KUNG FU KERST

Jaargang 2, aflevering 9, donderdag 2 november 2017

 

 

KUNG FU KERST

 

Het weerzien met de oude binnenstad van Den Haag, de plek waar ooit mijn wieg heeft gestaan had dit keer iets weg van een ziekenbezoek. De patiënt deed mij denken aan een lijder aan open TBC met een open ruggetje waarin permanent een Moorse markt werd gehouden.
Ook een ritje met de tram over het door gemeentelijke vernieuwingsdrift gehavende Spui, door twee ondeugend lachende vrouwelijke toeristen uitgesproken als “Spoei”, gaf door het door benzinedampen en walmen benevelde uitzicht weinig reden tot vreugde.
Misschien, bedacht ik mij, betekent Spoei in hun taal iets obsceens in welk geval het nabij gelegen roze kwartier nooit opgeheven had mogen worden. Je kunt als gemeente nu eenmaal niet overal rekening mee houden.
Mikpunt van mijn observatie was het voormalige Ministerie van Binnenlandse Zaken, een in de jaren zeventig opgetrokken gedrocht dat in de daaropvolgende sloopdrift over het hoofd moet zijn gezien. Het onderscheidt zich van andere groteske constructies doordat in tegenspraak met de gangbare natuurkundewetenschappen bovenaan met bouwen was begonnen, een procedé dat niet gehinderd door ambtenaren en de afwezigheid van belemmerende bouwprotocollen alleen door Duitse, met Lego spelende jongetjes kon zijn bedacht.
Mijn professionele aandeel in het wirtschaftswunder was het kreng bewaken en het tijdens de bouw met de nog in aanbouw zijnde lift met een eigen wil vervoeren van werklieden naar de twintigste etage die daar volgens eigen zeggen belangrijke bezigheden hadden wat ik ten zeerste betwijfelde.
Nog dezelfde dag viel er een bij mij door de mand nadat ik de fraudeur die daarvoor nog met een en hetzelfde stuk hout op zijn schouder liep, het balkje om exact vier uur ‘s middags nonchalant kijkend van zich af zag gooien onder het uitroepen van ‘Zo. Het is weer tijd voor moeders de vrouw.’
De onverlaat vragen of hij wel op de loonlijst stond deed ik niet. “Kapitalisme is oorlog, socialisme brengt vrede,” schreef de politicus Karl Liebknecht.
Doordat de liftmonteur die volgens het naambordje op zijn jas óók Otis heette, iedere dag op moest komen draven omdat hij er aardigheid in had de lift schoksgewijs te laten vertrekken, liep ik er rond met een lichtgroene teint op mijn gezicht. Zo vóélde het tenminste.
In Nederland is alles wat je bezit voor de helft het eigendom van een ander, is sinds het Ter Beschikking stellen van de Regering werd afgeschaft een veelgehoorde uitspraak. Het is alleen uiterst onzeker wanneer de nieuwe eigenaar zijn deel bij jou komt opeisen. Dat onverlaten die uitspraak ook kennen en bouwplaatsen een populaire plek voor ze is om te scoren, bleek toen mij werd gevraagd met kerstmis door te willen werken, een verzoek waar ik, kip noch kraai hebbende gaarne aan voldeed.
‘Het zal je aan niets ontbreken,’ werd mij dankbaar beloofd. ‘Om tien uur sturen we iemand naar je toe met eten. Reken alvast maar op een koud buffet. O ja,’ werd er nog bijgezegd, ‘er lopen drie bouviers los op het terrein om eventuele inklimmers te ontmoedigen. Als je nog van plan bent het eind van het jaar te halen kunt je het gebouw beter niet verlaten.’
“Vrede op Aarde en in alle mensen welbehagen,” dacht ik opgetogen.
Met de kerstgedachte in mijn achterhoofd toog ik de middag voor kerst naar het werk, mijn gebruikelijke lunchtrommeltje en een liter karnemelk thuisgelaten.
Zoals het klokje thuis tikt, tikt het buiten de deur sneller zodat zonder dat er iets gebeurde het tien uur ‘s avonds werd. Om half elf was er nog steeds niemand op komen dagen en om elf uur begon ik mij af te vragen of de bouviers de bezorger van mijn kerstmaaltijd misschien opgegeten hadden.
Goede raad was in dit geval niet duur, vond ik, naar de hoorn van de telefoon grijpend waarbij ik mijn vinger in een gat van het toestel stak met de bedoeling het nummer van de dienstdoende operator te draaien.
Als u nu iets anders denkt dan wat ik bedoel moet u mij beloven straks even navraag bij iemand van boven de veertig te doen.
Gelukkig ontbrak het snoertje van het apparaat zodat ik mij alsnog in mijn favoriete rol terug kon laten vallen, die van de uitgehongerde student, tijdens kerst door de geest van Christmas Present in de steek gelaten en om warm te blijven zijn favoriete boeken moest verbranden.
In paniek begon ik op zoek naar eten de zakken van de door werklui achtergelaten overalls te doorzoeken wat natuurlijk niets opleverde. Pas op de eronder gelegen negentiende etage vond ik in een hok naast een afgetimmerde ruimte dat als kantine dienst deed een Mars en een gezinsblik Kung Fu instant bami.
Opwarmen was niet nodig.
De eerste en tweede kerstdag bracht ik door in gezelschap van de Mars, een gepaste wraakactie bedenkend.
Beide feestdagen en nachten straalde een ster boven Den Haag, koud weliswaar, maar zo helder en klaar als de twintig bouwlampen die ik voor het raam had neergezet maar konden schijnen.

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken (iets bestellen is beslist niet nodig!). Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de slaapkamer). Alvast bedankt!

 

 

 

BAAS VAN DE BELLENBLAAS

Jaargang 2, aflevering 8, donderdag 26 oktober 2017

 

 

 

BAAS VAN DE BELLENBLAAS

 

Bij het uitlaten van de hond in een bos, gelegen in het deel van Gelderland dat tijdens WWII ten prooi was gevallen aan de Duitsers die er uit behoud van hun eigen hout hun geflügel und schweinebraten boven roosterden, moest ik denken aan Kimberley.
Dat komt zo: Kimberley was de zeven jaar oude dochter van een vage vriendin van mijn vrouw die, als haar gesteldheid het toeliet bij ons mocht komen logeren. Dat klinkt onheilspellend, alsof er een risico aan vastzit en dat was het ook. Het leven had het nodig gevonden Kimberley op te zadelen met een gevaarlijke vorm van epilepsie.
De keren dat het wel kon, dat was wanneer Moeder Natuur haar opvliegers bij zich hield zat er meestal een gezamenlijk uitje naar datzelfde bos in, vergezeld met het bijbehorende uitbundig gejoel.
Onderscheidde Kimberley zich voor de rest in vrijwel niets van andere kinderen, dat gold niet voor haar nogal gedweeë karakter wat zich tijdens het vaste ritueel op de woensdagmiddagen aan ons openbaarde.
Dat ritueel bestond er uit mij, waarbij ik zogenaamd nietsvermoedend op de bank zat, spontaan vanuit een van te voren nauwkeurig opgezette hinderlaag te bespringen, een gebaar dat ik uit pedagogische overwegingen niet afkeur, maar waar ik als volgroeid doch van jongs af aan zelf misdeeld mens in eerste instantie niet aan was gewend. Als ik bij wijze van compensatie bij haar hetzelfde zou hebben gedaan en er had op dat moment iemand van Jeugdzorg door het raam naar binnen gekeken was ik met mijn honderdvijftig kilo ongetwijfeld nog binnen hetzelfde uur in verzekerde bewaring gesteld, dus deed ik het maar niet.
Volgroeid zijn kent ook nadelen.
‘Zo. Nu kom ik gezellig bij je op schoot zitten,’ deelde ze aan mij mee, intussen de boel vanaf haar nieuwe positie bekijkend. ‘Waar zullen we het over hebben?’
De bedoeling was dan dat ik, acterend alsof het de eerste keer betrof, een verhaaltje moest vertellen wat in de praktijk erop neer kwam hardop uit het parochieblaadje te oreren dat eenmaal per maand ongevraagd bij ons in de bus viel, achterin te beginnen bij de sterfgevallen.
‘En, hebben we deze week nog dooien?’ was de eerste vraag want in de wereld van een kind zijn dooie mensen om de reden dat ze niet meer uit zichzelf bewegen,  vele malen interessanter dan levenden.
Gelukkig schoot de vergrijzing in de gemeente mij te hulp zodat ik in staat was een opsomming te maken welke parochieleden de kerk in die maand waren ontvallen. Dit hoorde slechts bij het voorspel, want de apotheose moest nog komen.
‘Uit onze parochie,’ galmde ik, een kopstem forcerend, ‘is op zaterdag 7 oktober te Aerdt overleden Nelly Kuijk- Bastiaansen, 83 jaar, weduwe van Kees Kuijk. De plechtige uitvaartdienst wordt gehouden op donderdag 12 oktober om 11.00 uur in de Sint Martinuskerk te Herwen, waarna bijzetting op het parochiekerkhof. Moge zij thuiskomen in de eeuwige vrede van de verrezen Heer.’
Dan gierde ze het uit, gevolgd door mijn eerst nog met enige gereserveerdheid van ontzetting met gepaste stomheid geslagen zonen.
Na dit succesnummer volgde het op dezelfde manier moeten voorlezen van een stukje uit het door mij spontaan gemanipuleerde parochienieuws door het ‘in real time’ corrigeren van het actuele gedrag van een van de zich onbespied voelende jongens.
‘Dit jaar,’ las ik hardop voor, ‘organiseert de VOM-groep van Lobith weer een bezinnings-maaltijd. Een moment van bezinning over het vastenactieproject: Tijdens deze maaltijd staan we stil bij Jeffrey die met zijn rechtervinger in zijn neus peutert en het leven van de mensen in Oeganda die hopen op een beter leven in hun land.’
Wederom gegier.
‘Staat dat er echt?’ wilde ze dan weten, wat ik vervolgens moest bewijzen door de gewreekte letters een voor een aan te wijzen wat ze onvoorwaardelijk geloofde want Kimberley kon niet lezen.
Het grote voordeel van het op deze wijze voorlezen door volwassenen is dat een kinderverjaardag minder hoeft te kosten dan begroot.
Was ze er uiteindelijk van overtuigd dat er geen kwinkslag meer volgde en de koek daarmee echt op was, dan sprong ze van mijn schoot af om naar de keuken te rennen om alles wat ik gezegd had tegen mijn vrouw die ook in het complot zat te vertellen.
‘Heb jij gezegd dat Jeffrey met zijn vinger in zijn neus zat?’ was bij het de kamer binnentreden haar vraag, quasi verongelijkt kijkend.
‘Geloof je me niet? Kijk dan zelf maar,’ was dan steeds mijn reactie.
‘Ja, hij heeft gelijk,’ jokte ze, want mijn vrouw zat als medeplichtige ook in het complot. ‘Het staat er echt,’ wat voor Kimberley reden was om het nogmaals zelf te proberen te ontcijferen.
Het intiem omgaan met de dochter van een ander stelt je als volwassen man voor de nodige uitdagingen wat meestal veroorzaakt werd door de niet-begrijpende omgeving die mijn zorg meerdere keren als een onoverkomelijk probleem beschouwde, onbekend als ze was met het gevaar voor plotselinge toevallen zodat Kimberley geen moment alleen kon worden gelaten en voortdurend aan de hand mee moest worden genomen. Nu ga ik persoonlijk prat op het aankunnen van zulke verantwoordelijkheden want ik stond mijn mannetje bij het verschonen van luiers en was regelmatig gewapend met een rol papier samen met de oudste die gehandicapt is te vinden in bekrompen toilethokjes van op het nippertje gedogende winkelketens van hoogstens een bij een meter, gereed om bij wijze van “drôle de colère” de losse flodders op te kunnen vangen.
Samen met drie jongens en hun vader op pad naar een bos waar het volgens bewoners in de buurt niet pluisde vormde voor Kimberley dan ook geen enkel probleem.
‘Als er een engerd aankomt ga ik gewoon achter je staan,’ was haar spontane antwoord op mijn vraag of ze het uitje spannend vond.
Omdat ik vanwege mijn werkzaamheden die mij vaker op het werk hielden dan dat ik thuis woonde regelmatig pas laat binnenkwam stond ik bekend als een druk baasje, voor Kimberley de aanleiding mij voortaan de “Baas van de Bellenblaas” te noemen, een titel die in wezen klopte. Als ik mijn toenmalige werkgever had verteld dat er bellen van zeepsop voor nodig waren om het gecrashte systeem weer aan de praat te krijgen had hij me op mijn woord gelooft wat meer zegt over hem dan over Kimberley.
Nu heb ik niets tegen die bijnaam of bijnamen in het bijzonder en al helemaal niet als ik hem krijg van een speciaal iemand zoals Kimberley. Integendeel zelfs. Het is een compliment. Daarnaast heeft het iets beschouwelijks, een Salomonsoordeel dat in dit geval godzijdank voor mij in positieve zin uitpakte.
Dit keer wel.

 

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de slaapkamer). U wordt bedankt!

 

 

 

 

 

 

OMDAT HET MOET

Jaargang 2, aflevering 7, donderdag 19 oktober 2017

 

 

 

OMDAT HET MOET

 

Tijdens het kijken naar een aantal in het parkje naast ons huis spelende kinderen waaronder die van mij, streek een man op hetzelfde bankje als waar ik op zat neer. Zijn gestalte had iets verslagens, of hij ergens onder leed, wat dan weer teniet werd gedaan door een heldere, fanatieke oogopslag.
‘Kinderen,’ zuchtte hij na een tijdje. ‘Het lijkt me een mooi bezit als je ze eenmaal hebt. Onvoorstelbaar, dat ik ook ooit zo moet zijn geweest.’
Ik knikte, omdat ik dat gevoel herkende en ik mij als gevolg daarvan amper voor kon stellen hoe hij, ik vermoedde een zestiger, met een mooie, rijkelijk van rimpels en groeven voorziene doorleefde kop dat anders had kunnen voorzien.
‘Maar ondanks alles is het er bij ons nooit van gekomen,’ ging hij verder. ‘Niet dat we niet wilden hoor, dat moet u van mij aannemen. Het was het eeuwige werk dat steeds in de weg zat. Ik hou van werken, weet u.’
Omdat ik als verstokte workaholic daar niets tegenin wist te brengen hield ik mijn mond, in de verwachting verkerend dat de reden niet lang op zich liet wachten, wat ook bleek.
‘Voor sommigen is werken een vies woord. Weer anderen zien het als een chronische ziekte. Ik lijd er zelf aan. Het is voor mij een soort bewijsdrang. De mensen noemen me gestoord maar daar geef ik niet om. Ieder zijn afwijking, zeg ik dan.’
Na even stil voor zich uit te hebben gekeken sprak hij weer, dit keer met stemverheffing.
‘Het goede nieuws is dat sinds ik bij een psychiater loop, weet waar het aan ligt. “Een fobie is het, zegt hij, het gevolg van een overdreven drang tot te moeten scoren. Je wilt je ouders die er niet waren in een fase van je leven waarin een kind juist de bevestiging moet krijgen dat het gewenst is, laten zien dat je niet voor galg en rad bent opgegroeid. Nou, die zat, zeg ik u. Ik ben zoals u ziet een grote kerel maar heb daar toch een tijdje zitten grienen. Vanbinnen wist ik wel dat het ongeveer zoiets was, maar als je het zo heet krijgt opgediend slik je wel even. “Shit happens,” noem ik het tegenwoordig. Dat komt, ik was als jochie van net drie, pats boem, uit huis gezet en pas op mijn zestiende weer teruggenomen. Dat doet iets met een mens. Ik heb namelijk dezelfde soort gevoelens als u, of van die kinderen daar. Het gekke is, wat de reden van mijn vertrek betrof, dat mag Joost weten. Ik weet het nog steeds niet trouwens en ik wordt volgende maand al tweeënzestig.’
Op mijn vraag of het niet eens tijd werd dat na te vragen haalde hij zijn schouders op.
‘Bij wie zou dat moeten? Mijn moeder is dood en mijn stiefvader is na veertig jaar huichelen er met een ander vandoor. Binnen dezelfde week! Nog zie ik dat smoelwerk voor me bij de uitvaart van mijn moeder. Een en al nep, die ene snik. Hij kon zo bij het amateurtoneel, als verkouden paard.’
Onwillekeurig dacht ik aan het Nederlandse spreekwoord, “het kind met het badwater weggooien.”
  ‘Nee, die Pruis is vreselijk door de mand gevallen. Zijn moeder was ook Pruisisch, ziet u,’ ging hij verder. ‘Niet dat het mij nog iets interesseert wat hij doet, die schoft. Eerlijk gezegd ben ik blij dat ik van hem af ben. Die man had gewoon geen gevóél.
Sindsdien draag ik mijn kruis geduldig met mij mee, Omdat het moet. En ik moet nog zo lang, vrees ik. Mijn opa was negenennegentig en ging alleen maar omdat hij het gezeur rond zijn erfenis zat was en mijn oma van negenentachtig omdat ze ondanks hun gebakkelei toch niet zonder hem kon. Vroeg doodgaan zit er bij mij dus niet in. Dus werk ik mij in plaats van alvast een plekkie uit te zoeken voor mijn begrafenis maar de pleuris. Omdat het moet, van mijzelf. En uithuisplaatsing was in die tijd, nou spreek ik van de jaren zestig niet niks meneer, neem dat maar van mij aan. Paters met losse jatten, om maar wat te noemen. Ondanks dat ik het allemaal heb overleefd gaat zoiets je toch niet in de kouwe kleren zitten. Je voelt je op de een of andere manier toch een tweederangs burger. Dat probeer je, nee, dat compenséér je door harder dan anderen te werken, langer door te gaan of door steeds maar nieuwe dingen te bedenken om jezelf maar bezig te houden en jezelf het gevoel te geven dat je er toe doet.’
Onder de indruk vroeg ik hem of hij daar een voorbeeld van wist.
‘Zou ‘k wel denken. Bij mijn voorlaatste baas die een beetje uit de buurt was sliep ik om maar op tijd aan de slag te kunnen ‘s nachts achterin mijn auto op de parkeerplaats. Dat scheelde me de avond ervoor naar huis rijden waar mijn vrouw op mij wachtte. Om de files te ontwijken, zogenaamd. Het resultaat was dat ik elke ochtend, behalve dan de weekenden als eerste naar binnen kon en het werk dat ‘s morgens als eerste moest worden gedaan al klaar was. Dat vond iedereen handig. Soms, als er een storing was in de apparatuur zat ik al op mijn plek, bezig het probleem op te lossen voordat de collega die storingsdienst had op kon dagen. Met vakantie wilde ik nooit. Ze moesten me letterlijk het gebouw uitzetten anders ging ik niet. Dus kwam dat er ook niet van.’
‘Maar neemt u het er dan tegenwoordig nooit eens van?’ vroeg ik. ‘U is tenslotte ook niet de jongste meer.’
Hier trok hij zijn schouders hoog op waardoor hij een beetje op Jort Kelder leek, vond ik.
‘Waarom zou ik? Van ledigheid word je dom en lui. Je hoort wel vaker van oudere mannen die nadat de huisarts ze had gezegd het rustig aan te doen, ze nog binnen hetzelfde jaar met de voeten naar voren de lift werden ingedragen. Weg pensioen, AOW. ‘Neem een hobby’, roept die van mij een week geleden maar ik kijk wel uit. Het is nog niet mijn tijd en we hebben geen lift. Dat laatste was een grap.’
‘Leuk,’ reageerde ik. ‘En nu?’ Want zomaar midden op de dag in een parkje op een bank bij een speeltuin zitten roept om een gegronde reden.
‘Nu niks. Het werk van toen doe ik niet meer. “Burn-out,” zeggen de specialisten tegen me. Jij moet rustig aan doen. Dat is vanwege een hartritmestoornis die ik opliep vanwege alle stress. Maar dat kan ik niet. ‘Rusten doe je tussen zes plankies,’ zei mijn opa altijd. Maar ze hebben me ertoe gedwongen de flikkers, door middel van allerlei pesterijtjes. In plaats daarvan doe ik nu vrijwilligerswerk. Dat schept toch een zekere voldoening en je komt nog eens ergens, dat zat er vroeger ook nooit in. Soms kom ik bij de mensen thuis, een enkele keer zelfs bij een alleenstaand vrouwtje, zo’n onverlept tiepje dat nog wel eens wat wil, als u begrijp wat ik bedoel. De ene keer een beetje vozen, de andere keer iets meer. Sherry in de theepot, vermouth in de bloemengieter noem ik dat verschijnsel. En dan worden ze vanzelf een beetje losser, dat snapt u zeker wel.’
Nu wist ik wel hoe dat gaat maar ben gelukkig getrouwd, een mededeling mijnerzijds waar hij heftig bij knikte.
‘Dat was ik ook. Tot ik een avond een keer op mijn werk zat en er toevallig achter kwam dat er een ander was. Hatsekidee, dacht ik. Jij lol, dan ik ook lol. Dus ik los. Man, ik moet ze van me afslaan! Sommige van die vrouwtjes worden gek. Die staan al tientallen jaren droog en daar krijg ik dan gelijk medelijden mee. Het spinrag hangt er bij wijze van spreken voor. Wat denkt u zelf dat er gebeurt als zo’n frisgeschoren, lekker ruikende kerel als ik bij ze naar binnen stap?’
Een knipoog was mijn deel.
Juist! Het probleem is dan wel dat ze gelijk met me willen trouwen maar daar begin ik niet meer aan maar af en toe een klusje moet kunnen. Niet dat het veel om het lijf heeft, als je de beeldspraak herkent. Daarna draait het meestal uit op de hond uitlaten en naar zijn gezeik luisteren, schilderwerk of behangen. Of het nou mooi wordt of niet en al hangen de vellen er de volgende morgen los bij, het maakt ze niet uit. Ze zijn altijd blij als je komt. Kijk, dat heb ik mijn baas vroeger nog nooit horen zeggen. Die had alleen maar oog voor het werk dat gedaan moest worden en achteraf met andermans veren pronkte. Die van mij of van een collega.
Kijk mij dat eens eventjes fijn gefikst hebben, zegt-ie dan. Die steek je maar in je eigen reet, zeg ik als ik hem een keer tegenkom maar dat gebeurt toch niet.’
Toeziend hoe het spelende grut waaronder een veel groter jongetje op het punt stond met een dikke boomtak de hersens van een veel kleiner jongetje dat toevallig mijn zoontje was dreigde in te slaan, sprak hij verder.
‘Dus overweeg ik een hondje uit het asiel te nemen, een leuk, actief beestje moet het zijn. Niet zo’n bijzettafel die gelijk je koelkast leegvreet of alles met zijn staart van tafel zwiept. Gewoon een klein model dat ik dan moet uitlaten en mij gezelschap houdt. Ik kan natuurlijk gewoon een hond kópen, een reutje, maar mij gaat het er om dat het een stumper uit het asiel is, zeg maar een hondeninternaat. Dan hebben we samen iets gemeen, hij en ik, en kunnen we mekaar troosten. Ik wil ook niet weten waaróm hij daar zat, in het asiel. Het ergste van alles is dat ik nu de hele dag loop te denken aan wat er met hem gebeurt als ik eerder dood ga dan hij. Dat je al op zo’n rottige manier, in een asiel aan je leven moet beginnen is nog tot daarantoe, maar om ook nog zo te moeten eindigen. Brrr.’
Met dat grotere jongetje is het toch nog goed gekomen. Hij hoefde niet naar het asiel.

 


 

 

 

   

 

GENIAAL

Jaargang 2, aflevering 5, donderdag 12 oktober 2017

 

 

GENIAAL

 

De stukjes die ik schrijf onder de naam “Kronkelingen”, de door mij wekelijks gepubliceerde korte verhalen, ontstaan in de meeste gevallen vanzelf. Ze borrelen, zoals Godfried Bomans het zou hebben omschreven, op als “een soort moerasgas.” Soms bestaan ze uit vroegere tijden, tot leven gewekte herinneringen. “Jurassic”, vindt mijn zoon ze, samen met alle andere dingen die uit het ver voor hem liggende mobieltjesloze tijdperk stammen. Anderen vormen zich in mijn fantasie waar ik volgens mijn vrouw rijkelijk mee ben begiftigd.
Vanwege de extraordinaire hoeveelheid mentale souvenirs die ik in mijn leven meedraag kost het schrijven van een stukje mij in tegenstelling tot wat wel wordt gedacht weinig moeite, bij elkaar meestal niet langer dan een uur. Omdat ik net als alle schrijvers lijd aan leesblindheid moet ik het daarom een tijdje laten rijpen waarna ik mij op het schrijven van het volgende werp, tot een aantal van vijf stukjes is bereikt. Pas een dag of twee later lees ik ze nog een keer hardop voor waarbij ik mij er steeds opnieuw over verbaas dat ik het zelf was die het schreef.
Dat aan mijzelf voorlezen heeft iets paradoxaals. Het proeft als de vrijgezel die op sinterklaasavond door het raam bij zichzelf naar binnen klimt, een zak met lekkers op de mat achter de voordeur zet en aanbelt om daarna, quasi overrompeld te gaan kijken wat de goedheiligman daar voor hem heeft achtergelaten.
Pas bij volle tevredenheid waarbij, als hij erin voorkomt zelfs de hond om zijn autorisatie wordt verzocht, gaat het sein op groen waarna het verhaal in conceptvorm op de blogpagina terecht komt.
Elk stukje komt tot stand op een notebook terwijl ik in de woonkamer zit aan mijn bureau, een oud, eikenhouten meubel waar mijn grootvader ooit zijn administratie aan deed.
Dat in de woonkamer werken heeft een nadeel, het blootgesteld zijn aan het via de kijkbuis mijn gehoorgang naar binnen getoeterde pandemonium van reclameuitingen. Lawaai van voor mij per definitie ongewenste aard. Om ze te kunnen overleven eisen mijn zintuigen dat ik een koptelefoon draag. een woord waar ik gezien de vorm van het apparaat enige moeite mee heb.
“Headphones”, zeggen de Engelsen correct, en daarin hebben ze groot gelijk want het aantal zintuigen aan weerszijden van mijn hoofd is immers ook in meervoud uitgevoerd.
Normaal gesproken zou dit stukje vanwege het gebrek aan een uitgever of een krant nu zijn beëindigd. In het tegenovergestelde geval had ik hier bijvoorbeeld kunnen schrijven dat de kopij elke week stipt, laten we zeggen ‘s woensdags bij de redactie moest zijn ingeleverd om voldaan huiswaarts te keren, hopend op een gedekte cheque waarmee ik mijn gezin had kunnen trakteren op een bezoekje aan de dierentuin of een restaurant.
Dat is niet zo.
Met het voortschrijden der jaren neemt ook het aantal lezers van stukjes af, een verschijnsel dat overlijden heet en inherent is aan het afnemen van de hoeveelheid schrijvers van het genre en daarmee ook aan het aantal uitgevers.Zelfs zij die zich almachtig wanen hebben niet het eeuwige leven. Het gevolg is dat ik mij tevreden moet stellen met een bezoekje aan een automatiek.
Daar staat dan weer tegenover dat ik niet achtervolgd wordt door krap in hun tijd zittende editors,  hinderlijke deadlines wat dan weer een veel gezondere blik op het leven oplevert wat dan weer teniet wordt gedaan door de aangeboren drang te moeten blijven werken, zonodig ook ‘s nachts.
Daar kan ik niets aan doen. Het is de innerlijke stem van de stukjesschrijver bij wie, net voordat hij in slaap valt een overloopklep wordt opengezet, daardoor een waterval creëert die alleen door af te tappen weer kan worden afgesloten.
Met de kippen op stok gaan daarentegen levert juist weer het tegenovergestelde effect op. Het geeft mij de zekerheid dat ik al na korte tijd het bed weer verlaat met in mijn hoofd een idee of herinnering voor een stukje of een boek dat eruit wil.
Om dat vast te kunnen leggen moet ik de kamer uit en het licht aandoen waardoor mijn vrouw wakker wordt, een probleem dat ik vermijd en in het begin oploste door bij wijze van stand-by een schriftje met een pen op het nachtkastje neer te leggen, gereed om in het geval mij in het donker iets geniaals te binnen zou schieten ik het direct op kon schrijven.
Groot was mijn ontsteltenis de volgende ochtend toen ze mij op mijn nachtelijke ingeving wees.
‘Geen idee waar jij ‘s nachts mee bezig bent, maar zo ken ik je niet,’ waren haar woorden.
‘Hoe bedoel je?’
‘Dit,’ zei ze, wijzend op het schriftje. ‘Het lijkt wel Chinees.’
Na zelf de tekst die ik in het duister aan het schriftje had toevertrouwd te hebben gelezen bleken er in plaats van een reeks leesbare woorden alleen een rij volledig onleesbare hanenpoten te staan in een taal  die ik niet kende.
Sindsdien ben ik er nooit meer in geslaagd erachter te komen waaruit dat ene geniale idee bestond.
Hebben de stukjes het aantal van tweeënvijftig bereikt oftewel de omvang van een complete jaargang, dan wordt die voorzien van een aangename, door mijzelf bedachte tot de verbeelding sprekende titel, meestal bestaande uit niet meer dan vier of vijf woorden. Korter kan ook, maar dan wordt het al snel onzin. Voor het geval dat zich binnen de boekenwereld een revival van het korte verhaal voordoet, een gebeurtenis waarop ik hoop, heb ik er alvast vele op de plank liggen, Mocht het daarvan komen en ik ben er zelf niet meer dan mag u er ook zelf een verzinnen. Mijn zegen hebt u.

 

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de slaapkamer). U wordt bedankt!

 

 

 

     

 

 


  

   

 

  

KNARIKLET

Kronkelingetje nummer 3

 

‘KNARIKLET’

Tijdens het zappen met de afstandbediening kwam mijn zoon op een muziekzender terecht waarop de Amerikaanse jazzmuzikant Jusuf Lateef te horen en vooral te zien was, begeleid door een blanke man op een bongo.
Na het indrukwekkende schouwspel van het steeds wisselen van blaasinstrumenten enige tijd te hebben aanschouwd waarbij driftig geschakeld werd tussen de hobo en de klarinet sprak hij de woorden: ‘-en nu speelt hij weer de knariklet.’

BON(T)JE

Jaargang 2, aflevering 5, donderdag 5 oktober 2017

 

 

BON(T)JE

 

Gezeten aan een tafeltje bij het raam in een Haagse tearoom waar gelukkig ook gewoon kan worden gegeten, sloeg ik de natgeregende passantenparade vanaf de andere kant van het glas onbespied gade. De aan mij voorbij trekkende levende uit beige en bruine tinten bestaande collage had, redeneerde ik, zo van de muur van een in culturele tripjes gespecialiseerd reisbureau kunnen zijn gerukt.
Binnen bestond het publiek op mij en de uitbater na, een elegant met de bestellingen in het rond zwierende man met het postuur van een Russische balletdanser en de geringschattende oogopslag van een schoenverkoper uit dat van een gezelschap voornamelijk solitair zittende dames. Als een van hen had durven klagen over het krappe formaat van het bijgeleverde petit-fourtje had het mij niet verbaasd wanneer Ivan behulpzaam zou zijn toegeschoten om in schoenverkopersjargon te zijn uitgevallen.
“Te klein? Dit is het allerlaatste model, mevrouw. Eerlijk gezegd staat het u beeldig en u kunt het absoluut hebben.”
Naast mij, met nog een tafeltje tussen ons in zat een vrouw met op haar hoofd een opzichtig, springerig zwart hoedje dat er duidelijk op uit was eenmaal losgelaten dartele dingen te doen, iets dat zomaar had gekund ware het niet dat het vod voor eeuwig aan haar vastzat. De eigenaresse ervan, een gemelijk kijkend broodmagere verschijning met een lichaam waarmee ze in de jaren tachtig furore had kunnen maken met het uitbeelden van vogelnestjes in de ringen, wachtte er kennelijk op iemand. Ze deed mij denken aan een karakter uit een boek van Milan Kundera waarin een studente zich zittend op een terrasje in Praag had voorgenomen daar eeuwig op haar minnaar te zullen blijven wachten, maar was op den duur vanwege de invloed die de tand des tijds op haar had inmiddels onherkenbaar geworden.
Ze bezat een norse blik met daaronder een ronduit snibbige mond waarmee ze, zo stelde ik mij voor, een voortdurend naar azijn riekende woordenstroom voortbracht, een illusie die werd bevestigd doordat ze elke minuut een greep deed naar een in haar tas verborgen rolletje pepermunt.
Pas na zeven pepermuntjes kwam er een andere beweging in haar motoriek toen een lang, donker manspersoon de zaak betrad en op haar tafeltje kwam toegelopen. Haar man, vermoedde ik.
‘Ze hadden het niet,’ sprak hij op vermoeide toon, op de stoel recht tegenover haar neerploffend.

Zijn mededeling scheen zoals uit de uitdrukking op haar gezicht op te maken was, het verkeerde te zijn.
‘Helemaal niet?’ vroeg ze. Ze zei het half ongelovig, alsof de door hem geleverde krachtsinspanning “het” te bemachtigen er totaal niet toe deed.
‘Nee. Dat wil zeggen: alleen in het lichtbeige maar dat wil jij niet dus heb ik het maar niet gedaan. Ik weet wat voor hekel je hebt aan die kleur.’
‘Het is niet alleen de kleur,’ was haar antwoord. ‘Het is de uitstraling. Beige is zo, armoedig, net alsof er jarenlang een Berberfamilie overheen heeft geplast. Bovendien staat het me afschuwelijk. Ik voel me zelf een dier daarin.’
‘Alleen maar een dier?’ herhaalde hij. ‘Het vloekt zo ongeveer met alles dat je draagt, op de kat na. Mag het ook in een andere kleur? Vertel mij eens: wat mankeert er in jezusnaam aan lichtbeige?’
‘Je hoeft voor mij niet meteen Zijn naam erbij te halen,’ sprak ze uit de hoogte. ‘Je kunt toch ook gewoon zeggen dat het je stoort.’
Hij, ik schatte hem een jaar of vijfenveertig met het uiterlijk van een zelfstudie docent wiskunde haalde demonstratief zijn schouders op.
‘Zoals ik dus al zei: ze hebben het niet.’
Aan haar blik die ik als niet-ingewijde voor een nieuw tegenoffensief aanzag maakte ik op dat ze niet van plan zich een-twee-drie aan hem over te geven.
‘En als we het nou eens ergens anders probeerden?’ vroeg ze resoluut. ‘Ze hebben ze wel, maar niet hier, tenminste, niet volgens jou. Heb je wel goed gekeken? Had het anders eerst even gevráágd.’
Een diepe zucht ontsnapte aan zijn mond, vergezeld van een van smart doortrokken gezicht wat ervoor zorgde dat ik een beetje met hem te doen kreeg.
‘Dus je gelooft mij niet,’ begon hij. ‘Nou, dan niet. Ga dan zelf kijken verdomme. Het is op de tweede verdieping, helemaal achterin, voorbij de winterjassen.’
Als zijnde gebeten keek ze op.
‘Op de tweede etage? Dan zat je verkeerd want daar hangen ze niet. Ze hebben ze dus toch.’
Terwijl de man steeds verder ineen schrompelde scheen het mormel in te zien dat ze hem met haar beschuldigingen diep had geraakt.
‘Weet je wat? Dan proberen we het wel ergens anders. In de Hoogstraat weet ik nog een adres. Daar hebben ze ze vast.’
‘Zoals je wilt. Maar ik ga daar niet naar binnen, dank je de koekkoek. Aan mijn lijf geen polonaise.’
‘Het is ook voor mijn lijf bedoeld,’ schamperde ze. ‘Het jouwe leent zich daar niet voor.’
‘Mooi. Dat is dan opgelost,’ besloot hij opgeruimd. ‘Ik hoef geen beesten om mijn nek. Als je er nog een wilt moeten we nu gaan want ik ben al over tijd. Met parkeren.’
Wat later nadat ik de tearoom had verlaten kwam ik het tweetal weer tegen, arm in arm, zij met een vosje om haar nek. Lichtbeige.

 

Kronkelingetje (3)

 

‘KNARIKLET’

Tijdens het zappen met de afstandbediening kwam mijn zoon op een muziekzender terecht waarop de Amerikaanse jazzmuzikant Jusuf Lateef te horen en vooral te zien was, begeleid door een blanke man op een bongo.
Na het indrukwekkende schouwspel van het steeds wisselen van blaasinstrumenten enige tijd te hebben aanschouwd waarbij driftig geschakeld werd tussen de hobo en de klarinet sprak hij de woorden: ‘-en nu speelt hij weer de knariklet.’

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de slaapkamer). Alvast heel erg bedankt allemaal!