EGO’S IN ALLE MATEN

Jaargang 2, aflevering 43, donderdag 29 juni 2017

 

 

 

EGO’S IN ALLE MATEN

 

In het pittoreske Portugese dorpje waar wij jaren geleden voorgoed een nieuw heenkomen zochten, vind je nog steeds overblijfselen uit de tijd toen het nog niet tot de bewoonde wereld hoorde. Daarmee doel ik op de periode waarin het land, dat eigengereide strookje Spaanse kust dat de Romeinen liefkozend Lusitania noemden, bestuurd werd door een dictator, in het zadel geholpen door zes maten te grote, in rijbroeken gestoken en rijkelijk besnorde ego’s. Je was je leven er niet zeker en liep het risico op ieder moment van de dag door de PIDE, de Portugese geheime politie opgepakt te worden voor het jatten van een onrijpe druif.
Datzelfde gevoel overkomt je hier als vreemdeling nog steeds. Bij het doorlopen van de hoofdstraat, de Rua de 5e Outubro, vernoemd naar de dag in 1910 waarop de toenmalige koning van Portugal Emanuel de Tweede op de vlucht voor de Republikeinen de benen moest nemen, waan je jezelf voortdurend begluurd. Onbekenden worden door donkere blikken vol argwaan vanaf de stoep en vanachter smoezelige gordijnen langdurig en met angst gevolgd, net zo lang totdat de indringer uit het zicht is verdwenen.
Hetzelfde overkomt mij nog steeds, een ontwikkeling die ik overigens niet betreur. Al te goed is buurmans gek, nietwaar? Een aardig effect daarvan is door in de nabijheid van het café halverwege een keer op de claxon te slaan of in het voorbijgaan even te zwaaien. Als een chiropractor in zijn rijdende praktijk lukt het mij keer op keer om in één klap het hele terras van haar nekklachten te ontslaan.
De tijd lijkt er voortdurend stil te staan. Dat gevoel wordt nog dagelijks aangewakkerd door het massaal uit hun huizen die aan de buitenkant het aanzicht hebben van krotten zwermende ouden van dagen, die dagelijks voor het krieken onderling luid kwakend de praktijk van de dorpsdokter bezetten.
Dat heeft een reden: lukt het de patiënt de overbezette man voor half negen te spreken te krijgen en hem te overtuigen dat het toch echt een spoedgeval betreft, dan betaalt hij niets. Valt hij door de mand dan is daar Filomena zijn assistente, een dikke vrouw met voortdurend de uitdrukking op haar gezicht dat wat haar betreft de revolutie nog wel even iets langer had mogen duren, die vervolgens het duizelingwekkende bedrag van negenhonderd escudos incasseert, sinds veertien jaar het equivalent van een miezerige vier euro.
Dat het dorp eens beroemd was bewijzen de glorieloze restanten van het plaatselijke castelo, nu een ruïne, ooit gebouwd door een Berbervolk waar vanaf het in 1189 hevig strijd leveren was tegen de oprukkende door koning Sancho de Eerste aangevoerde Portugese invallers, want de regio behoorde vroeger tot een Moors koninkrijk. Die inval door een Iberisch leger bestaande uit voornamelijk huursoldaten oftewel notoire dronkelappen is moeilijk voor te stellen. Een enkel blok waar de kasteelmuur uit is opgetrokken weegt al snel zo’n tweehonderd kilo en het hanteren van zo’n stenen mastodont is de gemiddelde bewoner van de Algarve beschouwend, gezien zijn ijle postuur niet aan te zien. Die belegering mocht evenwel niet baten omdat in 1191 de fortificatie weer in handen kwam van Kalief Abu Yussuf Ya’qub Al-Mansur.
Dat gevoel dat er in de afgelopen tweehonderd jaar nog steeds niets is gebeurd wordt nog eens bevestigd door de afwezigheid van een deugdelijk werkende riolering, een tekortkoming die je door het dorp kuierend op een nat pak kan komen te staan vanwege het vanaf tweehoog uit een raam in je nek gekieperde afwaswater.
Een bijkomend voordeel van die onvoltooid verleden tijd is de volslagen afwezigheid van voortsnellende voorbijgangers met mobieltjes. Gesneld wordt hier niets, of het moet hoogstens Joao zijn, de enige rebel die het dorp rijk is die in een afgeragd Japans brikje met afgezaagde uitlaat en bijpassend ego zijn Maria en de hele goegemeente laat merken dat zijn frontale hersenkwab nog niet helemaal is volgroeid.
Beneden, onderaan de berg bij de dorpspomp bevind zich een houten staketsel waaronder je na te zijn welkom geheten door vanwege je melkflessen giechelende zigeunermamma’s nog op ouderwetse wijze compleet met een stuk blokzeep, staand op een steen de was kunt doen, voorover hangend met je buik in een betonnen bak gevuld met zeepsop.
Ook de deuren van het tot een bezoek uitnodigende kerkje staan elke dag, van ‘s morgens acht tot ‘s avonds acht wijd open en in de etalage van een onduidelijke bedoening er tegenover waarvan niet helemaal duidelijk is wat er naar de lokale maatstaven verhakstukt wordt -de Portugese handelsgeest is ondoorgrondelijk- kwijnt een sinds lang vergeten, fabrieksmatig geproduceerd theeservies met fletse roosjes mij tegemoet. Of het kan rekenen op een rooskleurige toekomst blijft uiterst onzeker. Koffie, slaat hier de klok.
Van andere, in het kader van vooruitgang genomen vanzelfsprekendheden is in deze gemeente minder sprake dan in het algemeen voor het hele land geldend mag worden aangenomen. Openbare voorzieningen zijn sinds er twee eeuwen zijn verstreken vrijwel ongewijzigd gebleven en op het nieuwe pand van de ‘Boerenleenbank’ na, zijn alle aanvallen van goedbedoelende investeerders en slimme projectontwikkelaars glansrijk afgewimpeld. Het postkantoor, ooit gevestigd in een moderne, van een glazen pui en airconditioning voorziene gebouw is jaren geleden al wegbezuinigd en huist tegenwoordig samen met Eva, een moddervet wijf en het enigste personeelslid plus inboedel in bij een antiekwinkeltje, tegenwoordig annex. Dat hier sprake is van een hechte symbiose blijkt uit het gevarieerde aanbod dat het kantoor rijk is, dat van al van te voren vergeelde ansichtkaarten, verlopen munten en oude prijzen. Een brief naar Nederland sturen kost er vijftig cent.
Een bezoek aan de maandelijkse zaterdagochtend markt is als een reis door het verleden. Op straat en in kramen uitgestalde artikelen zoals zwartglimmende kolenkitten, busjes koperpoets, gietijzeren vleesmolentjes en kachelpoken doen de bezoeker veronderstellen dat hij zijn kinderjaren opnieuw beleeft en dat die zaken nog dagelijks worden gebruikt, wat ook zo is. Een nog veel uitgebreider arsenaal prullaria is te bewonderen in de drogaria van Filipe, een winkel in ijzerwaren annex drogisterij annex zaadhandel.
De kans dat ooit een eind aan dit tijds vacuüm komt, op welke termijn dan ook, is bijzonder klein. Vooruitstrevende figuren die roepen dat er een dringende behoefte is aan een reorganisatie begrijpen niets van de Portugese volksaard. Die is bovenal conservatief. Veranderingen in de zin van het verbeteren van dingen, kosten nu eenmaal geld en daaraan is in Portugal een chronisch gebrek.
Eenieder die erop uit is niet herkent te worden en zich van de rest van de wereld wenst te onthouden kan ik deze plek sterk warm aanbevelen.

 

 

Vind je dit leuk? Wil je meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar (Ben spaart voor een deur in de WC). Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

ZUSTER IGNATIUS

Jaargang 2, aflevering 42, donderdag 22 juni 2017

 

 

 

ZUSTER IGNATIUS

 

Schrijven doe ik bij voorkeur in stilte. Dat ervaar ik als zijnde prettig. De dagen waarop de behoefte zich aan mij opdringt mijzelf te moeten omringen met door derden voortgebracht geluid komen, gerekend over een jaar dan ook net zo frequent voor als die waarop ik zing of fluit, twee bezigheden die ik uit piëteit voor mijn huisgenoten wel uit mijn hoofd laat. Dat dan weer wel.
Die keer dat ik besloot de oude Grundig radio op een kastje naast mijn bureau aan te zetten vormde een uitzondering op die regel.
Ik drukte de ‘aan’ toets in en wachtte af. Vooroorlogse dingen vragen nu eenmaal om meer geduld.
Pas na drie volle minuten besloot het ding alsnog muziek uit te braken en begon midden in een mij zeer bekend liedje, genaamd ‘Burung kakatua’, een populair kinderwijsje uit Indonesië. Het deed mij denken aan de tijd die ik op het internaat waar ik een groot deel van mijn jeugd doorbracht, maar vooral aan zuster Ignatius.
Zuster Ignatius was blank, ongeveer zestig herfsten oud, geboren op Java en lid van de Congregatie van de Zusters van het Arme kind Jezus en ik, amper tien, speelde de rol van aan haar zorg toevertrouwde ketterse pupil, een vooralsnog onmogelijke opdracht maar een die haar bij afwezigheid van ouderlijk pedagogisch inzicht verrassend goed afging.
Ik had hier natuurlijk kunnen schrijven dat mijn moeder een non was, een heterodoxe mededeling waarvoor ik onherroepelijk in het vagevuur zou zijn geworpen maar gelukkig voor mij had toch niemand dat geloofd.
Vooral die keren wanneer ik verdrietig was of pijn leed was ze er, waarbij ik misbruik makend van haar goedheid erop stond dat ze het liedje voor mij zong, keer op keer.
Het gaat zo:

 

Burung Kakatua

Hinggap di jendela

Nenek sudah tua

Giginya tinggal dua

Letrum Letrum Letrum la la la  (refrein)

Letrum Letrum Letrum la la la

Letrum Letrum Letrum la la la

Burung Kakatua…”

En de vertaling luidt:

“De vogel kakatoe

zit in het vensterraam —

Ze is al oud, opoe,

Twee tanden maar, ocharm.”

De exotische achtergrond van zuster Ignatius die in haar zwarte habijt met witgerande kap meer weghad van een uit Artis ontsnapte koningspinguïn dan een paradijsvogel uit de Gordel van Smaragd, een gevolgtrekking die je van iemand uit Java zou verwachten, bleek uit zo goed als niets, wat natuurlijk kwam door haar standaard uitdossing. Die liet weinig meer aan mijn fantasie over dan de verbeeldingskracht waarover ik als jonge dissident destijds beschikte, toeliet. Alleen wanneer ze sprak verraadde haar knetterende manier van articuleren de Indische afkomst.
Ik was een kind op zoek naar een moeder en daarom zeer verguld met haar, met het gevolg dat ik niets te maken wilde hebben met de andere zusters van de congregatie.
Behalve mijn affectie en bewondering voor haar ontwikkelde ik ook een zekere nieuwsgierigheid naar haar ware gestalte die bleef tot de dag waarop de hoofdzuster ons onder veel gejoel bekend maakte dat de congregatie binnenkort zou overgaan tot het massaal afleggen van het habijt.
‘Ha, eindelijk, een orgie,’ denkt u nu maar ik moet u teleurstellen: dat was het niet.
Alle door mij ondernomen pogingen om het mysterie van het geloof te doorgronden liepen op niets uit, van het schaduwen tijdens haar brevieren in een nabijgelegen stuk bos tot het elke ochtend ondersteboven halen van de wasmand. Gedoemd tot het in grote onzekerheid te moeten voortleven was het een andere waaghals die het ondanks de zware strafmaat die hem boven het hoofd hing in zijn puberhoofd haalde om, gewapend met een zaklantaarn af te dalen tot onder het rooster in de voor het opvangen van straatvuil bestemde betonnen bak, wachtend op het moment dat ze naar buiten kwam waar wij haar met een smoes staande moesten houden.
  “Een grote witte onderbroek,” rapporteerde hij nadien. “De rest is bruin, of nee toch niet. Zwart!”
Vanaf dat moment vond ik wat daarvoor als een spelletje was begonnen opeens niet zo leuk meer als daarvoor en wenste het misselijke jong regelrecht de hel in. Voor de andere details van zijn onderzoek hield ik stoïcijns mijn oren dicht. Ik was solidair met deze soldaat van God en voelde mij een verrader.
Groot was mijn teleurstelling op de Dag der Vleselijke Openbaring toen zuster Ignatius was verdwenen en er een gewoon mens stond in alledaagse kleren.
Ik weet niet hoe het met u is maar het zien van een non zonder habijt heeft op mij een epifanische werking: die van een mopshond in een tuxedo. Niettemin heeft het daarna nog tot de verjaardag van Sint Elmus mogen duren voordat ik genezen werd verklaard en het ligt in de lijn der verwachting dat uw schrijver morgen weer rechtop mag zitten.

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC).
Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

  

 

 

TEILTJE

Jaargang 2, aflevering 41, donderdag 15 juni 2017

 

 

TEILTJE

 

Tijdens een bezoek aan begraafplaats Westduin op de plek waar mijn moeder begraven ligt merkte ik niet direct dat iemand zich in mijn buurt bevond.
Net voordat ik weg wilde lopen kwam een man mijn kant op. Hij was aan zijn witte kuif te zien al op jaren en de smartelijke trek op zijn gezicht en de stagnerende manier waarop hij liep verraadde dat de mot er al een tijdje bij hem in zat.
    “De wereld is geschift meneer,” sprak hij, naast mij tot stilstand gekomen. “Compleet hoteldebotel zeg ik u, en ik erbij.”
Zijn opmerking maakte mij aan het twijfelen.
   “Er zijn nog maar weinig mensen met wie ik het aandurf om tegenaan te praten,” vervolgde hij. “U lijkt mij trouwens iemand die hier niet zomaar komt, dat kan ik zien.”
Hij wees op de prop cellofaan in mijn hand waar daarvoor nog een bos chrysanten in had gezeten.
  “Daarmee bedoel ik te zeggen dat er tegenwoordig een hoop gekken in dit bos rondlopen. Daar hoort u niet bij.”
Een hoopvolle analyse, vond ik. Het kon immers vele malen erger. Ik had de man om zijn telefoonnummer kunnen vragen voor in het geval de regering het plan had opgevat een ‘cordon sanitaire’ rondom mijn persoon te plaatsen ik hem als mijn eerste getuige op kon roepen. Maar omdat ik dan vrijwel zeker als geschift zou worden beschouwd en alsnog werd opgesloten, de dingen nu eenmaal nooit lopen zoals ik graag wil en afgezien van de belastingdienst een regering niet geïnteresseerd is in het individu hield ik het bij een knik.
  “Dank u, dat zeggen er wel meer. Mag ik hopen dat het ondanks alles toch goed met u gaat?”
  “Het valt mee. Tenminste, totnogtoe dan,” zei hij schouderophalend. “Maar het kon beter. Het lijkt of de laatste tijd iedereen erop uit is om elkaars leven te verzieken. Ik ben net 69 jaar geworden en nu mag ik sinds dit jaar van de gemeente niet meer in de buurt van anderen komen. Hier ook niet.”
   “Ik vrees dat ik het nog steeds niet helemaal snap,” antwoordde ik. “U zei toch dat u 69 was geworden?”
  “Ben ik ook. Dat verbod is speciaal voor hangouderen. Alsof we dat expres doen, hangen! Ja, als ze de kans krijgen. Dan hangen ze me op. Ziet u deze voet?”
Ik tuurde naar beneden waar ik een blote mannenvoet maatje 49 met een tekort aan zonuren in een tot op de draad versleten, geruite pantoffel ontwaarde.
  “Die kan ik met moeite voorbij de andere krijgen. Dit is alles nog wat ik ermee kan doen: staan! Sinds een maand is het verboden voor mensen boven de vijfenzestig om bij elkaar te komen. Waarom? Het verstoort het straatbeeld, zeggen ze bij de gemeente. Daar staat een bekeuring op van negennegentig euries. Hohoho! Mag ik effe een teiltje?”
Hij maakte een kokhalzende beweging, alsof hij van plan was over te geven maar er kwam niets.
  “En dat is niet alles. Ziet u die flat daar? Daar woon ik, op nummer veertien. Fijne flat, daar niet van. En een fijne straat met veel ruimte vanwege de parkeerplaats erachter, een die amper door de bewoners wordt gebruikt. Een auto kan ik niet betalen, bijna niemand trouwens die er woont. Dus wordt die parkeerplaats gebruikt door kleine kinderen uit de andere flat ertegenover om op te spelen. Dat is toch leuk? Grut van kleine gezinnetjes, u kent dat wel. Zo ben ik ook ooit geweest. Komen er gisteren twee lui van de gemeente de straat in, gevolgd door de politie. Ik naar buiten. Wat is er, wilde ik weten. Dat mocht ik niet van de juten. Dus vraag ik het aan die gemeentepief. Zegt-ie dat ik me met mijn eigen zaken most bemoeien en of ik op wilde tieften. Dat wilde ik natuurlijk niet. Kijk, als ze zo beginnen dan kenne ze mij niet. Dan is Henk opeens twintig jaar jonger en de schrik van de straat. Pas na tien minuten gehakketak komt het hoge woord eruit: ik was niet een van de ouders. Wat blijkt? Op de stoep krijten staat een boete van honderdveertig euries. Ken je wel, zeg ik tegen die juten. Eentje wilde me gelijk arresteren maar dat laat ik me niet aanleunen. Aan mijn lijf geen polonaise. Zie ik dat grut daar staan huilen krijg ik opeens een idee.”
Hij maakte met zijn armen een wijd gebaar en sprak verder.
   “Kijk, zeg ik. Op de stoep krijten kost honderdveertig euries, toch? Ja zegt er een. Dus dat is dan diefstal zeg ik. Gewoon ordinair jatte van de hardwerkende burgerman. Nee, zegt-ie: er is een overtreding begaan. Stoepkrijten is verboden, blablabla enzovoort. Maar waar zitten die kinderen, vraag ik. Waar zie jij hier ergens een stoep? Ik niet hoor. Nergens. Wel een zee aan asfalt. Wie is hier nou blind? Die kinderen zitten op de weg, idioot, dat zie je toch?
Dat was hard op zijn bakkes en dat had ik natuurlijk niet mogen zeggen maar ik most toch wat?”
  “Wil jij soms mee naar het bureau,” begon die in ene. “Tegen wie denk jij wel dat je het hebt, jij met je jij,” zei ik toen. “Ten eerste hebben wij niet bij elkaar in de klas gezeten want dan had ik je klapkrat wel weten te herinneren. Ten tweede ben ik veel ouder dan jij dus dat had sowieso nooit gekund, ik had je opa kunnen zijn en ten derde had ik je in dat geval een pak op je lazerij gegeven. Toen bond-ie in. “Rustig opa,’ zegt-ie. ‘Denk aan je hart.’
Maar er is niks mis met me hart meneer! Me voeten ja. De shuffle doen zit er voor mij niet meer in maar de rest doet het dankzij die jihadpillen nog steeds prima.
  “Je kunt twee dingen doen,” zeg ik tegen die staatshoer. “Je arresteert mij en je laat die kinderen en hun ouders met rust, of je lazert op en neemt die gemeentegeitebreiers mee. Dit is geen openbare weg. Deze flat en de hele parkeerplaats erbij is van de woningbouwvereniging dus hebben jullie hier niks te zeggen. De mazzel,” zeg ik erachteraan en loop zonder nog te kijken weg. Man, ik deed het in me pantie. Daar ga je Henk, dacht ik nog. Voor jou vanavond geen koteletje met gebakken aardappelen maar grijze kuch. Maar er gebeurde niks, niemendal. Vanochtend zit ik op mijn balkon rustig de radiobode te lezen, wordt er gebeld. Daar zal je ze alsnog hebben, dacht ik weer. Maar dat koteletje konden ze me mooi niet meer afnemen. Doe ik open, wat denk je? Ligt er een bosje bloemen op de kokosmat met een briefje erbij. ‘Dank u wel meneer Willemsen, voor uw moedig optreden,’ stond er op. En in het klein eronder: ‘om kosten te besparen is de parkeerplaats verleden week door de gemeente overgenomen.’
Nou moe.”

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC).
Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

 

  

 

    

 

  

 

  

‘ZEG EENS AAA’

Jaargang 2, aflevering 40, donderdag 8 juni 2017

 

 

ZEG EENS AAA

 

Het beoefenen van sport in een land waar de luchtvochtigheid schommelt rond de vijfennegentig procent en waar gedurende de dag een vrijwel constante temperatuur heerst van vijfendertig graden líjkt niet alleen gekkenwerk maar dat is het ook, gelooft u mij.
Poriën waarvan je niet wist dat je ze daar -ja daar- ook had, manifesteren zich. Water dat je net daarvoor nog gedronken had snelt zich drie seconden later langs je rug om uit te monden in het laagste punt mogelijk: je schoenen, en het grandeur dat vrijkomt vanonder je oksels bevestigd de theorie dat mens en muilezel elkaars genen welzeker delen. Onder die omstandigheden werken aan je conditie is hetzelfde als in je blootje een mijnenveld verkennen: het voelt lekker koel aan, iedereen kan het zien maar jijzelf alleen bent degene die het meeste gevaar loopt.
Zo ook die vrijdag.
Hevig zwetend, bezig aan de realisatie van dat ultrastrakke lichaam waaraan ik al sinds mijn negentiende werk, maakte ik, alhoewel de activiteiten buiten op de veranda plaatsvonden en bewaaierd door een op standje zes draaiende ventilator een onvoorziene beweging, waarna ik plotseling iets voelde scheuren in zowel mijn linkerschouder als rug, beide essentiële onderdelen van het gehele bewegingsapparaat en daarbij zaken die ik elke dag nodig had.
Ik vreesde het ergste.
Mijn linkerarm (ik ben linkshandig) hing er vergeleken bij een minuut daarvoor nu slap en nutteloos bij, of zoals een ex-collega uit Friesland het euvel omschreven zou hebben, als ‘In hynderlul yn ‘e wyn’, wat zoveel hetzelfde betekent als: een paardenlul in de wind.
Goede raad is meestal duur. Dat geldt met name voor zorgkosten, gemaakt in een rijk westerse land. Ik daarentegen woonde in een arm en dus qua zorgkosten goedkoop Aziatisch eilandenrijk zodat ik het besluit nam een bezoek te brengen aan een orthopedist.
Een uur later vond ik mijzelf alweer op weg naar huis, zielsgelukkig, weliswaar een vuistvol Filippijnse pesos armer met gaatjes in het vel mijn schouder en rug vanwege het met corticosteroïden gevulde dartspel van de dokter.
  “Nu mag u voorlopig niet meer sporten,” zei hij er nog bij, een in mijn inziens volstrekt overbodige mededeling. Het is met een ‘hynderlul’ nu eenmaal slecht scoren.
  “Ik verwacht u over een week terug. U zult nog zeker twee injecties nodig hebben voordat u volledig zult zijn hersteld.”
Gerustgesteld maar met een vreemd gevoel op beide plekken leefde ik zo goed en zo kwaad als het ging voort. Er zat zogezegd ‘weinig muziek meer in.’
De week erop, het was weer vrijdag, spoedde ik mij wederom naar het adres waar de dokter woonde waar ik er vervolgens achter kwam dat de man was vertrokken.
‘Met vakantie’, meldde het papier op zijn deur.
Ik dacht aan mijn bankbiljetten en zag een in een gebruind lijf gestoken arts gekleed in een bermuda voor mij, gezeten in een barretje aan een wit, zonovergoten met palmbomen omzoomd strand met uitzicht op een blauwe lagune met dito lucht. Net toen ik twee daiquiri cocktails voorbij zag komen voor hem en zijn bloedmooie vriendin ontwaakte ik uit mijn nachtmerrie: wie moet mij nu injecteren?
Mijn vrouw viel af. Zij was herstellende van drie hersenoperaties als gevolg van een eenzijdig auto ongeluk twee maanden ervoor en kon zodoende amper lopen. Mijn schoonfamilie evenmin. Die had zich thuis massaal op de vierentwintiguursrace snelbidden van Lourdes naar Fatima en weer terug geworpen voor het bij Hem af te smeken doel haar weer te doen genezen.
Dan maar het lokale ziekenhuis gebeld. Of ze mij daar even wilden injecteren met corticosteroïden.
  “Nee hoor, geen sprake van,” luidde het door de dienstdoende zuster over mij uitgesproken oordeel. “U is hier geen patiënt. Welke dokter heeft u die injecties gegeven?”
Enigszins confuus omdat ik bij het verlaten van Nederland daarvoor toch echt dacht te zijn ontsnapt aan het baliekluivende leger herintredende garnalenpelsters antwoordde ik met het noemen van zijn naam.
  “Door dokter De la Cruz? Dan moet u zich ook maar door hem laten injecteren.”
Pas na heel erg boos te zijn geworden wilde de dienstdoende zuster omdat het immers om een noodgeval betrof wel een setje van vier injectienaalden aan mij verkopen.
  “Luister,” zei ik thuisgekomen tegen mijn vrouw, intussen mijn T-shirt uittrekkend. “Ik weet dat het eigenlijk niet kan gezien de staat waarin je jezelf bevindt. Het zal misschien moeilijk voor je zijn maar je moet me ergens mee helpen. In mijn rug zit ergens een klein gaatje. Zie je het? Ergens onder mijn schouderblad.”
Dat zag ze.
   “Mooi. Nu heb ik hier een injectienaald, klaar voor gebruik. Ik wil dat je de punt ervan op ongeveer een centimeter daarvandaan, niet verder, in mijn huid zet. Dat is alles.”
  “Zit-ie erin?” vroeg ik wat later?
Dat bevestigde ze.
  “Goed zo. Nu lopen we er samen mee naar die muur. Houdt die naald zoveel mogelijk recht, horizontaal dus, in mijn huid. Lukt dat?”
Ook dat lukte.
  “Oké. Nu ga ik met met mijn rug tegen de muur staan met de injectienaald tussen mij en de muur in. Als dat is gelukt hebben we het bijna gehad.”
Voorzichtig schuifelden we met ons tweeën naar de muur van de slaapkamer waar ik mijzelf op een schoenlengte afstand vandaan positioneerde.
  “Ben je zover, vroeg ik?”
Ze knikte, wat op dat moment ook het enige was dat ze kon.
De seconde erop sloot ik mijn ogen en deed ik een laatste stap achteruit waarna ik de injectienaald in een keer door mijn rugspieren heen drukte.
Onmiddellijk erna viel ik voorover op een matras die ik op die plek van tevoren had neergelegd waarna ik vanwege de acute pijn die overal toe doordrong het bewustzijn verloor. In plaats van in een spier was de naald in een ader terecht gekomen, het scenario waar ik bang voor was.
Een kwartier, een half uur, het kan ook langer geweest zijn kwam ik weer bij vanwege een ondraaglijke pijn op de plek waar mijn aan haar gezicht te zien lijkbleek geschrokken vrouw de naald er in de tussentijd uit had weten te trekken. De rest van de dag heb ik liggen kermen totdat een lading pijnstillers de zaak pas ‘s avonds iets af wist te vlakken.
De dokter van wie ik vurig hoopte dat zijn bloedmooie vriendin hem op dat strand had verlaten heb ik nadien nooit meer gesproken. De daiquiri’s wel.

 

 

Vind je dit leuk? Of wil je meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zo veel mogelijk met anderen. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor hieronder te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!