DAG MENEER VAN GRINSVEN

Jaargang 2, aflevering 26, donderdag 1 maart 2018

 

 

 

DAG MENEER VAN GRINSVEN

Gepaard met een zucht keek de man in het rond. Van alle stoelen in de wachtkamer van het UWV was er nog maar een onbezet, vlak naast een donkere man in een gestreepte kaftan.
‘Is deze nog vrij?’ vroeg hij, wijzend op de lege plek.
Er kwam geen antwoord. Vanuit zijn ooghoeken constateerde hij dat alle stoelen op die ene na allemaal bezet werden gehouden door mannen met een buitenlands uiterlijk en hij de enige blanke was in dit druk pratende gezelschap.
Na achteloos zijn schouders te hebben opgehaald nam hij plaats. Heel even kreeg hij het gevoel dat zijn aanwezigheid ongewenst was, maar zette dat idee weer van zich af. Niemand wist wat hij er kwam doen, dus waarom zouden ze?

‘Meneer van Grinsven?’
Een medewerker van het UWV met een baardje in een geruit overhemd liep op hem af en gaf hem een korte, nauwelijks voelbare handdruk. Een “sponshandje”, noemde hij dat zelf. Mensen in de kantoorsector bezaten vaak zulke handjes.
‘Loopt u mee?’ vroeg de man.
Achter de man aan sjokkend voelde hij de pijn die hij sinds een uur daarvoor in zijn zij kreeg weer komen opzetten en was daarom blij met de plastic stoel die hij in de spreekkamer kreeg aangeboden.
‘Meneer Van Grinsveen,’ sprak de man ongeïnteresseerd. ‘U komt hier voor de eerste keer?’
‘Van Grinsvén heet ik,’ antwoordde hij. ‘Daarnet zei u het goed. Met één e in plaats van twee.’
‘Prima. Waar komt u voor?’
‘Voor werk. Bij de uitzendbureau’s waar ik mezelf heb ingeschreven zeiden ze dat ik mij ook bij het UWV moest laten inschrijven. Anders kreeg ik geen uitkering, zeiden ze. Maar ik hoef geen uitkering, als ik maar werk heb. Dan maakt het mij niet uit, ziet u.’
‘Hebt u uw paspoort bij u?’ vroeg de baard.
Hij overhandigde hem het document die het vluchtig inkeek.
‘Mag ik hier een kopie van maken?’ zei de man opstaand. ‘Hebt u nog meer bij u dat van belang kan zijn voor uw aanvraag?’
Uit een bruine leren map trok hij een pakket tevoorschijn en overhandigde het aan de man die door de stapel bladerend almaar stiller werd.
‘Wat zijn dit?’
‘Zesentwintig diploma’s, certificaten en bewijzen van deelname. Ik heb hier ook een bewijs van goed gedrag, verklaringen van de AIVD inzake mijn persoon en tien getuigschriften als u die wilt zien.’
De man nam weer plaats, ze een voor een bekijkend.
‘Ze zeggen mij niets, eerlijk gezegd,’ sprak hij, hem meewarig aankijkend. ‘Wat is uw beroep?’
‘Computer System Specialist. Al twintig jaar. Mijn werkgevers waren de overheid, een paar grote banken, verzekeringsmaatschappijen….’
‘Het spijt me maar ik heb hier geen verstand van,’ antwoordde de man van het UWV. ‘Kent u ook iets anders, iets nuttigs?’
Geschokt keek hij in het emotieloze gezicht van de man.
‘Zoals?’
‘Metselen, koken, machinebankwerken, timmeren….’
‘Dat soort dingen doe ik ernaast. In mijn vrije tijd. Als hobby. Ik heb er niet voor geleerd maar kan het wel. Sinds… 1979 ben ik hiervoor gaan leren, Computer Specialist. Daarmee verdiende ik veel meer. Ik moest ermee stoppen vanwege een zware burn-out maar wil graag weer aan het werk als het kan. Teveel gewerkt, ziet u.’
De man keek hem vertwijfeld aan.
‘Wat is uw leeftijd?’
‘Hoezo? Ik zie niet wat….’
‘Nou, ik schat u ergens tegen de zestig. Ik denk dat het heel moeilijk voor u zal worden om werk te vinden, eerlijk gezegd. En uw papieren, ze zeggen me niets. We krijgen hier nooit mensen met uw ervaring en expertise. Ik heb verstand van mensen aan het werk helpen. Dit gaat mijn pet te boven. Hoe moet ik weten of dit allemaal wel echt is? Hebt u het al eens bij een uitzendbureau geprobeerd? Daar hebben ze vaak behoefte aan ongeschoolde krachten. Inpakwerk, sjouwen, bezorgen, dat soort dingen.’
‘Dat heb ik, maar er is geen werk voor mij op het moment. Daarbij heb ik eerst werk nodig om geld te verdienen waarmee ik mijzelf naar nog meer uitzendbureau’s kan verplaatsen. Daarom ben ik hier.’
‘Geld? Een uitkering bedoelt u?’
‘Als het niet anders kan: ja. Ik doe nu alles lopend omdat ik geen geld heb voor transport.’
De man keek hem afwezig aan.
‘Waar woont u, meneer van Grinsveen?’
‘Van Grinsvén is het. Ik woon in de schuur van een boer in Soest. Mijn gezin woont elders, maar daar is nog minder werk.’
‘En u komt lopend naar Amersfoort om u hier in te komen schrijven. Ben u al in Soest ingeschreven?’
‘Dat kon niet, zeiden ze daar. Als ik niet in Soest werk kan ik mij daar ook niet inschrijven. Soest heeft geen UWV kantoor.’
‘Dat klopt. En u woont in de schuur van een boer zei u?’
‘Inderdaad.’
‘Dan adviseer ik u nu naar de uitzendbureau’s in Soest te gaan en daar om werk te vragen. Ik heb geen verstand van uw werk dus kan ik niets voor u doen. Dag meneer van Grinsveen.’
Onderweg, lopend langs het fietspad van Amersfoort naar Soest begon het te regenen. Het was drie graden, las hij van een bord dat de temperatuur aangaf.
Schuin achter zich hoorde hij een vrachtwagen aan komen stormen.
Minstens een tien-tonner, hoopte hij.
Dag meneer van Grinsvén.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

      

 

VEERTIG BALLEN EN EEN PIEK

Jaargang 2, aflevering 25, 22 februari 2018

 

 

VEERTIG BALLEN EN EEN PIEK

Voor Dave…

 

    ‘Snap jij hoe hij dat doet,’ roept mijn stiefvader in de richting van mijn moeder bij het betreden van mijn als harem ingerichte kamer. ‘Moet je zien! Johnny Walker, Four Roses Bourbon whiskey, Jack Daniels, Captain Morgan, Jim Bean, Glennfiddich. Een normaal mens schopt zichzelf ermee in coma maar bij hem merk je er nooit iets van.’
‘In a gadda da vida, brother, dus relax en neem een joint,’ wil ik zeggen. ‘Als je zoekt naar illegaal binnengesmokkelde chicks: die heb ik niet voor je, maar daar, naast mijn matras liggen rooie Libanon en zwarte Kashmir. De vloe en de aansteker liggen erbij. Daar, naast die chilm. Nee, die niet, dat is een vaasje voor de wierook joh. Wordt je ook stoned van maar dan anders, weetjewel. Je blijft er korter mee in de groove hangen, maar op den duur werkt het.’
Maar ik zeg niets en staar in een roes door een blauwe mistbank heen naar het op een met behanglijm “uit het gele pakje” stuk spaanplaat geplakte poster van een psychedelisch landschap waar een paarse boom tegen een oranje wolk met een tak in een gat onderaan de stam van een roze populier friemelt. Maar het kan ook een lariks zijn, bedenk ik mij.
Op de golven van Fleetwood Mac’s “Then play on”, drijf ik weer weg naar een horizon vol vreetkicks, lachbuien en nummers van Bob Marley waar nooit een eind aan komt.
Bob Marley.
Was ik maar bruin denk ik opeens. Dan spoot ik mijn schoenen over met zilververf en vernielde ik elke week een gitaar, herstel: tien Fender Stratocaster gitaren, woonde ik voor de rest van mijn leven onder een boom in Electric Ladyland en blowde iedere dag de vouwen uit mijn bellbottom broek. Maar ik ben gewoon wit en woon in een ERA flat op tien hoog.
Mijn enige vertier bestaat uit mezelf iedere dag als het werk erop zit een stuk in mijn kraag te zuipen, lekker bassen met de versterker op tien tegen de centrale verwarming aan zodat de hele flat mee-jamt op de tonen van mijn persoonlijke Bill Wyman impressie, en straks aan tafel met mijn stiefvader meezeiken over de alwéér slappe spruiten van eergisteren.
In de Coca Cola spiegel waar ik bij voldoende dope (zonder dope geen hope) in verdwijn, zie ik het langharige, vijftiende lid van Deep Purple, zittend in lotushouding, gekleed in een op het Waterlooplein gescoorde poncho, spijkerbroek en Tsjechische laarzen.
De plaat is afgelopen, merk ik, en leg snel een andere op de draaitafel.
‘We gaan zo eten,’ roept de ouwe met zijn hoofd om de deur. ‘Spruitjes. En je moeder wilt weten of je nog uitgaat vanavond.’
Ik knik.
Wat is dat voor pestherrie?’ roept hij nu.
‘Dit is progressieve Britse rock, man,’ corrigeer ik hem hoofdschuddend. ‘In the Court of the Crimson King. Moet jij niet naar James Last luisteren?’
Drie kwartier later, met de smaak van laffe, ontzielde spruitjes nog op mijn tong loop ik door het centrum en trek ik stuurloos puberend uit de automatiek op de hoek van de Prinsenstraat en de Nobelstraat achter elkaar veertig gehaktballen uit de muur die ik aangestaard door de geschokte uitbater achter elkaar in mijn mond begin te steken.
‘Die eet je hoop ik toch niet allemaal zelf op zeker,’ merkt hij bezorgd op. ‘Niet dat het geen goeie zijn.’    ‘Tuurlijk niet,’ jok ik met volle mond. ‘Ben je gek! De rest van de band staat hier om de hoek. Ze hebben honger. Heb je een zakje?’
Dat excuus van “om de hoek” klopte, bedenk ik me achteraf. Dat is de plek waar café Big Brothers Factory zich bevindt waar de Golden Earring en David Bowie wel eens jammen, samen met Jan Akkerman en waar ikzelf zolang het licht voor de laatste ronde niet aangaat ongestraft mijn lach-, vreet-, en jankkicks ongestraft mag botvieren op Fons de barman. Hij is de enige op de wereld die me begrijpt. Tenminste, zolang ik aan de lopende band wodka-sju’s naar binnen blijf kieperen.
Hij herkent me en gunt me onder het inschenken een vette knipoog.
‘Da’s dan één piek. ‘T is rustig vanavond. Was je al in het Paard geweest?’
Ik schud nee. ‘Vanavond niet gozer. The Clash treedt er op. Niet bepaald mijn smaak. Heb je geen funk in de kast staan?’ vraag ik, wijzend op de rijen vinyl achter hem. ‘Goed voor de stofwisseling.’
Uit de zesmaal tweehonderd Watt speakers knettert even later op mijn verzoek “Live it up” van de Isley Brothers en ik loop tevreden maar misselijk geworden naar buiten waar ik leunend tegen de gevel op de muziek ga staan meegrooven, mijzelf intussen verbazend over de lege zak in mijn hand waar daarvoor nog veertig gehaktballen in zaten.
Kijkend naar de overkant zie ik hoe de eigenaar van de kantoorboekhandel het licht uitdoet en de rolluiken laat zakken.
Straks op weg naar huis niet vergeten Norit mee te nemen.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

  ‘

 

VERROT

Jaargang 2, aflevering 24, donderdag 15 februari, 2018

 

 

VERROT

Onderweg met de trein naar Den Haag in een halflege coupé voelde ik dat op mijn hoofd werd getikt. Achterom kijkend in een poging de dader te ontdekken bleek het een jongetje te zijn van ongeveer acht jaar.
De verbijstering op mijn gezicht maakte kennelijk indruk op hem want hij verdween direct weer achter de rugleuning, maar even later toen ik vanuit de voortrazende trein zag hoe een bruine kiekendief op het achterste van een koe neerstreek herhaalde hij zijn stunt.
‘Boe,’ zei ik zo onverwacht mogelijk, maar dat hielp niet.
‘Waar ga jij heen?’ vroeg hij dapper.
In zijn nette kleren en parmantig naar voren gekamd blond kuifje leek hij me op weg naar een verjaardag.
‘Naar mijn moeder,’ verduidelijkte ik. ‘En jij?’
In plaats van meteen te reageren keek hij me met zijn heldere ogen aandachtig aan, mijn antwoord op bruikbaarheid overwegend. Pas na een minuut kwam de redding.
‘Heeft jouw moeder tietjes?’
‘Och, daar heb ik nooit zo bij stilgestaan,’ antwoordde ik veiligheidshalve omdat ik niet wist wat er nog meer kwam. ‘Een beetje wel misschien.’
‘De mijne wel,’ zei hij stellig. Kennelijk had hij het bij het rechte eind, want de voor mij onzichtbare beheerster van het ongetwijfeld grote goed aan de andere kant van de bank greep onmiddellijk in.
‘Jonathan, houd je mond!’
Zijn grensoverschrijdende ontboezeming was kennelijk niet de eerste keer want gedurende slechts een vijftal minuten bleef Jonathan stil totdat zijn koppie weer boven de bank uit kwam.
‘Wat ga jij daar dan doen, bij je moeder?’
‘Zomaar, op bezoek. En daarna misschien eten. En jij?’
Op zijn beteuterde gezicht was af te lezen dat ik hem met mijn kaarten had afgetroefd. Driftig nee schuddend, zo hard dat als ik het gedaan zou hebben mij dat een week derdegraads migraine had opgeleverd, zei hij: ‘Naar het ziekenhuis.’
‘Voor jezelf?’
Opnieuw schudde hij zo wild. ‘Oom Jasper ligt daar, met een verrotte… postaart.’
Ik moest lachen, klaarblijkelijk een voor hem niet te versmaden komisch effect want het gezicht dat hij erbij trok was dat van intens geluk.
‘Prostáát bedoel je,’ verbeterde ik hem.
‘Ja,’ zei hij schokschouderend. ‘Heb jij ook een…pros-taat?’
‘Ik denk het wel,’ gaf ik als antwoord. ‘Alle jongetjes hebben een prostaat.’
Onwillekeurig dacht ik aan een strofe uit een lied van Drs. P.:

“Dan is het niet meer zo verlegen, veeleer profaan
Het heeft een dikke kop gekregen van eigenwaan
Het is wat malser en wat rechter dan een banaan
Voor vruchtensla heeft men er echter maar weinig aan.”

Mijn constatering trof blijkbaar doel.
‘Is die van jou ook verrot?’
‘Ik denk het niet,’ antwoordde ik in een poging mijn lachen in te houden. ‘Nog niet tenminste, hoop ik.’
Niet van plan om ten overstaan van de overvolle coupé uitgebreid over mijn eigen orgaan uit te wijden broedde ik, vurig hopend dat zijn moeder snel zou ingrijpen, op een manier om het gesprek een andere kant op te laten gaan, maar Jonathan was mij voor.
     ‘Volgens oom Jasper die van hem wel. Hij laat hem opereren zodat-ie weer kan pissen,’ zegt-ie.’
‘Plassen,’ verbeterde ik. ‘Je oom kan weer plassen.’
‘Ja. Volgens mijn moeder heeft mijn zusje geen pros-taat omdat ze een meisje is. Zijzelf ook niet.’
Ik knikte.
‘Alleen jongetjes, hé?’
‘Ja. Alleen wij. Verder niemand.’
Zijn preferente positie in het bezit te zijn van zoiets geheimzinnigs moest hem voor ik het kon verhinderen op een geniaal idee hebben gebracht.
‘Waar zit de jouwe?’
‘In mijn broek op een plek waar niemand hem ziet. Net als bij jou. Als je het precies wilt weten dan vraag je het maar aan je oom,’ zei ik vertwijfeld in een poging van wat naar mijn smaak teveel op een anatomische les begon te lijken.
In de hoop dat de moeder het nu welletjes vond en in greep schraapte ik mijn keel een paar keer maar ze gaf geen kik en weigerde zich aan mij te vertonen. Een mens staat tegenwoordig alleen in dit soort situaties.
‘Doet-ie toch niet,’ zei hij verongelijkt. ‘Mijn oom is een dooie. Jij bent ook een beetje een dooie.’
Dit vond zijn moeder kennelijk wel een brug te ver gaan.
‘Jonathan ga zitten en houd je mond. Zulke dingen zeg je niet tegen een vreemde.’
Bij het gelijktijdig uitstappen zag ik hem nog een keer omkijken maar liet niks van onze eerdere ontmoeting merken. Aan een dooie met een verrotte prostaat heb je nu eenmaal niets.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

 

MENEER FRITS

Jaargang 2, aflevering 23, donderdag 8 februari 2018

 

 

MENEER FRITS

 

    ‘Hier istie weer hoor!’ sprak de taxichauffeur joviaal bij het binnenkomen. Naast hem stond een in een kamerjas gestoken met daaronder een streepjespyama, verward uitziende oude man.
‘En nou niet meer weglopen opaatje. Iemand daarbuiten zou op het idee kunnen komen je te kidnappen. Dan kan ik weer naar je op zoek.’
‘Wel potjandorie Frits,’ grapte de nachtportier van het verpleegtehuis gekscherend naar de oude. ‘Was je weer weg? Nog even dan moeten we je een enkelband omdoen.’
‘Ik was niet weg,’ sprak de man geagiteerd, op het bord met de sleutels voor het dienstdoende personeel wijzend. ‘Ik had een afspraak in de stad met een dame, een lekker wijf. Kamer driehonderd eenenzestig alstublieft.’
‘Vanzelfsprekend,’ antwoordde de portier met op zijn gezicht een vette grijns, het spelletje meespelend. ‘Ik hoop dat ze beviel. Hoe laat had meneer gewekt willen worden?’
‘Doet u maar om tien uur graag,’ antwoordde Frits, op de bank naast de voordeur plaatsnemend. ‘Ik verwacht belangrijk bezoek.’
Voor een moment bedacht de oude zich iets.
‘Ach, dat is waar ook. Kunt u de kok vragen het brood voortaan wat korter onder de toaster te leggen? Ik krijg mijn bestelling steeds met zwarte korstjes afgeleverd. En mijn ei is iedere keer te zacht gekookt. Drie minuten is perfect. Voor die rommel betaal ik niet dus verwijdert u die maar van de rekening.’
‘Met uw welnemen, meneer Frits,’ boog de portier grinnikend terug. ’Ik zal er zorg voor dragen dat het niet meer gebeurt. Wenst u verder nog iets?’
‘Nee dank u. Dat was het.’
‘Prima. Ik zal de bellboy vragen u naar uw kamer te begeleiden. Een moment.’
De zuster die na enige minuten de hal binnentrad reageerde weinig verrast bij het weerzien van haar pupil.
‘Wat het weer zo laat?’ riep ze de oude man vermanend toe. ‘Dan doe ik voortaan uw kamer wel op slot.’
‘Dat hoeft niet. Ik had een afspraak,’ meldde de man met een stem vol afschuw. ‘Gelukkig niet met u als ik u zo eens bekijk.’
‘Is dat zo?’ sneerde ze. ‘Dan mag u nu mee naar de volgende: met mij in de lift. Daarmee gaan we naar uw kamer waar we u een enkelband omdoen zodat we voortaan weten waar u bent. Hoort u mij?’
‘Ik ben niet doof,’ sprak Frits.
De zuster pakte Frits bij een hand die hij van zich af schudde.
‘Blijft u van mij af, wilt u? Anders bel ik de politie.’
Het gezicht dat de zuster vervolgens in de richting van de portier trok lag ergens tussen boosheid en een gebrek aan mededogen in.
‘Mij best ouwe. We gaan nu naar boven en daar blijf je voortaan. Ik wens tijdens mijn dienst geen gedonder, ook niet van jou.’
‘Ouwe,’ reageerde meneer Frits boos. ‘Wat meer respect voor iemand die je opa had kunnen zijn was ook wel op zijn plaats geweest.’

    ‘Zo heb ik ze zelf het liefst,’ zei de taxichauffeur tegen de portier nadat het tweetal met de lift was verdwenen. ‘Mensen van rond die leeftijd weten nog wat het hoe het hoort. Ze zijn netjes opgevoed. En je kunt nog met ze lachen. Met deze ook. Ik ken mijn pappenheimers. Weet je waar ik hem vond?’
De portier trok zijn schouders op.
‘Op de Kalvermarkt in het centrum. Nou vraag ik je! En dit gebouw staat aan de andere kant van de stad. Maar nou komt het mooiste van alles: bij navraag blijkt daar vroeger een rosse buurt te zijn geweest. Wat denk je? Daar stond hij, precies voor de deur van dat pand. Daar is al honderd jaar geen bordeel meer gevestigd. Gelukkig wist hij zich de naam van dit tehuis te herinneren. Hij kan wel dement zijn, of seniel of hoe jullie dat tegenwoordig in dit wereldje ook noemen. Met dat ene stukje van zijn geheugen is niks mis, dat zie je maar weer. Dat kan ook bijna niet anders. Alles om je heen verandert zo snel tegenwoordig. Het is ook net of het steeds sneller gaat. Zelf heb ik dat ook soms, maar dan in mindere mate. Dan weet ik in ene niet meer waar ik mijn vrachie af moet zetten. Stom, vind ik van mezelf. Omdat ik geen zin heb om het nog een keer te moeten vragen, probeer ik er achter te komen waar ze moeten wezen. Zo van: zal ik u eerst nog effe hierheen of daarheen brengen voordat u naar huis gaat? Dan kom ik er vanzelf wel achter of dat bij ze thuis is of ergens anders. Het zal de drukte wel zijn, houd ik mezelf voor, anders had ik het ook niet meer geweten. Aan de andere kant, als het een adresje met vrouwtjes was geweest had ik het waarschijnlijk zelf ook wel onthouden, al was het honderdvijftig jaar geleden in plaats van honderd. Wanneer ik zo oud was als meneer Frits zou ik al blij zijn als ik mijn eigen voornaam nog wist.’
‘Zo heet hij ook niet,’ meldde de portier geamuseerd. ‘Voluit heet hij: Joseph Alois Ghislain Philippe Fritz, maar we noemen hem hier gewoon meneer Frits. Die naam kan iedereen onthouden. Tenminste, de meesten wel en dan bedoel ik het personeel. Dus noemen we dit exemplaar voor het gemak maar meneer Frits. Zo heel lang zullen we toch geen last meer van hem hebben. Meneer Frits is zesennegentig. Wat moet je op die leeftijd nog met een naam. Het kamernummer is meer dan genoeg.’
In gepeins verzonken over zoveel onmenselijkheid krabde de chauffeur zich op zijn hoofd.
‘Dat kamernummer dat hij, meneer Frits daarnet opgaf. Klopt dat?’
‘Helemaal. Waarom?’
‘Dat vermoedde ik al,’ zuchtte hij somber. ‘Wanneer mag meneer Frits weer naar buiten? Onder begeleiding bedoel ik.’
‘U mag hem dagelijks tussen tien uur ‘s morgens en drie uur ‘s middags komen bezoeken of ophalen. Hij heeft geen familie of nabestaanden dus geen probleem.’
‘Afgesproken. Tot morgen dan,’ sprak hij, ‘Morgen is mijn vrije dag. Dan neem ik Frits mee, de hort op.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.