BRIC-A-BRAC

Jaargang 2, aflevering 4, donderdag 28 september 2017

 

 

BRIC-A-BRAC

 

Vanwege het schrijven van wekelijkse stukjes ontstaat bij een aantal lezers na verloop van tijd een beeld van hoe de bedenker van zijn proza er ongeveer uit ziet. Nu moet ik u daarin teleurstellen. Foto’s waarop ik afgebeeld sta zijn al vóór het maken van het kiekje waardeloos. In plaats van een Plutarchus of een Homerus tonen ze de kijker een buitenmaats model vogelverschrikker waarbij het niet uitmaakt in welke voordelige pose ik mij ook wring.
“En als je er nou eens een ander gezicht bij opzet?” adviseert mijn vrouw wanneer er weer eens een afbeelding van de schrijver ter illustratie van mijn werk wordt gewenst. “Dat scheelt al snel de helft.”
Aan mijn gezicht valt niets te doen. Zowel de lezer als zij zullen ermee moeten leven wat eveneens geldt voor mijn postuur. Ik ben ermee geboren, sta er elke ochtend mee op en val daarmee zo snel ik de straat op ga buiten ieder verwachtingspatroon, een waarmee ik niet voldoe aan het stereotype, een met leesbril, doorgezakte schouders compleet met tweed jasje en ribcord broek uitgerust manspersoon.
Met mijn lengte van ruim twee meter, handen waar met gemak grapefruits in kunnen verdwijnen en een gewicht van honderdvijftig kilo kan dat ook bijna niet anders. Het bijpassende loodgietersdecolleté, een kokosmat op mijn borst en de zak cement op mijn schouders mag u er zelf bij bedenken.
Dat heeft bijna dagelijks het ontstaan van koddige situaties met de bijbehorende verwarring als gevolg, voor mij als stukjesschrijver een onuitputtelijk bron van inspiratie. Zo komt het voor dat ik bij bezoek aan bedrijven of instanties regelmatig door een beveiligingsbeambte of receptioniste mee wordt genomen naar de plek des onheils.
‘Ah, u komt natuurlijk voor de verstopte afvoer! Hebt u een moment? De meneer die u heeft gebeld komt zo bij u.’
Vaak blijkt de meneer een zenuwachtige bedrijfsleider, beheerder of een door de calamiteit over haar toeren gebrachte mevrouw te zijn en bestaan de rampgebieden uit overstroomde wc’s, defecte rioleringen, lekkende dakgoten, loodzware wasmachines of stapels bakstenen die op mij wachten. Het is al gebeurd dat ik compleet met laptoptas over de schouder door de portier werd verwezen naar het magazijn waar volgens hem drie pallets van elk een ton kopieerpapier op mij wachtte te worden uitgepakt.
Dit soort abusievelijke inschattingen komen regelmatig voor. Het zijn de welkome krenten in de pap van vaak identiek verlopende, futloze weken waarin niet veel meer gebeurd dan een bezoek aan de kapper of het langskomen van de meteropnemer. Voor uitsmijter te worden versleten bij het acte de presence geven op het jaarlijkse boekenbal hoort dan ook tot in het rijtje van mijn favoriete dromen.
Zo werd ik op een vrijdagavond gebeld door een vriend wiens vriend’s relatie met zijn vrouw volgens het slachtoffer ‘niet meer wilde’. Hij wilde weten of ik hem de volgende dag kon helpen met zo snel mogelijk ‘s mans eigendommen uit huis te halen met de bedoeling hem plus inboedel naar de Bijlmermeer waar het in die tijd goed toeven was, wilde transporteren. En, zo verzekerde hij me, het hoeft tenslotte niet voor niets. Er zat een etentje bij de lokale Chinees bij in.
Natuurlijk had ik beter moeten weten.
Bij aankomst bleek het huis een aan de voorkant gelegen bovenverdieping op de derde etage van een oud grachtenpand te zijn aan de voet van de Domtoren, hartje Utrecht.
Na van de eerste schrik te zijn bekomen werd de inboedel vloekend en met vereende krachten langs de drie steile, met een scherpe bocht uitgeruste trappen naar beneden gezeuld waarna alles bij wijze van eenentwintigste eeuws kerststalletje op straat werd tentoongespreid.
De wasmachine, een loodzwaar ding met een masculien postuur hadden we voor het laatst bewaard. Pas na een uur worstelen liet het kreng ons vierkant weten tegenstrijdig te zijn aan de grillige rondingen van de trap en daardoor allerminst van plan zich over te geven.
Net voor het moment dat de trap de vechtscheiding leek te hebben gewonnen en ik het apparaat van driehoog door het raam naar beneden wilde donderen nam het apparaat een wijs besluit en stond het een half uur later alsnog op straat, mijn brakke vriend met een dubbele hernia achterlatend.
Bezig de hele rotzooi in één keer in het busje te mieteren arriveerde, vergezeld van twee politiemannen een vrouw met de vraag het stalletje bezichtigend, wat hier allemaal wel niet de bedoeling van was, aanleiding voor het onstaan van een pittige ruzie ontstond tussen haar en de voormalige heer des huizes.
Pas tegen het eind van de middag toen overeen was gekomen dat zij de televisie, de strijkplank, het rek met de CD’s, het bankstel van haar moeder en de bric-à-brac troep die ze gedurende de laatste tien jaar op de vrijmarkt en uit vuilnisbakken bij elkaar had geraapt mocht houden, konden we richting Bijlmer vertrekken waar, o tragiek, de huismeester ons op stond te wachten.
Huismeesters weten veel, soms zelfs meer dan waarover ze worden geïnformeerd. Deze, een goedlachs roodharig lachebekje wist ons ongevraagd te vertellen dat het wat hem betrof, “schering en inslag” was met de buitenlandse nieuwkomers in zijn gebied.
‘De stommelingen weten niet eens hoe de centrale verwarming werkt,’ verzekerde hij ons in een soort Amsterdams dat je vroeger hoorde in slechte hoorspelen. ‘Dus wat gebeurt er? Ze slopen de deurposten en kozijnen deruit en stoken het op, midden in de kamer op de betonnen vloer. De brandweer is hier kind aan huis, iedere dag.’
De week erop werd ik ‘s avonds gebeld. Het was dezelfde vriend. Of ik 
druk was.’
‘Och,’ antwoordde ik, dit keer op mijn hoede. ‘Wat heet druk. Je kent dat vast wel. Het zijn de kleine dingetjes die je het meest bezighouden. Hoezo?’
‘Nou, je weet nog wel, dat dingetje van vorige week. In Utrecht.’
‘O dat,’ antwoordde ik zo terloops mogelijk, nattigheid voelend. ‘Dat kan ik mij nog wel herinneren ja.’
‘Oké. Ik wil je er eigenlijk niet mee belasten, maar ik vroeg me af of je zin hebt in een verhuizing. Van de Bijlmermeer naar hartje Utrecht.’
Ik vroeg hem of hij niet helemaal goed wijs was.
‘Ik wel, maar zij niet, weet je. Die twee, moet je je voorstellen, ze zijn weer goed met elkaar. Maar het hoeft tenslotte niet voor niets.’
Ik heb het maar niet gedaan. De lokale Chinees viel erg tegen.

 

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de slaapkamer). Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

 

 

 

 

 

 

  

 

MIJN VRIEND DE ZOMER

Jaargang 2, aflevering 3, donderdag 21 september 2017

 

 

 

MIJN VRIEND DE ZOMER

In mijn herinnering duurden de zomers vroeger altijd veel langer. Zo scheen het tenminste. Ze waren ook warmer, levendiger, en de mensen op straat waren wanneer de zon scheen ook vriendelijker. Sindsdien praat ik over de zomer als een oude vriend waarbij ik de inmiddels aan slijtage onderhevige zekerheid met mij meedraag dat ik die ooit bezat.
In zekere zin was hij, mijn kameraad de zomer dat ook. Hij zorgde ervoor dat ik wat later thuis mocht komen nadat ik ergens langer dan bedoeld was blijven hangen, ik meer dronk dan gewoonlijk en als ik een keertje buiten sliep, op het strand of desnoods op straat vond hij dat niet erg. Integendeel zelfs. Het leven moest volgens hem worden gevierd waarbij prille vriendschappen op het strand eeuwigdurend werden verklaard, ja, op sommige momenten zelfs tot allegorie verheven.
Van de zomers uit mijn kindertijd die ik doorbracht buiten het ouderlijk huis en het daarbij bijbehorende zomerregime van het internaat herinner ik mij vooral de kruisschrijnende dagmarsen door de duinen, billenschurende fietstochten en het geknars van stuifzand tussen mijn platgedrukte boterham.
Die ondernemingen waren meestal zeewaarts gericht waar we, uitgeput en moegetrapt van het pedaleren onze stalen rossen in het duin lieten vallen en pootje gingen baden in zee tot, altijd te snel naar onze zin, door een pedagogisch bekwaam geachte begeleider het sein werd gegeven dat het tijd was de terugtocht te aanvaarden. Die mededeling ontaardde meestal in hevige protesten onzerzijds waarna we uit weerspannigheid, althans volgens de na bij aankomst opgelegde kamerarrest inderhaast uit nonnen opgerichte strafrechtbank de leiding tartten en om ons recalcitrante gedrag te verbloemen dan maar spontaan in een vennetje sprongen. Dat wreekte zich later opnieuw door wederom aan een volgende dagmars te moeten deelnemen.
Een van de weinige andere “uitjes” buiten het hek was een bezoek aan het plaatselijke openluchtzwembad, eigendom van Ruud, een enigszins tragische figuur, die nadat het bekend werd dat hij een voorkeur had voor omgang met mannen zelfmoord pleegde. Daar zwommen we volgens traditie rond in een krachtige, bruine, van lokale uitwerpselen getrokken bouillon. Dat kon, omdat Ruud, de altijd bruinverbrande playboy annex kindervriend, immens populair als hij was en de goedheid zelve een graag geziene gast was op het internaat maar ook bij de gemeente waar hij qua regelgeving menig potje kon breken.
Regelmatig vereerde Ruud ons ook met zijn bezoek, arriverend in een opvallend rode MG, die hij onder ons luid applaus en tot ergernis van de in zwartwitte habijten geklede Zusters van de Orde van het Arme kind Jezus, expres parkeerde op een plek waar dat beslist niet mocht. Maar omdat er niets gebeurde, Ruud niet voor onze ogen door vlammen werd verteerd wist ik dat Ruud niets anders dan een heilige kon zijn.
Bij ons aan tafel gezeten trakteerde Ruud ons op een uiterst gewaagde, door ons alom geprezen maar weinig Roomse en voor ons als veroordeelden streng verboden handeling, het op niet-orthodoxe wijze beleggen van de boterham. Die bestond uit het openen van een nieuw potje aardbeienjam en die vervolgens in zijn geheel om te keren op zijn boterham om alles in een keer naar binnen te schrokken.
Ook op het terrein van zijn openluchtzwembad was het een en al Ruud wat de klok sloeg, waar door hem ingehuurde goochelaars onder het uitroepen van de toverspreuk “zand zeep soda!” konijnen uit hoge hoeden tevoorschijn toverden, er pannekoek-eetwedstrijden werden gehouden, inclusief stroop en poedersuiker, te consumeren met beide handen op de rug. Ruud’s lol bestond eruit door vlak voor het nemen van een hap door hem met je gezicht in het bord te worden gedrukt.
Een van de meest gewaagde attracties bestond uit de kanobaan, waar ik bij een van de sporadische keren dat mijn importvader erbij was, mij door de onverlaat over had laten halen een rondje met hem te gaan kanoën. Klemzittend in het achterste gat op een wijze waarbij ik mij niet meer kon verroeren nam hij zelf plaats in het voorste, waarna we nadat we van de kant af werden afgeduwd al binnen de eerste meter omsloegen en we ondersteboven hingen, met onze hoofden de eendenmossels van de bodem van het bassin af schrapend. Nimmer meer heb ik mij nadien nog aan dergelijke tete-a-tete ontmoetingen met hem gewaagd.
Deze minder prettige ervaring verbleekte bij de poging van juffrouw Rina, de lokale sportfondsenbadbeul, mij te leren zwemmen aan de hand van een aan een lange stok bevestigde haak die, zo leerde ik later, bedoeld was drenkelingen uit het bad te verwijderen. Juffrouw Rina, met het uiterlijk van een foute kampbewaarster die zo uit de film “Schindler’s list” kon zijn gestapt had, zo ondervond ik aan den lijve, een broertje dood aan reddingswerk door in plaats daarvan aan haar ziekelijke neiging toe te geven en toekomstige zwemwonderen om zeep te willen helpen. De haak die er altijd was, ook op die plekken waar ik hem liever niet had smeekte in mijn nachtmerries juffrouw Rina ermee te penetreren.
Ter compensatie, te jong voor vleselijke genoegens maar wel rijp voor het ontdekken van de vleesgeworden jongensdroom, het “Sacrum Sacranorum”, wist ik samen met een paar vriendjes de weg naar de dameskleedkamers te vinden die slechts door een houten wand met daarboven een opening van de heren waren gescheiden. Veel viel daar niet te zien. Daarvoor was de wand nog steeds te hoog en de toorn van Ruud, als hij je snapte, te zeer aanwezig, een nederlaag die ik compenseerde door na afloop van de mislukte peepshow zo geanimeerd mogelijk voor te geven dat zich achter die wand wel degelijk een onvergetelijk schouwspel afspeelt.
Het gezicht van de verschrikt omhoog kijkende oudere dame met daaronder het lichaam van een aardappel, zoals Salvador Dali het verbeeldde in zijn schilderij “het schrikbeeld van de sex appeal,” zij het een verschrompelde zoals ik die ooit onderin mijn moeder’s keukenkastje had gezien vergeet ik nooit meer.
“Veel goede mannen zijn door een vrouw onder de brug terechtgekomen,” schreef de schrijver Charles Bukowski ooit. Dat ik daaraan ontsnapt ben heb ik aan haar te danken, dus als u nog leeft: ik bedoelde het niet zo. Dat van die aardappel neem ik terug.

 

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de slaapkamer). Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

  

 

ALTIJD GELIJK

Jaargang 2, aflevering 2, donderdag 14 september 2017

 

 

 

ALTIJD GELIJK

 

Tijdens het wachten op de tram bleek die bij het voorrijden bij de halte al helemaal vol te zijn, wat mij de garantie verstrekte dat zolang de rit duurde, ik mocht blijven staan. Nu sta ik graag, en mankeer ik niets aan mijn onderstel. Het is mijn bovengemiddelde lengte die ervoor zorgde dat ik met mijn hoofd voortdurend tegen het plafond aanstond, een nadeel dat ik in die gevallen compenseer door de boven de raampjes aangebrachte dienstmededelingen en reclameborden goed in mij op te nemen wat handig kan zijn voor het geval de tram met mij erin zou verongelukken of wanneer ik intussen ergens trek in zou krijgen.
Zo leerde ik dat mevrouw Cinzano voortdurend de vermouth van meneer Martini na aapt, en net als bij hun concurrentie in Turijn gebotteld wordt, de platkopschroeven met het nummer TK42 waarmee de reclameborden tegen de wand zijn bevestigd, in Duitsland worden gemaakt door de firma Krupp, en dat de lampen boven mijn hoofd eveneens uit Duitsland afkomstig zijn, en wel van de Duitse firma Osram.
Omdat na tien minuten rijden in het door Mussolini gesponsorde wirtschaftswunder nog steeds alle zitplaatsen bezet waren, en de dans macabre tussen de passagiers in volle gang was, kwam ik onder het verder door naar voren schuifelen naast een dametje terecht, dat gelijk met mij was ingestapt en in tegenstelling tot mij en ander tot staan verdoemd voetvolk, wél inmiddels een plaatsje had weten te veroveren, daarbij een gezonde belangstelling koesterend voor mijn lunch die ik had meegenomen, een bruine boterham met kaas.
Omdat ik er al van gegeten had en er om die reden onder geen beding afstand van wilde doen, keek ik zo ostentatief mogelijk naar buiten waar op dat moment een horizon voorbij gleed die alleen maar uit lelijke gebouwen bestond.
‘Mot u ook naar het Spui,’ vroeg ze opeens in plat Haags. ‘Ik wel, vandaag dan. Mijn dochter woont er vlakbij.’
Bij wijze van “zie hem nu maar eens te pakken te krijgen,” slikte ik snel mijn laatste hap door en antwoordde kuchend dat ik daar niet hoefde te zijn. 
God straft onmiddelijk.
‘Oude Haagweg, Laan van Vredestein,’ meldde de bestuurder bij het naderen van de volgende halte, een nietszeggende strook beton omringd met krampachtig tegen elkaar geschikte woningen.
‘Lelijk hé,’ was daarop haar commentaar, kennelijk bij het zien van de uitdrukking op mijn gezicht in staat gedachten te lezen.
“Alle nieuwbouwwijken lijken op elkaar en elke doorzonwoning is ongelukkig op zijn eigen wijze,” sprak Tolstoj ooit.
Ik knikte maar eens, instemmend.
‘Peenbuiker,’ sprak mijn buurvrouw opnieuw ongevraagd, een beschimping waarvan ik schrok, wat ze moest hebben gemerkt.
‘Nee, u niet. Zij! Zo noemden we vroeger de bewoners hier. Dat kwam zo, omdat de peenschuiten hier vandaan kwamen. Daar bedoel ik niks onvriendelijks mee, maar zo was het toen. Je had de Hagenezen, de peenbuikers en de schollekoppen. Die laatsten dat zijn de Scheveningers.’
Bekend met de verschillende autochtone rassen gingen mijn eigen herinneringen aan de voormalige trekvaart waar nu de tram overheen reed terug naar de tijd waarin ik regelmatig samen met mijn hengel, gezeten aan de zwaaikom er menig vrij uurtje doorbracht. Vooral die keer toen ik, een jaar of tien oud, met een pas gevangen joekel van een karper een hengelsportwinkel betrad met de vraag of ze hem voor me wilden opzetten. Nog nooit daarvoor moest daarbinnen zo zijn gelachen. Om geen nog grotere flater te slaan lachte ik dapper mee, zij het als een boer met kiespijn. Ermee thuisgekomen heb ik het beest tegen alle hengelsportregels in, uit gramstorigheid gebakken en direct opgegeten.
‘Mijn dochter,’ ging ze onverstoord verder, ‘is er met eentje getrouwd, zo’n schollekop. Een van de Woeste Hoogte, een pleurislijer van de onderste plank al zeg ik het zelf. En een humeur dat het stuk vreten heeft, niet mooi meer! Nou zijn ze dat gelukkig niet allemaal zo, maar deze wel dus dat paste prima want het is een kreng hoor, die dochter van mij. Dat heeft ze van opoe georven, ook zo’n helleveeg. Voorbeeld: als ik bij bezoek een keer mijn voeten vergeet te vegen of het licht in de WC laat branden is het gelijk weer zover. ‘Keje niet uit je doppe kijke, secreet!’ krijg ik dan in ene naar me kop gesmeten. ‘Het is hier niet de zoete inloop!’ Dus ik er tegenin. ‘Ik mag lijen dat je eerder gaat dan ik,’ zeg ik dan. ‘Ik heb je al onterft dus van jou en die schooier van je hoef ik niks meer te pikke. Vreet maar een sneetje knarsham. Maar van binne hep ze een hartje van goud hoor, zó klein.’
Ze liet me zien hoe klein door met haar vingers een gaatje ter grootte van een speldenprik te imiteren, waar ik op reageerde met de verklaring dat zoiets wel erg klein is.
‘Dat bedoel ik,’ ging ze verder. ‘En nou wil dat stuk vreten niet dat ik vanwege mijn commentaar op hem nog langer bij ze over de vloer kom. Lange tenen, he?’
Ze toonde me een dikke knipoog.
‘Dat doe ik dus niet meer want ik ben als de dood voor die bolle, vooral alsie gezopen heeft en behalve de dagen dattie is opgetieft. Taakstraf, weet u.’
Tussendoor naar buiten kijkend zag ik dat we op de plek waren waar het Westland begon en waar Den Haag met veel poeha nog een flatgebouw had neergezet om zo aan voorbijgangers te laten weten dat toch maar vooral niet moet worden gedacht dat haar macht hier zomaar ophield, want ze vertrouwen, dat doet niemand de Haagse projectontwikkelaars meer. “Lozerlaan”, heette de halte, zag ik, door een Britse medepassagier uitgesproken als ‘Looserlane’. Een vooruitziende blik heeft hij, wat betreft die projectontwikkelaars dan.
‘En zuipe, dat kennie,’ ging ze verder. ‘Maar meneer heeft ook nog eens een kwaaie dronk over zich heen als u begrijp wat ik bedoel. Dan ken hij ze pote niet meer thuis houden, hé. Eens, zeg ik dan tegen hem, toen ik er nog kwam als hij er was, die bolle, eens loop je tegen de verkeerde an. En verdomd, een paar weken later hoorde ik van me dochter dattie in mekaar was getremd. Per ongeluk tegen de vuist van een Tukker aangelopen, zo zei hij het zelf. Eigen schuld, zeg ik dan. Dat kan ik zeggen want ik krijg toch altijd gelijk.’
Op de halte van bestemming aangekomen zag ik haar nadat de tram wegreed nog terugzwaaien, een klein blauw stipje in een groot geel wirtschaftswunder.
Zou ze het geweten hebben, dat van Cinzano en Martini?

 

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de slaapkamer). Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

 

 

MEDITERRANEE

Jaargang 2, aflevering 1, 7 september 2017

 

 

 

MEDITERRANEE

 

Van alle jaargetijden -gelukkig is het bij elkaar maar een kwartet- ervaar ik de zomer als de meest blijmoedige, maar tegelijkertijd als de meest frusterende van het viertal. Maar ik ben dan ook geen mediterraan.
Het vooruitzicht vier maanden lang te zijn verstoken van fysieke arbeid, voor mij de gevaarlijkste vorm van nietsdoen, blijft als verstokt doener een schier onoverkomelijk obstakel. De uitspraak ‘Ledigheid is des Duivels oorkussen.’ past hier.
Dat binnenzitten doet mij denken aan tijden waarin ik, in een pak gestoken inclusief ‘vadermoordenaar’ als communicantje heel zeker wist dat het geen zondag was, maar dat hier sprake was van een vorm van misleiding en ik om de een of andere reden als gevolg daarvan toch niet buiten mocht spelen. God’s wegen zijn ondoorgrondelijk.
Dat ongemak wat ik met u wil bespreken heet siësta, ook al zo’n niet aan mij besteed tijdverdrijf.
U begrijpt het al, ik heb een probleem.
Wil ik de wilde frisheid van het buitenleven vanaf de veranda bezien, dan levert mij dat vijf maanden lang het uitzicht op de tuin, een van Europa’s heetste stukjes grond dat vanuit mijn belevingswereld gelijk staat aan Dante’s inferno, een hel waarin oververhitte, rijkelijk met naar brandende eucalyptusbossen geurend zwart haar op de plekken waar ik het niet hebben kan begroeide buurvrouwen het wagen de straat op te gaan, gekleed in een minimalistisch wit nachtniemendalletje. Zonder zakken, dat dan weer wel. Een metafoor ligt vaak op de loer, zo ook hier.
Daarentegen heeft een Nederlandse zomer iets weg van een blind renpaard, maar dan zonder jockey. Het is nog maar net april of het dier steigert horrelvoetend de stal uit, vergaloppeerd zich in mei volkomen en breekt tien meter voor de finish wanneer iedereen weer aan de arbeid moet, vervolgens alle bestaande records.
Een terrasje pikken leidt bij de eerste zonnestraal tot een massale bestorming door gelijkgestemde zonaanbidders op het straatmeubilair, waarna als de overhemden eenmaal los zijn geknoopt, het programma “heel Holland schroeit” begint, gegoten in een format van breezertjes en zonnebrandolie van maximaal drie seconden, want voordat je eindelijk je merkzonnebril op kan zetten gooit een door de Koninklijke Luchtmacht ontworpen, geheel bijpassende designwolk alweer roet in het eten.
In deze regio, zegge en schrijve vierentwintig uur rijden van Nederland verwijderd, staat het pikken van een terrasje overdag daarentegen gelijk aan het willens en wetens uitlokken van derdegraads brandwonden. Beverwijk blijkt dan verder weg dan vermoedt.
Een zonnebril brengt in zo’n geval uitkomst. Het nadeel zijn de twee kunststof omeletten nadien op mijn wangen. Een laskap doet in zo’n geval wonderen en is wel draagbaar maar past niet in mijn zak.
De zomer in dit deel van de wereld heeft iets droefgeestigs, een gemoedstoestand waar alleen de herfst patent op heeft. Het gras in de tuin, voorheen nog mals en luisterrijk groen, is in korte tijd veranderd in een dode, bleekgele oase van dorre stengels en droge bladeren dat alleen nog door bijziende paarden en muilezels voor voedsel wordt aangezien.
Op het heetst van de dag valt er trouwens sowieso niets te zien of te doen, verroert zich ook nergens iets. De natuur is tot stilstand gekomen. Alleen uit de plaatselijke café’s, donkere spelonken met lallende, tandeloze Joao’s en Maria’s als clientèle schalt gelach. Dat kan, want een fles wijn kost nog altijd minder dan een glas leidingwater, dat zo spijkerhard uit de kraan komt dat je de straal doormidden kunt knippen.
Gênant wordt het pas wanneer de thermometer nog steeds 35 graden aangeeft en de tijd is gekomen om weer te moeten slapen. Moeten, schrijf ik hier, want met het klimmen der jaren heb ik de rechten op het door Morpheus aan mij uitgereikte quotum van acht uur per nacht allang verspeeld. Dat is voor mij een nadeel, maar voor u een uitkomst, want vele stukjes die u onder ogen krijgt hebben het licht gezien in het donker, een regel die in de meeste gevallen voor klinkklare nonsens doorgaat maar in dit geval weer een leuke metafoor oplevert. Ik bedoel maar.
Voor vijf uur ‘s morgens naar bed gaan is dan volstrekt zinloos en kan ik mijzelf net zo goed in gloeiende as aan de top van de Vesuvius wentelen en naar mijn huisgenoten roepen dat het lekker is. Alleen het liggen onder een van te voren expres nat gemaakt laken werkt afdoende, maar toch doe ik dat niet. Expres je bed nat maken valt onder het onhebbelijke soort gedrag waar ik samen met duimzuigen al lang niet meer aan doe.
Een geruststelling van kort duur is het te mogen vaststellen dat de buitensporige warmte zelfs op de lokale bevolking een niet te verwaarlozen effect heeft en in veel gevallen een analogie heeft met het verhaal van Doornroosje. Alles en iedereen slaapt en wat nog wakker is doet dat net een fractie later.
Zo staat het verkeer bij achtenveertig graden in de zon langer dan normaal voor het nemen van een rotonde stil, vergeet de bakker voor het wegrijden zijn waren mee te nemen zodat hij de klanten bereikt met een lege achterbak, en ontwaken veel languit in het midden van de weg slapende honden te laat uit hun siësta met de zigzagafdruk van een autoband op hun rug.
Het beste is zo lang mogelijk onder de koude douche blijven staan, een ruimte die overigens in de winter vermeden wordt als de pest. Werken doe ik met een handdoek onder mijn ellebogen, een truc die moet voorkomen dat mijn onderarmen aan het bureaublad vastgeplakt blijven.
Walter Winchell, de Amerikaanse gossip commentator zei het al. “Het is pas echt zomer wanneer de stoel op hetzelfde moment opstaat als jijzelf.”

 

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de slaapkamer). Alvast heel erg bedankt allemaal!