jij intussen wat je moet doen, pak ik alvast de glazen.”
Bij het zich met de fles in zijn stoel laten vallen zag hij hoe het bietensap Schollekop weer verliet.
  “Herstel: één glas. Jij speelt vals.”

 

Vind je dit leuk? Wil je meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zo veel mogelijk met anderen. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor hieronder te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

 

OPA SJAAK

Jaargang 2, aflevering 38, donderdag 25 mei 2017

 

 

 

 

OPA SJAAK

 

  “Is de stomerij nog open? Mijn pak ligt in een deuk,” meldde ik mijn vrouw na de telefoon te hebben neergelegd.
  “Waarom,” vroeg ze logischerwijs in haar bij voorbaat mislukte poging grote opwinding te verbergen, want de laatste keer dat ik mijn goeie pak droeg was in een tijd toen ik mijn dagelijkse ding nog buitenshuis deed, op de keper beschouwd een beroepsmatige, ooit nuttige dwangmatigheid die ik mijzelf in de tussentijd heb afgeleerd.
  “Je hoeft toch niet te gaan werken? Of moet je weer naar de uitgever?”
   “Nee, dat is het niet. Trouwens, die zou zich doodschrikken als hij me daarin zou zien en denken dat ik iets van hem moet. We moeten overmorgen naar een begrafenis.”
  “O. Wie is het,” vroeg ze voorzichtig.
  “Opa Sjaak.”
Mijn herinneringen aan de man reiken terug naar een episode uit mijn leven waarin hij de alledaagse gebeurtenissen en voorvallen uit het bestaan het meer dan de moeite waard maakte om geleefd te worden. Hem de laatste eer bewijzen was daarom het minste dat ik voor hem kon doen.
Opa Sjaak was niet mijn echte grootvader maar meer een soort oudoom, een broer van mijn opa en van beroep professioneel stenenbakker die, nadat zijn vrouw na een ongeluk binnenshuis vroegtijdig was komen te overlijden tot mijn grote vreugde en ieders tevredenheid bij ons introk.
Zijn buitengewone taaiheid en geringe, pezige postuur verraadde dat hij eraan gewend was een zwaar leven te leiden, kenmerken die hem niet konden worden aangezien. Nog op hoge leeftijd droeg hij zijn donkerblonde haar in hetzelfde vooroorlogs model als dat hij in zijn kindertijd kreeg aangemeten, met een scheiding rechts en een nimmer betreden luizenpaadje.
Naast dat en een onverwoestbaar zonnig humeur bezat opa Sjaak ook een open gehemelte, een vanaf voor zijn geboorte opgelopen afwijking die hij als een grap van moeder natuur beschouwde en het om dezelfde reden dan ook als een trofee met zich meedroeg. Dat had dan weer als effect dat ik al op jonge leeftijd opa Sjaak voor een kermisattractie hield, dit overigens tot groot plezier van de man zelf.
Het meest succesvolle nummer uit zijn schier oneindige oeuvre was de act die hij dagelijks, een half uur nadat hij wakker werd uitvoerde waarbij ik al vol spanning aan de keukentafel zat te wachten op zijn komst totdat de voorstelling begon. Die vertoning bestond uit het met een lepel nuttigen van een bord rijstepap met suiker.
Dat nuttigen had in de man’s geval nogal wat voeten in aarde, want door zijn open gehemelte kwam, steeds nadat hij een hap nam, de rijstepap weer via zijn neus naar buiten zodat hij er om de haverklap uitzag als een heel foute kerstman inclusief witte baard, een schouwspel dat zeer aanstekelijk op mijn lachspieren werkte. Ik was niet bij het tafereel weg te slaan en kon er urenlang naar blijven kijken. Dat wilde zeggen: totdat de pap op en opa verzadigd was waarna ik mij onderweg op weg naar school alweer verkneukelde voor de voorstelling van de volgende dag.
Naast het ons met zijn open gehemelte entertainen bezat Opa Sjaak nog een andere eigenschap: een ietwat voorbarige behulpzaamheid in het aanbieden van het doen van allerlei huishoudelijke taken die hij achteraf beschouwd beter kon laten. Een daarvan was het uitvoeren van expedities onder het mom van ‘ik ga wel even’ naar de kelder waar opa op diverse altitudes clandestiene kampen bestaande uit flaconnetjes jonge dubbele graanjenever had ingericht. Dat de kelder dezelfde akoestische werking had als het klankgat van een gitaar is nooit tot opa doorgedrongen. Vanaf elke verdieping hoorden wij zijn aankomst op ieder kampement, gevolgd door ondergronds geslurp, voor moeder de vrouw het sein om van zich te laten horen.
  “We horen het wel hoor, waar je mee bezig bent!” riep ze dan in het keldergat.
Bij grote regelmaat gebeurde het dat hij tijdens zo’n expeditie met lading en al waaronder sjuupannen vol verse gehaktballen voor zich uit de een na laatste trede van de keldertrap miste en naar beneden lazerde, een actie die niet onopgemerkt voorbij ging. Die uiterst komische aanblik van opa Sjaak voorover gelegen in een plas sjuu omringd door ballen gehakt was onweerstaanbaar, voor mij voldoende om de hele dag met pijn in mijn buik rond te lopen onder het voortdurend uitproesten van het lachen.
Voor het periodiek inslaan van proviand waaronder aardappelen was opa Sjaak eveneens te porren. Per fiets, hevig slingerend bij een meestal stevige zijwind ging de tocht waarbij ik hem op die van mij vergezelde over de dijk richting boer, waar hij na het doen van handjeklap met een grote zak van terugkeerde en wij, opa wijdbeens fietsend met de zware jute zak over de stang aan de terugweg begonnen. Het duurde niet lang of een windvlaag greep opa bij zijn kraag waarna ik zag hoe hij per fiets met aardappelen en al de dijk af denderde om beneden in de bosjes te eindigen, links en rechts ingehaald door voorbij tuimelende eigenheimers, voor mij wederom aanleiding om mijzelf gierend van het lachen van de dijk af te laten rollen.
  “Zou hij het naar zijn zin hebben daarboven,” vroeg mijn vrouw na afloop van de korte plechtigheid.
  “Vast wel,” antwoordde ik, nattigheid voelend. “Opa Sjaak maakte altijd iedereen aan het lachen, vooral als er eerst niets te lachen viel. Daar hebben ze gezien de droogte van de laatste tijd daarboven vast wel behoefte aan. Heb jij er nog aan gedacht de paraplu mee te nemen? Het gaat zo regenen.”

 

 

Vind je dit leuk? Wil je meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zo veel mogelijk met anderen. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor hieronder te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

DE JONGE KIPPENOORLOG

DE JONGE KIPPENOORLOG

 

 

De veelvoud aan informatie tegenwoordig overtreft niet alleen de grootste maar in de meeste gevallen de meest verwarrende encyclopedie.
Tijdens het kijken naar het acht uur nieuws waarin het eeuwigdurende conflict tussen Israël en Palestina weer eens aan bod komt stelt zoonlief, selectief horende en in ieder opzicht een tiener opeens de vraag:”
  “Maar hoe is die dan ruzie ontstaan?”
Over die vraag moest ik even nadenken.
  “Voor jouw beeldvorming, vergelijk het voor het gemak maar met landjepik in het zand. Het doel van de sterkste is door het voeren van een smerige oorlog het veroveren van een zo groot mogelijk stuk land op je vijand. Als je voet niet meer op jouw stukje grond past ben je af en heb je verloren.”
  “Vet! Met echte kanonnen? Wanneer was dat?”
  “Dat was voor de laatste keer, even kijken…. ik denk tijdens de Yom Kippoeroorlog.”
  “Wauw,” antwoordde hij “De jonge kippenoorlog!”  

TRUUS

Jaargang 2, aflevering 37, donderdag 18 mei 2017

 

 

 

TRUUS

Een beetje voorover gebogen, met een hoofddoek om die ze droeg in een stijl die je alleen nog aantreft in Britse soapseries uit de jaren zestig kwam ze op mij toegelopen.
  “Ik ken u wel,” sprak ze fijntjes met een ondeugende lach op haar van ouderdom gerimpelde en bevlekte gezichtje. “U schrijft stukkies, onder andere over Den Haag, is het niet? Dat doet u best aardig als ik het mag zeggen. Mijn dochter print ze steeds voor mij uit als ze langskomt en leest ze dan voor. Bij de meesten moet ik vaak lachen want er staan dingen in die ik herken van vroeger.”
Ik knikte vriendelijk terug en bedankte haar. Op fans met de gezegende leeftijd die mijn proza waarderen in een tijd waarin die het op moet nemen tegen boeken over het met de vleeskwast in meer tinten versieren dan het Hollandse zwerk aankan ben ik zeer zuinig.
  “Zelf lezen doe ik al jaren niet meer,” zei het vrouwtje. “Al zou ik dat graag willen want ik ben gek op verhalen maar het is me te vermoeiend geworden. Zo ontgaat me veel van wat er gebeurt, dat wel. Alles wordt tegenwoordig zo klein gedrukt dat je zonder een vergrootglas niet meer kan zien wat er staat. De ondertiteling op de TV kan ik nog net volgen al is dat de laatste tijd ook stukken minder. Oud worden is niet erg maar oud zijn is niks, weet u. Veel dingen zelf doen lukt niet meer. Boodschappen doen, dingen van de grond oprapen.”
Ze wees naar de grond waar twee kromme, in kniekousen gestoken grote tenen hun eigen weg probeerden te gaan.
  “Veters strikken dus ook niet meer, vandaar deze open sandalen. Daarmee ben ik al een paar keer op mijn bakkes gegaan, hier op straat. Heel mijn kakement kapot en een blauw oog opgelopen. Dat lag niet aan de sandalen zei de huisarts, maar aan mij, ik dus. Je moet je voeten beter optillen bij het lopen zegt-ie maar dat is het hem nou juist. Dat lukt me niet meer. Ik verander langzaam in een standbeeld. Van die stijfheid had ik vroeger geen last, integendeel. Ik was tot mijn dertigste danseres bij de revue van Louis Bouwmeester, kent u die?”
Ik wilde bevestigend antwoorden maar ze praatte zonder af te wachten door.
  “Nou, daar kreeg ik de beentjes wel omhoog en niet alleen bij mijzelf! Ook bij de jongens van het toneel ging er als we opkwamen regelmatig iets omhoog,” zei ze met een knipoog.
Ik weet niet hoe het met u is gesteld maar wanneer een vrouw met de leeftijd van je moeder zich bedient van dit soort dubbelzinnigheden krijg ik daar een ietwat ongemakkelijk gevoel bij.
  “Truus, je moet meer lopen, zei hij ook, dus doe ik dat. Boodschappen doe ik daarom zelf, anders verzet ik helemaal geen poot meer. Niet dat ik daarop zit te wachten want er is niks meer aan. Heb je in de winkel eindelijk iets te vreten gevonden dat je kent, blijkt het thuisgekomen toch wat anders te zijn. Ha lekker! Griesmeel, dacht ik toen ik een pakkie van dat spul zag staan. Wilde de lepel er niet meer uit bij het koken. Blijkt het geen griesmeel maar koeskoes te heten of zoiets, zei mijn dochter, Greet heet ze. Mot ik niet, zeg ik. Geef maar aan de poespoes.
Maar ik weet het wel, dat komt door lui uit andere landen die hier zijn komen wonen. Daar stikt het van in Den Haag. Die zijn hier met niks gekommen en willen dezelfde dingen vreten als wat ze in hun eigen land gewend zijn. Maar Truus, zo heet ik, of zei ik dat al? Afijn, Truus wil ook wel eens wat. Ouwe mensen zoals ik hebben toch al steeds vaker het nakijken in dit land. Bovendien ken ik geen vreemde talen. Dat hoefde vroeger ook niet. Nederlands was genoeg. Soms is dat nu wel lastig, vooral bij TV kijken. Vroeger, toen mijn man nog leefde keken we samen en dan vertaalde hij het als ik het niet snapte. Hij werkte als stenografist bij de Haagse rechtbank. Hem ontging niet veel, als u begrijpt wat ik daarmee bedoel. Het grootste geteisem werd daar naar binnen gebracht. De scheldpartijen, het gevloek, alles moest hij opschrijven. Dat nam hij ook allemaal mee naar huis. ‘Ik ga optieften,’ zei hij dan wanneer hij ‘s morgens naar zijn werk vertrok. Dat deed hij, even denken… vijf jaar geleden alweer voor het laatst, dat ‘optieften’. Of we gingen samen naar de bioscoop maar dat doe ik niet meer. Ik ben maar alleen en van mijn vrienden en familie is niet veel meer over.”
Omdat ik dat gevoel herken en het met haar deelde beaamde ik dat, wat ze beantwoordde met een mager grijnsje.
  “Maar mag ik u nou eens iets vragen,” sprak ze, mij met twee fletsgroene, troebele ogen aankijkend.
  “Dat mag u.”
  “Goed dan. Ik zou het zo vreselijk aardig van u vinden als u eens een stukkie over mij schrijft. Gewoon, over dat we hier met zijn tweetjes staan te babbelen. Ik heb nog nooit ergens in gestaan, ook niet toen ik nog bij de revue werkte, al stond ik altijd en overal vooraan, dat mag u best weten. Als ik dan straks doodga dan is er toch nog een heel klein stukkie van me over, weet u wel. Net alsof ik er dan nog steeds ben.”
  “Bij deze,” beloofde ik. “Als u mij belooft eens over dat straks doodgaan na te denken. Anders heeft uw dochter niemand meer om het aan voor te lezen.”
Voor een moment dacht ze na.
  “Da’s waar. Greet, heet ze. Of had ik dat daarnet al gezegd?”

Truus, als je dit leest: bij deze.

 

   

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door alleen maar eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in zijn WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

  

 

DRAADJESVLEES

Jaargang 2, aflevering 34, donderdag 4 mei 2017

 

 

 

 

DRAADJESVLEES

 

Voor de deur van de Haagse slagerij waar ik wel eens kom zat een donkerblond, tot mijn middel reikend jongetje. In zijn hand lag een eindje touw met daaraan een klein, iets te dik hondje.
Bij het er naar binnen gaan voelde ik dat aan mijn jas getrokken werd.
   ‘Ik lust geen draadjesvlees,’ meldde het jongetje somber.
Nu weet ik dat kinderen over het algemeen altijd de waarheid spreken, voor mij reden een wederkerigheid met hem te delen.
  “Nou, dan eet je toch zeker geen draadjesvlees,” zei ik zo neutraal mogelijk. “Van wie moet dat?”
  “Van mijn vader. Die is hierbinnen.”
Een korte blik naar binnen werpend in de verwachting daar de onverlaat aan te zullen treffen die jongetjes, in dit geval zijn eigen zoon die hij kennelijk dwong tot het nuttigen van zoiets onmenselijks als draadjesvlees dat nu eenmaal tot het cultuurgoed van grote mensen behoort leerde mij dat hij nogmaals de waarheid sprak.
  “Vind je draadjesvlees dan niet lekker,” vroeg ik voorzichtig wat hij beantwoordde met een heftig nee-schudden.
  “Hij wel,” zei hij, wijzend op het hondje. “Maar hij is een hond dus niet helemaal goed wijs. Lust jij draadjesvlees?”
Ik dacht terug aan mijn grootmoeder die het vlees urenlang, tot het vanzelf uiteen viel op een laag vuurtje kon laten sudderen tot het er tenslotte als iets totaal oneetbaars uitzag maar dat wel degelijk was en ook zo rook.
  “Ja,” gaf ik toe, een onthulling die op hem, aan zijn van ontzetting opengevallen mond te zien overkwam als het meest schokkends dat hij ooit had gehoord.
  “Vind je het lekker?”
Daar moest ik even over nadenken. Als ik ja antwoordde was dat hetzelfde als het openlijk verspreiden van propaganda voor de lekkernij wat in dit geval in zijn nadeel uit zou pakken. Nee zeggen daarentegen was het plegen van verraad wat zonder twijfel het effect met zich meebracht dat ik in het openbaar door een jongetje van pakweg tien jaar onmiddellijk voor geschift werd uitgemaakt.
  “Meestal wel,” antwoordde ik eerlijk, want buiten mijn vrouw kende ik niemand meer van wie ik wist dat die het volgens de regels der Hollandse keuken voor mij maken kon. Het visioen van een met blauwe lippen van boosheid aan tafel zittend jongetje dat weigerde zijn bord leeg te eten bracht mij op een idee.
  “Als je geen draadjesvlees lust, wat dan wel?”
  “Patat! Met mayo en appelmoes natuurlijk. Gewoon eten lust ik niet. Dat is goor.”
Het met afgrijzen doordrongen gezicht dat hij erbij trok sprak boekdelen. Zonder dat ik erom vroeg kwam de aap uit de mouw.
  “Van mijn vader moet ik elke dag wat anders eten. Patat is niet goed voor mijn gezondheid zegt-ie maar daar geloof ik geen reet van. Dat zegt-ie maar om mij aan het eten te krijgen, vooral bietjes, spinaasie en rooie kool. Geef dat maar aan de beesten, zeg ik dan maar dan wordt-ie boos. Ik heb gewoon liever patat. Juf zegt dat aardappelen ook groente zijn. Dan mag ik toch zeker zelf wel uitmaken hoe ik die eet?”
  “Van mij mag het,” gaf ik spontaan toe.
  “En van hem mag het niet,” opperde hij. “En jij bent mijn vader niet.”
Een rimpel verscheen op zijn voorhoofd.
  “Als jij wel mijn vader was, zou je mij dan iedere dag patat geven?”
  “Dat zou ik vast wel willen maar ik denk niet dat ik het had gedaan,” bracht ik naar voren. “En ik vind alleen maar patat eten ook niet goed. Het is wel van aardappelen gemaakt maar als je iedere dag hetzelfde eet dan zegt je buik: alweer dat spul? Ik wil wat anders.”
Daar moest hij even over nadenken.
  “Maar het is mijn buik,” zei hij uiteindelijk, zeer beslist. “Die is stom en heeft niks te zeggen. Als-ie bietjes wil dan onthoud-ie dat maar voor een andere keer.”
Tegen zoveel inzicht viel op het moment weinig in te brengen.
  “En,” ging hij verder, “Ik ben al tien jaar oud. Ik heb zoveel goors moeten vreten dat ik jááren voorloop op mijn buik. Iedere dag krijg ik iets anders te eten dan wat ik wil en misschien maar een keer in de twee weken patat met appelmoes dus mag het van mij wel een keer andersom.”
  “Van mij mag het ook,” antwoordde ik, blij vanwege mijn toevallige ontmoeting met zoveel oplossend vermogen. “Als ik je vader was geweest hadden we dat vast zo gedaan,” overtuigd als ik was van de zekerheid dat twee weken lang een dieet van patat met appelmoes hem binnen de kortste keren de keel ging uithangen.
  “O. Maar dat is nu eenmaal niet zo,” zei hij een beetje spijtig. “En van de mijne mag het nou eenmaal niet.”
  “Je zou het je vader een keer kunnen vragen,” stelde ik voor. “Nee heb je en ja kun je vaak krijgen. Wie weet lust je na twee weken geen patat meer.”
 “Echt wel,” antwoordde hij met op zijn gezicht de uitdrukking alsof hij net door de slager zelf met een mes werd bedreigd. “Patat is patat, en bietjes zijn alleen maar bietjes.”
  “Nou, dan moet je het zelf maar weten,” besloot ik, beseffend dat de strijd was gestreden en ik had verloren van een jonge revolutionaire geest. “Als je het niet erg vind moet ik nu even hier naar binnen.”
 “Voor draadjesvlees zeker,” merkte hij op.
Ik knikte.”
Toen ik weer buiten kwam was hij er nog steeds, inclusief het hondje.
  “Ik lust geen draadjesvlees,” hoorde ik hem achter mij tegen een mevrouw zeggen die er net naar binnen ging.
  “Dat is dan pech voor je,” zei ze zonder op te kijken. “Ik eet vanavond draadjesvlees.”
De psychiaters hebben gelijk: kinderleed wordt onderschat.

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor, Bol.com te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!