ONDER DE HAAGSE TOREN

Jaargang 1, aflevering 52, donderdag 31 augustus 2017

 

 

 

ONDER DE HAAGSCHE TOREN

 

De ijssalon van meneer Talamini, sinds 1932 voor Hagenaren een geliefde plek voor een rendez-vous, destijds druk bezocht door immer trefzeker volk, bleek bij mijn bezoek nog steeds hetzelfde te zijn gebleven. Gelukkig, want van de vele neringen die mijn geboortestad ooit zo karakteriseerden waaronder hoedenwinkels en tearooms, hebben de meesten de strijd om te overleven opgegeven, wat evenwel niet van toepassing was voor deze uitspanning.
Ditmaal bestond haar clientèle uit een handvol Haagse penose, twee natte glazenwassers, een verdwaald Duits echtpaar en ikzelf.
‘Och Heinz,’ sprak de vrouw, een op jaren zijnd vals uit haar ogen kijkend loeder voorzien van een hoofddoek en steunkousen tegen haar man, een gepensioneerde Tiroolse slager, schatte ik. ‘Werden wir zwei weitere Italienische glacees bestellen? Aber dann kleinen, ja.’
Ik moest denken aan het liedje “zwei kleine Italiener” van Conny Froboess op wie ik als kleine jongen stiekem een oogje had.
Gelegen op een steenworp van aan de ene kant de Grote Kerk met haar Haagsche Toren waarvan een verhaal in het rond gaat dat in 1702 tijdens een grote brand een burger geheten Abraham Streng de toren beklom om het vuur met zijn nachthemd te blussen, lag aan de andere kant het iedere zaterdagochtend door mij en mijn moeder samen bezochte Stedelijke Badhuis.
“Stortbaden fl 0,25 cent; kuipbaden fl 0,40 cent,” stond op een bord in de ingang waar het altijd broeierig warm was en naar chloor, lysol en plebejeritis rook, want slechts weinig inwoners van de stad konden zich toen de luxe van een eigen bad veroorloven. Die van mij bestond zestien jaar lang uit een zinken teil.
Was het je menens, dat kon je tegen betaling van fl 0,10 cent extra een minuscuul plastic kussentje shampoo uit een daarvoor bestemde automaat trekken om strikt gescheiden van de andere kunne je haar ermee te wassen. Jezelf ermee douchen, wat precies hetzelfde inhield kon ook maar dat is op z’n Frans, en klinkt al veel minder hachelijk.
Na een uur lang strijd leveren tegen de tormentuur van harde borstel en zeep kwam ik moe van het boenen, met een ingestorte moeder maar voorzien van een in de jaren zestig stijl gesteven zijden Palmolive glans op mijn kop weer naar buiten, waar de volgende traktatie alweer op mij wachtte, tenminste, als ik binnen heel snel ophield met voortdurend moord en brand te schreeuwen, want het badhuis bezat een akoestiek waar elke scheet klonk als een donderslag.
Dat traktement bestond uit een, afkomstig van de voor het badhuis geparkeerde Henry’s Snackcar, een oude omgebouwde caravan, patatje mét. Henry’s zelfgemaakte friet, een begrip in Den Haag, bezat een extra dimensie waarvan ik nooit heb kunnen achterhalen waaruit die bestond. Zeker was dat zijn patat bij de Hagenaren uit de buurt de meeste aftrek vond.
Inmiddels is het badhuis zelf allang gesloopt en had Henry zijn caravan ingeruild voor een pandje gelegen aan het Onder de Haagse Toren, genaamd “Henry’s Snackbar,” een verhuizing die hem welgeteld 1 letter kostte.
Ook bij mijn laatste bezoek lag de vergankelijkheid van de mensen en dingen die voorbijgaan al op de loer. Het regende en Henry’s hoofd keek bij mijn laatste bezoek vermoeider dan de keer daarvoor, kwam zijn patat diepgevroren uit een doos en bleven de barkrukken, vroeger bekleed met vrolijk knaloranje skai maar nu overtrokken met het doffe patina van “hier was het ooit gezellig.” op mij na, leeg.
‘Doe mij nog maar een espresso,’ riep een van de glazenwassers, een man met een kort, gevlochten staartje in zijn nek naar een van verveling gapend meisje achter de balie. ‘Met dit weer houden de klanten hun raam stijf dicht. Dat doen ze expres zo.’
Naast de ijssalon bezit dit deel van de stad nóg een bezienswaardigheid, die van het waarnemen van met gevaar voor eigen leven als dollen in het rond fietsende stadsbewoners. Dat komt door de tram die ter plekke, rondom de Grote Kerk, zoveel plezier in haar bestaan heeft dat ze er een extra rondje om de kerk maakt. Samen met het eenvoudig rechtdoor rijden van minderbedeelde trams levert dat een wirwar van rails op, wat per fiets over het stalen spoor laveren hetzelfde effect oplevert als je ermee op een koord begeven.
Op eenzelfde dunne draad bevond ik mij zelf een keer toen ik, destijds nog een nieuwsgierige jonge kerel tijdens mijn bezoek aan een door een Haagse vogelvereniging georganiseerde papegaaienshow in het toenmalige zalencentrum Amicitia een verkeerde deur opendeed waarmee ik per ongeluk een zaal betrad waar op dat moment het congres van de Communistische Partij Nederland werd gehouden.
Niets aan de hand, zou je zeggen, ware het niet dat tweehonderd woedende arbeidersgezichten allemaal tegelijk mijn kant op keken op een manier alsof ik een spion was, uitgezonden door het verderfelijke grootkapitaal.
Net voordat er geroepen werd ‘mannen, grijp hem!’ kon ik de deur snel achter me dichttrekken en voorkwam daarmee dat een woedende meute achter mij aan kwam in het voornemen de landverrader te lynchen.
Gelukkig doe ik niet aan politiek, stonden er geen geschikte bomen in de buurt, en kon ik bij het handen wassen in de toiletruimte een boze voorzitter die Marcus Bakker bleek te heten hem er persoonlijk van verzekeren dat er van opzet mijnerzijds geen sprake was, integendeel zelfs. Rood was, als het om papegaaien ging, mijn favoriete kleur.
‘We gaan weer, ondanks het weer,” sprak dezelfde glazenwasser opgetogenheid simulerend. “Nog bedankt voor het lachen en de groeten aan je vader, de man van moeder de vrouw.’
Heinz Weber zong ooit: “Ich sage danke fur die jahre,”
Toepasselijker kon het niet. We zijn Den Haag veel verschuldigd.

 

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de slaapkamer). Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

 

 

DAG VOGELS

Jaargang 1, aflevering 51, donderdag 24 augustus 2017

 

 

DAG VOGELS

 

Verscholen in het lommer achter restaurant ‘De Landbouw’ te Wassenaar, nabij Mariahoeve, door schalkse Hagenaren ‘Maria, hό eve’ genoemd, bevond zich, tegenwoordig een bestemmingsloos stuk land waar ambtenaren niet te beroerd voor waren hun inktzeis eroverheen te halen maar daarna niet meer wisten wat ervoor in de plaats moest komen, ooit de boerderij van Boer Vogels, de plek waar ik een keer de zomer doorbracht.
Boer Vogels was een broer van de gelijknamige melkboer bij ons in de straat die samen met zijn vrouw Corrie een ’zuivelinrigting’ bezat, een winkel waar het naar kaas rook.
“De melkboer heeft beroemde vrienden,” vertelde mijn moeder eens tijdens een bezoek aan de ‘inrigting’, waar de melkboer er op veelzeggende toon bij zei dat Pipo de Clown een persoonlijke vriend van hem was, een verhaal dat er bij mij wel in ging.
“Let maar op,” zei hij toen hij de volgende dag met zijn melkwagen bij ons voor de deur stond. “Zeven uur vanavond, dan zegt hij mij gedag.” Een bewering waar ik, snotneus die ik was met heel mijn ziel en zaligheid in geloofde.
Die avond om klokslag zeven uur zat ik vol spanning voor de buis, te wachten op het moment dat het ging gebeuren. Groot was mijn ontsteltenis toen ik Pipo afscheid hoorde nemen met de woorden “dag Vogels, dag bloemen, dag kinderen.” Vanaf die dag koesterde ik een diep ontzag voor de melkboer. Een VIP in de straat hebben overkwam niet iedere jongen.
Dat mijn tewerkstelling op de boerderij eenmalig was, lag niet zozeer aan mijzelf, maar aan de gulle ruimhartigheid van Vogels zelf, nadat tegen het eind van de maand, wanneer de koeien gemolken waren, het hooi gemaaid en binnengehaald was en alle schapen van mij een zetpil in hun achterste hadden gekregen, ik beloond werd met de uitreiking van een hoorn. Niet die van ‘des overvloeds,’ vol lekkernijen maar een echte, ruikend naar koeienoorsmeer en stremsel. Vorstelijk was mijn traktement niet. Wel leerzaam. Ik heb de boerderij daarna dan ook nooit meer teruggezien.
De plek zat vol onverwachte verrassingen, zo bleek al bij de eerste keer dat ik erheen werd gebracht. Tegen de hooischuur stond een houten staketsel, voorzien van een dak waarop met witte kalkverf de woorden ‘Negerhut van Oom Tom’ waren aangebracht. Negers heb ik er nooit gezien. Een man die zich Oom Tom noemde evenmin. Boer Vogels, een kleine, gedrongen man met haar als stro op zijn kop kon het niet zijn. Zijn knecht Janus, een nog oudere man met spierwit haar evenmin.
Dat het hier een grap betrof, daar kwam ik jaren later pas achter toen ik een boek van Huckleberry Finn uit de bibliotheek mee naar huis nam. Dat Boer Vogels gevoel had voor het maken van discriminerende statements wist ik toen nog niet, maar het mocht gezegd worden dat de plek verdomd sterke gelijkenissen vertoonde met het huis uit het gelijknamige boek.
Alleen jammer van die neger.
‘s Ochtends, na het bijvoeren van de koeien en wanneer er voor het moment niets te doen was greep ik mijn bamboe hengel die ik er had staan, nam een sneetje mals King Corn brood uit mijn trommeltje en nam plaats aan de waterkant.
Al snel had ik beet, om te beginnen heel spreekwoordelijk in de vorm van een zwartwitte poes die steeds als ik ging vissen vlak naast mij kwam zitten, en elke beweging die ik met de hengel maakte vol spanning volgde, in afwachting van of wat er aan het haakje kwam misschien wel aan haar zou worden toebedeeld.
Als dit een roman van Cissy van Marxveldt zou zijn geweest, dan was de titel van het verhaal Joop ter Heul op de boerderij, in plaats van Dag Vogels geweest, en waren de poes en ik in het plot elkaars beste maatjes geworden, wat in werkelijkheid ook zo was.
De poes, Jozefien noemde ik haar, een liefhebster van vorentjes, bliekjes en baarsjes, zo bleek later, was niet meer bij me weg te slaan. De koeien die met hun lange kleverige tongen kwamen kijken wat ik nog meer in mijn trommeltje had zitten evenmin.
Dat het augustus was, want enig besef van seizoenen had ik vanwege mijn jonge leeftijd en het zorgeloze bestaan niet, bleek toen op een heldere, warme ochtend een door twee joekels van zwarte paarden getrokken houten kar het erf opreed, gevuld met strijdliederen zingende en luid door elkaar kwakende jongelui gewapend met lange vorken. Even vermoedde ik te maken te hebben met gerepatrieerde, boze, losgebroken patiënten van een gesloten jeugdinrichting maar het bleek hier om ‘hooivolk’ te gaan, een meute jolige pubers die door de boer waren opgetrommeld om mee te helpen hooien.
Dat hooien een aparte tak van sport was, en boerenvolk een best woordje kon vloeken, bleek wel uit mijn spontane aanbod om het ook eens te proberen, waarbij de pluk hooi die ik eindelijk op mijn vork had weten te prikken, weliswaar de hooiwagen haalde, maar er steeds weer aan de andere kant vanaf viel.
Na de uitspraak “Gratverrrrdikkie da’s toch niks veur da’ jungske,” werd er besloten dat het ‘jung’ het toezicht over de twee paarden kreeg, die steeds bij de woorden “hu!” respectievelijk “ho!” een pas naar voren moesten maken dan wel stoppen.
Het hooien liep uiteindelijk uit op een lange dag zwoegen in de snikhete zon, waarbij ik tegen de namiddag zo moe was geworden van het ‘gehu en geho’, dat ik zeven uur ‘s avonds pas werd teruggevonden in de hooiberg waarbij ik van louter vermoeidheid in mijn blauwe overall bleek te hebben geplast. Onderweg, roodverbrand fietsend naar huis leverde mij dat een schroeiend soort ongemak op waarvan ik u de details liever bespaar. Opgroeien gaat altijd gepaard met ongemakken.
Dat van die neger blijft jammer.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

  

KLIEDEREN

Jaargang 1, aflevering 50, donderdag 17 augustus 2017

 

 

 

KLIEDEREN

 

  ‘Een zinsbegoocheling meneer. Dat is het.’
Staande voor het Haagse, door menig toerist meest bezochte en door Hagenaren zelf minst bekeken uitje in de Zeestraat, kon ik de met een brede voorsteven geschapen man naast mij die daardoor in het bezit was van een postuur waar de op winst beluste confectieindustrie vast geen passend antwoord op had, daar niet anders dan gelijk in geven.
‘Vijf-tien jaar deed-ie erover, Mesdag bedoel ik,’ zei hij. Uit zijn stem klonk ontzag, op een manier zoals een kind dat bij het voor het eerst beklimmen van de Euromast gezegd zou hebben.
‘Voor een gewoon mens zoals ik is het je moeilijk voor te stellen dat die man hier met zijn hele familie inclusief hebben en houwen heeft staan schilderen. Die zelfopoffering, daar kun je tegenwoordig toch gewoon niet meer bij met je verstand?’
Ik knikte.
Mijzelf een beetje kennende weet ik dat er dagen zijn die zelfs zonder zinsbegoocheling een hele toer zijn om door te komen. Maar ik ben dan tenslotte ook geen uitje.
‘Ik schilderde vroeger ook wel,’ vervolgde de man. ‘Meer kliederen was het achteraf beschouwd  eigenlijk, hoofdzakelijk mensen en dieren, want dat móést, in groepsverband onder leiding van een leraar, zo’n harig Bob Ross type.’
Nu heb ik persoonlijk niets tegen Bob Ross, integendeel. Zijn schilderijen hadden weliswaar iets waardoor je blik erheen getrokken werd maar voor mij waren vooral toonbeelden van leegte. Op geen enkel doek sprong een reetje rond. of zag je een uil op een tak zitten. Laat staan een mens, zonder de tak, wel te verstaan.
‘Niet dat het geklieder iets om het lijf had hoor,’ vervolgde hij. ‘Daar had je van die blote ‘mudellen’ voor. Die gingen zo, húp, voor je uit de kleren. Daar stond ik dan met mijn kwast in de hand. Of ik er “sil vous plait un tableau vivant” van wilde maken, toen een hele opgave omdat het op dat moment met dat model vlak voor mijn snufferd natuurlijk niet meer wilde lukken, vooral vanwege die twee roze ogen die me constant aan bleven kijken.’
Omdat ik zijn volgende vraag al aan zag komen en er geen behoefte aan had een onbekende man deelgenoot te maken van mijn eigen ervaringen met de kwast vroeg ik hem bij wijze van afleidingsmanoeuvre of hij ook iets anders schilderde.
‘Beesten schilderen meneer, dat lag mij wel, vooral in het begin. Mussen, wormen, wandelende takken, kevers… Ziet u die zeemeeuw daar? Zoiets, maar dan meer impressionistisch. Mijn zeemeeuwen waren levensecht, niet van het origineel te onderscheiden zolang je maar je ogen een beetje dichtkneep.’
Hierbij wees hij op het panorama waar een stel paarden met vereende krachten een vissersschuit de branding uit trok.
‘Zo’n paardenkont schilderen is ook mooi, maar ging mij een beetje te ver. Nee, als ik zou mogen kiezen heb ik liever iets van Mesdag aan de muur dan mijn paardenkont, al zeg ik het zelf.’
Vooral voor dat laatste argument viel iets te zeggen, vond ik.
‘En nu schilder ik alleen nog dingen aan de binnenkant van mijn ogen.  Mijn vrouw zegt ‘verven’ maar dat is fout. Verven doe je met je kleren of je haar. Met een kwast heet het schilderen, zoiets weet ik. Maar sinds een tijdje geleden wil ze niet meer hebben dat ik dat schilderclubje bezoek. Het zou mij afleiden, zegt ze. Maar ik weet wel hoe dat komt.’
Na diep te hebben geinhaleerd ontsnapte een zucht aan zijn mond, waarbij de buik opzwol tot vervaarlijke proporties om daarna weer in te zakken.
‘Haar probleem is jaloezie. Daar ben je te oud voor, zegt ze. Maar met alleen kijken is toch niets mis, meneer? Een vrouw ziet toch ook liever een mooie schemerlamp in de kamer staan, of een boeketje rozen op tafel?’
Omdat ik vond dat daar wel iets voor te zeggen viel, antwoordde ik dat hij wat mij betrof daar wel gelijk in had.
‘Nou dan. Maar omdat ik toevallig een man ben van middelbare leeftijd wordt het mij verboden ernaar te kijken! Als ik mocht kiezen zie ik ook liever een lekker wijf dan twee opgepoetste appels op een schaal. Daar heb ik toch zó de pest aan hé. Aan die nepappels bedoel ik, laat dat voorop staan. En nu sta ik voor de zoveelste keer hier, samen met u te kijken naar die paardenkonten.’
Nou was die constatering enigszins voorbarig, want ik was al een beetje uitgekeken op die paardenbipsen en had mijn uitzicht inmiddels al verschoven naar de horizon waarachter ik het liefst en zonder afscheid te nemen wilde verdwijnen.
‘Dus u komt hier wel vaker,’ vroeg ik op een zo neutraal mogelijke toon. Tegenwoordig moet je erg oppassen met die vraag. Voor je het weet wordt je wakker in een donker souterrain, vastgebonden naast een naar persoon die het allemaal verkeerd begrepen heeft.
‘Elke dag zo’n beetje. Je leert de dingen anders te zien. Dat veel wat je om heen ziet bedrog is, net zoals het Panorama. De meeste mensen interesseert dat niet, net zoals die peuken daar in het zand. In de tijd dat het panorama werd geschilderd bestonden namelijk nog geen filtersigaretten. Ik toen ook nog niet trouwens. Als ik daaraan denk en hoe langer ik ernaar kijk hoe meer behoefte ik krijg om erin op te gaan, weg van alles en iedereen, ook van u, met respect overigens. Toen waren er nog geen schreeuwende reclames, geen krijsende, om ijsjes gillende kinderen, geen gebrul van motoren, gewoon weg. Hebt u dat ook?’
Dat moest ik ontkennen. Als iemand die wel eens een paar regels op papier zet, beschouw ik reclames, schreeuwende kinderen en motoren als elementaire accessoires, bewijzen dat op die plekken geleefd wordt, voor mij een onuitputtelijke bron van materiaal.
‘Maar wat ik nou zo gek vind,’ sprak de man opgeruimd, ‘Is dat het net lijkt of die zeemeeuw daar steeds verder een stukje opschuift. Maar dat zal wel bedrog zijn. Net als de rest.’
Uitgekeken op het bedrog besloot ik mijn zieleheil elders te zoeken.
Ergens in opgaan is zo 2016.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

 

 

  

KNUFFEL

Jaargang 1, aflevering 49, donderdag 11 juli 2017

 

 

 

KNUFFEL

 

Ik lag nog maar net in bed toen de telefoon ging. Het was half één, zag ik op de wekker.
Nu ken ik persoonlijk niemand waarvan ik weet dat die mij op wilt bellen, laat staan ‘s nachts. De laatste keer dat de telefoon zijn lokroep liet horen was bijna een maand geleden en toen bleek het voor mijn vrouw te zijn.
Zonder het licht aan te doen stommel ik uit bed en zette mijn voet maat 50 per ongeluk op een van de voorpoten van een hond die zich had voorgenomen daar te gaan liggen.
  “Wat doe je,” vraagt mijn vrouw, die wakker was geworden van het door het dier luidkeels ingediende bezwaar.
  “Een enkel geval van dierenleed veroorzaken. Marian zal wel boos zijn. En de telefoon gaat.”
  “Marian?”
  “Tieme.”
  “O, die.”
Aan tafel gezeten, slechts gekleed in mijn onderbroek neem ik op.
  “Hallo schat,” klinkt een zwoele vrouwenstem in mijn oor. “Ik ben het, Louise. Wat ik je
nog wilde vragen: wanneer jij deze maand of wanneer dan ook onze kant op komt, vergeet dan alsjeblieft geen complimentje aan Daniël te maken. De lieverd heeft het zó verdiend.”


Nu ben ik het soort persoon die overal voor in is, maar als er met scherp ‘geschat’ wordt geschoten en dan ook nog in mijn richting, zoek ik direct dekking. Daarnaast wist ik heel zeker dat, tenzij ik intussen aan Alzheimer ten prooi was gevallen, dat mijn vriendenkring geen Louise bevatte en als dat wel zo was dan had ik mij haar vanwege haar stemgeluid vast en zeker weten te herinneren.
Het was een stem van het type dat je kon verwachten van een TV omroepster, of van een voice-over bij een TV programma over het paargedrag van het breedbekkikkertje dat zich tijdens het broedseizoen in de Oostvaardersplassen ophoudt. Maar omdat het al laat was en de TV omroepsters in het bejaardentehuis zaten en alle breedbekkikkertjes inmiddels vast wel zouden slapen, had de stem van Louise hetzelfde effect op mij als dat van een drietonige scheepshoorn.
  “Beste Louise,” begon ik. “Hoe graag ik Daniël persoonlijk een aai over de bol zou willen geven, zit dat er niet in. Evenmin dat ik ooit bij je langskom. Bovendien ben ik al getrouwd. Mijn excuses daarvoor.”
Even bleef het stil.
  “Al getrouwd? Hoe kon je,” sprak Louise weer, ditmaal duidelijk geagiteerd. “Wanneer was dat dan? En hoe heet ze? Het is toch niet Julia, of Bernadette? Dat kan niet want die bitches heb ik gisteren nog gesproken tijdens de maandelijkse lingerie party. Sorry, hoor, maar ik vind dit werkelijk te gek voor woorden. We zijn nog geen zes weken uit elkaar en jij moet ‘em der gelijk al weer bij een ander inhangen. Tjeezus, hoe kon ik mij zo in je vergissen!”
  “Jezelf vergissen of de mededeling van mijn kant dat ik getrouwd ben, ze zijn niet zozeer het probleem, vind ik zelf,” antwoordde ik. “Het is om de reden dat wij vreemden zijn voor elkaar. Anders gezegd, ik ken  je niet wat niet wegneemt dat ik vind dat je een prachtstem hebt. Doe je daar iets mee?”
Opnieuw stilte.
  “Wie is dat?” wilde mijn vrouw die inmiddels rechtop was gaan zitten, weten.
  “Het is Louise met de mooie stem.”
  “O.”
“Nee, maar dank je voor het compliment,” antwoordde Louise. “Maar ben jij dan niet Xander?”
“Helaas voor jou: nee. Ik ga sinds mijn geboorte gebukt onder een andere, veel minder sjieke naam. Geen Xander of Daniël maar een waar ik mee kan leven. Zelfs een waar ik de laatste tijd redelijk gelukkig mee ben.”
“Wie ben je dan?”
Ik gaf haar mijn naam waarna het geruime tijd stil bleef.
“Ben je er nog,” vroeg ik voor de zekerheid.
“Ja. Ik ben er nog. Vermoedelijk heb ik een verkeerd nummer gedraaid. Sorry daarvoor.”
“Het geeft niet. Ik was toch nog op,” loog ik. “Hoe is het nu met Daniël?”
“Het gaat wel. Hij mist zijn vader nogal. Xander.”
“Snap ik. Wil je dat ik even met hem praat?”
“Nee, dat hoeft niet. Hij ligt al een tijdje op bed en moet er morgen alweer vroeg uit om op tijd te zijn voor het conservatorium.”
“Wat goed van hem! Wat speelt hij?”
“Daniël is erg begaafd. We hadden hem opgegeven voor piano maar hij heeft uiteindelijk zelf voor violoncello gekozen.”
“Een mooi instrument. Goed gekozen.”
“Dat vind ik ook. Het heeft iets…heftigs, en toch heel gevoelig. Daniel is ook gevoelig. Dat heeft hij van mij.”

In mijzelf zag ik Daniël voor me, een stille, slanke jongen van rond de twintig met een grote bos krullerig zwart haar.
  “Gevoelige mensen zijn vaak erg introvert,” zei ik om het gesprek maar eens een andere wending te geven. “Ze eisen het uiterste van zichzelf. Een eigenschap die veel energie vergt. Daardoor hebben ze iemand nodig die ze stimuleert maar ook op tijd afremt. Anders gaat het mis.”
   “Ik begrijp wat je bedoelt,” zwoelde Louise. “Ik hang dus maar eens op.”
    “Doe dat,” antwoordde ik. “En doe hem de hartelijke groeten. Van mij. Zeg maar dat Xander het was en geef hem een knuffel.”
    “Doe ik,” sprak ze. “En nog bedankt.”
    “Wie krijgt van jou een knuffel?” vroeg mijn vrouw terwijl ik de telefoon neerlegde.
     “Daniël. ‘T is een schat.”
      “Wie is dan in godsnaam weer Daniël?”
      “De zoon van Xander.”
      “Ah, Nu komen we ergens. En wie is Xander?”
     “De ex van Louise. Wist je dat dan niet? Hun zoon, Daniël heet hij, speelt violoncello en studeert aan het conservatorium. Daniël doet iedere hele dag zijn stinkende best maar mist zijn vader. Zijn moeder, Louise dus, zit nog steeds in de ontkenningsfase vanwege de scheiding en is lichtelijk achterdochtig, vooral naar Julia en Bernadette. Julia is koopziek en denkt de hele dag alleen aan sexy lingerie. Bernadette daarentegen…”
  “Hoho, rustig maar, het is al goed.”
    “Mooi. Truste.”
     “Truste.”

  

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

   

 

 

 

       

PSEUDO

Jaargang 1, aflevering 48, donderdag 3 augustus 2017

 

 

 

PSEUDO

 

  De ondoorgrondelijkheid van het door de Portugese bevolking liefkozend ‘cultuur’ genoemde papieren doolhof, voor buitenstaanders een ondoordringbaar bureaucratenwoud, blijkt bij een poging je er per se een weg erdoorheen te willen banen.
Het Romeinse voetvolk klaarde tweeduizend jaar geleden het karwei in een week. Mij kost het nu vier jaar en ik heb nog steeds het idee voortdurend met mijn hoofd tegen plakkerige vliegenstrips aan te lopen. Maar ik ben dan ook geen Roomse krijger maar schrijver. En een bezorgde vader.
‘Te willen banen,’ schrijf ik hier uitdrukkelijk, want ook voor mij voor wie de nood hoog is, blijkt wanneer tijdens mijn eenmansexpeditie het Portugese zorgsysteem te willen leren kennen, het een vervaarlijk en volkomen ondoorgrondelijk monster te zijn.
Nu lacht u misschien en als dat zo is dan is dat gezond. Ik gun het u.
Maar dat die hoge nood niet gaat over een storing in mijn natuurlijke aandrang nodig even te moeten plassen zal u inmiddels ook wel duidelijk zijn. In tegenstelling tot wat u denkt werkt mijn prostaat namelijk prima. Waar dit dan wel over gaat betreft een prangend verzoek aan de autoriteiten mijn zoon Jeffrey te willen erkennen, iets dat voor bureaucraten net zo moeilijk schijnt te zijn als voor een kameel door het oog van een naald te kruipen wat volgens de overlevering ooit een keer schijnt te zijn gelukt.
Dat komt zo: Jeffrey, een behulpzame en vriendelijke jongen, lijdt aan het Williams-Beuren syndroom. Dat is een niet progressieve, ernstige handicap. Vervelend vooral, wat onder meer blijkt uit Jeffreys onvermogen tot converseren. Het pseudogeluid dat hij in een poging daartoe produceert lijkt op het voorlezen van het door een dronken stenograaf vervaardigd briefje aan zijn baas dat hij er voorgoed de brui aan geeft en die wat hem betreft zelf voortaan de pest kan krijgen.
Zo betekent ‘nitin’: ‘ik heb geen zin,’ ‘pappepiepels’: ‘gebakken aardappelen,’ en ‘tappetamme’: ‘gadverdamme.’
Meer is ook niet nodig. Jeffrey is namelijk uiterst zelfredzaam en weet als de nood aan de man komt zelfs van een listig zigeunervrouwtje de euro die ze bij het terugbrengen van het winkelwagentje uit zijn hand wist te grissen, deze weer terug te jatten.
Zigeuners zie je volop in Portugal. Compleet met de hele familie bevolken ze ongevraagd de met auto’s met buitenlandse kentekenplaten gevulde parkeerplaatsen, ongezien voelend aan de sloten of er misschien eentje open wil. Zo ook op de banken in de wachtkamer van de ‘Social’, de Portugese Sociale Dienst, waar wij naartoe moesten om voor Jeffrey die eenentwintig jaar was geworden, formulieren op te halen. Zonder formulieren besta je niet. Ambtenaren weten dat.
Zonder te bestaan is er ook geen humor. Dat die er wel degelijk is blijkt uit de op de in het Portugees opgestelde formulieren voorbedrukte vragen zoals ‘bent u weduwe of weduwnaar, zet dan een ‘ja’ in het daarvoor bestemde vakje,’ of ‘ontvangt u pensioen, geef dan hier het bedrag aan dat u ontvangt.’
Dat Jeffrey een bijzondere jongen is en pas eenentwintig, heeft in vier jaar tijd nog steeds tot niemand door willen dringen. Evenmin dat daardoor de kans groot is dat hij geen weduwnaar kan zijn en daarbij geen recht heeft op pensioen.
Vroeger zorgde dat voor onthutste blikken en misplaatst commentaar wanneer ik met hem mee het openbaar toilet inging om zijn billen af te vegen.
‘Curiosity killed the cat,’ zeggen de Engelsen, wat ook klopt want in die gevallen laat ik hardop blijken Hagenees te zijn, een afdoende maatregel en aanleiding voor iedereen abrupt zijn of haar strot voorgoed stijf dicht te knijpen.
Zo ook vanmorgen bij het bezoek aan de huisartsenpost met de bedoeling de ingevulde formulieren weer bij de huisarts in te leveren.
Tijdens de volle twee uur wachten – voor Jeffrey een ware tantaluskwelling – intussen lijdzaam de stoet oude vrouwtjes met ongetwijfeld onsmakelijke oudevrouwtjesafwijkingen voorbij te hebben zien trekken, doodde ik de tijd met het verzinnen van een naam voor hun afwijking.
‘Een typisch geval van chronische huidwaterzucht,’ stelde ik vast bij een vrouwtje met een hondengezicht dat voortdurend achter zich keek of er niet per ongeluk een staart vanonder haar bloemetjesjurk begon te groeien. ‘Boerhaave’s biggenpootjessyndroom,’ vermoedde ik bij een andere seniore, in het bezit van een stel tot buitenproportionele omvang vergroeide onderdanen.
Maar eindelijk, na meneer da Silva en mevrouw Mendez waren wij aan de beurt.
‘Jeffrey!’ klonk de verlossende stem uit de spreekkamer, waarop een Portugese man die klaarblijkelijk eveneens Jeffrey heette, voor ons de benen nam en ondanks onze ontstelde blik de spreekkamer binnen wandelde.
Toen ik Jeffrey had duidelijk gemaakt dat de meneer niet echt Jeffrey heette en de man vertelde dat wat hij deed niet paste, vertelde hij dat als het ons niet beviel ‘we maar terug moesten gaan naar ons eigen land,’ want: ‘dit is Portugal.’
Nu weet ik dat ik mijzelf over het algemeen redelijk goed onder controle weet te houden. Dit keer wilde het geval anders.
‘De Glimlach Die Blijft’ schreef Godfried Bomans ooit. Deze uitspraak ligt mij na aan het hart maar na het weerwoord van de man boette hij tijdelijk even aan waarde in. Ik vertelde op mijn beurt de pseudo-Jeffrey dat ik beslist niet naar Portugal was gekomen om kennis te maken met zijn gastvrijheid en hulpvaardigheid van zijn landgenoten, die gezien onze ervaringen regelmatig te wensen overliet. 
Wel dat wij er waren voor het mooie weer en het prachtige uitzicht over de bergen, waarvoor overigens dank.
Dat weerhield Jeffrey II er niet van de deur van de spreekkamer in ons gezicht dicht te gooien, mijn vrouw bevend van de zenuwen en Jeffrey van de schrik verscholen om de hoek achterlatend.
Toen na weer een kwartier Jeffrey II de spreekkamer weer verliet bleek hij bij het zien van mijn gezicht opeens grote haast weg te komen. De buit was immers binnen en het karwei geklaard. Op mijn uitnodiging buiten even te wachten ging de ellendeling evenwel niet in.
Lang bleven we niet.
Het formulier bleek niet compleet te zijn, zo vertelde de dokter. Er ontbrak volgens hem nog het in het Portugees vertaald formulier.
Ik ben toen thuis maar een uurtje gaan liggen.

 

 

Vind je dit leuk? Wil je meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar (Ben spaart voor een deur in de WC). Alvast heel erg bedankt allemaal!