0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 Pin It Share 0 Email -- Buffer 0 0 Flares ×

Jaargang 2, aflevering 34, donderdag 26 april, 2018

 

 

    

HUISDUIF

 

     ‘Meneer, hebt u soms een gulden voor mij?’
De vraag was afkomstig van een op leeftijd zijnde, aan zijn accent te horen onverbrekelijk met de stad verbonden bewoner van Den Haag, een kalend, scheefgegroeid, nauwelijks tot mijn borst reikend mannetje. Uit de geur die hij verspreidde maakte ik op dat de straat al tijden tot zijn vaste domicilie behoorde.
Ik knikte bij het zien de vuile hand die hij ophield en de gehavende vodden waarin de man was gekleed.
‘Mag het misschien ook een euro zijn?’ vroeg ik, intussen mijn portefeuille trekkend, van oudsher bekend met het verschijnsel “tussen wal en schip terecht komen.”
‘Dat mag. De Here zal het u belonen. Geheid dat u straks in de hemel komt,’ sprak hij, en stak het geldstuk in zijn zak.
‘Hebt u wel een fatsoenlijke slaapplek,’ wilde ik van hem weten. In de hemel geloof ik al jaren niet maar na een ontmoeting met een weerloos, op straat gezette, buitenshuis bivakkerende medeburger verander ik in een zwakkeling en klinkt alles aannemelijk.
‘Jewél,’ antwoordde hij. ‘Dáárboven.’
Zijn vinger wees naar een sombere etagewoning op een tiental meters afstand waar ik achter het raam nog een door de vergankelijkheid aangevreten grijs hoofd waarnam.
Het door hem geleverde beklag klonk als een tenlastelegging. Op mijn vraag of de gemeente dan niets voor hem kon doen schudde hij vermoeid zijn hoofd.‘
‘Neen meneer. Niet dat alles daarbinnen vreselijk slecht is,’ liet hij mij ongevraagd weten, ‘maar het meurt toch anders, niet zoals het nest waarin je bent geboren. Maar dat kan ook niet.’
Op mijn vraag waar dat dan wel was, wees hij met dezelfde benige vinger de andere kant op, naar een met planken dichtgespijkerd pand boven een winkel waarin voor zover ik mij kon herinneren ooit een zaadhandel van onder meer het merk Sluis was gevestigd.
‘Het was al een krot en toen mijn moeke overleed moest ik er ook uit. Onverantwoord, zeiden ze van de gemeente. Niks niet gek als ze een half jaar daarvoor de stroom afsluiten en een maand later het water. Dus wat doe je? Je pakt je biezen en gaat de straat op, leeft van de grijpstuivers die je krijgt toegeworpen of op de pof. Heel soms vind ik tussen het vuil iets van mijn gading. U wilt niet weten wat de mensen allemaal weggooien. En het helpt me bij het afvallen.’
Be
zorgd, met het oog op mijn schamele euro in zijn zak en het zien van zijn broodmagere schouders waar de botten ondanks zijn jasje ongegeneerd doorheen staken vroeg ik hem of hij er wel voldoende te eten kreeg.
‘Soms. Meestal is het enkel pap wat de pot schaft. En laat ik daar nou een gloeiende schurfthekel aan hebben. Ik vreet nog liever de kauwgum vanonder mijn zolen vandaan. Vroeger, in het kindertehuis aan de Wassenaarseweg tijdens mijn eerste jaren kreeg ik ook pap. Lammetjespap of griesmeelpap met bruine suiker, ik mocht kiezen. Die smaak! Alsof je snot naar binnen zit te werken meneer. Ik krijg het nog steeds met geen mogelijkheid naar binnen. Dat vonden de nonnen daar niet fijn. Maar wat moest je als belhamel van zes jaar? Ze dwongen je tot het eten ervan door het je te verbieden van tafel weg te lopen. Als ik dat toch deed kreeg ik een klets om mijn oren om van te suizebollen en kon ik gelijk voor straf naar bed. Heel gek meneer: als ik het gevoel heb iets verkeerds te hebben gedaan moet ik nog steeds aan die smurrie denken. Ik proef het bijna. Weet u wat ik wel lekker vind? Uitgebakken spek of kaantjes, die heb ik veel liever. En dan het vet ervan af laten koelen en tussen de middags op twee sneetjes vers wittebrood smeren. Daar sla ik bij wijze van spreken nog steeds iemand zijn botte harses voor in. Of dikke plakken gebakken bloedworst met ui. Dat krijg ik hier trouwens ook niet. Ik pleeg als ik de kans krijg een moord voor een uitsmijter met kaas erop, op een manier zodat het alleen van boven een beetje zacht wordt en het er vanaf loopt. Zonder korstjes als het kan. Mijn tanden, ziet u.’
Uit zijn mond die hij genereus voor mij openhield staken welgeteld nog maar twee tanden, een onder en een boven zodat hij wel iets van een muis weghad.
‘Maar het geeft niet. Ik geef mezelf hooguit nog een jaar of tien voor ik ermee stop. Dan vind ik het zelf wel mooi geweest. Erg veel heb ik er tot nu toe niet van mogen genieten, eerlijk gezegd al waren er af en toe wel wat van die oplevingen, u kent ze wel. Dan kreeg ik een tweedehands autoped voor m’n verjaardag, of we gingen een dagje uit, ik en mijn moeke. Altijd naar het Drielandenpunt. Dat herinner ik mij nog. Getrouwd ben ik ook nooit, daar zorgde mijn moeke ook wel voor. Jongen, zei ze dan als ik een leuk meisje was tegengekomen en er tegen beter weten in weer eens over begon: je bent niks waard. Je tanden staan scheef, je bent astmatisch en je hebt aanleg voor ischias. Over een paar jaar loop je net zo krom als ik. En ze kreeg gelijk. Sindsdien ben ik alleen gebleven, ook na haar dood. Noem me een dooie huisduif.’
‘Is er in uw leven dan niets om naar uit te kijken?’ vroeg ik. ‘Ik bedoel: op uw oude dag moet er toch iets zijn waar u een beetje plezier aan zou moeten beleven. Er zijn nog zoveel dingen te ontdekken en u hebt trouwens recht op korting. Daarmee kunt u overal goedkoop naartoe.’
Op zijn van ouderdom ineen gekrompen hoofd verscheen een geheimzinnige, zich tot een brede glimlach verbredende rimpel.
‘Weet u waar ik naar uitkijk,’ vroeg hij. ‘Naar mijn laatste uitje, het moment dat ik voorgoed mijn ogen kan sluiten. Het is geen pretje zo, met die pijn en armoe iedere dag de trap op en af te moeten en het wordt er echt niet beter op zeg ik u. Die euro die u mij gegeven hebt, weet u waar die voor is?’
Natuurlijk wist ik het niet.
‘Voor als ik straks de dood in de ogen kijk. Dan wil ik er graag een beetje knap bijliggen. Niet in een papieren hemd of in een aggenebbes pak van de Wibra met een pinkelhoutje erboven, maar in een Elvis kostuum. Hagelwit, met een joekel van een kraag en met zilveren sterren en franjes overal en aan mijn mijn goudvinger een kokkerd van een ring ook al istie dan hartstikke nep. Dat hebben ze daarboven toch niet in de gaten. Daar spaar ik dus voor. Het wordt de enige uitspatting die ik in mijn hele leven gehad heb en die wil ik volledig, maar dan ook helemaal uitbuiten, wat er ook gebeurt. Als ik dan straks aan de hemelpoort sta en Sint Petrus ziet me zo dan kan ik tegen mezelf zeggen dat ik er tenminste nog in geslaagd ben op één persoon indruk te maken. De rest kan me niet schelen. Als ik zó ga, in mijn blote nakie of in een hemd dan zou mijn moeke, dat vermaledijde wijf achteraf nog meer gelijk krigen, dat ik een armoedzaaier ben. Dat ben ik niet en dat wil ik zo voorkomen.’
In zijn fletsblauwe ogen verscheen een vraagteken.
‘Zou u misschien zo goed willen zijn om er nog een eurootje bij op te gooien? Dan schiet het een beetje op. Mijn ischias ziet u.’
Ik heb het maar gedaan. Een huisduif met ischias heeft ook recht op een uitje.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

2 thoughts on “HUISDUIF

    1. Dank je wel, Mies. Ik zie elke reactie als een groot compliment. Ik hoop van harte dat de andere verhalen uit de twee bundels tot nu toe je eveneens bevallen. Laat me als je wilt horen wat je ervan vindt. Iedere reactie, hoe spaarzaam ook is welkom! Met vriendelijke groet, Ben.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *