BIJ DE PTT

Jaargang 2, aflevering 30, donderdag 20 maart, 2018

 

 

 

BIJ DE PTT

Iedere morgen voordat ik mij aan het werk zet begeef ik mij samen met de hond op straat, een routine met een voor mij verfrissende uitwerking, als een eye-opener. Voor de hond is het een sprookje, dat van door exotische teefjes onder struiken en bomen gedeponeerde duizend-en-een-plasjes dat maar geen werkelijkheid wil worden.
De dag overziend had ik niet direct in de gaten dat op de stoep waar ik liep iets was veranderd. Om precies te zijn: er was ‘s nachts iets bijgekomen.
Het was een grijze tent met daaronder een groot gat in de grond. “PTT Telecom” stond op de zijkant, het soort urban camouflage dat veelvuldig in gebruik was bij werknomaden in dienst van Nederland’s voormalige staatsbedrijf.
Als het vod met dezelfde afmetingen in een winkel voor kampeerspullen te koop zou zijn aangeboden had de verkoper het vast aangeprezen als een “broedplaats”, geschikt voor backpack-stelletjes met gevoel voor romantiek, bedenk ik mij. Maar bij nadere beschouwing bleek het canvas dat die nacht uit te lucht scheen te zijn gevallen nog anders iets te bevatten. Vanonder het zeil staken vier in rubber laarzen en overalls gestoken benen van ongetwijfeld twee PTT werknemers die blijkbaar geen moeite hadden met hun knus bemeten behuizing.
‘Koos,’ klonk het vanonder het zeil. ‘Heb je die koppelkast nou?’
‘Net wel,’ meldde een tweede stem. ‘Sta jij der soms weer op met die lompe poten van je?’
‘Lamaar. Heb ‘m al. Alleen deze nog en dan kun je van Tichelen bellen. Die staat in de buurt van huisautomaat 16b.’
Onbekend met het jargon probeerde ik mij een voorwerp bij het woord huisautomaat voor te stellen, iets wat vanzelfsprekend niet lukte, al leek het mij op het eerste gehoor een handig ding. Ik kon ze natuurlijk gewoon om opheldering vragen maar zoiets doe je nu eenmaal niet snel op dit vroege tijdstip, staande bij een kuil vol modder met daarin twee tot op het bot humeurige werklieden.
Van diezelfde compagnie der Posterijen, Telefonie en Telegrafie herinner ik mij namelijk dat er strenge mannen in stofjassen rondliepen die, als ze dat wilden, met een druk op de knop ervoor konden zorgen dat alle telefoongesprekken bedoeld voor het Ministerie van Oorlog voortaan bij jou binnenkwamen.
Mijn eigen ervaringen met het bedrijf waar de klokken volgens opgaaf van de stem achter het nummer 002 vaker synchroon liepen dan de zon zelf strekten zich uit tot het domein van het alleen door de alleenstaande werkende moeder thuisgelaten kind: het bedenken van zinloze, kostbare telefoonspelletjes.
Een daarvan was het met mijn ogen dicht draaien van een willekeurig nummer waarbij ik de grootste lol had als mijn poging een aardige mevrouw of meneer opleverde die ongeacht het uur nietsvermoedend de hoorn opnam.
‘Hallo, met mevrouw Lely-van der Ham. Wie is daar?’
‘Ik,’ was dan mijn standaard antwoord.
‘Ach, wat leuk, een vreemd jongetje!’ was meestal de erop volgende reactie. ‘Hoe heet jij?’
‘Basje. De rest mag ik niet zeggen van mijn moeder,’ antwoordde ik naar waarheid. ‘Anders wordt ze straks door de telefoon lastig gevallen door vreemde meneren.’
‘Wat een verstandige moeder heb jij, Basje. Zeg, weet jij eigenlijk wel hoe laat het is?’
‘Nee. Maar ik mocht opblijven van mijn moeder.’
‘Zo. Dat dacht ik al. Zeg Basje, weet je dat wat jij doet heel duur is en dat je moeder het vast niet leuk zal vinden als ze erachter komt wat jij ‘s nachts met de telefoon doet?’
‘Geeft niet. Mijn moeder verdient genoeg centjes.’
‘Zozo. Zijn jullie thuis zo rijk. Gelukkig maar. Waar werkt ze dan?’
‘Bij de PTT.’

Naast mijn moeder die er telefoniste was, werkten de meeste van mijn ooms bij het bedrijf, een feit dat ervoor zorgde dat de telefoon bij ons thuis wat eerder werd aangesloten en vaker storingsvrij werkte, en we thuis regelmatig collega’s over de vloer kregen die er een handje van hadden voortijdig alle eetbaars wat in huis was te confisqueren. Ook werden er vaak wederzijdse bezoeken afgelegd, zo ook tijdens verjaardagen, kerst en Sinterklaas. Het waren gelegenheden waarbij de nep-oom die eigenlijk een meneer van de PTT was en ik van mijn ouders oom moest noemen zich als weldoener voordeed en zich in de beste stoel te laten vallen waar hij de rest van de avond niet meer uitkwam.
Het voordeel van haar tewerkstelling bij het bedrijf was dat er thuis nooit gebrek was aan servies, handdoeken, bestek, regen- en vuil bestendige werkkleding, laarzen en overalls. Tenminste, als je er niets op tegen had de naam “PTT Telecom” overal tegen te komen, of in kleding rond te lopen met de tekst erop gedrukt.
Trots als een pauw liep ik met mijn donkergrijze jack met op de borst de met rood stiksel aangebrachte afkorting “PTT” over het schoolplein ter vervanging van de jas die ik wel nodig had maar waarvoor geen geld was. De pret duurde tot het moment dat mijn schoolvriendjes mij verklaarden dat de afkorting stond voor “Plastieke Tieten Trekkers.”
Sindsdien hangt het in de kast en ik heb het daarna nooit meer aangetrokken.

    

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

   

 

      

    ‘

 

 

 

PICADILLY MOONLIGHT

Jaargang 2, aflevering 29, donderdag 22 maart 2018

 

 

 

PICADILLY MOONLIGHT

 

    ‘Als ze weer langskomt zeg ik er wat van.’
De vrouw met bril en kort, grijszwart haar, ik schatte haar ongeveer vijfenvijftig zette een zuinig gezicht op.
‘Waarvan?’ wilde de over de rand van zijn RayBan zonnebril de straat in turende man -ik vermoedde haar echtgenoot- weten.
‘Van dit.’
Omzichtig wees ze op het fors bemeten aardbeiengebakje voor haar op tafel.
‘Het is veel te groot. Ik krijg het niet weg.’
‘En toch vreet je het op.’ sprak de man op autoritaire toon, het geval in kwestie snel beziend. ‘Wees blij. In Nederland zijn ze stukken kleiner. En voordat je het mocht vergeten, er is al voor betaald.’
Demonstratief verorbert ze het restant van het gebakje en drinkt haar kopje leeg waarna ze beide zwijgend nog even blijven zitten. Even later komen ze voorbij gelopen, hij voorop, zij slaafs in zijn voetspoor.
Het is hun seizoen bedenk ik mij, dat van de pensionado’s die met hun klapzonnebrillen en bijpassende tot de kuit opgetrokken hoge sokken de terrasjes van Albufeira plegen te overspoelen. Ze horen bij het leger aan de Nederlandse griepgolf ontsnapte in hun shorts en klompschoenen geklede senioren, afkomstig uit hun bij de Lidl, de camping of openbare parkeerplaatsen daar zo opzichtig mogelijk tussen de andere neergezette campers, uiterlijk opgeruimd de Portugese winterkou trotserend. Provocerend bijna, zoals ik zie hoe ze gekleed in hun zomertuniek afsteken tegen de in meer dan drie lagen gestoken vaste, door chronische armoede kou lijdende bevolking die het tegen ze af moet leggen als het gaat om het hamsteren van alcohol, vruchtensap en vers brood onder het het volstouwen van hun campers met levensmiddelen om daarna de terugreis aan te vangen om thuisgekomen verhaal te doen van hoe goedkoop de laatste doos rode wijn die ze voor de neus van een Portugees boertje hadden weggekaapt wel niet was.
Tijdens mijn bezoek aan het gemeentehuis waar ik even moest zijn kom ik het stel weer tegen, ditmaal zittend in het achterste deel van een de stad doorkruisend blauw/geel treintje. Zijn blik was nog steeds die van de alle bedienend personeel schrik aanjagende globetrotter. Die van haar de eeuwige sloof.
Afgeleid door een donker figuur aan de overkant, staand onder een palmboom herken ik in hem Abuku Filopi, het in een witte yoruba gekleed gaande Nigeriaanse evenbeeld van Eddy Murphy. Als een rode draad beweegt hij zich door mijn leven, de straatjes en stranden van Albufeira afstruinend op zoek naar klandizie en ik krijg hem met geen mogelijkheid weg. Even overweeg ik op te staan en weg te lopen maar loop daarbij het risico daardoor extra op te vallen zodat hij naar mij toekomt om mij voor vijf euro een zonnebril te willen verkopen die hij zelf voor een euro per stuk inslaat bij een Chinese bazar. Wat hij niet weet is dat ik sinds drie jaar uit principe geen zonnebrillen meer draag.
In de Algarve Resident, een lokaal krantje dat is achtergelaten door een klant lees ik dat de laatste orkaan voor tien miljoen schade heeft veroorzaakt. Afhandeling van zaken bij conflicten tussen de verzekeraar en de cliënt neemt zo weet ik, ongeveer tien jaar in beslag wat komt door de achterstand van drie miljoen achterstallige, nog door de rechtbanken te behandelen juridische kwesties. Dat brengt desastreuze gevolgen met zich mee voor het voortbestaan van de Fish ‘n Chips, de Piccadilly Moonlight- Grande Tapas en Blue Bell Bars die zich om zoveel mogelijk Britse vakantiegangers te trekken langs de afdaling naar het strand hebben gevestigd.
Niet voor niets zijn alle hoger om het gemeentehuis en het kantoor van de Serviço de Finanças, het belastingkantoor heen gelegen appartementen gehuurd door een strijdmacht van advogado’s. De bureaucratie is er voor iedereen die iets meer wil dan bakken in de zon en vereist per definitie hun veel te dure bemiddeling. Zonder een advogado raakt je hopeloos verstrikt in hopeloos gecompliceerde, uit de vroeg negentiende eeuw afkomstige procedures, want ook hier ligt de macht nog steeds bij de ambtenaar.
‘s Zomers is Albufeira als een omgekeerde, met toeristische attracties en barretjes volgebouwde trechter die ‘s winters pleegt vol te lopen met uit de meer inwaarts gelegen bergen en overlopende stuwmeren. Daar wordt door de gemeente niets aan gedaan zolang de grond van de aanvoerroute van het regenwater in handen is van door projectontwikkeling rijk geworden perceeleigenaren. Dat weet ik van horen zeggen door José, een lokale na de Anjerrevolutie van ‘74 zichzelf tot vanger van inktvis omgeschoolde ex-legercommandant. De van postuur bij mij vergeleken ondermaatse linkse rakker gaat er nog steeds prat op Marcello Caetano, rechterhand van dictator Antonio de Oliveira Salazar persoonlijk pootje te hebben gelicht. Hij is bereid dat aan iedereen die hem een flesje SuperBock toestopt te vertellen, dat wil zeggen: alleen op die dagen dat hij niet hoeft uit te varen want de wind is hem zowel als de sardientjesvissers de komende week slecht gezind.
Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe op het eindpunt aangekomen het stel de achterste deel van het treintje verlaat en een Italiaans restaurant induiken waarvan ik weet dat de pizza’s er groter zijn dan het beschikbare servies.
Ze zal er wel wat van zeggen, van die pizza’s.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

ZIEK

Jaargang 2, aflevering 28, donderdag 15 maart 2018

 

Image result for california kippensoep

ZIEK

Sinds een paar weken verblijf ik in bed, een gewoonte waar ik mij slecht mee kan verenigen. Dat heeft als gevolg dat ik de dagen doorbreng met het doen van volslagen niets. Het liefst was ik samen met u aan een gratis voetreis naar Rome begonnen, of hadden u en ik de Kilimanjaro bedwongen. Dat we dat wellicht een andere keer moeten doen heeft te maken met mijn op dit moment beperkte actieradius wegens zwakte. Het overbruggen van de afstand van het bed naar de WC, zegge en schrijve vijftien meter, kost mij op dit moment meer moeite dan het afgieten van de aardappelen. Het vergiet in dit geval ben ikzelf omdat ik met geen mogelijkheid meer vocht kan binnenhouden dan mij voorgeschreven wordt te drinken.
Ik kan mij ook niet meer herinneren wanneer ik voor de laatste keer bedlegerig was. Zelf vermoed ik ergens in een lang voorbij decennium na het eten van een kip-sandwich in een achteraf fout Manilaans restaurant.
‘Paratyfus,’ constateerde de Filippijnse dokter destijds tijdens huisbezoek, en daarmee ben ik iedereen die mij de tyfus toewenst een slag voor. Hetzelfde geldt voor de amoebiasis aanval een paar weken eerder, maar dat is geen scheldwoord.
Mijzelf aankleden om mij richting laptop te begeven om voor u een stukje te schrijven lukt met de nodige moeite. Nogmaals, dat ligt niet aan u, maar aan de koorts en het feit dat ik daardoor tien minuten nodig hebt om een paar sokken aan te trekken, het drie kwartier duurt voordat het mij lukt in een broek te schieten en het vanwege mijn delirium een kwartier kost om drie keer achtereen een gewatteerd ski-jack achterstevoren over mijn hoofd te gooien.
Daarmee is het koude-probleem tijdelijk opgelost maar de kous nog niet af, want ik zit nog steeds naar adem snakkend op de rand van mijn bed, verwikkeld in een dilemma of ik wel of niet op zal staan.
Als ik dat doe heb ik twaalf seconden om de WC en niets anders dan de WC te bereiken zo helpe mij mijn blaas almachtig, precies de tijd die mijn nieren nodig hebben om aan dat orgaan door te geven dat de kleppen zijn geopend. Is de WC vrij, dan heb ik daarna vrij baan naar het basiskamp, te weten mijn bureau met daarop de laptop. Is hij bezet dan loop ik de kans daar alsnog Jeffrey, mijn autistische zoon tegen te komen, zittend op de WC bezig de vuile was volgens de Fibonacci code op te vouwen. In dat geval wordt het alsnog dweilen.
Om op die WC te komen moet ik drie koude-zones oversteken, waar per ruimte de gemiddelde temperatuur lager ligt dan ik zou willen. Maar ik zit hier nog steeds, waarbij zolang ik de stap niet zet de kans dat ik mijzelf weer uitkleed en de dekens over mij heen sla met elke minuut toeneemt.
Een bijkomstig voordeel bij het zolang buitenspel staan is de ontdekking dat veel dingen die tot voor kort binnen mijn ooit zo omvangrijke takenpakket lagen, gewoon door blijken te gaan. Bomen blijven doorgroeien en worden gesnoeid, de vissen in de vijver worden gevoerd en zelfs kleine reparaties worden zonder mijn tussenkomst moeiteloos en zonder protest gedaan.
Anders zit het met mijn door mijn ziek-zijn ondermijnde status als hoofd van het gezin. Afhankelijk van de zorg van anderen en stijfkoppig als ik daardoor ben houd ik vol de rest van mijn leven volstrekt niets meer te hoeven of te willen, dit in afwachting van de komst van de Man van Monuta. Bij elke auto die ik in onze straat aan hoor komen luister ik of hij afremt en stopt waarna ik vanuit mijn ABR met HS (Anti-Biotica Roes met HoestSensor) automatisch naar de polis op het nachtkastje grijp en nogmaals controleer of ik niet toch blijk te zijn onderverzekerd.
De vraag van mijn vrouw ‘Wil je soep?’ beantwoord ik met een hoestbui, luid genoeg om de honden op straat te doen aanslaan.
‘Alleen wanneer er nog iets over is,’ laat ik haar weten. ‘De rest doneer ik hierbij alvast graag aan de hond.’
De bereidwilligheid mijn portie vrijwillig af te staan komt door de hoge concentratie kip in de soep die door bezinking zo sterk is geworden dat het in effectiviteit gemeten de door de dokter voorgeschreven anti-biotica in een hoek drukt, onder bedreiging van het moeten afgeven van de werkzame stof.
Dat buiten de zon schijnt doet mij niets, wat ik als een teken beschouw dat het goed mis is. De tuin ligt er vooralsnog verwaarloosd bij en ik wordt genegeerd door de honden die gewend zijn de meeste tijd overdag buiten door te brengen met het plegen van onderhoud en dat ik met ze speel. Ook het lezen van een boek lukt mij onder geen mogelijkheid door regelmatig te worden onderbroken door hoestbuien waar het mij van duizelt. De teloorgang grondig verwensend maakt mij boos, merk ik, en wens mijn ziekte toe aan corrupte directeuren van energiebedrijven, foute uitgevers en providers die het nodig vinden mij in deze periode telefonisch lastig te moeten vallen met hun aanbiedingen mijn wereld een beetje gemakkelijker te maken.
‘Meneer, uw internetverbinding is te traag. Voor drieëndertig euro beschikt u straks over een snellere en voordeliger verbinding met het internet.’
Maar de wereld hóéft van mij niet sneller. Wel eenvoudiger en goedkoper,’ laat ik de medewerker aan de telefoon rochelend weten, drie eisen waarvan ik van tevoren weet dat hij daar nooit aan kan voldoen.
Enigszins triomfantelijk door mijn overwinning zoek ik mijn bed weer op. Na de zoveelste hoestbui begint de verf op de muur die ik beloofd heb opnieuw te schilderen tegenover mij los te laten. Eigenlijk moet ik hem overschilderen. Vandaag maar niet. Morgen ook niet, trouwens.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

(Sponsored Message)

SCHERP

Jaargang 2, aflevering 27, donderdag 8 maart 2018

 

 

SCHERP

 

De bezoeker van het café zette met een klap en bijgaand misnoegd gezicht zijn lege glas terug op de bar.
‘Ze zeggen dat alcohol slecht voor je is,’ begon hij tegen niemand in het bijzonder.
De spreker, een houder van het onvervalste hofstad-accent droeg op zijn opvallend gladgeschoren gezicht voortdurend de uitdrukking met zich mee van iemand die wist dat hij kortgeleden ergens over de schreef was gegaan maar de daad zelf niet ernstig genoeg van aard vond om het een vergrijp te willen noemen.
‘Volgens de dames en heren die het kunnen weten zijn het allemaal lege calorieën. Dat heb ik ergens gelezen.’
De barman keek bedenkelijk bij die uitspraak.
‘Dus doe mij dan nog maar een leeg glas van hetzelfde, Gerrie. Je kent inmiddels de weg.’
‘Zou je er dan maar niet beter mee stoppen,’ stelde die de man ruimhartig voor. ‘Je hebt er meer op dan ik officieel aan je mag schenken. Daar krijg ik gegarandeerd last mee. De politie. Je weet hoe ze zijn tegenwoordig.’
‘De politie,’ herhaalde de man op rigide toon. ‘De koddebeiers, ze kenne me wat. We stevenen regelrecht af op een politiestaat zeg ik je. Over drankgebruik zeg ik: als je der niet tegen ken mot je der ook niet aan beginnen. Sommige mensen, daaronder reken ik ook mezelf, worden juist schérper als ze er een paar op hebben. Daar kan ik niks aan doen. Het zit in me bloed. Als het moet lees ik de hele Enkhuizer Almanak achterstevoren aan je op. In braille.’
Bij zoveel verbaal geweld trok Gerrie gelaten zijn schouders op. ‘Die ken ik nog van vroeger. bestaat die nog?’
‘Zelfs al zou hij niet meer bestaan dan had het nog niks uitgemaakt. Je had het verschil toch niet gehoord. “De geest is sterker dan het materiaal” zeggen ze in Engeland. Dus wie is hier nou scherp, jij of ik?’
‘Jij,’ gaf de barman snel toe. ‘Maar dat zeg ik alleen omdat ik van je af wil en ik je langer ken dan vandaag.’
‘Tuurlijk jongen,’ smakte de gast. ‘Mij best. Gooi het maar bij me naar binnen, ik kan het hebben. Het raakt me niet. Vroeger wel. Als je dat tien jaar geleden tegen me had gezegd had ik je waarschijnlijk op je kanis gemept. Jaja, Ik was een opvliegend mannetje en altijd in de contramine. Een licht ontvlambaar type zeg maar. Je hoefde maar iets tegen me te zeggen dat me niet beviel en dan was het… pats, d’r bovenop. Dat heb ik niet meer, dat woeste. Het is eraf, weg.’
De barman trok er een gezicht bij waar opluchting op af stond te lezen.
‘Dat is maar goed ook,’ antwoordde hij droog. ‘We worden allemaal een dagje ouder. Jij ook. Alleen, bij jou is het probleem dat je je nederlaag nooit gewoon tóé kunt geven zoals een ander dat wel doet, en nu begeef ik mezelf op glad ijs. Wat ik wil zeggen is dat sommige mensen per se altijd het laatste woord moeten hebben. Dat is met jou ook het geval en helemaal als je er een paar op hebt. Dat weet ik omdat je dan over je moeder begint te lullen. Zal ik een taxi voor je bellen?’
De gast schudde zijn hoofd, een nutteloos gebaar in de lucht makend.
‘Laat maar zitten. Ik ben lopend. Wat bedoel je trouwens met oud? De duvel en z’n ouwe moer, die zijn oud. Praat me d’r dus niet van. Mijn zwager zegt dat als-tie vijftig is met zijn hobbies gaat stoppen. Vijftig! Wat ga je dan daarna doen, vraag ik hem. Alvast een cursus doodliggen volgen?’
Vanwege het hebben moeten horen van zoveel onzin schudde hij zijn hoofd.
‘Nee vrind. Aan die dingen daar doe ik niet aan mee. Er zit nog teveel springwater in me lijf dat er uit wil. Maar over doodliggen gesproken: mijn moeder kan dat goed.’
De barman zuchtte.
‘Als ik ‘s morgens de slaapkamer binnenkom en ik zie haar zo liggen ben ik altijd bang dat ze erin is gebleven. Niets beweegt. Je zou zweren dat ze dood was zoals ze erbij ligt, als een lijk in Madame Tussaud. Kaarsrecht gestrekt met der handen op der buik in elkaar, alsof ze ligt te bidden. En zo gaat ze ‘s avonds ook weer naar bed. Nergens een kreukel of plooi te zien. Griezelig vond ik dat, nu nog steeds. Ikzelf ben ‘s nachts een enorme woelwater en lig geen seconde stil. Ik heb intussen al van alles geprobeerd maar niks werkt. Bij haar zit het in d’r natuur. Het gekke is dat ze, mijn moeder dus, zich wel overal vreselijk druk om blijft maken. Van de kleinste dingen maakt ze een hoop hussel. Doodsbang of het huis wel schoon genoeg is en dan vooral of dat wel voor iedereen goed zichtbaar is vanaf straatkant, of dat de was er wel netjes bijhangt aan de achterkant. Allemaal vanwege de buurt, wat denk je! Met die buurt, daar kan ze niet mee overweg hé. Ze ziet overal samenzweringen en complotten tussen buurvrouwen. Tegen háár, begrijp je wel. Ze is nu eenmaal een dooie, een binnenvetter van het reinste water. En bibberen de hele dag, als een juffershondje. Handig bij het poffertjesbeslag maken, maar ik geneer me dood wanneer er bezoek is. Komt ze binnen met een blad gevuld met kopjes en schotels dan is het net of Tom en Jerry elkaar in een porseleinwinkel achterna zitten totdat natuurlijk de hele rotzooi in elkaar dondert. En ik dan steeds zo droog mogelijk: ‘Is Blokker nog open?’
‘Scherp,’ gaf Gerrie toe. ‘En nou?’
‘Nou niks. Prins Valium is tegenwoordig kind aan huis. Niet dat ze niet meer bibbert maar het valt nou niet meer zo op omdat het nu net lijkt of het zo hoort.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.