ABSTRACT

Jaargang 2, aflevering 22, 1 februari 2018

 

 

ABSTRACT

 

De van oudsher poffertjes- en wafelkraam die ik, trek in koffie betrad, had nog niets van haar interieur aan de tijd prijs gegeven. Alleen de eigenaar scheen intussen te zijn ingeruild.
De nieuwe uitbater van het etablissement was een corpulente zestiger met een terugwijkende kin en dito oogopslag die, desondanks zijn contragewicht in staat bleek de vork met de souplesse van een jongleur te hanteren. Dat gold niet voor het gezicht dat hij erbij trok. Het hoorde bij iemand die al op zijn twaalfde had besloten de rest van zijn leven het maken van keuzes aan anderen over te laten.
Door er nog een tandje bij te zetten liet hij mij merken dat ik zijn enige toeschouwer was, met het gevolg dat sommige halfbakken creaties aan zijn vork ontsnapten en op de houten vloer belandden waar hij ze zonder blikken of blozen van opprikte en weer terug in het gelid drong. Paarlen voor de varkens, zullen we maar zeggen.
‘Belieft meneer ook poffertjes?’ vraagt hij onverschillig, mijn bestelling opmakend.
Nonchalant in het rond kijkend met hetzelfde gezicht als waarmee ik colporteurs van mij af houd had ik het liefst nee gezegd. In plaats daarvan wordt ik genadeloos gegrepen door een joekel van een schuldgevoel in het besef dat zonder mijn bestelling de nering morgenochtend al kon zijn opgeheven.
‘Het ging om drie euro vijftig,’ hoor ik de baas in mijn hoofd zeggen. ‘Hoe komt dat?’
‘Het was die lange meneer van gisteren die zei dat hij alleen maar koffie bliefde,’ sprak de prikker. ‘Als hij ook poffertjes had gewild hadden we het gered. Maar meneer most niet.’
Met het gevoel op de een of andere manier ergens “rood” te staan, loop ik naar binnen.
‘Eenmaal koffie zwart en poffertjes voor meneer, één!’ schalt hij naar niemand in het bijzonder.
Die conclusie bleek te vroeg getrokken. Achter het rode gordijn met gouden kwastjes bevond zich tot mijn verrassing een juffrouw, zij het een schrale, die kennelijk bij het meubilair hoorde.
In de standaard oogopslag die ze mij gunde lag iets van wat de Duitsers passend een “unvollendete” zouden noemen, want ze keek of ze vroeger voor balletdanseres had geleerd maar haar opleiding door een ongelukje met een achteraf op vieze spelletjes belust vriendje moest onderbreken waarna de klad erin kwam. En als díé er eenmaal inzit…
Ik zit nog maar net, met voor mij een schoteltje met daarop een dosis sentimenteel banket in de mij door haar nog een beetje naar oud-Hollandse verf ruikend kot toen een echtpaar op middelbare leeftijd aan mij voorbij schoof en in het volgende neerstreek. Zij had iets van een juffrouw handenarbeid en hij een jager op groot wild.
     ‘Hé, gezellig,’ zegt de vrouw met een hoge, benepen stem. ‘Wat zal ik eens nemen, Jan. Op hun kaart staat dat ze ook appelgebak hebben. Met slagroom.’
‘Neem nou maar gewoon poffertjes,’ antwoordt Jan met de stem van een getergde operazanger. ‘Daar kwam je toch voor? Dan moet je nu geen appelgebak nemen. Dat zou ik nooit doen, en zeker niet met slagroom.’
‘Waarom niet? Op poffertjes zit trouwens boter. Roomboter. Dat is toch bijna hetzelfde als slagroom,’ oppert de vrouw.
‘Al goed. Dan neem je toch zeker appeltaart,’ sprak Jan, dit keer ietsje strenger.
‘Goed. Maar als ik die appeltaart met slagroom nu neem, hoef ik straks bij jouw moeder geen toetje meer,’ deelt ze hem beslist mee. ‘Dan rol ik vanzelf naar buiten.’
‘Dat doe je normaal gesproken ook al. Dus wat wordt het? Neem je nu die poffertjes en geen appeltaart of andersom? Wat geeft het ook? Zo zie je er toch al niet uit.’
‘Hé bah, waarom zeg je dat nou? Je weet dat ik niet tegen diëten kan. En dan, mag ik af en toe niet eens een heel klein beetje aan mijzelf denken? Ik werk er hard genoeg voor. Ik denk anders wel altijd aan jou. Te veel, denk ik de laatste tijd wel eens. Zoals jij jezelf met vanalles en nog wat volgooit…
    ‘O, natuurlijk. Nu hebben wij het opeens weer gedaan,’ reageert Jan, pluralis majestatis. ‘En wij doen zeker helemaal niks…’
‘Dat zeg ik niet. Hoor je mij dat zeggen? Ik wil alleen maar zeggen dat ik mij de pleuris werk om steeds de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Wat jij doet is niet hetzelfde als ik. Het is… abstract.’
‘Abstract,’ articuleert Jan overdreven. ‘En hoe had je dat gedacht gezien te hebben?’
‘Gewoon. Lieverd, ik weet het niet. Hoelang zijn we nu samen? Ik wil maar zeggen, eerlijk gezegd weet ik nog steeds niet helemaal precies wat je nu eigenlijk doet. Je hebt het er wel eens over, over de zaak bedoel ik, maar wat voer je daar nu eigenlijk uit? Kijk, dat bedoel ik dus. Dat is voor mij abstract.’
‘Dat is niet hetzelfde,’ protesteert Jan. ‘Abstract is wanneer je in de tram zit en je onderweg uit het raam kijkt en je ziet iets onherkenbaars. Iets waarvan je niet meteen weet wat het is. Dan gaat het voor negenennegentig procent zeker om abstracte kunst. In jouw beleving: wanneer jij op TV iemand ziet over wie je de hele avond gaat zitten piekeren waar je hem of haar toch van kent, dan kun je ervan op aan dat het er eentje is uit GTST. Dat is abstract en heeft niets te maken met wat ik doe.’
‘Ik weet het niet Jan. Nu draai je er weer omheen.’
‘Daar heb ik zo mijn redenen voor. Hou het er maar op dat ik iets op kantoor doe. Dat is veiliger.’
Een stilte viel.
‘Wil je het niet zeggen, wat je doet bedoel ik? Is het iets wat ik niet mag weten?’
‘Van mij wel. Als je je kop er maar verder over houdt, wil je? Als je het echt weten wil dan vertel ik het je wel als we weer thuis zijn. Die vent hiernaast hoeft er niks van mee te krijgen, als je snapt wat ik bedoel. Ik vind hem er namelijk nogal onbetrouwbaar uit zien. Een echte boeventronie.’
Bij het afrekenen meende ik in het gezicht van de schrale juffrouw nog steeds iets van wrok jegens dat vriendje die iets vies bij haar had geflikt te zien. Gelukkig houd ik niet van vieze dingen.
Appeltaart daarentegen…

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

   

 

   

      

AFWIJKING

Jaargang 2, aflevering 21, donderdag 25 januari 2018

 

 

AFWIJKING

 

  ‘Eenmaal Nasi Speciaal en eenmaal Shu Mai. Extra kroepoek!’
De verwend kijkende jongen, in zijn vorige leven ongetwijfeld een mooie Oosterse prins, riep de bestelling af op een manier of het een zangwedstrijd voor doven betrof: je weet wel wat er gezongen wordt wordt maar het klinkt als reciteren met lettervermicelli.
‘Ja!’
De man naast mij, een belegen veertiger met het korrelige uiterlijk van iemand die vroeger gepest werd om zijn jeugdpuistjes ging staan, maar nam na zijn dwaling te hebben ingezien weer plaats.
‘Foutje mijnerzijds. Ik dacht even dat ben ik maar u hebt Bami Speciaal,’ meldde hij ongeadresseerd, want afgezien van wij tweeën en een dame aan wie te zien was dat ze voor het eerst bij de afhaalchinees kwam, zat er niemand.
Ik knikte.
‘Dame, Nasi Speciáál, was u dat?’ giste hij in de richting van de vrouw.
Aan haar make-up was te zien dat ze net daarvoor nog had gehuild. Van de outillage rond haar ogen zat, waar daarvoor nog een kunstwerk moet hebben gezeten iets waar alleen Alice Cooper nog heil in zou hebben gezien.
Ze keek op.
‘Dan moet u naar de balie, want dit is een afhaalchinees en ze komen niet naar u toe hoor,’ liet hij haar de tranen nog ongewaar weten. ‘Dat kost méér.’
‘O, oké,’ sprak ze. ‘Ik dacht dat het zo hoorde. Neem me niet kwalijk.’
Bij het zien van de zwarte droesem op haar wangen schrok hij zichtbaar even, maar wist zich te herstellen.
‘Ach, ach, ach,’ begon hij op de toon van een hondenbezitter die net de ontdekking deed dat zijn Bambina of Bonnie net een boeboe op de mat had gedaan. ‘Wat is dat nou? Zie ik daar tranen? Wie heeft u geslagen? Zeg het! Geef me zijn naam en ik sla ‘m op zijn bakkes.’
Ze schudde haar hoofd. ‘Niemand,’ antwoordde ze zachtjes.
‘Weet u het zeker? Was het uw vriend?’
‘Nee. Echt niet. Het gaat wel weer, dank u.’
Bij het met haar bestelling naar buiten lopen probeerde ze voorzichtig een glimlach, maar die mislukte.
‘Dat wordt straks een tafel voor één voor die dame, dat voel je gewoon,’ gaf mijn buurman te kennen. ‘Jammer hoor, van zo’n vrouwtje. Ze leek me wel lief. En beschaafd. Kom daar maar eens om tegenwoordig. Een beetje beschaving erbij mag van mij wel. Het is alleen maar gejou en gejij tegenwoordig, zelfs op de TV en het wordt steeds erger als u het mij vraagt. Alsof je op de markt staat. Daar heb ik toch zo’n hekel aan hé.’
Hij zei het met een stelligheid alsof het de kleur van mijn stropdas betrof.
‘Vooral dat jonge grut dat zo nodig met hun kneiter op de buis mot. En het zijn steeds dezelfde kneiters die je iedere avond ziet, de hele week door, soms zelfs elke dag zodat ik er moe van wordt. Vooral die, hoe heet hij… die gladjanus met zijn “joehoe!” Dan vraag ik hem of-tie me kan komen helpen met de afwas maar ik krijg nooit antwoord terug. Gek hé? Noem het een afwijking.’
Omdat ik het wel met hem eens was maar ook afwijkingen bezit hield ik wijselijk mijn mond.
‘Het is ook net of ze het van iemand moeten, dat ordinaire gedoe,’ sprak hij verder. ‘Ik vind het juist wel wat hebben, dat beetje stijve. Het heeft iets mysterieus en zo valt er nog wat te raden. Maar kennelijk is juist dat niet “in” genoeg. Ik heb er geen behoefte aan om binnen een minuut de zieleroerselen van een vreemdeling te weten te komen. Eerst gooien ze hun hele hebben en houwen bij je naar binnen en als je daar dan vervolgens commentaar op levert dan ben je een betweter. Nee, ik hou mijn sores liever voor mezelf. Dan maar stijf. Dat is me van jongs af aan bijgebracht. Als ik een vriendin zou hebben -ik zeg als, want ik woon al sinds Nederland Europees kampioen werd op mezelf- en we zouden gaan stappen maar dat doe ik uit bepaalde overwegingen ook niet meer, dan hoef ik er nooit bij na te denken hoe het hoort. Dat heb ik zo geleerd. Ik presenteer haar mijn arm, koop een blommetje, houd de deur voor haar open, loop voor haar de trap op en betaal alles.’
Op mijn vraag waarom het stappen dan nu niet meer wilde lukken zuchtte hij en trok zijn schouders op.
‘Kennelijk ben ik te ouderwets voor deze wereld. Soms krijg ik wel eens te horen dat ze het niet willen omdat ze het gevoel hebben met hun opa uit te zijn. Goed, dan niet, zeg ik dan op mijn beurt. Even goeie vrienden. Dus bewaar ik mijn waardigheid liever voor mezelf. Maar of ze willen of niet: een medemens hoor je te respecteren en dat is nou net waar het vaak aan schort. Ieder mens is van vlees en bloed, heeft bijna dezelfde dingen in het leven doorlopen als u of ik. Moeten leren lopen, op de bek gaan, jarenlang gekoeioneerd worden door jan en alleman. Dat is niet leuk. Dat ik dus “u” tegen u zeg, geeft aan dat ik u als mens respecteer en ik verwacht eerlijk gezegd dat de ander, u dus ook, dat bij mij doet. Maar dat gebeurt niet, u daargelaten. Hetzelfde heb ik met snotneuzen die zich behangen met neusringen, ringen door hun lippen en wenkbrauwen, piercings door hun tong en op plekken waar ik bij mezelf nog niet eens het levende daglicht op durf te laten schijnen. Noem het een afwijking. Moet ik daar respect voor hebben? Ze kennen mekaar amper of er komt binne de kortste keren heibel van. En altijd is het de vent die zijn pote niet thuis kan houwe. Zo’n gast moeten ze voor een paar jaar naar Siberië sturen, naar de strafkampen. Daar raakt hij zijn kapsones wel kwijt. En zijn pote, want die vriezen der wel af in no-time.’
Het gezicht dat ik erbij opzette moet indruk op hem hebben gemaakt want hij sprak met hernieuwde geestdrift verder.
‘En ik kan ‘t weten hoor! Twee keer vastgezeten wegens zware mishandeling. Niet van een vrouwtje, want die zijn me heilig. Een vrouw sla je niet. daar blijf je met je tengels vanaf.’
‘Eenmaal Nasi Speciaal, eenmaal Cha Siu Bao met extra kroepoek,’ oreerde de Oosterse prins verveeld.
‘Lekker! Deze is wel voor mij,’ sprak de man gehaast en stond op.
‘Even kijken of ik haar nog kan inhalen, die Nasi Speciaal van daarnet. Voor als mijn Cha Siu Bao zich straks ongelukkig voelt. Nog een prettige avond.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

  

 

 

WEG

Jaargang 2, aflevering 20, donderdag 18 januari, 2018

 

 

Related image

 

 

WEG

  ‘Moet ik weg?’ vraag ik, mijn benen zo hoog mogelijk de lucht in tillend.
‘Nee, je mag gewoon zo blijven zitten,’ antwoordt mijn vrouw.
Ik kijk toe hoe ze het uiteinde van een moord en brand gillend ding dat de stofzuiger blijkt te zijn onder mijn bureau manoeuvreert.
‘Ik kan er zo ook wel bij. Schrijf nou maar verder.’
Vanuit de enkelvoudige spagaat waarin ik mij in bevindt, besef ik dat als ik er niet snel uit wordt verlost, ik binnen nu en een minuut met stoel en al onderuit schiet en met mijn voortanden in het bureaublad sla. Verzekeringsagenten zijn mij in dit soort gevallen nooit welgevallig.
‘… En u belt mij op omdat u dacht hiervoor verzekerd te zijn. Wat zegt u? Waren wij onderuit geschoten? En tijdens het stofzuigen nog wel? En wij hadden de potloden per ongeluk met de scherpe kant omhoog in het bakje staan? En geen gordels of veiligheidsschoenen, zegt u. Nou meneer, als ik dat zo hoor vrees ik dat wij daar niet aan kunnen beginnen. Iedereen kan zijn voortanden wel in een bureaublad laten implanteren om vervolgens een vette premie op te strijken. Laten we eerst maar eens beginnen met het afsluiten van een stofzuigaansprakelijksverzekering, dan zien we daarna wel verder…’
Nog steeds onderuit hangend als een Ierse Setter met aambeien schiet me de vraag te binnen op welke manier ik dit soort situaties kan voorkomen.
Als ik ondanks haar verzoek in de hulpeloze positie waarin ik mij bevind toch mijn plek verlaat, begeef ik mij op gevaarlijk terrein, zo weet ik. Het in zo’n situatie weglopen staat immers gelijk aan insubordinatie. Omdat ik met haar getrouwd ben en het van te voren aan kan zien komen, los ik het op door te insinueren alsof ik grote interesse heb voor haar werkzaamheden. Mijn vraag ‘Vallen die dingen mee?’ blijkt goed voor een reactie.
Hier wordt het interessant. Afhankelijk van wat wordt teruggezegd, kan ik daarvandaan strategisch gezien verschillende kanten op. Luidt het antwoord op mijn meerkeuzevraag “ja” dan wel “nee”, dan helpt alleen nog het sluiten van de stormvloedkeringen en dichttimmeren van de ramen. In het andere geval houd ik de voeten droog en blijft de lucht blauw.
Waar het mij om gaat, is dat ik wil voorkomen dat ze het gevoel krijgt dat ze er alleen voor staat. Dus veins ik solidariteit, zij het van een totaal overbodig soort, omdat duostofzuigen nu eenmaal niet gaat en hetzelfde is als twee trapezewerkers die op vijf meter onder de nok tegelijkertijd naar hetzelfde touw springen.
De kern van het verhaal is dat ik mij in dit soort gevallen als een kat in het nauw voel, een beleving die voortkomt uit de wens mijzelf aan niemand op te willen dringen. Het liefst ging ik anoniem door het leven, zittend in een rolstoel met een bruine papieren zak of kartonnen doos over mijn hoofd. Dat die houding haaks staat op mijn voorgenomen taak eeuwig voor u stukjes te schrijven, voelt als een kat die voor het eerst in zijn leven een komkommer ziet. Maar met een zak over mijn hoofd zie ik niets en daar schiet u als lezer nu of op termijn niets mee op.
“A gentleman is one who puts more in the world than he takes out,” zei George Bernard Shaw, een statement waar ik mij wel ik kan vinden.
Ook bij een bezoek aan het toilet barst ik meestal uit in het excuses maken aan mijzelf omdat ik het gevoel heb mijn andere ik voortdurend in de weg te staan.
Dat mijzelf weg willen cijferen is een overblijfsel van vroeger. Bij de kennelijk aan mij gestelde vraag van de bakker ‘of de jongeman misschien een koekje lustte,’ want het naleven van economisch liberalisme vond nog niet plaats, keek ik eerst achterom, om te zien wie de bofkont was die de lekkernij had verdiend. Nog steeds berisp ik mij bij het mezelf betrappen op de vraag aan mijn vrouw of ik een boterham mag.
Zo doe ik alles het liefst zelf, want op die manier val ik geen mens lastig. Daarentegen sta ik er op altijd iemand te willen helpen, eveneens een overblijfsel uit de tijd dat ridderlijkheid en fatsoen nog werd gewaardeerd en beloond.
Voorbeeld: tegenover mijn huis staat een klein huisje waar een nog kleiner oud vrouwtje waarvan nog steeds niemand weet hoe ze heet, ons vermoeden gaat uit naar Maria, in woont.
Slechts eenmaal per week waagt ze zich, gekleed in haar spierwitte nachtpon naar buiten. Haar kluizenaarsbestaan – mijn vrouw ziet in haar een engel – heeft als gevolg dat het onkruid welig tegen haar gevel tiert, voor mij aanleiding om naar de schoffel te grijpen en de valse margrieten rucksichtlos hun nek om te draaien.
Nog net kan ik dan vanuit mijn rechterooghoek zien hoe het luikje van haar voordeur open gaat, dat sneller dan ik kan kijken weer door de engel wordt dichtgesmeten. Commentaar ontbreekt. Als ik een handgranaat tegen haar gevel had aan gesmeten had dat dezelfde reactie opgeleverd. Maar ik heb uit principe geen handgranaat in huis.
‘Ben je klaar?’ vraag ik mijn vrouw, met inmiddels hevige kramp in buik en benen. ‘Als ik daar straks lig mag jij alles opruimen, inclusief mijn voortanden. Ik hoop dat je dat beseft. Met de complimenten van de verzekeringsagent. Die zal er blij mee zijn.’
‘Ik ken geen verzekeringsagent en ben allang klaar,’ zegt ze. ‘Je mag alles weer laten zakken, inclusief je voortanden. Maar straks moet je wel echt weg.’
‘Waarom dat opeens? Daarnet hoefde ik toch nog niet?’
‘Dat was daarnet. Toen hoefde ik nog niet te dweilen. Nu wel.’
Sommige dingen in het leven blijven ondoorgrondelijk.

   

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

HET SJEU

Jaargang 2, aflevering 19, donderdag 11 januari 2018

 

 

 

HET SJEU

 

      ‘Achteraf had het nooit gekund. Maar ze bedoelde ‘t goed. Zoiets voel ik nu eenmaal.’
De man naast me op het bankje in Lijn Twee zei het op een toon zoals iemand dat doet die net de verkiezingsbeloften van zijn partij te horen kreeg maar daar bij nader inzien toch geen heil in zag. Nu doe ik om dezelfde reden niet aan politiek, maar dat bedoelde hij niet.
Met zijn zwart, naar achter golvende haar en dwingende blik had hij het gezicht van een dompteur in dienst bij een groot circus maar die na drie keer te zijn gebeten van de directeur het advies had gekregen voortaan ‘iets met cavia’s’ te gaan doen.
‘Het had ook net zo goed twee keer zoveel geweest kunnen zijn,’ ging hij op verongelijkte toon verder. ‘Misschien wel een meier. Op het eerste gezicht zag ze er best aardig uit en ze hielp me mijn jas uitdoen. Maar wat wil je? Als je al zo lang droog staat als ik, puur uit lijfsbehoud overigens, dan wil je wel eens wat. Maar de laatste tijd voel ik me anders. Zo… tweeslachtig.’
Zijn opmerking deed me denken aan een uitspraak van Charles Bukowski. “Drinken is een andere manier van denken, een andere manier van leven. Het geeft je twee levens in plaats van één.”
De dompteur zag de rimpel op mijn voorhoofd.
     ‘Ik kan me beter inhouden want meneer heeft zo te zien wel wat anders an z’n kop,’ sprak hij gereserveerd. ‘En ik wil niemand tot last zijn, dat is een raar trekje van mij. Als iets niet gaat dan gáát ‘t niet. Zo is het nu eenmaal. Daarmee bedoel ik te zeggen dat thuis de laatste tijd de klad erin zit. Het wil niet meer. Daar bedoel ik niks rottigs mee want zij, mijn vrouw doet altijd haar best. Mijn probleem is dat ik ‘m niet meer omhoog krijg.’
Ook daar kon ik inkomen, zij het in een gewijzigde vorm. Zolang er inkt in zit maakt hij regelmatig mensen aan het lachen.
‘Er zijn twee dingen voor nodig om hem te laten doen wat-ie moet doen en aan allebei heb ik een chronisch gebrek,’ ging hij zonder gêne verder. ‘De laatste tijd dan, want vroeger waren ze niet bij me weg te slaan, de vrouwtjes, en nu spreek ik van jaren terug. Maar kort gezegd: Het sjeu is weg.’
Hij zei het op een toon alsof niets er meer toe deed.
‘Nu ben ik van huis uit altijd een sportief mens geweest. Altijd mijn bordje met groente opgegeten, veel in de buitenlucht gewerkt en gejogd. Van de alcohol kon ik prima afblijven en roken deed ik niet. Nooit gedaan ook, daar was ik vies van. Maar afgezien van thuis merk ik de laatste tijd dat er iets is veranderd bij de mensen. Het boeit me trouwens niet meer zo veel wat ze zeggen, snapt u?’
Ik knikte om te zeggen dat ik het begreep. Een geschikte reactie tegenover een leeuwentemmer?
‘Voorbeeld: het gaat steeds vaker over dingen die, ik als ik het eerlijk mag zeggen, niet meer begrijp. Gisteren nog, kom ik een bekende tegen. Ik begroet hem, hij begroet mij, niks aan de hand. Nu kan ik goed luisteren, dat heb ik nog van mijn vorige baan als operator in een callcenter overgehouden dus mijn oren stonden wagenwijd open. Zegt-ie opeens: ‘Ik wil met jou even dialogiseren over een paradigmatische beleidsimplementatie.’ Ja, hallo, dank je de koekkoek! Kijk, als we zo gaan beginnen dan weet ik er nog wel een paar. Dus ik op mijn hoede, antwoord hem terug: ‘Alles OK gozer, maar waar stuur je op? Gezien het hot-spot karakter van je vraag adviseer ik je eerst een drill down analyse te doen.’ Goed hé? Die had ik nog van mijn manager onthouden. Wat denk je? Gelijk boos. Nu vraag ik dus aan u: ligt het aan mij?’
Ik zei dat ik mij daar wel in herkende wat hem blijkbaar een gevoel van bloedbroederschap verstrekte.
‘Ziet u wel? Zo gaat het overal. Thuis ook. Vraag ik om een bord eten, krijg ik een schone asbak voorgeschoteld en ik rook niet eens, maar dat zei ik al. Waar ik als mens een beetje behoefte aan heb is het gevoel gewaardeerd te worden en als het kan een beetje warmte in m’n leven. Vat u hem?’
Dat deed ik. Een medemens die zichzelf aan mij toont spreek ik uit principe niet tegen.
‘En aan beide dingen heb ik een gebrek wat niet mijn eigen schuld is. Tenminste, dat denk ik. Ik hoefde nooit iets, uit principe niet. De dingen die ervoor zorgen dat het leven doorgaat heb ik prima geregeld. De kinderen komen elke week een keer langs, we gaan zelf elke zondag langs bij mijn moeke want die leeft nog. Op alles wat leeft en van jou is moet je zuinig zijn heb ik geleerd en dat ben ik dus ook. Van mijn uitkering komen we prima rond en ik heb ondanks mijn gebrek nog steeds oog voor dat andere, u weet we, al vind ik daar zelf niks abnormaals aan. Maar zolang het sjeu weg is, gaat het bergafwaarts, dus slaap ik sinds een paar weken in het logeerbed op de kinderkamer. Vanwege mijn gesnurk, volgens haar. Nou weet ik zelf heel goed dat er niks mis is met mijn gesnurk. In mijn diensttijd deed ik dat ook niet. En dan, iemand gaat niet zomaar uit het niets liggen snurken, daar is meer voor nodig. Maar ik vind het wel best. Als dat haar manier is om de boel te redden, dan moet dat maar. In het begin was dat best wel effe wennen, om die blote pens niet meer tegen je lendenen te voelen maar dat is nu eenmaal met alles waar je afscheid van moet nemen, en ik kan moeilijk met een kilo doorregen varkenslappen naar bed gaan. Dus als ik dan zo in dat vreemde bed lig dan trek ik de punt van mijn kussen over mijn schouder heen, zodat het lijkt of ik tegen haar aan lig. Dat voelt gezellig. Het klinkt misschien gek, maar een mens wordt creatief in zulke situaties.’
‘Maar ik verveel u, nietwaar’ sprak hij, een weemoedige blik naar buiten werpend. ‘Ik mot er hier trouwens uit. De mazzel.’
Tijdens het wegrijden van de tram bij de halte kon ik hem nog net een café zien binnengaan. Een dompteur had hij achteraf gezien nooit meer kunnen worden, bedacht ik mij. Het sjeu was weg.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

SINT JOOST TEN NODE

Jaargang 2, aflevering 18, donderdag 4 januari 2017

 

 

 

SINT JOOST TEN NOODE   (Brusselse jaren I)


Dat Brussel, of Bruxelles, zoals de Zennekes hun stad aan de Zenne noemen, naast dat het veel schoons herbergt ook een lelijke kant bezit, wordt duidelijk na een bezoek aan de gemeente Sint Joost ten Node, met de Brabantwijk het armste deel van de stad.
Het weerzien bracht mij terug naar de jaren zeventig die ik er voor een deel heb doorgebracht.
Dat de armoede die er toen heerste nog steeds troef is kenmerkt zich door de afwezigheid van verf, de aanblik van chronisch vermoeide gevels en de bemoste, nimmer gewassen van grauwsluiers voorziene ramen.
Dat ik er niets meer te zoeken heb wordt mij duidelijk gemaakt door de vanachter dezelfde ramen toegeworpen weinig zonnige blikken, reden om er niet al te lang stil te willen blijven staan.
Een eindje verderop lijkt de zon alsnog bereid te zijn er doorheen te willen schijnen, wanneer een lichtgetint jongetje met krullerig haar op zijn bolronde snoet overweegt naar mij te grijnzen. Net wanneer hij zijn handje naar mij op wilt steken staakt hij die poging, vermoedelijk omdat zijn moddervette Afghaanse of Turkse moeder of oma die het nut van het zwaaien naar een blanke Westerling die het waagde oogcontact met hun kroost te zoeken weigert in te zien.
De afwezigheid van zonlicht blijkt vooral nadat ik twee donkere, gore straten van de wijk in te zijn gelopen vol wantrouwen wordt nagestaard door haar uit zuidelijker en ongetwijfeld zonniger, maar bij voorbaat kansloze oorden afkomstige bewoners.
Ook ik woonde ooit in in deze buurt, moet ik mijzelf bekennen en denk zonder veel vreugde terug aan die tijd waarin bij mijn Turkse buurman met vliegen en maden bedekte kadavers van schapen buiten het altijd openstaande keukenraam hingen, en in de gangen van het door de gierige eigenaar geëxploiteerde pension waar ik een kamer bewoonde, de permanente geur hing van een mengeling van Oriëntaalse kruiden.
‘s Avonds na het werk, liggend op mijn bed met doorgezakte matras, tijdens het de vanwege vele lekkages aangerichte bruine figuren op het behang bestuderen luisterde ik naar de door mijn buren veroorzaakte geluiden en gesprekken in een taal die de mijne niet was nooit heb kunnen thuisbrengen. In mijn verbeelding werden in de kamers rondom die van mij, kinderen door hun vaders mishandeld door ze onder kokendhete douches te zetten en hun vrouwen samen met de geiten en schapen verkracht om ze daarna dood te slaan.
Die gedachten, destijds lugubere hersenspinsels voortkomend uit de geest van een fantaserende knaap bedacht ik mij later, werden bevestigd op die momenten wanneer ik de bewoners van de appartementen rondom mij, zonder uitzondering naar nicotine en geitenkaas riekende mannen uit warme oorden met schier ondoorgrondelijke blikken tijdens het verlaten of binnengaan van die van mij tegenkwam, of ze letterlijk in het donker tegen het lijf liep omdat de eigenaar van het aftandse pand de automatische tijdschakelaar zo had ingesteld dat je precies vijftien seconden de tijd had om voordat het licht weer uitging je de deur van je kamer of het trappenhuis te bereiken.
Dat de sfeer er vroeger heel anders geweest moet zijn getuigt de aanwezigheid van het Brusselse Noordstation, de koninklijke Paleizenstraat en de Koningsstraat, in het heden vertegenwoordigd door de neobarokke, door de Jezuïeten opgetrokken St. Joostkerk en het charmante Charliermuseum dat in haar collectie een schilderij van de Griekse Périméle herbergt, een in de branding liggend omstreden naakt. Omstreden, omdat het schilderij destijds bij de opening van het museum op de weerstand van een geldschieter stuitte.
Om aan dit weinig tot vreugde uitnodigende landschap te ontkomen besluit ik de wijk te verlaten en mij onder te dompelen in het gebruis waar Brussel volgens Liesbeth List toen nog aan deed.
Om daar te komen moet ik door de Aarschotstraat waar volgens Dobrin Dobrev, hoofdredacteur van het lokale weekblad Slivenski Novini iedereen, dames welteverstaan, afkomstig is uit het Bulgaarse plaatsje Sliven, zo lees ik in een stadsgids.
Tijdig bedenk ik mij dat dat wel eens in het tegenovergestelde geval af had kunnen lopen wanneer de straatnaam, vernoemd naar het in de vijftiende eeuw opstandige plaatsje met dezelfde naam met dubbel “s” zou zijn uitgerust.
Op zoek naar Liesbeth’s gemousseer loop ik in Passage Du Nord totaal onverwacht Gus, een oude vriend, duivenmelker en schrijver van schuine, moderne proza tegen het lijf waarna we, gezeten op een terrasje van een café in de Passage gezeten met uitzicht op de in zandsteen uitgevoerde Kariatiden, kolommen in de vorm van barokke dames van het soort die in Utrecht ooit “Britsche Hoeren” werden genoemd, in gesprek raken.
De uitbater van het café, een chagrijnige uitvoering van René uit de TV serie “Allo-allo” vraagt of wij een aperitief willen gebruiken maar ik schud nee. Het is nog te vroeg. Zijn door mij in de wind geslagen invitatie waardoor zijn blik zo mogelijk nog bleuer oogde, werd door mijn tafelgenoot Gus wel goed ontvangen, wat ontaardde in een bestelling waar ik het met gemak een week mee zou kunnen uithouden.
‘Kende gij dien quote van mij, “het is beter te leven als een boek dan te leven zonder boeken,”’ vraagt hij mij na een bord oesters naar binnen te hebben gewerkt, waarna nadat ik antwoordde hem niet kende maar nu wel omdat hij het mij zoëven zelf vertelde, de conversatie alras uitmondde in het uitwisselen van levendige, spontaan verzonnen dan wel op zichzelf staande en daardoor niet terzake doende quotes.
Na wederzijds elkaar een rondje te hebben geven waaronder “Als het licht van de laatste ronde aangaat worden alle John Travolta’s weer schoenverkopers met kippenborstjes,” en “Religie is als haute couture: in het atelier ziet het er niet uit. Pas als er een gulp in genaaid is, kun je er iets mee,” besluiten we nadat we adressen en telefoonnummers te hebben uitgewisseld elk ons weegs te gaan.
In de trein op weg naar huis rijd ik nog eenmaal langs de wijk en denk terug aan dat jongetje dat het heeft aangedurft naar mij te lachen.
Ik hoop dat als hij groot is het niet zal verleren. In een grote stad heb je veel vrienden nodig.

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.