AAD

Jaargang 1, aflevering 47, donderdag 27 juli 2017

 

 

AAD

 

Kuierend door de binnenstad van Den Haag kwam ik voorbij een winkel in tweedehands computerspullen. Een nering die aan een sticker op het raam te zien aan het recyclen van printers deed en zo fout als een Arische messenwerper pretendeerde “geheel van deze tijd” te zijn.
In de stoffige etalage stond zo’n apparaat. Loodzwaar, onhandig en luidruchtig want stammend uit de jaren tachtig. Zeer geschikt om er spreeuwen mee uit een boomgaard te verjagen.
Direct moest ik denken aan Aad. Net als ik werkte Aad op een ministerie waar hij het vak van het verzorgen van documenten beoefende, een nuttig tevens soignerend beroep.

Met zijn verschijning als oude, wijze, enigszins naïeve kabouter vormde Aad een weinig opvallende persoonlijkheid op de afdeling die evenwel ruimschoots werd gecompenseerd door zijn gewoonte voortdurend hardop in zichzelf te praten.
“Met een monoloog kan je oneindig elliptisch zijn,” sprak ooit een schrijver. Die uitspraak gold met name voor Aad, wiens verbale gewoonte samen met zijn kale schedeldak jarenlang het meest elliptische element in de kantoorruimte vormde. Zijn monologen hadden het bijkomend voordeel dat je voortdurend op de hoogte was van wat hij deed en hoe hij dacht.
Zijn vrijwel nutteloze, de ether ingeslingerde knusse mededelingen en hersenspinselen zoals ‘Lust iemand nog een kopje thee?’ en ‘Nog twee gaatjes prikken en dan mag ik naar huis,’ zorgden voor een sfeer waarin virtuele breiwerken, naaimandjes en snorrende poezen in de vensterbank het werktempo bepaalden.
Daarnaast was Aad buitengewoon behoudend van aard. Het plastic zakje waar hij zijn bammetjes in bewaarde om de inhoud ervan onder het werk te nuttigen werd, eenmaal leeg gegeten, driemaal door hem opgevouwen waarna het bij wijze van “lefdoekje” in het borstzakje van zijn colbert terechtkwam. De bammetjes van de volgende dag kwamen steevast uit datzelfde zakje.
Aad was volkomen a-technisch. Ondanks dat was hij geïnstalleerd als operateur van De Printer, een log, zelfklevende stickerspuwend monster van het type margrietschijfwiel, een naam die mijn ingebouwde woordenboek niet wil herkennen maar bij scrabble goed schijnt te zijn voor een score van 43 punten.
Aad’s onbedoelde naïviteit bleek uit zijn voortdurende worsteling de bombardoem te willen leren temmen en de pertinente weigering van de zijde van het apparaat zijn meester te erkennen, een strijd die uiteindelijk in het voordeel van De Printer werd beslecht. Hoezeer, bleek wel toen zijn collega’s erachter waren gekomen dat er een manier bestond om het apparaat via hun pc te bedienen en te programmeren zonder dat hij ervan wist.
“Nou moe! Dat ding praat tegen me!” was Aad’s reactie, op een toon van ‘hé, ik ruik scharretjes,’ uit een reeds lang verlopen Snip & Snap Revue. “Kijk eens wat er staat!”
Met onze kaken op elkaar geklemd om het niet vroegtijdig uit te proesten van het lachen lazen wij over zijn schouder mee.
‘Hallo Aad. Dit is De Printer,’ stond op de bovenste sticker gedrukt. ‘Hoe is het vandaag met je?’
De streek kwam aan het licht toen na een half uur en ettelijke berichten vanuit het binnenste van het apparaat meldingen tevoorschijn kwamen waaronder ‘Aad, mijn inkt raakt op,’ en ‘Aad, ik heb jeuk, wil je effe onder mijn stekker krabben,’ waarna een van de samenzweerders zich verried door zijn lachen niet meer in te kunnen houden.
Een andere keer, weken later, bleek Aad opnieuw het middelpunt van de plaaggeest te zijn toen, nadat hij ‘s morgens zijn pc had opgestart, er een geluid als van stromend water uit de speaker tevoorschijn kwam alsof er een wasmachine bezig was met pompen. Op het scherm verschenen de woorden: ‘O jee, het lijkt erop dat er water op de harde schijf terecht is gekomen. Momentje, even droogcentrifugeren,’ waarna een gierend geluid uit het ding opsteeg.
De boosdoener bleek een floppy te zijn die door de plaaggeest de avond tevoren er in was gestoken.
Aad op zijn beurt onderging de plagerijen gelaten, meestal onmerkbaar zelfs door zich een dag lang te hullen in een hardnekkig stilzwijgen tot de stilte op de afdeling, slechts verstoord door het tikken van de klok aan de wand hem teveel werd. De dominee vertrok pas na zijn vraag: “Wil iemand nog koffie?”
Lang duurde zijn inmiddels tot leven gewekte humeur meestal niet. Het op vrijdagavond omwisselen van zijn toetsenbord voor een reeds defect exemplaar bestrooid met zaad van waterkers, gevolgd door water leverde de maandagmorgen erop een miniatuur grasveld op met erachter een boze Aad.
Het was net Kerst geweest en het duurde tot lang na Pasen voordat Aad zijn eigen toetsenbord en daarmee zichzelf weer terugvond.
De Amerikaanse politicus John Boehner zei ooit: ”Luister, je plaagt alleen degenen van wie je houdt.”
Die uitspraak gold ook voor Aad. We waren allemaal een beetje gek op hem. Dat besef is puur menselijk en komt altijd met de tijd. Nooit eerder.

 

***

Vind je dit leuk? Wil je meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar (Ben spaart voor een deur in de WC). Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

 

   

 

   

AFGEKLEED

Jaargang 1, aflevering 46, donderdag 20 juli 2017

 

 

AFGEKLEED

 

De achttiende verjaardag van onze jongste zoon verliep dit jaar tegen iedere traditie in dit jaar vlekkeloos. om te eindigen in een apotheose. De leeftijd waarop ‘alles mag,’ een mijlpaal waarvoor zelfs Rijkswaterstaat een passend bord voor uit had uitgevonden was bereikt, maar de belevenis het mogen naleven ervan moest nog bij hem dóórklinken.
Aan zijn euforie kwam, nadat precies om middernacht aan hem de ontheffing op Artikel Twintig van de Drank- en Horecawet krachtens het nuttigen van alcohol was verleend, een voorlopig einde toen hem werd verteld dat hij nu voortaan zijn kleding zelf moest bekostigen.
  “Ik ben compleet bankroet. Waarom moet alles altijd geld kosten?” vroeg hij een week later, totaal verbijsterd na de aanschaf van een nieuwe, al van te voren op de knieën doorgesleten spijkerbroek.
Hij vertoonde de uitdrukking van iemand die op een blauwe maandag zijn beste vriend had begraven en er na afloop achter was gekomen dat hij het rondgaan met de cake was overgeslagen.
Eerst was ik van plan in een luid ‘aha!’ uit te barsten, om hem er daarna aan te herinneren dat zijn kleren en alles dat de hoorn des overvloeds hem had gebracht, voorheen door zijn ouders werden betaald, maar zag daar bij het zien van zijn asgrauwe gezicht weer vanaf. Leedvermaak is weliswaar de oudste vorm van humor maar tevens ook de hardvochtigste.
  “Die broek die je daar aan hebt,” antwoordde ik bij wijze van herinnering, “kost zoveel geld omdat een slimme ontwerper na het zien van de restanten van de broek van zijn vriend die ermee op zijn knieën heen en terug naar Santiago de Compostela was gekropen, het daarna in zijn botte harses kreeg om ze met gat en al aan jou te willen verkopen.”
“Santio de wattes?”
Onwillekeurig bracht het geval mij terug naar mijn jongensjaren waarin ik, eenmaal per jaar op zaterdag samen met mijn ouders op pad toog in de richting van de confectiefabriek van de Joodse heer Joseph Gazan om daar een nieuwe broek te kopen. Zelf uitzoeken in het immense magazijn annex winkel was er niet bij.
“Nee. Die broek kan echt niet,” was in alle gevallen de afkeurende reactie van mijn moeder als ik het waagde een vinger uit te steken naar iets wat mij personlijk wel beviel.
“Deze,” zei ze dan, wijzend op een grauwbruine pantalon waar ik zonder er veel moeite voor hoefde te doen mijn opa er in kon materialiseren. “Die is toch ook mooi? Het is voor ‘s zondags.”
Het gevolg van die inquisitie was dat ik voortaan bij het bezoek aan de fabriek in de Waldorpstraat nergens meer hoefde te wijzen, inmiddels bekend geworden met de uitslag van de verkleedpartij die immers van te voren al vastlag en waarover bovendien niet mocht worden gecorrespondeerd.
Mijn eerste zelfgekozen broek zocht ik op achttienjarige leeftijd uit in het Broekenhuis in de Wagenstraat dat, eenmaal ermee thuisgekomen het in tegenstelling tot de reactie waarop hoopte, een teleurstelling opleverde.
‘Een lor,’ noemde mijn moeder het ‘puik stukje kleermakersvakmanschap,’ zoals de verkoper het aan mij omschreef. Volgens haar had ik mij maar wat aan laten smeren.
Ermee teruggaan naar de winkel wat gelijk stond aan het erkennen van een door mij te incasseren nederlaag deed ik niet, dus besloot ik hem alsnog af te dragen, een lijdensweg die niet heel lang duurde. Al na een avondje ruig stappen en het nemen van een kortere route naar een ander café via een diepe bouwput was het lor rijp voor de vuilnisbak.
Een week later nam ik wraak.
Op mijn eerste motorfiets, een afgeragde Honda Dream reed ik naar V&D waar ik een droom van een helwit, veel te kort, lekker opzichtig maar daardoor juist uiterst provocerend motorjek kocht. Trots als een pauw reed ik ermee rond en toonde mijn bouwvakkersdecolleté aan iedere automobilist die ik inhaalde. Dat het kledingstuk al binnen dezelfde maand aan het uiteinde van de mouwen, de plek waar nu mijn ellebogen zaten finaal doorscheurde deerde mij niet in het minst. Waar het mij om ging was het zetten van een ‘pointe’ waarin ik, vond ik zelf, volledig in was geslaagd.
Dat die pointe ook in mijn nadeel kon uitpakken, ervoer ik een paar jaar later toen ik, doorweekt vanwege de regen, gekleed in een net daarvoor op het vroegere Waterlooplein in Amsterdam van een hippe handelaar gekochte geitenharen jas uit Afghanistan ermee in de tram stapte.
De enige nog vrije plek was naast een vet oud wijf dat aan haar postuur ooit voor een gezellige tante door had kunnen gaan maar was het vertrouwen van de kinderen die ze aan de lopende band kneepjes in de wang gaf met het klimmen der jaren duidelijk verloren. Met de vegerige patijnlaag op haar blauwbleke gezicht leek ze op een figuur uit een schilderij van Pascal Vilcollet. Daarnaast bezat ze een neus die de Walen een ‘chapeau de curé’ noemen.
‘Het Rokin, dames en heren,” riep de trambestuurder door de speaker, voor mij de mededeling dat ik nog even kon blijven zitten want ik moest immers rechtdoor, naar het CS.
Voor het wijf betekende het sein haar zakdoek te voorschijn te halen die ze ruim met Boldoot – het kon ook 4711 zijn, daar wil ik vanaf wezen – besprenkelde, om die hevig snuivend en inhalerend onder haar chapeau de curé’ te houden.
Het duurde even voordat ik begreep wat er aan mankeerde.
Mijn jas vormde de oorzaak van haar commotie. Het ding, kletsnat van de regen, was begonnen op te drogen. Het verspreidde het smeuïge, welriekende aroma van Afghaanse geitenkaas, maar dan vele malen versterkt op een manier waar wolven en jakhalzen honger van krijgen en oude dames naar de Eau de Cologne doet grijpen. Deze ook.
Een mevrouw op de bank een rij ervoor, met op haar schoot een klein hondje dat sinds mijn binnenkomst hongerig naar mij had zitten kwijlen, ondervond grote moeite het beestje, niet groter dan een krielkip in bedwang te houden, wat verergerde naarmate de stank steeds sterker werd.
Zelf begon ik mij al af te vragen hoe het moest zijn om met die jas een hondenasiel binnen te lopen. Ook had ik een toepasselijke naam,’Kanaal nummer Vijf’ bedacht, voor het geval er een ambitieuze vertegenwoordiger in parfumerieën in de tram zou zitten die de geur als uniek, oorspronkelijk ingrediënt zou erkennen en voor de rechten ervan mij een miljoen euro aanbood.
Het hondje, dat in steeds heviger mate aangetrokken werd door de geur en inmiddels vervaarlijk naar mijn jas was beginnen te grommen vond dat kennelijk ook een goede naam.
“Mama, het stinkt hier,” riep een klein meisje tegen haar moeder twee rijen achter mij. De vrouw, een rijpe kloek zonder eieren maar wel met roze lelletjes onder haar kin zei nog “Sssst,” maar het was te laat, zelfs zo erg dat naarmate mijn jas steeds sterker riekte, steeds meer passagiers zich met de door mij veroorzaakte overlast begonnen te bemoeien.
“Hij is het, die hippie met dat vod aan,” riep de eigenaresse van het hondje op mij wijzend. “Froufrou merkt altijd direct wanneer er ergens iets ligt te rotten. Dat doet ze normaal gesproken nooit.”
“Van mij mag hij er bij de eerste halte ook wel af,” sprak een donkere man met een rastamutsje in plat Amsterdams. “Drek uit de gracht ruikt nog beter. Offie een scheet boert.”
Gedreven door alle protesten besloot ik de tram dan tenslotte maar te verlaten.
‘De mens is een sociaal dier, hij is niet gemaakt om alleen te leven,’ sprak Aristoteles. Ik vraag mij af waarvan hij zijn jas had laten maken.

 

Vind je dit leuk? Wil je meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar (Ben spaart voor een deur in de WC). Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

KAPOT

Jaargang 1, aflevering 45, donderdag 13 juli 2017

 

 

KAPOT

 

“Schat, hebben wij toevallig nog gloeilampen in huis?”
Beteuterd staar ik naar de plek aan de muur waar voorheen nog een intiem licht brandde maar waar het nu donker is.
   “Niet toevallig,” antwoordt mijn vrouw vanuit de eetkamer. “Er gaat er altijd wel een kapot. Dunne of dikke fitting?”
   “Dikke. Dat was trouwens niet mijn vraag.”
Jonglerend met de hete lamp in mijn handen probeer ik mij te herinneren wanneer het was dat ik de vorige erin had gedraaid maar er kwam niets.
  “Hoeveel volt?” vraagt ze nu.
  “Doe maar zeven godnondeju. Dat ding is gloeiend. Zeven is het equivalent van veertig als ik mij niet vergis. Te weinig om er verdwaalde schepen op zee mee deze kant op te lokken maar ruim voldoende om je jatten te verbranden of er iets bij waar te kunnen nemen.”
  “Welke is het?”
  “Die boven de TV.”
  “Hé, hoe kan die nou kapot gaan?” constateert ze bij binnenkomst mij een doosje overhandigd. “Die zat, laat eens kijken…, er nog geen twee weken in!”
  “Lijkt mij sterk,” zeg ik schouderophalend. “Hier staat namelijk: maximale brandduur: drieduizend uur. Dat zijn honderdvijfentwintig dagen, de tijd dat een goudkopleeuwaapje nodig heeft om nog een goudkopleeuwaapje te produceren, oftewel vijftig weken maal zestig uur kijkgenot. Dat wil zeggen: als de TV inmiddels niet de geest geeft.”
  “Ik geloof er niks van, dat van dat aapje” zegt ze. “Wel raar, nu ik erover nadenk. Ik zie mezelf hier nog staan, twee weken geleden. Waar komen die lampen vandaan?”
  “Uit PRC,” lees ik hardop voor. “Dat is geloof ik het Protestants Reveil Culemborg, maar het kan ook de ‘People’s Republic of China’ betekenen. Daar wil ik vanaf wezen. Dat is bij nader inzien dus minder raar dan je op het eerste gezicht zou denken. De tijd dat iets gemaakt werd om het een mensenleeftijd of langer uit te houden ligt ver achter ons. Neem bijvoorbeeld een auto. De eerste modellen staan roestvrij in het museum. De laatsten daarentegen roesten tegenwoordig al weg als ze het hoofd van de dikbetaalde ontwerper verlaten hebben. De dingen zoals ze ooit waren zijn de dingen van nu niet meer. Ik herinner mij oma die tekeer ging tegen een bakelieten schakelaar in de WC toen die kapot was gegaan. Nadat ze het ding met haar pantoffel van de muur af had geslagen bleek achteraf dat het daar al ruim zestig jaar zat. Zestig jaar! Ik bedoel maar.”
“En over die dingen maak jij je druk.”
   “Ja. We schijnen vergeten te zijn goede dingen te maken, spullen uit dezelfde tijd van die schakelaar bedoel ik daarmee. De meeste bedrijven die vandaag de dag iets produceren doen dat niet meer voor onze gezondheid, plezier of gemak maar om de portemonnee van hun aandeelhouders te spekken. Bovendien zeuren die minder. Consumenten zeuren namelijk altijd. En waarom? Ga eens na wat er in de afgelopen tijd hier allemaal niet kapot is gegaan. Koptelefoons, opladers, adapters, een tostiapparaat, de verlichting in de badkamer, afstandsbedieningen, ventilatoren, sommige auto-onderdelen, de antiaanbaklaag van de koekenpan die er samen met de pannenkoek uitkwam, noem maar op. De wasmachine, de koelkast en de vriezer reken ik als verdacht maar die noem ik voor de veiligheid nu niet op. Dat zijn tijdbommen met een door een omgekochte ontwerper vooraf aangebracht mechanisme dat ervoor zorgt dat ze zonder dat wij het weten dag en nacht op ontploffen staan. Niemand, alleen de ontwerper en de directeur weten wanneer het gebeurt.”
  “Jij ziet spoken.”
  “Dat kan zijn, maar bedenk dan dit: vroeger liepen arbeiders uit China waar die apparaten gemaakt worden naar hun werk, net als mijn opa met een ladder op zijn schouder. Daarna per fiets. Toen kwam een slimme Chinees op het idee de revolutie onder het kopieerapparaat te leggen. Daarna zag elke Chinees op TV dat wij in een auto naar het werk rijden, een dressoir van Leen Bakker hebben met daarop de spreekwoordelijke plastic rozen uit hun land. En wat was het gevolg? Meer dan een miljard Chinezen en daar komen er dagelijks zesenveertigduizend bij, maken spullen die binnen een week kapot gaan en willen ook allemaal met een auto onder hun kont naar het werk en een spaanplaten dressoir van waaibomenhout om maar niet te spreken over een loonsverhoging. Denk je eens in: een miljard dressoirs! Dankzij die revolutie bezit iedere fabrieksarbeider nu een auto en verdienen ze bijna hetzelfde als de gemiddelde Nederlandse arbeider die vanwege de luchtvervuiling in zijn stad alweer met die fiets gaat of loopt.”
   “En wat wil je daarmee zeggen?”
   “Dat als je iets wilt hebben dat kwaliteit heeft en handgemaakt is je daarvoor naar Afrika zult moeten. West-Sahara bijvoorbeeld, of Ivoorkust. Daar bestaan geen looneisen, lopen ze nog steeds naar het werk, hebben ze geen dressoir en op rozen zitten ze al helemaal niet al zou ik het ze best gunnen. Het probleem is dat een echte handgemaakte auto net zoveel kost als een huis. Dat kan niemand meer betalen. Ik ook niet Dus begin ik binnenkort maar met oefenen.”
  “Oefenen?”
  “Met lopen. Voor als we straks geen auto meer kunnen betalen, tenminste geen goede. Zie jij ons met zijn vieren in een visserskistje zitten, zo’n in China geproduceerd eierdopje? Nee, dan blijf ik wel thuis, zitten kijken naar het dressoir met plastic rozen.”
  “Dat we niet hebben.”
  “Wat we niet kunnen betalen, bedoel je. Ik herinner mij kabouter Piggelmee. Die woonde samen met zijn vrouw Tureluur in een omgekeerde Keulse pot op het strand. Piggelmee was een groot ziener, wist je dat? Hij was een visionair. Als hij een auto bezat dan was die binnen de kortste keren weggeroest vanwege het zout en in die pot was geen plek voor een dressoir.”
  “En jij hebt te veel fantasie.”
  “Wat mij volgens velen tot een schrijver maakt. Die weten uit niets iets te maken voor de prijs van een tuiltje plastic rozen. Kom daar tegenwoordig maar eens om. Deze lamp mag in de prullenbak, vervaardigd in China.”

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

    

 

 

 

 

 

 

 

  

 

DETECTIVE BENJAMIN

Jaargang 1, aflevering 44, donderdag 6 juli 2017

 

 

DETECTIVE BENJAMIN

 

In ieder vak van de parkeerplaats achter het politiebureau lag een hoofd. Bij elkaar telde ik er drieëntwintig, van wie sommigen de ogen half dicht hadden, als waren ze op het moment van hun plotselinge decapitatie ergens op betrapt.
Ik moest denken aan Indonesië waar mensen die betrapt waren op masturberen publiekelijk onthoofd werden.
Bij de rest van de macabere verzameling die zich nog het best laat omschrijven als een bowlingspel voor seriemoordenaars waren de ogen wel open en keken geschrokken. Het viel mij op dat ze allemaal lang haar hadden dat zonder uitzondering buitengewoon slordig zat, bij een aantal zelf woest.
   “Leden van de Martilyo bende,” verduidelijkte detective Benjamin Javier in gekruid Engels. “Ze liepen een aantal leden van een andere lokale bende, de Salis tegen het lijf. Dat gebeurt wel een paar keer per maand. Dit is alleen nog maar van gisteravond.”
Javier, chief detective van de afdeling zware criminaliteit van het politiekorps van Las Pinas, een aan de hoofdstad van de Filippijnen grenzend stadje zag de geschokte uitdrukking op mijn gezicht.
  “Dacht u dat dit ons werk was? Dat was niet nodig geweest, ze slachten elkaar wel af,” verduidelijkte hij kalm.
De meer dan overtuigende manier waarop hij sprak maakte dat als hij had gezegd dat zijn schoonmoeder verantwoordelijk was voor het bloedbad, ik hem op zijn woord had geloofd.
 “Kom, binnen heb ik er nog meer. Die kunt u ook zien als u wilt.”
Dat wilde ik wel. De kans om met het werk van een van Manila’s vaakst onderscheiden maar ook meest beruchte politieofficieren kennis te maken kon ik niet aan mij voorbij laten gaan. Op mijn weg naar zijn kantoor begeleid door hemzelf, vreesde ik te zullen worden geconfronteerd met dozijnen in koelkasten en vriezers opgeborgen mensenhoofden, maar dat viel mee.
  “Dit is mijn album,” gaf hij gezeten achter zijn bureau te kennen, een dik plakboek met kleurenfoto’s uit een bureaulade tevoorschijn halend dat hij mij toeschoof. “Van elke dode crimineel die hier wordt binnengebracht maak ik na identificatie een foto van zijn kop. Daarna plak ik hem hierin.”
Aanleiding tot het toevallig aan hem afgelegde bezoek was mijn plan aangifte te doen wegens heling, gepleegd door een Oost-Duitser met wie ik destijds een zakelijke overeenkomst had. Had, omdat ik hem wist te betrappen op het geleidelijk ontvreemden van de totale, door mij vanwege mijn verhuizing naar de Filippijnen meegenomen kantoorinrichting.
Toen ik een politieman voorlegde waarvoor ik kwam lachte hij uitbundig, zoals bijna iedere Filipino dat doet wat op zich niet heel bijzonder is omdat iedereen er in die mate lacht, ook in het geval wanneer er juist niets te lachen valt, een gewoonte waar je als bezoeker aan het eilandenrijk waar het merendeel van de bevolking in bittere armoede leeft aan moet wennen.
  “Dat kan, al gaat het even duren,” was zijn antwoord. “Er zijn nog -piep- dertien mensen voor u -piep-. Maar omdat u zo te zien haast hebt mag u het ook zelf proberen.”
Het klonk gekscherend waardoor ik dacht dat hij een grapje maakte, wat niet het geval bleek te zijn. We raakten aan de praat en nadat hij van mij had gehoord waar ik vandaan kwam, wie ik was, waar ik woonde maar vooral toen ik hem vertelde dat ik met een landgenote van hem was getrouwd bleek dat voldoende om het spreekwoordelijke ijs te doen breken zodat hij zich geroepen voelde mij te trakteren op een VIP behandeling. Waaruit die bestond bleek toen hij mij uitnodigde aan een stalen bureau plaats te nemen achter een monster van een zwarte Remington schrijfmachine met daarop welgeteld twaalf velletjes papier in het formaat ‘legal’ met ertussen elf kleverige bladen carbon.
Gekleed in mijn casual khaki T-shirt, spijkerbroek met de zekerheid dat behalve een nietapparaat en een perforator zich ook een Smith & Wesson kaliber 50 pistool in de half openstaande lade bevond voelde ik mij Baretta, de hippe TV detective uit de jaren tachtig. De rol van Fred, zijn iedereen de huid vol scheldende kaketoe werd vooralsnog vervuld door een rits jammerende oude wijven op een houten bank achter mij.
Daar zat ik dan. Of ik zelf mijn proces verbaal wilde typen.
De twijfel sloeg toe. Ik bekende hem geen ervaring te hebben in die zaken. Gelukkig bracht dezelfde agent die voor die dag de taak van wachtcommandant vervulde uitkomst door een kopietje van een eerdere, net in handen gegeven vrijwel identieke zaak van heling oftewel verdonkeremanen van gestolen goederen wat in het Engels wordt omschreven als ‘estafa’, een bredere term voor alles dat met oplichterij te maken heeft, voor mijn neus te houden.
Opgelucht begon ik te typen, de toetsen extra hard indrukkend:
  ‘In the case of …. vs …., No 183629, April 9, 1996 accused of committing the felony of estafa, thus….’, enzovoort.
Ondanks mijn concentratie en mijn onwennigheid de tekst zo goed mogelijk op het papier te krijgen lette ik intussen goed op de reacties van het gevarieerde naar binnen wandelend en over het algemeen zeer luidruchtig volk, dat uiteenliep van boze oude dametjes die eruit zagen of ze aangifte kwamen doen van beroving op klaarlichte dag tot onder politiebegeleiding naar binnen gebrachte, op winkeldiefstal betrapte diefjes in de leeftijd van acht tot en met achtenvijftig, schatte ik, en huilende, minderjarige, met zwarte ogen vanwege hun doorgelopen mascara binnengebrachte hoertjes.
Hun reactie op het mij daar zien zitten was onbetaalbaar.
De wachtcommandant die Cesar bleek te heten vertelde aan iedereen die het weten wilde dat ik een tijdelijke, bij het korps van Las Pinas gedeputeerde collega uit Amerika was die de fijne kneepjes van het betere politiewerk op de Filippijnen moest komen leren, een rol die ik  naarmate de grap voortduurde steeds leuker begon te vinden.
Alhoewel ik al jaren daarvoor met roken was gestopt vroeg ik César op een gegeven moment om een sigaret. Met de bij wijze van rekwisiet achter mijn oor gestoken sigaret gaf ik, af en toe achterover leunend met mijn handen relaxed achter mijn hoofd aan iedereen het voorkomen dat Cesar niets maar dan ook niets dan volkomen de waarheid sprak. Het duurde nog tot halverwege mijn typewerk totdat Cesar vond dat de grap wel lang genoeg had geduurd en mij aan de detective voorstelde.
De detective, voluit geheten Benjamin Miranda Javier met het uiterlijk van op het eerste gezicht nog tamelijk jonge kerel met zwart, piekerig haar en een dun snorretje onder zijn platte neus heette mij hartelijk welkom in zijn kantoor. Uit niets bleek dat deze man zoals ik later hoorde volgens de officiële rankings de als het om een rigoureuze aanpak ging, de op drie na meest succesvolle politieman was van het uit zevenduizend eilanden bestaande land, een bevolking van destijds vijfenzeventig miljoen inwoners met jaarlijks vier komma zeven miljoen gevallen van zware criminaliteit waaronder moord, seriemoord, drugshandel en gewapende roofovervallen.
Toen hij hoorde wat mij was overkomen scheen hij een en al oor. Achteraf bleek hij goed op de hoogte te zijn van het heerschap dat het op mijn spullen had gemunt en kwam het nieuws naar buiten dat die nog veel meer op zijn kerfstok had waaronder ‘five-sixen’, het illegaal verstrekken van leningen aan bijvoorbeeld in de krottenwijken levende allerarmsten. Voor elke vijf peso, omgerekend 89 eurocent, wordt al na een week zes peso teruggeëist. Meestal gaat het om bedragen van omgerekend rond de vijfhonderd euro waarmee door een gezin een wasmachine, TV, koelkast of andere noodzakelijkheid wordt aangeschaft. Na een week wordt dat bedrag verhoogd met honderd euro weer teruggeëist, reden voor de familie van het gedupeerde gezin de illegale geldverstrekkers, vaak van buitenlandse origine met geweld te bedreigen, ze door de krottenwijk te achtervolgen en ze ten slotte in een ongezien moment op een onbekende locatie de keel door te snijden.
   “Waarom schrijft u geen boek over uw belevenissen,” vroeg ik hem bij het afscheid nemen nadat hij mij had beloofd ons eens thuis op te zullen zoeken. Dat bleek een gouden tip. Bij een bezoek aan de ‘National Book Store,’ jaren later kwam ik het tegen onder de veelzeggende titel ‘Gouden kogels in de kop.’
De componist Jim Steinman zei het al: ‘Goud vind je meestal niet op een strand vol zand.’
Of met die kogels ook kronen en vullingen worden bedoeld vermeldt het boek niet.      

 

 

Vind je dit leuk? Wil je meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar (Ben spaart voor een deur in de WC). Alvast heel erg bedankt allemaal!