KLAAS

Jaargang 2, aflevering 13, donderdag 30 december 2017

 

 

 

KLAAS

 

Dat aan het heerlijk avondje niet te ontkomen valt, wordt pas voelbaar nadat vanwege het ouder worden besloten is er “niet meer aan te doen”. Om jaren later door het nageslacht te worden teruggefloten voelt dan ook als het tot leven brengen van een wegens onthouding van aanvoer van zoetigheid gesloten suikerwerkfabriek.
Jaarlijks tegen november kreeg ik de door mijn ouders aan mij gedane belofte te horen dat binnenkort recht over “het jongmens” zou worden gesproken, mij daarmee bedoelend, met het bijbehorende vonnis dat alleen wie zoet is, lekkers krijgt.
Een niet overdreven mededeling, eentje waar ik jaar op jaar hevig van schrok. De enige zonde waar ik mij bewust van was hem te hebben gemaakt bestond uit het elke week met een balpen alle foto’s van TV sterren in de Avrobode van een baard dan wel een snorretje te voorzien.
Dat Klaas wel degelijk in aankomst was, verried zich door het op een zaterdagnamiddag door mijn moeder tot “sperrgebiet” uitroepen van een kast in het achterhuis dat diende als tijdelijke demarcatiezone waarbij ik voorgoed tot persona non grata zou worden verklaard wanneer ik het euvele lef had met mijn jatten in de buurt ervan te komen. Achteraf beschouwd een pedagogische dwaling  omdat ergens aankomen wat niet mag, oneindig veel leuker is dan naar het gezag te moeten luisteren.
Toch liet ik dat vanwege de acute dreiging vlak voor het lekkers werd uitgereikt door dat gezag te worden gedeporteerd, wijselijk uit mijn hoofd.
Die deportatiedreiging loste ik op door tot de eerste dag van het nieuwe jaar een apostolisch leven te leiden waarin ik op mijn beurt beloofde dagelijks mijn best te zullen doen totdat op Hilversum II het klokje van zeven uur had geslagen.
Dat “mijn best doen” bestond voor mij uit het ‘s morgens bijvullen en met gevaar voor eigen leven aansteken van de petroleumkachel; van zolder een met briketten gevulde kolenkit halen voor de benedenbuurvrouw die volgens mij net zoals alle andere volwassenen in hetzelfde complot tegen alles onder de een meter vijftig zat, te stoppen met het afknippen van een handvol haar van de staart van de kat en die door de pijptabak van opa mengen en rond zes uur ‘s avonds de krant van beneden te gaan halen.
Slapen deed ik nauwelijks. Eenmaal in mijn bed durfde ik er ‘s nachts niet meer uit. Ik kon er immers nooit helemaal zeker van zijn of er niet een spionpiet onder lag die mij aan mijn benen meetrok naar Spanje, een in mijn beleving afschuwelijk door zwartwerkers, corrupte handlangers van een oecemenisch afvallige bisschop verziekt rotoord waar per definitie onschuldige kinderen in de kelders van zijn kasteel door beulpieten worden gekastijd.
Het woord indoctrinatie, ik hoor het u denken, werd toen alleen nog door provo’s gebruikt en de Universele Rechten van de Mens was er slechts voor ouders die genoeg geld hadden om iedere maand honderd gulden aan Legosteentjes uit te geven. Sinterklaas is meedogenloos.
Het hoogtepunt voor bij bestond uit een kijkje nemen in de Haagsche binnenstad waar ik mijn moeder regelrecht de V&D in zeulde onder het mom van dat het “toch eigenlijk best wel meeviel met de door mij begane zonden,” waar ik ter plekke meemaakte dat de spannende sfeer die er hing veroorzaakt werd door de gemeente die er honderden gekleurde lampjes had opgehangen naast de sfeervol versierde gevels van de toen nog druk bezochte warenhuizen en de in opperste Sinterklaasstemming kunstig gedecoreerde etalages.
De Bijenkorf voerde de absolute boventoon bij het feest der misleiding door naast een etalage vol met bewegende Pieten vanuit een zich onder de etalage bevindend rooster een geur van speculaaskruiden de straat in te blazen om daarmee de toch al geprikkelde zenuwen van het grut tot aan kerst op hol te jagen.
Dat ook tegen het eind van het jaar Schraalhans bij ons keukenmeester was mocht evenwel de pret niet drukken. Van oude peperkoek vermengd met water bakte mijn moeder prima pseudopepernoten en de witte chocola ontstond vanzelf na een jaar lang in een la te hebben gelegen van een vergeten melkchocolade letter B.
Dat het strooigoed in de winkel uit hetzelfde spul bestond dat zogenaamd per stoomboot met de Spaanse Inquisitie was meegekomen wilde niet tot mij doordringen. De herinnering aan taaitaai dat dagenlang tussen je tanden vast blijft zitten, het eten van suikerwerk en borstplaat die ervoor zorgen dat ze er op den duur uitvallen daarentegen wel.
In tegenstelling tot mijn enige vriendje die op de begane grond woonde in het huis achter ons had, bang als we waren voor Zwarte Piet het driehoog wonen rond Sinterklaastijd een zeker voordeel.
Bij het om zes uur de krant van beneden halen trok ik uit wraak de deurbel uit zijn houder om er zeker van te zijn dat wie het ook was die er aanbelde of bonsde niet werd opgemerkt. De erop volgende eenakter in twee bedrijven vond ik jarenlang de beste, meest onbetaalbare klucht, veel leuker dan die op TV, wetende dat mijn ouders niets konden laten merken als die zwartwerker van Klaas hopeloos over tijd was.
‘Wat gek,’ begon mijn moeder dan als het doek openging. ‘Het is al weer zowat half negen,’ tegen de man die ik van hem vader moest noemen met een veelbetekenend gezicht. ‘Kun jij niet eens gaan kijken of de bel het beneden nog wel doet. Ik verwacht eerlijk gezegd nog bezoek. Oma zou nog langskomen. Het is tenslotte Sinterklaasavond.’
Met een zo’n onnozel mogelijk gezicht daalde hij af. Groot was steeds mijn verbazing toen hij zonder oma terugkwam maar wel met een jute zak met het opdruk “Veiling Poeldijk” met daarin een paar geruite herensloffen maat zevenenveertig, een breipakket van het merk 3Suisses en een plastic verzameling oortjes, neuzen, hoedjes en brilletjes waarmee ik als ik dat had gewild, een aardappel in een grappig uitziend mannetje kon veranderen.
‘Er was niks mis met de deurbel, anders dat hij uit de muur was getrokken,’ waren daarbij zijn woorden, schouderophalend. ‘Zeker weer kwajongens, of de krantenbezorger die zijn kerstfooi komt innen. De volgende keer krijgt hij een rekening van me.’
De teleurstelling vanwege het krijgen van een handvol plastic werd de volgende dag nog groter toen mijn vriendje gewapend met een luchtbuks en een indianentooi met echte veren bij ons aanklopte want de bel bleef tot na nieuwjaar defect.
‘Van Sint,’ riep hij er bij. ‘Mieters joh! Wat heb jij gekregen?’
Ik antwoordde hem maar dat omdat de bel stuk was Sinterklaas dit jaar voor mij niet was doorgegaan, wat ik op zich een heel geldig antwoord vond. Vooral bij het zien van de luchtbuks.

 

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken. Je ontvangt dan steeds wanneer er iets nieuws rondom Ben Midland te melden is, automatisch een bericht via Email.

 

   

 

 

 

 

OOM KEES

Jaargang 2, aflevering 12, donderdag 23 oktober 2017

 

 

 

 

OOM KEES

 

De familie van schilders waarin ik als oudste telg van een nieuwe generatie was geboren bestond uit hoofdzakelijk ingetogen Calvinisten. Zo gedroegen ze zich tenminste, want iedereen was van huis uit Rooms-katholiek.
De schrijver Max Weber schreef ooit dat de oorzaak van die bijna uitgestorven tweeslachtigheid ligt in de gelijktijdige opkomst van het Calvinisme en het kapitalisme. Als dat laatste in verf kon worden uitgedrukt was mijn geslacht welzeker geslaagd te noemen. Calvinistisch, omdat als de fles al werd opengetrokken, dat alleen zondags tussen twee en drie uur ‘s middags plaatsvond en je bij het avondeten altijd maar één gehaktbal op je bord aantrof. vond je er méér, dan wist je zeker dat je ziek was of op sterven lag.
Een uitzondering vormde oom Kees, een bij het leven vertegenwoordiger in verpakkingsmiddelen en bij uitstek Bourgondiër. Pur sang.
Als jongen koesterde ik grote sympathie voor oom Kees wat kwam doordat hij, de wederhelft van de oudste zus van mijn moeder wanneer er iets te vieren viel de zaken net even wat breder durfde te laten hángen. Onder zijn toeziend oog veranderde de bal gehakt in pate foie gras en een glaasje prik in een met Beaujolais Primeur gevulde roemer.
Net als ik hield oom Kees van mooie, oorspronkelijke dingen die hij het liefst zelf tijdens zijn jaarlijkse zomervakantie op Franse rommelmarkten bijeenscharrelde of gewoon, bij toeval vond in oude, volgens hem al eeuwenlang leegstaande maisons gelegen in de Ardèche. De woonkamer van zijn flat stond en hing dan ook vol met zaken waaronder stokoude pendules, schilderijen met uitzicht op zonnebloemvelden, bistrostoelen en art-nouveau servies. Oom Kees was wat je noemde het schoolvoorbeeld van een Francofiel.
Zijn voorliefde voor dat land werd mij pas duidelijk toen ik hem rond eind augustus een bezoek bracht. Bruinverbrand vertelde hij in volle overgave tijdens een strooptocht op zoek naar authentieke bric-a-brac per ongeluk tegen een sterk verwaarloosd in een maison achtergelaten exemplaar van een schouwgarnituur van het merk Marti & Cie aan te zijn gelopen op een manier dat ik begon te geloven dat heel Frankrijk vergeven was van antieke klokken.
Het herstellen van de vondst deed hij uit eerbied voor de maker niet zelf, al zag ik hem daar ook nog wel voor aan. Daar had oom Kees zoals hij het zelf uitdrukte,  ‘een mannetje voor.’
Zelf heb ik dat mannetje nooit waargenomen maar als het in staat waren een uurwerk uit zestienhonderd te repareren dan kon het nooit groter zijn geweest dan Napoleon.
Net als Lodewijk XIV speelde oom Kees de rol van de zon in huis wat het voordeel opleverde dat hij vierentwintig uur in een etmaal opgeruimd en goedlachs was, gespeend van Roomse galligheid en azijnpissen en in het bezit van een stevige portie humor.
‘Als je hulp nodig hebt, zeg het dan tegen mij dan roep ik even iemand,’ was een van zijn geliefde uitspraken.
Ondanks zijn liefde voor gegist druivennat heb ik hem in mijn nabijheid nooit op een kater, depressie of neerslachtigheid kunnen betrappen. Dreigde de wolkenloze lucht alsnog naar onweer om te slaan, dan toonde hij mij een meester te zijn in het verhullen van de bliksemschichten door snel een VHS tape met “Animal Crackers” van Andre van Duyn in de recorder te steken en iedereen lachte zich vervolgens een aap.
Oom Kees bezat een zwakte, het verzamelen van miniatuurtreinen, bij voorkeur locomotieven van het merk Märklin die hij in zijn garage opknapte en ze rond liet rijden op een zelfgebouwd spooremplacement wat nu eenmaal beter klinkt dan een stukkie rails.
Ik moet tijdens een van mijn bezoeken mijn bewondering niet onder stoelen of banken hebben gestoken want om van mijn gejengel af te zijn werd ik meegenomen naar de speelgoedafdeling in het voormalige pand van V&D om even later weer naar buiten te komen met een doos onder mijn arm met daarin een beginnersset van het merk Fleischmann omdat ‘dat andere merk veel te duur’ was. Het moest volgens mijn moeder ‘een aardigheidje blijven.’
Dat schuursponsjes zich lenen om gras en bomen van te maken en dat het spul niet uit zichzelf blijft plakken bewees ik een dag later.
‘Weten jullie waar mijn bus haarlak is gebleven?’ vroeg mijn moeder. ‘Ik had net een nieuwe gehaald en nu is-ie al weer weg.’
Dat het inderdaad om een beginnerssetje ging wist ik al een week later toen ik met de locomotief naar Oom Kees moest vanwege een vastloper.
‘Waardeloos spul,’ gaf hij te kennen. ‘N-spoor, en tweerailssysteem. Nee, had dan voor Märklin gekozen. Dat is drierails.’
Niettemin werd de loc door hem gerepareerd en hield het nadien nog vele jaren vol totdat er een einde kwam aan de hobby en het hele boeltje voorgoed naar de remise van Oom Kees verhuisde.
Jaren later leerde ik dat oom Kees net als sommige mensen net als treinen tot het tweerailssysteem behoorde, zich daardoor niet leende om uitsluitend op een bepaald type spoor te blijven rijden en dat wissels zijn uitgevonden om keuzes in het leven te maken.
“Le savoir vivre,” zeggen de Fransen. Oom Kees wist het en ik was bij hem in de leer.

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in zijn slaapkamer). Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

 

ALI BABA (II)

Jaargang 2, aflevering 11, donderdag 16 november 2017

 

 

 

ALI BABA (II)

(vervolg)

 

‘Waar zoeken ze naar,’ vroeg ik Kwak.
‘Alcohol, in de ruimste zin van het woord,” sprak hij. “Het drinken van alcohol met inbegrip van After Shave en Eau de Toilette is in de Verenigde Arabische Emiraten streng verboden. Het openlijk aan boord hebben van alcoholica op vluchten met een tussenstop in dit staatje ook. Als voorzorgsmaatregel moet voordat we landen alle alcohol achter slot en grendel worden opgeborgen. Elke vondst wordt beboet met tweeënveertigduizend dirham. Dat is elfduizend dollar, direct aan hém daar af te dragen.’
Hém daar, Ali Baba, met een gezicht als een verlepte woestijnroos, geassisteerd door zijn twee trawanten, was nog steeds druk doende met het wegtrekken van gordijnen en achter deurtjes en luiken gluren met een zaklantaarn.
Op het moment dat ik mij afvroeg wat er zou gebeuren wanneer ze iets zouden vinden scheen de inspectie te zijn afgelopen.
Na een half uur stond het toestel nog steeds aan de grond. Inspecteur Ali was nergens te bekennen.
Aan Kwak’s gedrag en gezicht was evenwel niets af te lezen, druk als hij was met het geruststellen van passagiers die zich af begonnen te vragen wat er aan de hand was.
‘En nu?’ wilde ik van hem weten.
‘Nu niets. Het is een kwestie van afwachten. We moeten wachten op de goedkeuring van de inspecteur, die zit nog op het toilet. Ik schat nog ongeveer vijftien minuten.’
Wat later, na een minuut of tien, ging de wc-deur open en trad Ali naar buiten, ditmaal stomdronken, voorzien van een rode hoenderkop, een zware geur van dure cognac over het gangpad verspreidend.
‘Het is voorbij,’ meldde Kwak mij opgelucht. ‘We hebben het weer overleefd al kosten die inspecties ons steeds een fles Remy Martin Black Pearl.’
Door het raampje naar buiten kijkend zag ik hoe Ali, ondersteund in de richting van de SUV werd gesleept die wegreed met hem op de voorbank, het hoofd rustend op de schouder van een van zijn twee begeleiders.
Mijzelf verheugen op een spoedig vertrek bleek te voorbarig. De rij voor de trap had zich inmiddels uitgebreid tot een druk door elkaar gesticulerende meute, zing verdringend in pogingen om tot vooraan bij het vliegtuig te komen.
‘We hebben een probleem,’ sprak een nerveuze Kwak in het voorgaan. ‘Er komen er tweehonderd aan boord en we hebben te weinig stoelen in de businessclass. Op het bovendek is maar ruimte voor tachtig passagiers en ze willen allemaal bij het raam zitten.’
Benieuwd naar hoe dit af ging lopen ging ik er eens extra goed voor zitten, de ongeduldige prinsenkaravaan buiten waar het meer dan veertig graden was gadeslaand.
Nu weet ik vrijwel niets af van anthropologie en op het gebied van psychologie ben ik een volslagen amateur maar het schouwspel dat zich daar onderaan het toestel afspeelde leek veel op vanwege uitslaande brand in het tehuis halsoverkop in hun nachthemd geklede bewoners.
Na nog een half uur bakkeleien in de zon werd bij wijze van hun woordvoerder een magere jongen naar voren geschoven om met de gezagvoerder te overleggen. Uitgerust met zware borstelwenkbrauwen en een blik waarin een diepe haat jegens ongelovige, niet-Moslims lag besteeg deze zoon van de woestijn de metalen trap.
Ik weet niet hoe het met u zit, maar wanneer onderdanen uit Mediterrane en Arabische landen communiceren krijg ik het idee dat ze elkaar de hersens in willen timmeren, zo ook nu.
Heftig gesticulerend, wijzend op de “normale” passagiers die al sinds we uit Parijs vertrokken waren hun legitiem gereserveerde stoelen bezet hielden, kwam het hoge woord er bij hem uit. Ze wilden per se allemaal bij elkaar zitten, en wel voorin en op het bovendek. De rest van de passagiers moest maar achterin plaatsnemen, in de Economy Class. Dat zoiets volgens de baas aan boord geen pas geeft deed volgens hun woordvoerder niets af aan zijn eis.
Vanuit het raampje aan mijn kant zag ik hoe een vuurrode zon achter een zandduin verdween en purser Kwak een zenuwinzinking nabij was.
Pas na een patstelling van nog een half uur werd uiteindelijk overeenstemming bereikt. De groep kreeg korting op hun reis, op voorwaarde dat ze de aan hun toegewezen plaatsen behielden en zich de rest van de vlucht rustig zouden gedragen.
“Bezet”, zei het lampje van de WC in de buurt van de plek waar ik Kwak voor het laatst had gezien.

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in zijn slaapkamer). Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

 

 

 

 

 

ALI BABA (I)

Jaargang 2, aflevering 10, donderdag 9 november 2017

 

 

 

ALI BABA (I)

 

De mollige Aziatische man in de stoel naast mij met tussen zijn voeten een doos waar aan de afbeelding op de verpakking te zien een bakbeest van een ghettoblaster in zat, tikte mij op de knie.
‘Moet u ook naar Korea,’ vroeg hij in het Engels.
Ik knikte.
Het vliegtuig waarin ik mij bevond, een toestel van het type Boeing 747, net vertrokken vanaf Charles de Gaulle, Parijs, bevond zich nog in de kritieke fase van het opstijgen want de lampjes waarop stond “fasten seat belts” waren nog aan. Als we nu naar beneden waren gestort, bedacht ik, zou ik van de onderdelen van die radio een zender hebben kunnen maken waarna ik samen met mijn gezellige Koreaanse buurman kon worden gered. Achteraf gezien een hoopvolle gedachte.
In geen enkele andere sector ter wereld pikken reizigers het zo te worden afgeblaft. Als er had gestaan “zouden de dames en heren passagiers misschien zo goed willen zijn alstublieft hun gordels te willen vastmaken,” had dat de vliegmaatschappij vast een hoop goodwill opgeleverd. Maar omwille van efficiëntie en tijdbesparing stond dat er niet.
‘Vindt u Korea mooi?’ vroeg de molligerd nu, bezig een sigaret uit een meegesmokkelde slof te ontrukken, want we leefden in een tijdperk, ver voor negen elf en de tabakslobby was nog oppermachtig.
‘Och,’ antwoordde ik zo oprecht mogelijk, vermoedend waar de man heen wilde. ‘Uw land heeft iets aantrekkelijks en het zijn aardige, spontane mensen. Bent u ook Koreaan?’
Nu was hij het die knikte. Ik had natuurlijk kunnen zeggen dat ik ernaar smachtte de rest van mijn leven er door te brengen, drie keer per dag verwend te worden door minuscule Koreaanse masseuses die van mij over mijn rug mochten lopen terwijl ikzelf de hele dag door dim sum liep te snoepen, maar toch deed ik dat niet. In plaats daarvan vertelde ik hem via Zuid-Korea op weg te zijn naar Japan waar ik te werk was gesteld, wat niets dan de waarheid was zo waarlijk helpe mij Korean Airlines almachtig.
Mijn mededeling aan hem leverde aan zijn gezicht te zien een teleurstelling op zodat ik mij een beetje schuldig begon te voelen.
‘Maar ik ben vast van plan om er een keer te blijven,’ probeerde ik goedlachs in een poging de boel bij wijze van goedmakertje te redden. Achteraf gezien een minkukel van een smoes, dat geef ik toe, maar in het bijzijn van een zoon van het Land van de Ochtendkalmte moet je toch wat. Misschien was hij op weg naar huis omdat hij na dertig jaar toestemming had gekregen zijn oma weer te mogen zien bedacht ik mij, wat hem was verboden door nare mannetjes aan de andere kant van de grens die van de honger hun eigen oma lang geleden al hadden opgegeten.
Blij met mijn gedane belofte stak hij mij een sigaret toe die ik als bruut en verstokte niet-roker helaas af moest slaan.
Dat van opluchting aan onze kant geen sprake was kon worden afgeleid aan het gezicht van de Koreaanse purser, een dienstig beroep waar de Nederlandse taal tekort in schiet. “Zahlmeister”, zeggen de Duitsers, terwijl hun werkwoord “purren” dat gepor betekent het doel uitstekend heiligde vanwege zijn lichamelijkheid passagiers die hun gordel inmiddels hadden afgedaan, onophoudelijk te moeten porren.
Nu heb ik normaal gesproken niets tegen kastijdingen en leg mijn lot zonder de kleine lettertjes in hun voorwaarden van welke maatschappij dan ook te hebben gelezen, op voorwaarde dat de ieder personeelslid gedurende de hele vlucht voortdurend blijft lachen of in ieder geval zolang ik aan boord ben.
Zijn gezicht deed dat niet. Op mijn vraag bij het voor de tweede keer voorbij komen of alles goed was werd zijn tronie nog somberder dan het al was.
‘Arabs. Het zijn idioten. mafkezen. Steeds willen ze iets anders,’ gaf hij te kennen.
Toen ik bezorgd vroeg wie hij daarmee bedoelde richtte hij een wanhopige blik omhoog in de richting van het zwerk waar niets anders dan een azuurblauwe lucht te zien was.
‘Ik heb mijn handen vol aan ze. Steeds is het de champagne die te koud staat, dan zeggen ze dat de kaviaar weer te warm is en ze willen per se allemaal bij het raam zitten.’
Het beeld van de purser als visionair leverde bij mij een rimpel op dat bij wijze van vraagteken boven mijn hoofd bleef hangen.
‘De Saoedische prinsen bedoel ik,’ verduidelijkte hij zenuwachtig. ‘De eerste klas zit er vol mee, meneer. Gek word ik van ze. En dit is nog niet alles. Wacht maar af tot we straks een tussenstop in Dubai maken.’
Aangekomen in Dubai bleek de man die volgens zijn naambordje C. Kwak bleek te heten allerminst te hebben overdreven. Een meute donkere jongens, gekleed in lange witte tot de enkels reikende hemden met roodwit geruite doeken op het hoofd, volgens purser Kwak allemaal lid van de koninklijke familie en daarmee dus rechtmatige bezitters van de prinselijke titel stonden als kinderen op een schoolreisje voor de trap te jengelen, elkaar intussen verdringend om als eerste naar binnen te mogen.
Nadat alle chocoprinsen eindelijk aan boord waren en zaten wat ruim een uur duurde bleek dat we nog steeds niet mochten vertrekken. ‘Ali Baba, de alcoholinspectie moet nog komen,’ deelde de purser mij zuchtende mee na mijn vraag hoelang het nog ging duren. ‘Let goed op wat er gaat gebeuren.’
Uit een witte SUV die naast het toestel tot stilstand kwam stapten drie mannen. Twee ervan waren eveneens in dezelfde lange hemden geklede chocoprinsen. De middelste was een klein, bolrond kereltje. De inspecteur zelf, vermoedde ik.
Na met enige moeite de trap te hebben bestegen volgde het drietal het gangpad naar achteren waar ze begonnen met het openen en sluiten van alle deurtjes, luiken en het controleren van achter gordijntjes gelegen ruimten.

 

wordt vervolgd…  (Deel II volgt volgende week)

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal zoveel mogelijk met anderen op Facebook. Je helpt hem ook door eenmalig op de link van zijn sponsor te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in zijn slaapkamer). Alvast heel erg bedankt allemaal!