HUISDUIF

Jaargang 2, aflevering 34, donderdag 26 april, 2018

 

 

    

HUISDUIF

 

     ‘Meneer, hebt u soms een gulden voor mij?’
De vraag was afkomstig van een op leeftijd zijnde, aan zijn accent te horen onverbrekelijk met de stad verbonden bewoner van Den Haag, een kalend, scheefgegroeid, nauwelijks tot mijn borst reikend mannetje. Uit de geur die hij verspreidde maakte ik op dat de straat al tijden tot zijn vaste domicilie behoorde.
Ik knikte bij het zien de vuile hand die hij ophield en de gehavende vodden waarin de man was gekleed.
‘Mag het misschien ook een euro zijn?’ vroeg ik, intussen mijn portefeuille trekkend, van oudsher bekend met het verschijnsel “tussen wal en schip terecht komen.”
‘Dat mag. De Here zal het u belonen. Geheid dat u straks in de hemel komt,’ sprak hij, en stak het geldstuk in zijn zak.
‘Hebt u wel een fatsoenlijke slaapplek,’ wilde ik van hem weten. In de hemel geloof ik al jaren niet maar na een ontmoeting met een weerloos, op straat gezette, buitenshuis bivakkerende medeburger verander ik in een zwakkeling en klinkt alles aannemelijk.
‘Jewél,’ antwoordde hij. ‘Dáárboven.’
Zijn vinger wees naar een sombere etagewoning op een tiental meters afstand waar ik achter het raam nog een door de vergankelijkheid aangevreten grijs hoofd waarnam.
Het door hem geleverde beklag klonk als een tenlastelegging. Op mijn vraag of de gemeente dan niets voor hem kon doen schudde hij vermoeid zijn hoofd.‘
‘Neen meneer. Niet dat alles daarbinnen vreselijk slecht is,’ liet hij mij ongevraagd weten, ‘maar het meurt toch anders, niet zoals het nest waarin je bent geboren. Maar dat kan ook niet.’
Op mijn vraag waar dat dan wel was, wees hij met dezelfde benige vinger de andere kant op, naar een met planken dichtgespijkerd pand boven een winkel waarin voor zover ik mij kon herinneren ooit een zaadhandel van onder meer het merk Sluis was gevestigd.
‘Het was al een krot en toen mijn moeke overleed moest ik er ook uit. Onverantwoord, zeiden ze van de gemeente. Niks niet gek als ze een half jaar daarvoor de stroom afsluiten en een maand later het water. Dus wat doe je? Je pakt je biezen en gaat de straat op, leeft van de grijpstuivers die je krijgt toegeworpen of op de pof. Heel soms vind ik tussen het vuil iets van mijn gading. U wilt niet weten wat de mensen allemaal weggooien. En het helpt me bij het afvallen.’
Be
zorgd, met het oog op mijn schamele euro in zijn zak en het zien van zijn broodmagere schouders waar de botten ondanks zijn jasje ongegeneerd doorheen staken vroeg ik hem of hij er wel voldoende te eten kreeg.
‘Soms. Meestal is het enkel pap wat de pot schaft. En laat ik daar nou een gloeiende schurfthekel aan hebben. Ik vreet nog liever de kauwgum vanonder mijn zolen vandaan. Vroeger, in het kindertehuis aan de Wassenaarseweg tijdens mijn eerste jaren kreeg ik ook pap. Lammetjespap of griesmeelpap met bruine suiker, ik mocht kiezen. Die smaak! Alsof je snot naar binnen zit te werken meneer. Ik krijg het nog steeds met geen mogelijkheid naar binnen. Dat vonden de nonnen daar niet fijn. Maar wat moest je als belhamel van zes jaar? Ze dwongen je tot het eten ervan door het je te verbieden van tafel weg te lopen. Als ik dat toch deed kreeg ik een klets om mijn oren om van te suizebollen en kon ik gelijk voor straf naar bed. Heel gek meneer: als ik het gevoel heb iets verkeerds te hebben gedaan moet ik nog steeds aan die smurrie denken. Ik proef het bijna. Weet u wat ik wel lekker vind? Uitgebakken spek of kaantjes, die heb ik veel liever. En dan het vet ervan af laten koelen en tussen de middags op twee sneetjes vers wittebrood smeren. Daar sla ik bij wijze van spreken nog steeds iemand zijn botte harses voor in. Of dikke plakken gebakken bloedworst met ui. Dat krijg ik hier trouwens ook niet. Ik pleeg als ik de kans krijg een moord voor een uitsmijter met kaas erop, op een manier zodat het alleen van boven een beetje zacht wordt en het er vanaf loopt. Zonder korstjes als het kan. Mijn tanden, ziet u.’
Uit zijn mond die hij genereus voor mij openhield staken welgeteld nog maar twee tanden, een onder en een boven zodat hij wel iets van een muis weghad.
‘Maar het geeft niet. Ik geef mezelf hooguit nog een jaar of tien voor ik ermee stop. Dan vind ik het zelf wel mooi geweest. Erg veel heb ik er tot nu toe niet van mogen genieten, eerlijk gezegd al waren er af en toe wel wat van die oplevingen, u kent ze wel. Dan kreeg ik een tweedehands autoped voor m’n verjaardag, of we gingen een dagje uit, ik en mijn moeke. Altijd naar het Drielandenpunt. Dat herinner ik mij nog. Getrouwd ben ik ook nooit, daar zorgde mijn moeke ook wel voor. Jongen, zei ze dan als ik een leuk meisje was tegengekomen en er tegen beter weten in weer eens over begon: je bent niks waard. Je tanden staan scheef, je bent astmatisch en je hebt aanleg voor ischias. Over een paar jaar loop je net zo krom als ik. En ze kreeg gelijk. Sindsdien ben ik alleen gebleven, ook na haar dood. Noem me een dooie huisduif.’
‘Is er in uw leven dan niets om naar uit te kijken?’ vroeg ik. ‘Ik bedoel: op uw oude dag moet er toch iets zijn waar u een beetje plezier aan zou moeten beleven. Er zijn nog zoveel dingen te ontdekken en u hebt trouwens recht op korting. Daarmee kunt u overal goedkoop naartoe.’
Op zijn van ouderdom ineen gekrompen hoofd verscheen een geheimzinnige, zich tot een brede glimlach verbredende rimpel.
‘Weet u waar ik naar uitkijk,’ vroeg hij. ‘Naar mijn laatste uitje, het moment dat ik voorgoed mijn ogen kan sluiten. Het is geen pretje zo, met die pijn en armoe iedere dag de trap op en af te moeten en het wordt er echt niet beter op zeg ik u. Die euro die u mij gegeven hebt, weet u waar die voor is?’
Natuurlijk wist ik het niet.
‘Voor als ik straks de dood in de ogen kijk. Dan wil ik er graag een beetje knap bijliggen. Niet in een papieren hemd of in een aggenebbes pak van de Wibra met een pinkelhoutje erboven, maar in een Elvis kostuum. Hagelwit, met een joekel van een kraag en met zilveren sterren en franjes overal en aan mijn mijn goudvinger een kokkerd van een ring ook al istie dan hartstikke nep. Dat hebben ze daarboven toch niet in de gaten. Daar spaar ik dus voor. Het wordt de enige uitspatting die ik in mijn hele leven gehad heb en die wil ik volledig, maar dan ook helemaal uitbuiten, wat er ook gebeurt. Als ik dan straks aan de hemelpoort sta en Sint Petrus ziet me zo dan kan ik tegen mezelf zeggen dat ik er tenminste nog in geslaagd ben op één persoon indruk te maken. De rest kan me niet schelen. Als ik zó ga, in mijn blote nakie of in een hemd dan zou mijn moeke, dat vermaledijde wijf achteraf nog meer gelijk krigen, dat ik een armoedzaaier ben. Dat ben ik niet en dat wil ik zo voorkomen.’
In zijn fletsblauwe ogen verscheen een vraagteken.
‘Zou u misschien zo goed willen zijn om er nog een eurootje bij op te gooien? Dan schiet het een beetje op. Mijn ischias ziet u.’
Ik heb het maar gedaan. Een huisduif met ischias heeft ook recht op een uitje.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

HANS

Jaargang 2, aflevering 33, donderdag 19 april 2018

 

 

 

HANS

 

Wanneer ik in Haarlem kom of er voorbij rijd, denk ik vanzelf terug aan Hans.
Ik kende Hans destijds als een lange, magere jongen maar ook als mijn beste vriend. In tegenstelling tot de meeste kinderen woonde Hans niet thuis, maar bracht net als ik zijn jeugd door in een en hetzelfde internaat, samen met zijn jongere zusje.
Onze vriendschap was vanaf het begin diep en oprecht. Waar Hans was bevond ik mij en omgekeerd, wat handig was want het scheelde een eind lopen.
Wat wij als tienjarigen precies in het internaat moesten of wat van ons verwacht werd, daarover werden geen mededelingen in onze richting gedaan en de reden was zowel hem als mij dus onbekend. We hadden ergens wel een vermoeden, dat wel, maar die durfden wij in het bijzijn van onze ouders of de leiding nooit hardop uit te spreken, laat staan eraan te denken uit angst dat bleek dat wij het waren die achteraf geschift zouden blijken te zijn in plaats van de bewoners van die vreemde wereld aan de andere kant van het hek. Twijfelen mocht, want het waren de jaren zeventig, de tijd van de Democratische Lente, merkbaar aan het gemak waarmee ouders hun opstandige pubers buiten de deur konden uitbesteden op dezelfde manier als het uitklappen van een Tomado strijktafel en aan het semi-open, ongecompliceerde karakter van het door zusters van de Orde van het Kind Jezus, oorspronkelijk uit Simpelveld gerunde internaat waarop wij zaten.
Ons verblijf “buiten de deur” was er de oorzaak van dat wij onszelf, constant in een delirium vanwege het zware aroma dat die nieuwe pseudo-vrijheid ons gaf, als vogelvrij verklaard begonnen te beschouwen en wij gesterkt werd door onze levensdrang.steeds vaker en langer buiten de HERAS-afrasteringen dan erbinnen te vinden waren. Prei en spruitjes al of niet bevroren jatte je bij de boer en kun je bij wijze van noodrantsoen, net als tulpenbollen zo eten. Eikels en beukennootjes kun je bakken en met de botjes van de dode konijnen die we in de duinen vonden was het proefondervindelijk gezien leuk puzzelen. Dat deden we na schooltijd in ons geheime hol, een bij wijze van met oude deuren als dak afgedekt, in het bos aan de voet van een struik gegraven diepe kuil, aan het oog onttrokken door plaggen en bladeren. Een petroleumlamp of zelfgemaakte kaarsen van uit de prullenbak van de sacristie meegenomen stompjes kaarsvet in een jampotje zorgde voor de verlichting.
Verscholen in deze onderaardse burcht, veilig omringd door wortels en donkere aardlagen waanden wij ons onzichtbaar voor de wereld daarbuiten, aanbaden we Wodan en Donar, deelden we onze kennis en ervaringen met de dingen en sloten we aan de lopende band bloedbroederschappen af en pacten tot het ons duizelde. Voorwerpen werden ter plekke opnieuw benoemd.
Hans en ik beschouwden elkaar als ieders intellectuele en spirituele evenbeeld. Onze onderlinge hechting stond geen toetreding van anderen buiten onszelf toe, met het gevolg dat we in zekere zin, zonder dat we het beseften, langzaamaan bezig waren de regels van het internaat te ondermijnen. Gesterkt door de gedachte ‘normaal’ te zijn moedigden we elkaar aan en zagen onszelf als buiten het gezag staande bewoners die er eigenlijk niet thuishoorden.
Een keer per week kochten we van het statiegeld van lege flessen die we vonden in de plaatselijke Simon de Wit, de enige supermarkt van het dorp, bloem, eieren en melk en bakten we in de keuken van het gebouw pannenkoeken die we als dissidente uiting van onze vrijheid als het even kon zoveel mogelijk in het zicht van de andere minderjarige bewoners van het paviljoen opaten en de resten wegspoelden met oud-bruin bier. Onze aantasting van het aan de oppervlakte nauwelijks zichtbare regime werd door de pedagogisch onderrichtte nonnen en hun handlangers, leiders en studenten van de Pedagogische Academie gedoogd, zolang wij ons maar niet onttrokken aan het corvee zoals het poetsen van de vijfentwintig paar schoenen, het doen van de afwas en het in grote hoeveelheden brood en soep halen bij het hoofdgebouw met de keuken. Dat soep onderhevig is aan de middelpuntvliedende kracht en soms een eigen wil heeft leerden wij door onderweg hard met de terrine in het rond te zwaaien.
De woensdagmiddagen brachten we door met het rondgaan langs de lokale garages gewapend met de vraag “meneer, hebt u nog oude kogellagers?” met de bedoeling om van de lagers van vrachtwagens die we met wat geluk meekregen door middel van een balk met elkaar te verbinden er een zeepkist van te maken, aangestuurd door touwtjes aan elke kant van de voorste balk waaraan we om de bocht om te gaan, harder of zachter aan moesten trekken. De pret was groot en duurde net zolang als de lagers het hielden.
Ruzie onderling was ons vreemd, iets dat de dagelijkse leiding van het internaat niet ontging. Het kwam ons goed uit en stelde ons alleen maar in staat tot het afdwingen van meer vrijheden en privileges zodat we ons steeds vaker dichterbij ons ouderlijk huis zagen. Dat de waarheid soms diepere afgronden kent wist ik toen natuurlijk nog niet. We geloofden alleen in de dingen die we met onze eigen ogen konden zien. In die jaren lag een groot deel van de sociale en geestelijke gezinszorg in handen van al dan niet diaconale zusterordes die de geestelijk gezonde leden van een Rooms-katholiek gezin als het centrale middelpunt van de maatschappij waar de democratie op het punt van beginnen stond, beschouwden. Het alleenstaande ouderschap of wees-zijn, kon dan ook een reden zijn voor uithuisplaatsing met als gevolg een jarenlang verblijf op een internaat waar naar hartenlust driftig op sociaal- en pedagogisch vlak op de kinderen geëxperimenteerd mocht worden. Niettemin schroeide het regelmatig binnen de top van het internaat, met name op pedagogisch terrein, aangestoken door dissidente medewerkers, nonnen en leiders die tegen de directeur, een pijp rokende idealist in durfden te gaan.
Dat er ook sociale elementen in het internaat rondwaarden werd bewezen toen een mij onbekende bewoonster van een ander paviljoen mij als haar willekeurige slachtoffer bleek te hebben uitgekozen door mij zo hard tegen mijn benen aan te schoppen dat de littekens nu nog steeds te zien zijn. Dit, en een handvol haar dat ze “live” uit mijn schedel had getrokken bewees dat de bewoners wel degelijk elkaars gevoelens wisten te vinden en er op een bij de leeftijd passende methode mee om werd gegaan.
En zoals het altijd gaat met de dingen en mensen waar je echt om geeft kwam ook aan onze vriendschap een eind. Een jaar eerder dan ik werd het hem toegestaan voorgoed naar huis terug te keren waarna ik alleen achterbleef, temidden van de scherven van wat daarvoor een levenslange vriendschap beloofde te worden. Dat ene jaar, gedreven door een hopeloos verlangen naar het weerzien met mijn vriend vulde ik met zinloze bezigheden zoals het stiekem knakken van de stelen van tulpen op het land van de boer, expres weglopen en weigeren corvee te doen, louter om Hans te kunnen vergeten. Dat dit niet is gelukt getuigt dit stukje.

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

PIETLUT

Jaargang 2, aflevering 32, donderdag 12 april 2018

 

 

PIETLUT

 

De in een doornat, donkerbruin pak geklede man maakte aanstalten aan de bar plaats te nemen maar bedacht zich bij het zien van de eveneens volledig nat geregende vrouw aan een tafel. Ze had zich enigszins verscholen in een nis waar twee, uit een ver land waar het nu ongetwijfeld beter weer was afkomstige, lichtgetinte jongens het biljartspel onder de knie poogden te krijgen. Steeds wanneer de jongste van de twee aan zet was onderbrak de ander, een oudere, wat bazig type hem met de uitroep ‘Je hand staat niet stil jongen!’
De man greep zonder te kijken de stoel naast haar en zette zich er op neer na het gebaar naar de caféhouder te hebben gemaakt dat hij gediend was van de levering van iets dat uit tweeën bestond.
‘Navend. Wat zal het zijn voor u beide?’ vroeg hij naderbij gekomen, het tot op de draad doorweekte tweetal nuchter overziend.
‘Twee koffie, en een handdoek voor mevrouw,’ sprak de man. ‘Het is noodweer buiten.’
De cafébaas knikte, op een manier alsof het hem ook allemaal al een keer was overkomen maar zich er door veelvuldig toe eigenen van menige versnapering steeds doorheen had weten te slaan.
‘U zegt ‘t,’ antwoordde hij gevat. ’Maar ik had het al gezien. ‘Tis onderweg.’
Gedurende een tweetal minuten bleven ze woordeloos. Toen de koffie arriveerde wilde hij de handdoek aan haar geven, maar bij afwezigheid van repliek begon hij met een punt ervan voorzichtig haar wang te betten.
‘Sorry Bets,’ sprak hij op tedere, bijna fluisterende toon. ‘Ik ben een klootzak. Mijn oprechte excuses. Ik had het allemaal niet zo bedoeld en ik wil het met je goedmaken.’
De vrouw, mollig, ongeveer veertig jaar oud, een aan haar oogopslag te zien normaal gesproken goedlachs type reageerde niet direct maar nam de handdoek uit zijn hand en maakte er deppende bewegingen mee op haar gezicht waardoor ze er nu nog deplorabeler uitzag dan ervoor.
‘Zo ben je net Mary Poppins die uit een schoorsteen kruipt,’ probeerde hij. ‘En ik ben Dick van Dyk. Met de nadruk op de voornaam.’
‘Zeg dat wel,’ mompelde ze met een diepe stem. ‘Zeg maar een grote. Een hele grote.’
Rond haar mond verschenen kleine rimpeltjes.
De stilte erna werd alleen onderbroken door het geluid van ergens te hard op afketsend hout.
‘Nu we het daarover eens zijn, wat moet ik doen zodat het weer goedkomt tussen ons?’ vroeg hij, overdreven langzaam in zijn koffie roerend. Op zijn gezicht waar het regenwater vanaf droop lag een van spijt doortrokken uitdrukking.
Even overwoog ze hem ter plekke op zijn nummer te zetten maar bij het zien van de zo goed als lege zaak en de twee bij het biljart trok ze haar plan weer in.
‘Ik weet het niet,’ antwoordde Bets. ‘We hebben het al zo vaak opnieuw geprobeerd. Steeds als het een tijdje goed gaat gebeurt er iets, iets volkomen pietluttigs maar wat jij belangrijk genoeg vindt om er een olifant van te maken.’
‘Ik?’
‘Ja. Met het gevolg dat jij als ik je vraag ermee op te houden je door mij aangevallen voelt waarna ik het vervolgens de hele dag zwaar van je te verduren krijg. Onterecht. Maar waarom?’
Een grote traan mengde zich met het vocht op haar deels nu zwarte wang. ‘Dat bedoel ik. Ik kan dit niet meer aan, Rob. Het loopt altijd op ruzie uit tussen ons.’
De ondanks zijn mislukte kwinkslag naast haar zittende man liet het hoofd verslagen tussen zijn schouders hangen en zei een tijdlang niets. Het winnen van een grote toneelprijs zat er gedurende dit leven voor hem niet in.
‘Wil je er dan mee kappen?’ vroeg hij, zich omdraaiend in haar richting. ‘Dat terwijl we al zoveel hebben bereikt? Twee kinderen, een jongen en een meisje, precies wat we wilden. Een eigen huis, allebei een vaste baan. Ik bedoel maar. Zoiets geef je niet zomaar op. Ik snap alleen niet…’
‘Dat… daar gaat het niet om,’ onderbrak ze hem terwijl een tweede traan over haar wang biggelde. ‘Dat is allemaal te vervangen op de kinderen na. Die zijn er nog het meest de dupe van, vooral Daan. Hij komt regelmatig naar me toe en vraagt dan wat er met jou aan de hand is.’
‘Ik begrijp je niet. Met mij?’
‘Met jou ja. Naast dat je tegen ons schreeuwt zoek je overal wat achter en maakt de grootste herrie over niets. Vanavond weer. Hij noemt je een pietlut.’
‘Een pietlut. Dus dat is de reden dat hij opeens wegrende. Je weet toch net als ik dat Daan wanneer ik er niets over zeg, hij de hele week ernstig slaap tekort komt. Het is iedere keer weer wat. Vanavond was het weer die verdomde tele..’
Ze richtte zich tot hem zodat hij haar hele, volledig met mascaravlekken en tranen bedekte gezicht kon zien.
‘Nu begin je weer,’ zei ze op een berustende toon. ‘De dingen waar jij je druk over maakt hé, het stelt allemaal niets voor. En dan dat geschreeuw. Laat ‘m nou maar. Je druk maken over zoiets als een mobieltje, het is irrelevant en onbeduidend, hoor je me? Als het niet meteen lukt dan roep je mij er gewoon bij, dat hadden we toch afgesproken? Mij lukt het meestal wel hem ervan te overtuigen dat het slecht voor hem is. Zonder te schreeuwen en zonder er een drama van te maken. Hoe harder je schreeuwt, hoe meer hij je tegen je zal gaan verzetten. Wanneer dringt dat nou eens een keer tot je door?’
Voornemens iets terug te willen zeggen haalde hij diep adem. In haar ogen lag voor het eerst iets verlorens. Op tijd zag hij in dat hij het er voorlopig beter het zwijgen toe kon doen.
‘Je hebt gelijk,’ gaf hij uiteindelijk na een slok van zijn inmiddels koudgeworden koffie toe. ‘Ik moet ermee aan de slag. Per direct. Dus vraag ik je me nog een kans te geven.’
‘Dat hangt er vanaf,’ antwoordde ze kortaf. ‘Dat roep je wel vaker, of weet je dat soms niet meer? Je komt er pas weer in als je belooft het morgenochtend vroeg met Daan en Merel goed te maken. Op een behoorlijke manier. Eerder niet.’
Zichzelf en zijn grote mond vervloekend ontsnapte een zucht aan zijn lippen.
‘Wat wil je dat ik eraan doe?’
‘Om te beginnen niet meer schreeuwen. Het maakt alles… kapot. Sorry. Ik kan zo gauw geen beter woord vinden. De rest weet je zelf wel.’
Hij greep naar zijn voorhoofd die hij uitvoerig begon te bewrijven, als een schaakspeler die er net achter kwam dat hij de partij verloren had.
‘Ik wist niet dat het zo erg was. Als dat het is dan…’
‘Dan?’
Even twijfelde ze bij het horen van zijn stem.
‘Dan moet het maar. Wat ik bedoel te zeggen is: ik doe het. Mijn mond is soms groter dan mijn hoofd.’
Een voorzichtige grijns stak op vanachter haar zwartgevlekte facade.
‘Ik sla hem wel dicht voor je als het nodig is, pietlut. Kom, we gaan de goden verzoeken.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

  

 

 

 

DE BARBIER VAN FERREIRAS

Jaargang 2, aflevering 31, donderdag 5 april 2018

 

 

 

DE BARBIER VAN FERREIRAS

Omdat eens in de zes weken het haar op mijn hoofd voorloopt op de naarmate ik ouder word steeds trager verlopende natuur, zit er niets anders op dan af en toe een bezoek te brengen aan de kapper.
De gang erheen probeer ik zolang mogelijk uit te stellen. Dat komt doordat ik er moeite mee heb, hoe tijdelijk ook, mijn leven in handen te leggen van iemand die geen dokter is maar wel aan mijn lijf wil zitten. Ik ben dan totaal overgeleverd aan, zo besef ik mij in mijn dagdromen, een door de autoriteiten per ongeluk vergeten, door een administratieve dwaling onontdekte TBS’er die zich bij wijze van dekmantel als kapper voordoet en uitgerekend mij als zijn volgende slachtoffer beschouwd.

Het brengen van een bezoek aan de kapper in Portugal is als het openen van een gelukskoekje bij de Chinees. Is de boodschap: “Een vreemde weldoener kruist vandaag uw pad,” dan is de kans dat zijn geëerde cliënt er diezelfde dag nog zonder kleerscheuren vanaf komt. Fifty-fifty. Staat er: “Vandaag is uw geluksdag,” dan treft u het en nodigt hij u uit bij hem vanavond te komen eten. Maar meestal bevat het koekje de boodschap: “Stort uzelf in een afgrond en reïncarneer tot een varken.”
Mijn kapper deelt, als hij een Chinees zou zijn geweest, alleen koekjes van de eerste en de laatste categorie uit. Het kan dus zowel vriezen als dooien.
Al bij binnenkomst ontbreekt elke vorm van begroeting. Alle daarop volgende handelingen vinden woordeloos plaats op de zin ‘the same’, na waarmee ik aangeef volgens hetzelfde patroon als de vorige keer wens te worden geknipt. Hem tot een gesprek proberen te bewegen is totaal zinloos want zijn Engels is net zo goed als mijn Noors en als gevolg daarvan doet hij geen enkele moeite mij te willen verstaan.
Een bezoek aan zijn stoel heeft meer weg van een guerrilla-oorlog dan een periodieke knipbeurt. Dat is te wijten aan de omtrekkende bewegingen waarmee Fred, zo noem ik hem uit pure noodzaak, gewapend met een schaar in gevechtshouding om mij heen draait. Nu, na vijftien jaar, weet ik nog steeds zijn echte naam niet. Wel dat hij kettingroker en homoseksueel is en zijn best doet op James Dean probeert te lijken. Omdat hij lang is, blond, en slank van gestalte en vooral Duits van origine oogt, heb ik hem gemakshalve maar een Westers klinkende naam toebedacht. Soms is het omwille van de veiligheid beter mijn omgeving in de waan te laten.
Fred knipt zoals een terrorist loopt. Dat doet hij op een sluipende, bijna zittende, diep door zijn knieën hurkende manier, waarbij hij gewapend met kam en schaar en zonder een woord te spreken als een luipaard om zijn prooi -mijn hoofd- heen draait. De scène lijkt op een fragment uit de filmserie “The Pink Panter” met Peter Sellers waarin Clouseau’s assistent Kato zijn meester zo onverwacht mogelijk probeert te verrassen.
Nu kom ik al langer bij hem en herkent hij mij inmiddels wat niet wegneemt dat ik hem niet helemaal vertrouw. Veel Portugezen gaan gebukt onder manische depressies en zijn bi-polair. 
Vanuit mijn ooghoeken houd ik de schaar in zijn hand dus goed in de gaten, klaar om wanneer hij het in zijn hoofd haalt mij neer te willen steken op mijn beurt uit te kunnen halen. Zijn mimiek is echter niet die van een strijder maar van eerder van een kunstenaar waarbij hij bij tijd en wijle de kam volkomen verticaal waterpas tegen mijn kaaklijn plaatst, daarbij iets mompelt en tegelijk zorgelijk kijkt, wat ik beschouw als een onderdeel van zijn tactiek mij geestelijk onderuit te halen.
Fred werkt zonder afspraak. Dat is handig, in het bijzonder omdat het nooit zeker is of hij wel open is, wat dan weer consequent is ten opzichte van het niet-bestaande arbeidsethos in zijn land. Vaak tref ik een bordje op zijn deur met de mededeling dat hij gesloten is. De aanleiding is dan een niet-bestaande of zelf verzonnen katholieke feestdag, het overlijden, verloven of trouwen of de verjaardag van een familielid of zomaar, wanneer door warmte of regen de klanten wegblijven. Dat geeft niets, want Fred doet niet aan klantenbinding. Het handjevol klanten dat zijn nering weet te vinden is precies genoeg om hem van inkomsten te voorzien waarmee hij zichzelf onderhoudt. Wanneer hij mij onverhoopt onderweg of bij een winkel tegenkom doet hij of hij mij niet heeft gezien. Dat lijkt onbeleefd maar het weerhoudt hem van het moeten groeten van een niet-Portugees en zo blijft onze relatie louter platonisch.
In tegenstelling tot de kappers in Nederland biedt hij je geen koffie aan en is praten over het weer taboe en bovendien zinloos. De zon schijnt er immers bijna iedere dag.
Fred’s klandizie bestaat op mij na uit Portugese jongemannen die er zonder uitzondering allemaal uitzien of ze net bij de kapper vandaan komen, iets dat ik op zijn minst verdacht vind. Voor mij is de gang naar zijn winkel een noodzakelijk kwaad die ik pas in het uiterste geval onderneem, bijvoorbeeld wanneer vogels op mijn hoofd proberen neer te strijken om er iets van hun gading te zoeken of iets in het gewas dat er op groeit achter te laten.
Mijn haar laten knippen als het niet echt hoeft staat in mijn ogen gelijk aan decadent gedrag, losbandigheid en ijdelheid, ontstaan in een vroeg Calvinistisch tijdperk, een louter Noord-Europese kwaal, waar de regelmatig aan mijn oog voorbijtrekkende stoet gladde heren geen last van schijnt te hebben zodat hun gang naar Fred’s nering iets ‘draaideur-achtigs’ krijgt.
De zwarte rockster Wesley Willis zei ooit “Take your ass to the barber shop. Tell the barber that you’re sick of looking like an asshole.”

Aan Fred zal het niet liggen, zolang je je ass maar meeneemt.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.