1970

Jaargang 2, aflevering 17, donderdag 28 december 2017

 

 

 

1970

 

  ‘Je moet eruit, het is tijd.’
Met een welgemikt schot uit zijn Henrystutzen karabijn knalt Old Shatterhand de laatste Indiaan naar de eeuwige jachtvelden waarna zijn gezicht versmelt met dat van mijn moeder.
Ik voel spijt en constateer met een half oog dat het om mij heen nog steeds donker is.
‘Kom je er nog uit of niet?’ klinkt het opnieuw vanuit het trapgat.
Een paar verwensingen mijn zolderkamer inslingerend antwoord ik terug. De slappe stopverf achter mijn ogen en het afgepeigerde stemgeluid van mijn moeder zeggen me dat het vroeg is. In elk geval te vroeg voor school en daarmee nog lang geen tijd om op te staan.
Met tegenzin gooi ik toch mijn wollen deken van me af en zet zonder eerst na te denken mijn beide blote voeten op het permafrost linoleum.
O Jezus.
Klaarwakker loop ik naar de lichtschakelaar naast de deur en vandaar naar het bevroren enkelglas raam. Na een paar keer ertegenaan te hebben gehoest ontstaat op die plek een mooi rond spiekgaatje waar als ik er doorheen kijk, kan zien dat ook in het huis aan de overkant naast dat van Henk mijn schoolvriend waar volgens hem een pooier woont, het licht uit is.
Geschat tijdstip: ongeveer kwart voor vier.
Het kan erger.
Onder het neuriën van “Een man mag niet huilen” van Jacques Herb kleed ik mij aan en ren de zoldertrap af naar beneden waar ik mijn moeder aantref in een gewatteerde roze peignoir, zittend achter een beschuitje en een kop thee.
‘Mogge,’ zeg ik tussen twee happen van mijn boterham met vlokken door. ‘Zo ben je net Tonny Eijk meets Liberace,’ duidend op de peignoir en de ontelbare blonde krulletjes op haar gepermanente hoofd.
‘Libber-wie?’ murmelt ze en schuift een beker lauwe melk naar mij toe.
‘Laat maar. Ik bedoelde de Amerikaanse pianist,’ smak ik met mijn mond vol wrevel vanwege zoveel onbegrip op de vroege ochtend. Ik besluit ter plekke dat ik voortaan een ochtendhumeur wil en schuif de kan met daarin een plastic zak melk naar mij toe.
‘Je lunch,’ brabbelt ze terug en legt een wit met rode letters bedrukte, gekreukelde zak met kennelijke inhoud voor mij op tafel.
“King Corn, het enige dat je weggooit is de verpakking,” lees ik. De vraag wat ik op mijn brood meekrijg slik ik in. Het terugdenken aan de glas-in-loodworst van een week geleden ligt me nog zwaar op de maag.
Boos op mijzelf steek ik mijn tong uit tegen het spiegelbeeld in het glas van de keukendeur en hoop dat ze het niet heeft gezien.
‘Glas-in-loodworst,’ zegt ze ongevraagd. ‘Dat lust je toch ook, hoop ik? Er is trouwens niks anders.’
De gedachte aan het smerige spul dat voor vleeswaren door moet gaan doet me kokhalzen en wens Jacques Herb naar de Filistijnen en Albinoni’s Adagio in G mineur in mijn kop.
‘Lusiknie, dat weet je toch? Ham dan,’ probeer ik voorzichtig maar ze schudt nee.
‘Ik zei toch al, er is alleen tongenworst in huis. De ham heeft je vader gisteren opgegeten.’
Terstond zie ik hoe een reuzenham met varkenspootjes mijn stiefvader achtervolgt. Pas na acht rondjes door de woonkamer krijgt hij hem te pakken en schrokt de onverlaat in twee happen naar binnen.
Na samen een paar minuten zwijgend voor ons uit te hebben gekeken ben ik het die de stilte als eerste doorbreekt en sta op terwijl ik mijn sleutel van de fietsenstalling in mijn zak steek.
‘Ik ga,’ zucht ik, mijn vertrek aankondigend.
Ze knikt.
‘We eten rode kool vanavond, met een slavink. Ik zet wel wat voor je weg. Wordt het laat, denk je?’
Ik haal mijn schouders op en daal met mijn jas binnenstebuiten gekeerd de twee trappen af, haar aanbod in overweging nemend.
Op de eerste etage aangekomen trek ik aan het touw waarmee de voordeur opengaat en laat die beneden gekomen in de wetenschap dat het allang donker zal zijn voor ik huiswaarts keer, nadrukkelijk maar vooral gepikeerd achter mij in het slot vallen.
‘Vandaag niet,’ zeg ik hardop tegen mijzelf. ‘Voor deze jongen vanavond geen rooie kool.’
De ijzig koude buitenlucht inhalerend haast ik mij voort langs de huizen met hun gesloten gordijnen waar ik terstond wordt overvallen door een intens gevoel van zwaarmoedigheid dat erger wordt naarmate ik sneller loop, merk ik. Alleen ter hoogte van de overvloedig verlichte etalages van de meubelstoffeerderij, Metz de sigarenwinkel en Schuil de buurtsuper komt mijn aanvankelijke opgewektheid weer terug, mij voornemend dat als ik burgemeester van Den Haag wordt ze een lintje te geven bereik ik het aan de Zoutkeetsingel gelegen, tot fietsenberging omgetoverde pand. Een versleten, voormalig woonhuis waar het ongeacht wat voor weer het is altijd naar natte jassen, solutie en rubber ruikt.
Weer buiten met mijn fiets aan de hand kom ik op het idee kop of munt te doen om zo te beslissen welke route ik dit keer neem en kies zonder op de stuiver te kijken wat het is geworden de gemakkelijkste weg, die van via de Zusterstraat langs de Monstersestraat de Kempstraat in.
Door de Schilderswijk fietsend bereik ik zonder handen het Hobbemaplein en bekijk onder het doortrappen de uitnodigend versierde Sinterklaas etalages.
Kon het altijd maar december zijn.
Aangekomen op de plek waar ik moet zijn, zet ik mijn fiets op slot en loop via de winkel die al open is, fluitend de gang in en neem de trap naar de kelder waar ik grijns bij het zien van de kleren van mijn collega’s John en Ludo die daar al hangen.
“Weer verloren,” denk ik en deponeer snel een kluit fondant in hun broekzakken.
Gestoken in mijn bakkerskostuum, overdreven vrolijk lachend betreed ik exact twee minuten later de bakkerij.
‘Mogge lange, je bent net op tijd,’ begroet John bij wijze van goedemorgen. ‘Er komen net driehonderd kletskoppen uit de oven. Honderd daarvan moeten tot hoorntjes worden gerold.’
‘Fijn,’ zeg ik, en schuif met handschoenen aan een gloeiend hete bakplaat vol kleverige hoopjes de werkbank op.
Uit de radio op een plank boven mijn hoofd waar alleen Hilversum II het nog doet zegt een benepen stem: ‘De waterhoogten, te beginnen met Konstanz: driehonderd achtenzeventig: min… twee. Rheinfelden….’
‘Soestdijkseplein: vijfhonderd: min… tien!’ roep ik erachteraan.
De zaterdag is begonnen.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

 

 

 

DANS CARBONADE

Jaargang 2, aflevering 15, donderdag 21 december 2017

 

 

 

DANS CARBONADE

 

‘Deze is geloof ik voor jou,’ liet mijn vrouw weten, mij bij binnenkomst een enveloppe overhandigend.
Het was een brief van het bouwpensioenfonds waarin stond dat ik voortaan de rechtmatige ontvanger was van 1 euro netto pensioen per maand, te ontvangen na ondertekening en terugzending van het bijgaande formulier.
‘Je mag jezelf voortaan wel gelukkig prijzen met zo’n bedrag,’ waren haar woorden bij het zien van mijn royale gagement. ‘Pas op dat je jezelf er niet in verslikt.’
De betreffende periode bestreek de tijd waarin ik als jongste gezel aan de slag was bij een Bouw & Timmerbedrijf aan de Voorweg te Zoetermeer waar mijn carrière als timmerman op de kop af twee maanden duurde. Daar kwam abrupt een eind aan wegens de harde ingreep van een ambtenaar uit naam van bouw en woningtoezicht. De man had het op mij gemunt vanwege naar ik later vernam mijn ‘liederlijke gedrag en de onbehouwen woorden’ die ik hem vanaf mijn steiger zou hebben toegeworpen.
Ikzelf was mij van geen kwaad bewust tot het moment dat de aannemer mij meedeelde dat ik was ontslagen.
‘Je had ook niets moeten zeggen,’ sprak hij bij het uitreiken van mijn laatste loonzakje. ‘Met gemeenteopzichters valt nu eenmaal niet te sollen. Het is je eigen schuld. Ik kan er verder niets meer aan doen.’
De aanleiding was mijn in de richting van de opzichter vanaf de steigers toegeroepen waarschuwing dat zijn aktetas die naast de bagagedrager -want in die tijd bewogen opzichters zich nog per fiets – terecht was gekomen en nu door het gehobbel in de bagger dreigde te vallen.
‘Pas op, uw tas, straks gaat-ie vallen!’ riep ik de man ondubbelzinnig toe, wat door de voortdurend om het pand gierende wind geklonken moet hebben als ‘Dramtot, uw karkas haat bamiballen!’, of ‘baggerkop, uw kunstgras gaat knallen!’
Dat het niet heeft mogen baten begrijpt u. Die tas viel alsnog. In de modder.
Mijn aandeel in de werkzaamheden bestond uit het met een koevoet loswrikken van de daar sinds drie eeuwen op het dak vastzittende doorgerotte tengels en pannenlatten, een klusje waar ik redelijk behendig in was.
Dat steigerwerk bracht het bijkomende voordeel met zich mee dat ik een onbelemmerd uitzicht genoot op het erf waar vijf uitgehongerde varkens in een steeds kleiner wordende actieradius rondliepen, azend op de enige appelboom die er stond.
“De mens gedijt waar engelen sterven aan extase en waar varkens zouden afsterven van afkeer,” schreef eens een dichter. Dat gold niet voor deze boomgaard.
‘Hopla, ik lust geen appelstroop,’ sprak Geert, mijn collega die het drama onderaan de steiger niet langer kon aanzien en wierp de boterhammen uit zijn trommeltje naar beneden.
Wat daarna gebeurde had veel weg van de ochtend na Sinterklaas in het internaat waar we met vijfentwintig man tegelijk op één chocoladeletter “I” aanvielen.
‘Jezus, ze vreten mekaar op,’ zei hij geschokt. ‘Is er niets wat we voor ze kunnen doen? Die beesten hebben honger.’
‘We voeren ze appels, ‘ stelde ik voor. ‘Die boom hangt er vol mee.’
Gedreven door de wil een eind te willen maken aan hun fruitige begeerten haalde ik de riem uit mijn broek en maakte het uiteinde ervan aan een drilboor vast. Het andere eind sloeg ik om de boom heen en trok eraan tot hij strak kwam te staan.
‘Nu!’ riep Geert, waarna ik op de knop drukte.
Naar buiten gelokt door het spektakel dat erop volgde maakte de boer, een door optrekkend poldervocht in een vraagteken gegroeide kabouter met een stem als roestige tramrails een eind aan de “Dans Carbonade.”
Met zijn kromme benen, een vuurrood hoofd en gewapend met een mestvork zette hij de achtervolging door de modder in, op zijn beurt achtervolgd door de beer, onderweg grijpend naar het kortste eind, in dit geval een krulstaartje.
In een boekje uit het jaar zeventienvijfendertig dat ik bezit, getiteld “Oude en Nieuwe Gezangen des Oude en Nieuwe Testaments, geschreven tot Vermaek, Onderregting en Stigting der Jeugd” staat het gedicht: “De Duivelen uit een bezeetenen verjaegt trekken in de varkens.” Het is dit couplet waar ik bij het zien van de als een duivel door de modder in het rond springende boer met de mestvork in zijn hand het eerst aan dacht.

“In Varkens die daer weidden, dat hun wierd toegestaen;

Zy dan den mensch verlaetend zyn in dat vee gegaen,

Zy storten ‘t met geweld in ‘t water, daer zy ‘t smoorden,

En ‘t leert ons nog gestaeg hoe ‘s Duivels listen moorden.”

In een onreglementair soort galop door de bagger draafden de twee door de boomgaard, in rechte lijn op de boom af koersend. Het varken passeerde de boom links, de boer rechts, met in zijn hand nog steeds de staart. Een botsing tussen mens en dier was onvermijdelijk. Met toegeknepen ogen zag ik de malheur voor me.
Toen ik ze weer opendeed lagen de boer en het varken aan de andere kant van de boom, met de koppen (de boer stond met zijn poten op het paard zijn voeten) tegen elkaar.
De boer heb ik daarna twee dagen lang niet gezien. De varkens met een grijns op hun gezicht wel maar dat kan ik mij verbeeld hebben.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

 

EEN KONTJE VOOR MOEDER

Jaargang 2, aflevering 15, donderdag 14 december 2017

 

 

 

 

EEN KONTJE VOOR MOEDER

 

  ‘Een maatje groter mag je wel hebben,’ laat ze weten bij het zien van mijn eenmans powwow dansuitvoering.
‘Hebben ze niet,’ zucht ik in de richting van mijn vrouw, want als het gaat om kleren passen schiet ik al een week van tevoren in staat van vertwijfeling.
  ‘Daarbij, hierin kom ik niet vooruit. Tenzij je wilt dat je voor eeuwig aan mij vast zit.’
‘Hoezo,’ vraagt ze. ‘Dat zit ik nu toch ook al?’
‘Dat ligt er maar aan hoe je het bekijkt,’ antwoord ik al huppend terug. ‘In deze broek lukt het me nooit van je weg te rennen. Om dezelfde reden lopen ze in het leger nooit in passende kleding rond. Aan soldaten die hard weglopen heb je namelijk niets.’
Het passen en kopen van kleren in een land als Portugal waar praktisch niemand boven mijn broekriem uitstijgt is voor mij bij voorbaat een volstrekt zinloze onderneming. 
Dat is voorzover ik mij kan herinneren nooit anders geweest. Groot zijn heeft veel om het lijf. Dat mijn knieën niet onder een lange broek hoorden uit te kruipen weet ik al sinds mijn twaalfde.
‘Het is zeker weer hoog water op Scheveningen,’ was het vaakst aan mij toebedeelde commentaar. Als dertienjarige torende ik met mijn lengte boven alles en iedereen uit, mijn moeder bij het jaarlijkse kleren kopen tot grote wanhoop drijvend.
‘Als je zo blijft groeien loop je straks nog in je blote kont,’ wierp ze mij, een haar boven het hoofd groeiende stuipekop hoofdschuddend toe. In twee jaar tijd was de wereld om mij heen veranderd van een roze wolk in een stormbaan van in hinkstapsprongen te nemen lage deuropeningen, tot steeple chase uitnodigende tombade over stoelen, tafels en banken.
In mijn dromen was het mij optillen tijdens de doopplechtigheid onnodig. Op verzoek van meneer pastoor stapte ik zelf wel in het doopvont en hingen toen ik veertien was mijn voeten driehoog uit het zolderraam van mijn te kleine kamer.
Ook ondervond ik bijtijds dat het handig was mijn moeder een kontje te geven wanneer ze iets in de winkel zag wat ze absoluut moest hebben maar waar ze vanwege haar lengte niet bij kon. Opvoeder zijn heeft zijn prijs.
“Materialisme is een identiteitscrisis” schreef de schrijver Bryant H. McGill eens in een gulle bui. Dat hij daarin gelijk had blijkt uit de sokken die ik ‘s winters draag al direct na aankoop bleken te zijn gekrompen.
‘Ik snap er niks van,’ zegt mijn vrouw bij thuiskomst. ‘Daarnet op de markt leken ze veel groter. Dit is XXXL, de grootste maat die hij kon vinden.’
‘Waarom zeg je dat tegen mij?’ antwoordde ik. ‘Je hebt ze gekocht op een Portugese markt. Daar is alles nu eenmaal veel kleiner. En aangezien wij hier nergens in passen en overal bovenuit steken…’
Behalve dat mijn voeten maar voor de helft in de meegebrachte sokken pas, maak ik mijn schoeisel nu zelf, uit een paar versleten gymschoenen zodat ik er bijloop als een clochard. De zakdoek waaronder ik slaap maakt dat ik mij solidair met ze voel die er dankzij hun geplastificeerde kartonnen dozen warmer bij liggen dan ik wat het voordeel met zich meebrengt mij het gevoel te geven eindelijk ergens bij te horen.
De patroonheilige van de zwervers, het meisje met de zwavelstokjes waar ik een keer per week een kaarsje voor op steek is ook die van mij, een met pijn geschoeide karmeliet wiens voeten in hun volle naaktheid door het leven tabernakelen. Zij, en de pantoffelfabrikanten zijn zij de echte helden die ik zonder dat ze het weten aanbid.
Het zijn machtige voeten die de man kunnen dragen bedenk ik mij dan, denkend aan de woorden die een oude vriend, beeldend kunstenaar van beroep mij toeriep bij het zien van de onder mijn voeten verkruimelde caoutchouc zolen, net terug van zijn strooptocht op zoek naar geschikt bric-a-brac voor zijn nieuwste creatie in aardewerk “Satyrs in Heidelberg.”
‘Het is misschien niets,’ vertrouwde hij mij toe, ‘maar op het Waterlooplein in Amsterdam staat een mannetje met handgemaakte ruiterlaarzen uit Tsjechoslowakije. Ik mag ter plekke dood neer pleure as jouw maat daar niet ergens tussen leg.’
Ter plekke aangekomen bleek dat hij allerminst had gelogen. Temidden van Coca Colaspiegels en letterbakken lag een tot de onderkant van een bij wijze van berbertent opgezet zeil neergesmeten berg Kozakkenlaarzen zodat het leek of de Russen tijdens hun bestorming van de Wallen waren bestolen.
Al direct na het passen van het op het eerste oog perfect zittende paar waande ik mij een Onogur, een Sarmaat van de Oeral. Zonder paard maar met trek in tartaar met uitjes, vonken trekkend over de stoep vanwege de hoefijzers die eronder zaten verliet ik mijzelf de sporen gevend de markt, om binnen vijhonderd meter mank te gaan tegen de gevel van het beursgebouw vanwege een opkomende eksteroog, gehinderd door mijn niet-bestaande ros zodat ik noodgedongen lijn 9 liet stoppen voor het overbruggen van die paar laatste meters naar het Centraal station.
Ik merk dat ik hier afdwaal.
Het gordijntje voor het pashok waarin ik mij bevind verhult godzijdank alles. Nog maar drie broeken te gaan.

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

THE TEAPOT AND THE CUP

Year 2, edition 2

 

 

 

THE TEAPOT AND THE CUP

 

Once, many years ago, a teapot lived inside the cabinet of a little poor seamstress. He was already old and without a lid. Every evening he was taken out of the cabinet to keep the tea warm the seamstress had made, he reminded her of it.
“Oh, how can I always forget you don’t have a lid. I promise the next time I visit the flea market, I’ll think of you.”
But because she always forgot, it never happened. The teapot remained without a lid and the seamstress drank lukewarm tea every evening together with her biscuit.
On an evil day, it was sometime in November, the seamstress broke her very last teacup during washing it.
“How imprudent of me!” She said. “Now I have to go to the flea market to buy a new cup. Soon the market will be closed. What do I drink my tea from tonight?”
So the seamstress hastened on her slippers to the flea market and forgot the promise she had made to the teapot.
“Finally!” The fat sugar bowl standing next to the teapot in the cupboard shouted.   “Now it does not take much longer anymore. Teapot! Your days are counted. Just wait and see! Soon she will come home with a new teapot and two new cups. Then I’ll be rid of you. What is the use of a teapot without a lid? Look at me! I have a lid to make sure the sugar remain dry, without lumps.”
But the teapot did not react and thought back to the time when he himself had a lid.
It did not take long before the seamstress returned home, this time delighted.
“Look what I found!” She exclaimed happily to the teapot. “A cup. It is not the most beautiful cup of the whole market but at least she has a rose so she fits you well. And she also has a slight lack, just like you.”
Because teapots and cups belong together she put it next to the teapot and the angry sugar bowl got another place, a little away from the two.
At first the teapot could not see anything different on the cup but after looking another time he saw it. The porcelain of her ear was on one spot a little thinner and there was a small crack on the bottom.
Now everyone knows teapots and cups can not really talk, but in this story it happened. As a matter of fact, they chatted all day.
The two turned out to be able to find each other very well, so good that the seamstress occasionally became mad.
“Lady, Sir, it has been nice again but now it’s enough for today,” she said, cheered by the conceited sugar bowl. “Tomorrow you two can talk further.”
“You hear it,” the sugar bowl said, jealous. ‘I like to philosophize about life. Because of you two I can not even hear myself thinking anymore.”

The month of November passed and it became December.
Like every other day, the teapot and the cup talked for hours together. They talked about life and how well they did with the seamstress.
“You see,” the sugar bowl fired when the seamstress put the teapot back in the cupboard at eight o’clock in the evening. “Nobody wants to listen to chatter from a bunch of mismatched. A teapot without a lid and a cup with a limp ear. Who wants them now?”
But the handsome teapot which had long ago been made by a crafty potter from the Black Forest did not agree with him. In contrast to the inflated sugar bowl he had beautiful lines and spoke with a decent English accent, as if a tea leaf had stuck in his spout. From the place where his butt was, a long slender spout stuck out in a graceful curl and on his back he had two roses. That he no longer had a lid did not bother him.
The cup on the other hand, was simple. Except for a too thin little ear which was because the potter only had a little bit of clay left over, she was not as beautifully decorated as the teapot and had only one instead of two roses. Nevertheless, the teapot and the cup loved each other in spite of their faults.
“For every cup there’s a lid,” said the cup named Amalia, named after her aunt, an antique pastry plate when the teapot dropped its spout again. “That counts also for you. I am not a lid, but I always love you, no matter what happens.”
Then the teapot blushed and he wished he was a saucer. And when the sugar bowl had once again turned her mockery onto his girlfriend, he comforted her.
“Oh Edouard,” because that was his name, Amalia called. “What would we have to do without each other? The seamstress is already old. Soon she will die and only the two of us are left. What will then happen to us?”
Then the teapot wanted to say something appropriate but was interrupted by the cheeky sugar bowl.
“You’re the ones left? Really. Don’t make me laugh. Soon it will be over with the two of you. Then I am the boss here. Look at me! I am well fed and I am not short of anything which I cannot say about you two. One can not keep the tea warm and the other is too weak to be lifted.”
Then the teapot and the cup were silent because they knew deep down the sugar bowl was right.
It was a night the seamstress died, very quietly, in her sleep.
“Look,” the sugar bowl called triumphantly. “Now it will be your turn. Tomorrow the buyer will come and I will be released of you for good!”
But the sugar bowl had counted outside of itself. Already the next morning he was taken away and came into the service of an angry farmer as an ashtray. The teapot and the cup on the other hand ended up with a merchant who took them to the market.
“Brrr,” the cup shivered. “See us. We had such a good life at the seamstress. Now we are here, freezing to death on the market, waiting for someone to take us home.”
“Please stop shivering,” the teapot complained. “You’ll break yourself in two. If that happens we are even in bigger trouble than ever.”

One day, it was already past the first Advent’s day, when a woman, a teacher and her daughter walked past the market stall and saw the teapot.
“Look!” the girl called. “This teapot does not have a lid, like the one we had before. Maybe it’ll fit ours. Let’s buy him, Mama.”
But her mother had no eye for the teapot. She had used all her money to buy food and there was nothing left.
“Maybe the next time at the end of the month,” she said. “If he is still there.”
The girl knew the chance was very small the teapot was still there by then, so she turned her piggy bank upside down where exactly two quarters were in and ran back to the market, secretly.
“How much does it cost,” she asked the merchant, pointing to Edouard. “Our teapot has broken and the only thing left of it is the lid.”
“Now it’s going to happened, Amalia,” the teapot cried sadly. “Farewell, we will be separated from each other.”
“I know,” the cup called back. “You will be fine, Edouard. Remember whatever happens, I will always love you.”
The merchant rolled the teapot into a piece of paper and went with the girl to her house where she put him under her bed. But the lack of his beloved made the teapot sadder than ever.
“I better fall myself into pieces,” he thought. “If I can no longer be together with my great love, what is the use of life? There is nothing left for me.” 
Then he wept silently, meanwhile thinking of the good old time.
One evening, just after the lady lifted the teacup to take a sip, her cat Ophelia jumped onto her lap, causing the cup to slip off the saucer and landed on the floor where the cup fell into pieces.
“Dumb, dumb Ophelia,” she said. “What are you after all, a rough cat? Now I also have to look for another cup. Where can I find one before tonight?”
“At the flea market, mommy,” the girl said. “Maybe the merchant has a cup which suits him.”
“Alas, ma’am,” the merchant said. “I had one but did it away. It had a crack in the bottom and the ear was too thin. Nobody wants such a cup.”
Disappointed, the madam and the girl returned home.
“Don’t worry mama. We’ll find something” the girl said. ‘There are more market vendors selling such cups.”
“Wait,” the merchant called after them. “Give me your address. Whenever I come across something, I’ll let you know immediately.”

It was Christmas morning. Full of expectation the girl laid the teapot beautifully wrapped by herself under the Christmas tree.
It did not take long before the mother came down and saw the package lying there.
“How nice,” she said happily after unpacking. “Thank you Santa! Now we have a teapot again. With a bit of luck we will find a suitable cup.”
The same morning the teapot was the center of the Christmas breakfast. But there, between the fresh croissants, the Christmas roll baked by the lady and next to the Ardennes pâté, Edouard could only think of the cup which would probably no longer exist.

When the doorbell rang at eleven o’clock in the morning and when the girl opened the door, she was surprised to find the merchant standing there.
“A Merry Christmas to you all!” He said cheerfully. “I know I come inconvenient, but because I live in the neighborhood I thought you might like this.”
In his hand was a dirt-stained teacup. The bottom was slightly cracked and the earpiece had a thin spot.
“It’s a bit of a weird story and I still do not understand,” he replied. “I thought I had it thrown it away first, but this morning I found it suddenly in my cart again. It is as if she has her own will. ”
“A cup!” the girl exclaimed. “Look ma, it has just such a rose as our new teapot!”
“Amalia,” the teapot cried when he saw the cup, this time with tears of happiness. ‘You are still there!”
“You too it seems, Edouard!” The teacup laughed at him. “Let’s promise each other we will never be separated again, even if we fall apart into a thousand pieces.”
“Agreed,” Edouard promised solemnly. “Then we still have each other. For good.”
From the sugar bowl no one ever heard something anymore. The last time he was seen in a thrift store. Without a lid.

 

The end

 

HET SCHOMPES

Jaargang 2, aflevering 14, donderdag 7 december 2017

 

 

 

 

HET SCHOMPES

 

‘Ik ben ontslagen.’
De man naast me zei het met een stelligheid alsof zijn mededeling een zegen voor de mensheid inhield.
‘Uit het ziekenhuis,’ verduidelijkte hij mij, zijn dwaling tijdig inziend. ‘De heren specialisten konden weer eens niks vinden.’
Nu ben ik van nature voorzichtig met het aannemen van zulke mededelingen, vooral wanneer wildvreemde mensen het nodig vinden hun hart bij mij moeten uitstorten. Je kunt immers nooit van te voren weten of de persoon die je benaderd niet een net uit de TBS kliniek ontsnapte seriemoordenaar is, op zoek naar een toekomstig slachtoffer om hem na het vragen om een vuurtje direct met een vleesmes te lijf te gaan maar deze keek er zo feestelijk bij.
‘Gefeliciteerd!’ zei ik.
‘Dank u. Het lijkt veel maar het is niks,’ ging hij verder. ‘het was me al vijf keer eerder overkomen en iedere keer stond ik al binnen vijf minuten weer buiten. Dat is vijf keer te veel wat mij betreft. Steeds als ik er kom is het ‘niks aan de hand meneer. U bent kerngezond. Een foutje van de huisarts, bleek achteraf.’
‘Dat is toch goed nieuws,’ merkte ik op. Want fouten zijn er mijns inziens om ingezien te worden.
‘Dat wel. Dan was het mijn hart dat te snel liep, de keer daarop was mijn bloeddruk gevaarlijk hoog of had ik een verdachte ruis op mijn longen. Na de laatste keer, toen hij een breuk constateerde terwijl ik voor de jaarlijkse griepprik kwam en mijn bijbal voor een tumor aanzag vond ik het genoeg. ‘Blaast u eens op uw hand,’ vroeg hij me. ‘Nou, dat heb ik geweten. Ik ben geen liefhebber van jodelen maar ik schoot dwars door elke toonladder heen.’
De man, een goed geconserveerde veertiger met een ruimhartig, open gezicht waar een ietwat gekwelde uitdrukking in besloten lag wees met een vinger naar zijn voorhoofd.
‘Gestoord is-ie, mijn huisarts dan, en een gevaar op de weg. Als hij op moet komen draven, hij wordt tachtig, wordt eerst de straat afgezet. Die man kan absoluut niet autorijden. Met dat zwarte gevaarte van hem, een Amerikaan, zo’n lijkenwagen, heeft hij het al een paar keer voor elkaar gekregen mijn tuinhek finaal uit de grond te rijden. Eigenlijk moet hij met pensioen maar dat verdomd-ie.
‘Niks aan ‘t handje’, roept hij iedere keer en dan stopt-ie mijn vrouw een briefje van tien euro in de hand. ‘Hier moeders, alsjeblieft. Tien gulden voor ‘t hek,’ zegt-ie er dan bij, ‘En koop er een paar petunia’s bij want die maken iedereen vrolijk.’ En laat ik nou toevallig een pleurishekel hebben aan petunia’s. En een hek repareren kost tegenwoordig meer dan tien piek. Weet hij veel.’
Op mijn vraag of hij er niet verstandig aan deed voortaan een andere arts te bezoeken haalde hij zijn schouders op.
‘Ach, ik kan wel naar een ander omzien, maar wat schiet ik er mee op. Dan moet ik weer het hele verhaal opnieuw vertellen. Bovendien, die jonge gasten tegenwoordig schrijven alleen maar vóór. Die vent, het is een eikel hoor, kijkt tenminste nog eerst voor hij iets uitschrijft, dat moet ik hem nageven, al zie ik hem ervoor aan dat hij de lamp waarmee hij in mijn oor kijkt net zo makkelijk in mijn andere gat steekt als u begrijpt wat ik bedoel.’
Dat wilde ik begrijpen.
‘En nou heb ik persoonlijk helemaal niks met ziekenhuizen,’ vervolgde hij. ‘Ziekenhuizen, ze zijn levensgevaarlijk. Je komt er voor een ingegroeide teennagel en voor je het weet hangt een label aan diezelfde teen waar een of andere gek in een doktershandschrift op heeft gezet dat het hele been eraf mag. Ik verdenk ze er ook van rotzooi in het luchtbehandelingssysteem te spuiten waar je, na eenmaal goed en wel via de draaideur naar binnen bent gekomen, spontaan een ziekte van oploopt zodat je een week later via de achterkant morsdood weer naar buiten komt met een label aan je andere teen. Daarmee wil ik maar zeggen: ik ken mensen die midden in het leven staan, kaarsrecht op hun fiets zitten, nooit roken en drinken en dat daarvoor ook nooit deden, zich het schompes vreten aan donkerbruin brood, dat wegspoelen met liters brandnetelthee maar binnen een week nadat ze iemand die in het ziekenhuis opgenomen was hadden bezocht, als wrakken weer naar buiten kwamen. Een week later liggen ze er zelf te creperen. Hebt u wel eens in een ziekenhuis gelegen?’
‘Nauwelijks,’ antwoordde ik. ‘Het medische vergrijp waarvoor ik er lag mocht geen naam hebben. De krant heb ik er nooit mee gehaald.’
Mijn antwoord maakte weinig indruk op hem wat ik zag aan zijn schouderophalen.
‘Ik vergelijk ziekenhuizen voor het gemak met garages,’ zei hij. ‘Je komt voor twee nieuwe banden en zonder het je vooraf te vragen hebben ze er een nieuwe dynamo, startmotor en radiator ingezet. Kom ik voor bloedprikken dan ga ik naar buiten zonder milt, dat weet ik zeker. Hebt u er wel eens bij stil gestaan waar al die organen naar toe gaan? Die worden verbrand, zeggen ze. Maar is dat ook zo? Wie zegt mij niet dat er ergens een kat rondloopt met mijn milt?
Mij zien ze dus niet meer bij die kwakzalvers. Laat dan maar een seniele huisarts mijn hek de grond uit rijden en me in mijn zaakje knijpen. Dat is te overzien en daar heb ik als het moet vrede mee. Behalve met die petunia’s. Daar krijg ik het schompes van.’

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

DE THEEPOT EN HET KOPJE

KERSTVERHAAL 2017

In Nederland leven honderden mensen waaronder veel ouderen door
bezuinigingsmaatregelen van elkaar gescheiden, ondanks dat ze getrouwd zijn. Sommigen al veertig jaar. Dit kerstsprookje draag ik aan hen op.

 

 

 

 

De theepot en het kopje

 

In de porseleinkast van een arm naaistertje woonde lang geleden eens een brave theepot.
De theepot was al oud en had geen deksel meer. Steeds als hij uit de kast werd gehaald om de thee die het naaistertje had gezet warm te houden, werd ze eraan herinnerd.
‘Och och, hoe kan ik nou toch steeds weer vergeten dat je geen deksel hebt. Ik beloof dat de eerstvolgende keer dat ik op de rommelmarkt kom, ik aan je zal denken.’
Maar omdat ze het altijd maar vergat kwam het er nooit van. De theepot bleef zonder deksel en het naaistertje dronk iedere avond lauwe thee bij haar koekje.
Op een kwade dag, het was ergens in november, brak het naaistertje tijdens het afwassen haar allerlaatste theekopje.
‘Hoe onvoorzichtig van mij!’ sprak ze. ‘Nu moet ik naar de rommelmarkt om een ander kopje te kopen. Straks is de markt dicht. Waaruit drink ik vanavond mijn thee?’
Dus haastte het naaistertje zich op haar sloffen naar de rommelmarkt en vergat de belofte die ze aan de theepot had gedaan.
‘Eindelijk!’ knorde de dikke suikerpot die naast de theepot in de kast stond. ‘Nu duurt het niet lang meer. Je dagen zijn geteld. Wacht maar! Straks komt ze thuis met een nieuwe theepot en twee nieuwe kopjes. Dan ben ik van je af. Wat is het nut van een theepot zonder deksel? Kijk eens naar mij! Ik heb een deksel en zorg ervoor dat mijn inhoud droog blijft, zonder klontjes.’
Maar de theepot reageerde niet en dacht verdrietig terug aan de tijd waarin hij zelf nog een dekseltje had.
Het duurde niet lang of het naaistertje kwam weer thuis, ditmaal opgetogen.
‘Kijk eens wat ik gevonden heb!’ riep ze blij uit. ‘Een kopje. Het is wel niet het allermooiste kopje van de hele markt maar ze heeft een roosje zodat ze goed bij je past. En ze heeft ook een gebrek, net als jij.’
Omdat theepotten en kopjes nu eenmaal bij elkaar horen, zette ze het kopje naast de theepot en kreeg de boze suikerpot een andere plek, een eindje van de twee vandaan.
Eerst kon de theepot niets aan het kopje ontdekken, maar na een paar keer goed kijken zag hij het. Het porselein van haar oortje was op een plek wat dunner en er zat een klein barstje op de bodem.
Nu weet iedereen dat theepotten en kopjes eigenlijk niet kunnen praten maar toch gebeurde het. Ze kletsten heel de dag door.
De twee bleken het uitstekend met elkaar te kunnen vinden, zo goed zelfs dat het naaistertje er af en toe horendol van werd.
‘Dame, heer, het is wel weer mooi geweest voor vandaag,’ sprak ze dan, toegejuigd door de verwaande suikerpot. ‘Morgen kunnen jullie weer verder praten.’
‘Jullie horen het. Houd allebei toch eens je mond,’ sprak de suikerpot jaloers. ‘Ik filosofeer graag over het leven. Door jullie kan ik mijzelf niet eens meer horen denken.’

De maand november verstreek en het werd december.
Zoals elke dag praatten de theepot en het kopje urenlang met elkaar. Ze spraken over het leven en hoe goed ze het wel niet hebben bij het naaistertje.
‘Zie je wel,’ stookte de suikerpot wanneer het naaistertje de theepot en het kopje klokslag acht uur ‘s avonds weer in de kast zette. ‘Niemand wil naar geklets van een stelletje mismaakten luisteren. Een theepot zonder deksel en een kopje met een slap oor. Een stelletje mismaakten. Wie wil die nu nog?’
Maar daar was de theepot die lang geleden door een knappe pottenbakker uit het Zwarte Woud was gedraaid, het niet mee eens. In tegenstelling tot de opgeblazen suikerpot bezat hij mooie lijnen en sprak hij met een deftig Engels accent, alsof er een theeblaadje in zijn tuit was blijven steken. Vanuit de plek waar zijn bips zat stak een lange slanke tuit met daarin een sierlijke krul schuin omhoog en op zijn rug had hij twee roosjes. Dat hij geen deksel meer had, dat deerde hem niet.
Het kopje was daarentegen simpel. Behalve een te dun oortje wat kwam doordat de pottenbakker bij het draaien nog maar een klein beetje klei over had. Ze was niet zo mooi versierd als de theepot en had in plaats van twee roosjes er maar een. Toch waren de theepot en het kopje ondanks hun gebreken van elkaar gaan houden.
‘Op ieder potje past een dekseltje,’ sprak het kopje dat Amalia heette en vernoemd was naar haar tante, een antieke gebaksschaal, wanneer de theepot zijn tuit weer eens liet hangen. ‘Ook op jou. Ik ben wel geen dekseltje maar ik houd toch veel van je.’
Dan bloosde de theepot en wenste hij dat hij een schoteltje was. En als de suikerpot haar spot weer eens op zijn vriendin had gericht dan troostte hij haar.
‘O Edouard,’ want zo heette de theepot, riep Amalia dan. ‘Wat zouden wij toch zonder elkaar moeten beginnen? Het naaistertje is al oud. Straks gaat ze dood en zijn alleen wij tweetjes nog over. Hoe zal het ons daarna vergaan?’
Dan wilde de theepot iets toepasselijks zeggen maar werd onderbroken door de brutale suikerpot.
‘Jullie overblijven? Laat me niet lachen. Binnenkort is het afgelopen met jullie twee. Dan ben alleen ik nog over. Kijk naar mij. Ik ben weldoorvoed en kom niets te kort. Dat kan ik van jullie twee niet zeggen. De een kan de thee niet warm houden en de ander is te zwak om te worden opgetild.’
Dan zwegen de theepot en het kopje omdat ze diep van binnen wisten dat de suikerpot gelijk had.
Het was op een avond dat het naaistertje overleed, heel rustig, in haar slaap.
‘Kijk,’ riep de suikerpot triomfantelijk. ‘Straks is het jullie beurt. Morgen komt de opkoper en dan ben ik voorgoed van jullie verlost!’
Maar de suikerpot had buiten zichzelf gerekend.
Al de volgende morgen werd hij weggehaald en kwam als asbak in dienst bij een boze boer. De theepot en het kopje daarentegen kwamen bij een koopman terecht die ze meenam naar de markt.
‘Brrr,’ rilde het kopje dat het koud had. ‘Zie ons eens aan. We hadden het zo goed bij het naaisterje. Nu staan we hier op de markt, te wachten tot iemand ons hebben wil.’
‘Wil je alsjeblieft niet zo bibberen,’ klaagde de theepot. ‘Straks breek je nog. Als dat gebeurt zijn we nog verder van huis.’


Op een dag, het was al voorbij Sint Nicolaas, dat een mevrouw, een onderwijzeres samen met haar dochter langs de marktkraam kwam gelopen en de theepot zag staan.
‘Kijk’ riep het meisje. ‘Die theepot daar heeft geen dekseltje. Misschien pas het onze er wel op. Laten we hem kopen, mama.’
Maar haar moeder had geen oog voor de theepot. Ze had al haar geld gebruikt om eten te kunnen kopen en er was niet meer van over.
‘De volgende keer aan het eind van de maand misschien,’ sprak ze. ‘Als hij er dan nog staat.’
Het meisje wist dat de kans erg klein was dat de theepot er tegen die tijd nog stond, dus keerde ze haar spaarpot ondersteboven waar precies nog twee kwartjes in zaten en rende er stiekem mee terug naar de markt.
‘Hoeveel kost die theepot daar,’ vroeg ze aan de marktkoopman, op Edouard wijzend. ‘Onze theepot is vanmorgen kapot gevallen en het enige dat er nog van over is gebleven is het dekseltje.’
‘Nu is het gebeurd met ons, Amalia,’ riep de theepot bedroefd. ‘We worden van elkaar gescheiden.’
‘Ik weet het,’ riep het kopje terug. ‘Het ga je goed, Edouard. Bedenk dat wat er ook gebeurt, ik altijd van je zal blijven houden.’
De theepot werd in een krant gerold en ging met het meisje mee naar haar huis waar ze hem onder haar bed legde.
Maar het gemis van zijn geliefde maakte de theepot die wenste dat ze er weer was steeds bedroefder.
‘Viel ik maar in stukken,’ dacht hij. ‘Als ik niet meer samen met mijn grote liefde mag zijn, wat heeft het dan voor zin om door te blijven leven. Zo is er niets meer aan.’
Dan weende hij stilletjes, intussen denkend aan die goeie oude tijd.
Op een avond, net nadat de mevrouw het theekopje optilde om een slok te nemen sprong haar kat Ophelia op haar schoot waardoor het kopje van het schoteltje afgleed en op de grond terechtkwam waar het in stukken viel.

  ‘Domme, domme Ophelia,’ sprak ze. ‘Wat ben je toch een onbehouwen kat. Nu moet ik ook nog op zoek naar een ander kopje. Waar vind ik die zou gauw?’
‘Op de rommelmarkt mama,’ sprak het meisje. ‘Misschien heeft de koopman wel een kopje dat bij hem past.’
‘Helaas mevrouw,’ sprak die. ‘Ik had er wel een, maar heb het weggedaan. Er zat een barst in de bodem en het oortje was te dun. Wie wil zoiets nou hebben?’
Teleurgesteld keerden de mevrouw en het meisje huiswaarts.
‘We vinden wel iets mama,’ sprak het meisje. ‘Er zijn wel meer marktkoopmannen die zulke kopjes verkopen.’
‘Wacht,’ riep de koopman ze achterna. ‘Geef mij uw adres. Wanneer ik iets tegenkom laat ik het u direct weten.’


Het werd kerstochtend. Vol verwachting legde het meisje de door haar feestelijk verpakte theepot onder de kerstboom.
Het duurde niet lang of de moeder kwam naar beneden en zag het pakje daar liggen.
‘Ach wat fijn,’ sprak ze blij na het te hebben uitgepakt. ‘Dank u wel kerstman! Nu hebben we weer een theepot. Met een beetje geluk vinden we er een passend kopje bij.’
Die ochtend was de theepot het middelpunt van het kerstontbijt. Maar daar, tussen de verse croissantjes, de door de mevrouw gebakken kerststol en naast de Ardenner paté dacht Edouard alleen maar aan het kopje dat er nu waarschijnlijk wel niet meer zou zijn.
Toen tegen elf uur ‘s morgens de deurbel ging en toen het meisje opendeed stond daar tot haar verrassing de marktkoopman.
‘Allemaal een vrolijk kerstfeest!’ sprak hij op feestelijke toon. ‘Ik weet dat het ongelegen komt maar omdat ik in de buurt woon dacht ik dat dit u misschien wel zou bevallen.’
In zijn hand lag een met vuil besmeurd theekopje. De bodem was een beetje gebarsten en het oortje had een dunne plek.
‘Het is een beetje een raar verhaal maar ik begrijp er nog steeds niets van,’ antwoordde hij. “Ik had het eerst weggegooid maar vanmorgen stond het opeens weer in mijn kar. Het is net of ze een eigen wil heeft.’
‘Een kopje!’ riep het meisje verheugd uit. ‘Het heeft net zo’n roosje als onze nieuwe theepot. Nu zijn ze weer compleet!’
‘Amalia,’ huilde de theepot bij het zien van het kopje, dit keer met tranen van geluk. ‘Je bent er nog!’
‘Jij ook zo te zien, Edouard!’ lachte het theekopje hem tegemoet. ‘Laten we afspreken dat we ons nooit meer laten scheiden, al vallen we samen in duizend stukjes uiteen.’
‘Afgesproken,’ beloofde Edouard plechtig. ‘Dan heeft niemand meer iets aan ons maar wij hebben elkaar. Voorgoed.’
Van de verwaande suikerpot is sindsdien nooit meer iets vernomen. Het laatst is hij gezien in een kringloopwinkel. Zonder deksel.