JEUK

Jaargang 2, aflevering 91, donderdag 31 mei 2018

 

 

JEUK

 

Vijf over drie, geeft de klok in de keuken aan. Ik sta met mijn rug tegen de hoek die de eetkamer van de keuken scheidt en maak langzame op-en-neer gaande bewegingen, gepaard met voorwereldlijk gekreun.
Opeens gaat het licht aan en staat mijn vrouw in de deuropening.
‘Waar ben jij nou mee bezig,’ vraagt ze met een slaperige stem.
‘Jeuk,’ antwoord ik kregelig. ‘Het is dus niet wat je denkt. Ik verga van de jeuk.’
‘O,’ antwoordt ze. ‘Ik dacht even aan iets anders maar je bent zo te zien alleen.’
‘Nee hoor,’ zeg ik melig. ‘Behalve ikzelf is er nog de muur. Verder niemand.’
Het mij daar in mijn onderbroek zien staan met een gelukzalige uitdrukking op mijn gezicht brengt haar op een nieuwe vraag.
‘Is het lekker?’
Ik trek al schurend mijn schouders op.
‘Och, er zijn ergere dingen die je midden in de nacht kunt doen. Dit verlicht de jeuk enigszins. Ik zocht eigenlijk iets anders maar bij gebrek daaraan en omdat de jeuk onhoudbaar werd koos ik de muur.’
‘Wat zocht je dan?’ vraagt ze bij het zien van de overhoop gehaalde besteklades en openstaande keukenkastjes.
‘Dat weet ik niet precies. Hebben we geen karwats in huis, of beter: een kromzwaard?’
Die ingeving deed mij denken aan een filmpje op YouTube waarin een door de geest van Mohammed bezeten Turkse man op een drukke markt zichzelf bij wijze van boetedoening met een kromzwaard op de rug sloeg om vervolgens in twee stukken uiteen te vallen die daarna haastig door omstanders bijeengeraapt werden. Gelukkig voor mijn vrouw is jaloezie mij vreemd. Ze kent mij door en door en speelt het spelletje mee.
‘Nee. We hebben wel een hark en een drietand. Ze zijn van jou en staan in de schuur.’
Ze weet dat ik om die tijd niet naar buiten ga. In mijn onderbroek ben ik een gemakkelijke prooi voor de honderden muggen die mij daar opwachten, klaar om mij van meer jeuk te voorzien dan ik aankan. Intussen denk ik aan het genot dat mij bereikt wanneer ik liggend op mijn buik een maai- en dorsmachine over mij heen zou laten rijden.
‘Laat mij eens naar je rug kijken,’ stelt ze voor. ‘Misschien zit er wel wat.’
Na controle blijkt op die plek niets te zitten en is er ook niks te zien.
‘Wat raar,’ stelt ze nu. ‘Zou het iets psychosomatisch zijn?’
‘Ik denk eerder aan stigmata,’ schuur ik bij wijze van antwoord terug. ‘Die van de heilige Laurentius. Met die kerel heb ik een band. Wist je dat Sint Laurentius door de keizer met zijn rug op een gloeiend rooster werd gelegd? Het verklaart het werkwoord roosteren.
‘Zal wel. Hoe lang blijf je daar nog staan,’ wilt ze nu weten. ‘Over twee uur wordt het alweer licht.’
‘Dat kan ik nu nog niet zeggen. Pas tegen de tijd wanneer ik klaar ben met de gebedjes of tot wanneer de jeuk ophoudt.’
‘O. Hoeveel moet je er nog?’
‘Eens kijken. Het zijn vier regels per gebedje, vermenigvuldigd met het aantal nachten dat ik er nu al last van heb, dat maakt samen… driehonderd. Ik was bij vijfenzestig.’
Ze draait zich om en loop de slaapkamer weer in.
‘Dan wens ik je veel sterkte. Zet jij straks de tuindeur open voor de hond? Die zal ook wel willen bidden. Het is voorjaar. Tekentijd.’
Mijn tijdelijke status als lijder aan een onzichtbare kwaal die eigenlijk niet bestaat en waarvan de oorzaak daardoor dus onbekend en hoogst twijfelachtig is doet mij het belachelijke van de situatie inzien. Het lijkt op het oplopen van schade door met een auto vanwege ijzel op de weg te verongelukken. De volgende morgen is de gladheid verdwenen maar de vieze smaak in je mond blijft. Zo ook mijn jeuk die alleen ‘s avonds optreedt, als gaat het om een interactieve burlesque show, alleen geschikt voor artiesten en bewonderaars  boven de 18.
Met spijt denk ik aan de vreemde omstandigheid dat alleen die hoek van de muur zich leent voor het ontjeuken. Hij bezit precies de juiste grofheid voor dit doel. Het geeft mij ook een vreemd gevoel van solidariteit met een bewoner van het woud die net als ik van boom tot boom gaat om uit te proberen welke het lekkerst schuurt, een grizzly beer.
Even denk ik dat ik droom dat er stug bruin haar, zoals in de film “The Fly” waarin het haar van een vlieg op de rug van Jeff Goldblum begint te groeien.
Vermoeid door het schuren verlaat ik tenslotte toch de eetkamer en laat mij achterover in het donker op mijn dekbed vallen dat denkbeeldig veranderd in een Rorschach afbeelding, maar dan in een met bloed zoals de lijkwade van Turijn.
‘Morgen maar schoonmaken’ ijl ik, en val uiteindelijk, met het silhouet van de wijzers van de klok in een spagaat in slaap.
‘s Morgens blijkt mijn rug nog steeds onbeschadigd en is de jeuk verdwenen. Zelfs de muur vertoont geen enkel spoor.
Peinzend of het misschien een droom was vraagt mijn vrouw: ‘Vanavond weer jeuken?’
Enigszins ontdaan knik ik. ‘Dankzij Sint Laurentius overkomt mij niets meer.’
‘En dit dan?’
Verongelijkt toont ze mij een t-shirt met op de achterkant een gat ter grootte van een voetbal.
‘Geeft niet. Je lezers zullen je dankbaar zijn voor je nachtelijk geschuur.’
‘Hoezo?’ vraag ik.
‘Het is weer stof voor een verhaaltje.’
Dus als u erom verlegen zit: dit verhaal bevat voldoende stof voor een week.

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

    

 

 

 

 

      

 

KWARTETTEN

Jaargang 2, aflevering 90, donderdag 24 mei 2018

 

 

KWARTETTEN

 

Bij binnenkomst in de eetkamer legt mijn vrouw een strookje papier met een rode rand op tafel.
‘Er ligt een brief op je te wachten in het postkantoor,’ zegt ze erbij. ‘Het is denk ik dringend.’
Een rode rand, zie ik snel. Dat betekende aangetekende post voor mij uit Nederland, bezorgd door de Correia, de lokale Posterijen. Maar in dit land kon het evengoed een huwelijksaanzoek van een losbandige brandweervrouw zijn, of een uitnodiging lid te worden van de lokale afdeling van de Communistische partij, bedenk ik snel. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat als
 beëdigd monogaam manspersoon er tegenwoordig nog maar weinig dames op mij liggen te wachten, en zeker niet in het postkantoor. Daarnaast ben ik politiek neutraal, dus moest het wel iets anders zijn.
Haar mededeling voerde mij precies twintig jaar terug in de tijd, naar om precies te zijn elf januari toen ik nog in een ver land woonde van het soort waar je dag en nacht zweet.
Die datum was de dag waarop ik een brief van een ziekenhuis ontving waarin stond of ik omgerekend veertigduizend gulden aan hen over wilde maken, direct te voldoen. De schok was groot. Die dag was de laatste keer in mijn leven dat ik zelf brieven open. Dat laat ik doen.
‘Wat zou erin staan?’ vraag ik haar quasi langs mijn neus weg. ‘“Gefeliciteerd! U bent de gelukkige winnaar van acht miljoen euro?”’
‘Dat weet ik niet,’ was haar antwoord. ‘Maar ik zou zeggen: droom lekker verder. Hoe zou ik dat hiervandaan moeten kunnen zien? Als je het echt weten wilt: ga naar het postkantoor. Dat kan alleen jij want je moet ervoor tekenen.’
Ondanks dat ik weet dat ze gelijk heeft en een gevoelig punt bij mij heeft geraakt, probeer ik haar tevergeefs te overrompelen om gewapend met mijn paspoort de brief op te halen, wetende dat de postbeambte in het loketloze rariteitenkabinet, het pand waarin de Correia zich uit bezuinigingsmaatregelen heeft gevestigd vanwege haar grote mate van desinteresse geen probleem maakt van zaken als het vervalsen van mijn handtekening. Ikzelf zie het als een poging mijnerzijds onder iets uit te komen waaraan ik achteraf nooit aan zal kunnen ontsnappen, zoals het invullen van mijn belastingaangifte, of de verplichting het plaatselijke bijkantoor van de gemeente met een halfjaarlijks bezoek te vereren zodat ze kunnen zien dat ik nog leef wat bij vaststelling van het heuglijke feit gehonoreerd wordt met een rode stempel. Dat doe ik door zo dartel mogelijk naar binnen te huppen, intussen mijn voeten zo hoog als maar kan de lucht in tillend en iedereen daar aanwezig een hand te geven om het contrast met de niet-levende inwoners van de gemeente zo flagrant als maar kan te accentueren.
Dingen weigeren te doen is een van mijn kuren, een die hoort bij het op langere termijn deelnemen aan een maatschappij waarin een mens vanalles moet.
Voorbeeld: als ik alle instanties, bedrijven, instellingen en personen waar ik tot nu toe ooit mee te maken heb, of erger, die zich afzonderlijk aan mij opdringen bij elkaar optel dan zouden ze nooit allemaal tegelijk in mijn straat passen. Het liefst had ik ze een brief gestuurd waarin staat dat het mij tijd heeft gekost ze te woord te staan en ik die nu bij ze kom declareren. Maar wetende dat ik dan op mijn beurt weer een brief van ze terug kan verwachten die ik dan weer zou moeten openen, weerhoudt mij ervan het te doen. Dan staat er natuurlijk in dat ze kosten hebben moeten maken om mijn brief te beantwoorden en die nu weer bij mij komen declareren.
Het leven is gecompliceerd.
Veel eenvoudiger zou het zijn wanneer we direct na onze geboorte een “wildcard” of joker mee zouden krijgen die we al gelang naar de ernst van de rampspoed waar nodig konden inzetten. Dan leefde mijn eerste vrouw nog, had ik een gelukkige jeugd, brandden mijn vijanden voor eeuwig in de hel en zat er elke dag voldoende geld in mijn portemonnee om bijvoorbeeld een kroketje uit de muur te kunnen trekken.
Maar tegelijkertijd besef ik mij dat ik in de tussentijd opnieuw hertrouwd ben, ik door over mijn jeugd te schrijven de ergste en onsmakelijkste details ervan in mijn boeken terechtkomen waar iemand die voor een boek heeft betaald dan kan zeggen: blij dat het mij niet overkwam, en ik bij nader inzien geen vijanden heb, alleen mensen ken die ik niet mag. Dat kroketje houd ik mezelf nog wel tegoed.
Nog eerlijker was het geweest wanneer je na je geboorte een pak kaarten van een kwartetspel kreeg toegeworpen.
‘Mag ik van jou uit de serie “Een goed begin is het halve werk,” de kaart “Een gelukkige jeugd,” dan krijg jij van mij de pestpokken uit de serie “Epidemieën door de Eeuwen heen.”’
Wetende dat er mensen bestaan die met een vol pak kaarten bestaande uit alleen maar jokers rondlopen doet mij niets, ook al bevat iedere aan hen gerichte brief de standaard mededeling: “Gefeliciteerd! U bent de gelukkige winnaar van acht miljoen euro.”
Dat die veelvoud van acht miljoen euro alleen maar leuk is als je er iets mee doet weet iedereen. Daarmee doel ik op de wetenschap dat bij uitgifte, elke euro ervan al voor de helft in het bezit is van een ander en dat nog veel meer instanties, bedrijven, instellingen en personen iets van je willen of aan je wensen op te dringen die nooit allemaal samen in mijn straat zouden passen.
Op deze manier is het leven toch weer eerlijk.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

DUURKOOP

Jaargang 2, aflevering 89, donderdag 17 april 2018

 

 

DUURKOOP

Gebaseerd op een waar gebeurd verhaal

 

    ‘Dit wordt ‘m!’
De directeur van het ziekenfonds sloeg met zijn vlakke hand op de paginagrote foto van de laatste bladzijde van de glossy brochure voor hem op de vergadertafel zodat zijn drie onderkinnen erdoor trilden. Erop afgebeeld stond een antracietkleurige, twee en een halve meter hoge vervaarlijk uitziende metalen kast.
‘Met de aanschaf van dit bakbeest lossen we in één klap al onze problemen op en hij dekt bovendien onze behoeften voor jaren, heren. Volgens systeembeheer is dit de sterkste en snelste computer die op dit moment leverbaar is,’ sprak hij geanimeerd. ‘Bovendien heren, kost deze jongen maar 1,2 miljoen en er zijn er pas twee van in Nederland in gebruik. Bij een universiteit en een bank. Hiermee zijn we de concurrentie meteen lichtjaren voor. Joris?’
Enigszins terughoudend vanwege de plotselinge aandacht die op hem was gericht nam Joris, Junior System Engineer het woord.
‘Het klopt wat er staat. Hij heeft 64 core processor sets, per processor 5 Ghz in een turbo configuratie, 1 Terabyte per processor set RAM geheugen en 256 stuks 64-bit PCI adapter slots. Iets sterkers en snellers bestaat op dit moment niet. Hierna komen supercomputers. Dat is een ander segment waar uiteraard een heel ander prijskaartje aan hangt. Het is alleen de vraag…’
De directeur hief zijn hand op ten teken dat het zo wel genoeg was.
‘Het vragenrondje is na afloop. Wat het te nemen besluit betreft is het geregeld dus. Als dit monster het niet aankan dan kan niets het. Ik ga hem straks bestellen.’
Twee handen gingen tegelijk de lucht in.
‘Geert, jij was eerst. Zeg het eens.’
Geert Struwel, hoofd van het Data Center stond aarzelend op.
‘Ik heb een punt. Het is er maar één.’
‘Ja?’
‘Wat ik wil zeggen is door alleen op dit ding te wedden, doen we daar wel verstandig aan?’
Alle hoofden draaiden in zijn richting.
‘Wat ik wil zeggen is dat ze wel zullen kloppen, de specs van dit ding. Daarover heb ik geen enkele twijfel. Wel over het praktisch nut ervan. Hoe sterk of snel hij ook mag zijn, het is er maar een. Als dit het begeeft hebben we een serieus probleem. Ik voel zelf meer voor een andere configuratie. Meer schaalbaar bedoel ik, verdeeld over meerdere computers.’
‘Ik heb als het mag ook nog een punt,’ stak Bijl, interim projectmanager van wal. ‘Eigenlijk zijn het er twee. Het eerste is dat we nog maar een half jaar de tijd hebben. Daarna moet in wezen de overstap naar de basiszorgverzekering wettelijk geregeld zijn. Twee: we hebben vier en een half miljoen leden in het ziekenfonds. Redden we dat? Voordat de administraties van alle afdelingen erop draaien en er is getest is het weer herfst.’
‘Heren, ik begrijp uw bezwaar. Helaas is er geen tijd meer voor om het nu te veranderen,’ zuchtte de directeur. ‘Het kabinet dwingt ons tot het nemen van de zwaarst mogelijke maatregelen. Deze dus. Ik neem geen enkel risico.’
Hij tikte daarbij een paar keer nadrukkelijk met zijn vinger op de foto.
‘Vergeet niet, voor 1,2 miljoen mogen we wel iets van de Yankees verwachten. Er zit een dik onderhoudscontract bij. Dat geeft ons de garantie dat dit ding het niet onverwacht zal begeven. Is dat teveel gevraagd? Denk je eens in: bijna anderhalf miljoen euro. Zoveel hebben we nog nooit voor iets uitgegeven. We gaan dus voor deze. Heeft iemand anders nog bezwaar?’Vier weken van afwachten, levering en vervolgens een periode van elke avond overwerken en Chinees eten bij Lotus Palace verder stond hij er eindelijk bedrijfsklaar bij, de server die het bedrijf moest gaan redden.
‘Eindelijk,’ sprak Joris, vol ontzag tegen de glanzende mastodont opkijkend tegen de monteur. ‘Ik ben benieuwd naar zijn prestaties. Als het klopt wat ze erover zeggen. Mag-tie nou aan?’
Met een druk op de knop schakelde de voor een maand bijgeleverde technicus de machine in.
Na wat gezoem steeg een ontzaglijk lawaai, gevolgd door een uit het bovenste rooster afkomstige lawine van warme lucht op.
‘Handig!’ riep Joris tegen de luchtstroom in. ‘Voor als ik weer eens in de regen heb moeten fietsen.’
In de namiddag reed iedereen naar huis, vergenoegd vanwege de zo voorspoedige gang van zaken en het feit dat hij er eindelijk stond, de ultieme, iets te dure maar volgens de directeur ruimschoots afdoende oplossing.
Het was om twaalf over drie diezelfde nacht toen de smartphone van Joris rinkelde. Er was iets met de nieuwe computer, zag hij aan de melding op het scherm.
Snel logde hij via het modem dat via zijn pc met de computer was verbonden in en kreeg na het intypen van het wachtwoord de schrik van zijn leven. De bedrijfstemperatuur van het apparaat was gestegen tot maar liefst zeventig graden Celsius!
Binnen een kwartier was hij op kantoor en snelde naar de plek waar het onheil zich afspeelde. De nieuwe computer in de speciaal ingerichte ruimte deed het nog wel, zag hij, maar liet door een constante stroom piepjes en de tekst ‘“Game Over” op de LCD display weten dat het niet lang meer zou duren voordat hij er definitief mee zou stoppen. En dan de temperatuur!
Snel zette hij alle deuren en ramen van de ruimte open en wierp een blik op de ene airconditioner die er stond. Die bleek het niet meer te doen.
Het was erop of eronder, besloot hij, een kwestie van snel handelen. Uit een rommelhok van een van de kantoorkamers sleepte hij een portable airconditioner die hij de ruimte in sleepte en in de kamer van de directeur vond hij er nog een van hetzelfde type.
Met bonzend hart liep hij naar de voorkant van het bakbeest en las op de display dat de temperatuur iets was gezakt maar nog boven de kritieke grens lag. In een opwelling deed hij een greep naar de deur van de kast en zette die wijd open zodat de warme lucht uit het binnenste naar buiten kon stromen. Verwachtingsvol keek hij op de display waar tot zijn verbazing nu de tekst “Hello World!” stond te lezen.
Van verder slapen kwam het die nacht niet meer. De nacht erna, nadat de directeur die dag ontslag had genomen ook niet want precies om vijftien over vier ging zijn telefoon opnieuw af.
Op het scherm van zijn pc stond na verbinding te hebben gemaakt te lezen: “Good morning Joris. It’s four twenty now. You saved my life. Would you like to play a game with me?’
Met een grijns op zijn gezicht type hij terug.
‘Of course. What game do you prefer?’
‘Do you know how to play tic-tac-toe?’
‘Sure,’ typte Joris in. ‘You start.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

    

 

 

OM KWART OVER DRIE BIJ DE FLAMINGO’S

Jaargang 2, aflevering 88, donderdag 10 mei 2018

 

 

OM KWART OVER DRIE BIJ DE FLAMINGO’S

 

Moe van het slenteren, maar met een voldaan gevoel plofte ik neer op een bankje in de plaatselijke dierentuin dat zich recht tegenover de leeuwenkuil bevond. Mijn conclusie werd bevestigd door de aanwezigheid op die plek van een lelijk uitgevallen jongetje dat aan zijn vader, een doorvraagd uitziende ridder van het type Studio Sport wat er zou gebeuren als hij over de rand klom om dat ‘stelletje luiwammesen een schop onder hun kont te verkopen.’
‘Dan vreten ze je op,’ sprak de vader van het kreng zonder na te denken.
‘En wat gebeurt er dan?’
‘Dan hebben wij vanavond meer te eten,’ greep de moeder in, het praktisch nut van de muil van het op dat moment liederlijk gapende mannetje opeens inziend.
Even was het stil.
‘Dan hoef ik morgen lekker ook niet naar school,’ opperde het kind na kennelijk over de bijkomende voordelen te hebben nagedacht.
‘Dat is waar,’ zei de vader, kennelijk het gedram zat. ‘Heb jij even geluk.’
Een stukje papier op de grond dat door het steeds maar aan mijn ogen voorbij trekkende voetvolk dreigde te worden vertrapt trok mijn aandacht. Het was een uit een notitieblokje gescheurde bladzijde in een opvallende kleur, oud-roze. Na op een moment toen niemand keek het vodje te hebben opgeraapt zag ik dat het aan de andere kant beschreven was. Er stond te lezen “Vanmiddag om kwart over drie bij de flamingo’s,” geschreven in een fladderig, openhartig handschrift. Onmiskenbaar dat van een vrouw.
Nu bezit ik van nature niet de gewoonte mij in de afspraken van een ander te mengen. In dit geval echter was het de aparte kleur die mij overhaalde het papiertje op te pakken.  Vermoedelijk was iemand het net voordat ik op die plek ging zitten kwijtgeraakt, zeer waarschijnlijk zelfs de geadresseerde, ging door mijn hoofd want er stond nog geen schoenafdruk op en vuil was het evenmin.
Op mijn horloge was het pas half twee zag ik. Veel te vroeg om mij naar de flamingo’s te begeven om het kleinood aan de rechtmatige eigenaar terug te kunnen geven.
Automatisch dacht ik na over de strekking van het bericht. De toonzetting was kort en bondig. Twee mensen, gokte ik aan het briefje te zien, samen verwikkeld in een moeizame relatie want anders had er gestaan “lieverd, kun je om kwart over drie bij de flamingo’s zijn? XXXX, Jolanda.” Maar dat stond er nu niet. Het had geschreven kunnen zijn, bedacht ik mij, door iemand van Rijkswaterstaat aan zijn vriendin, belast met het verzinnen van passende teksten in blaftaal op verkeersborden langs de kant van de weg.  Vermoedelijk had deze Jolanda in een opwelling hem zijn jaarlijkse uitstapje met de jongens misgund en wilde de zaak alsnog redden. Of misschien had ze half gekookte tuinboontjes aan hem voorgezet en wilde ze hem op een originele locatie om vergiffenis vragen.
Op tijd besefte ik mij dat mensen met een normale relatie zulke dingen niet doen. Zij gebruiken een telefoon om elkaar iets te vertellen. Een met de hand geschreven boodschap zoals deze past daar niet bij, behalve in het geval wanneer er iets schort aan de relatie.
Met een schok dacht ik aan de mogelijkheid dat het hier wel eens helemaal niet om een herstelpoging van een relatie tussen twee mensen hoefde te gaan. Het kon ook zijn geschreven door de leider van een drugsbende die op deze manier de andere partij, een groep koopgrage Russen voor een ontmoeting had uitgenodigd. Die mogelijkheid beschouwend kwam het in mij op dat het vlugschrift kon zijn geschreven door een Marokkaanse schoonmoeder, verwikkeld in een ruzie met een andere familie omtrent een bruidsschat die door de bruidegom was verbrast en de flamingo’s hadden uitgekozen om het uit te vechten en dat het bruidje zich van pure ellende had verhangen. In beide gevallen was ik er gloeiend bij, bevond ik mij op de verkeerde plek met in mijn hand het bewijsmateriaal waar als de politie zou komen opdagen vast heel blij mee zou zijn. In dat geval was ik nu een held. Het enige dat niet klopte was de kleur van het papiertje, tenzij het inderdaad een bladzijde was, afkomstig uit Jolanda’s opschrijfboekje, de leider van de drugsbende zo ruig was als een kokosmat, of het oververhitte lid van de familie van het bruidje was qua geestelijke vermogens blijven steken in zijn roze jaren omdat die kleur hem aan de baarmoeder waaruit hij door een veel te ruw optredende, door het ongewild single-zijn gefrustreerde vroedvrouw uit was geholpen.
Op mijn horloge zag ik dat het vijf voor drie was geworden, tijd voor de flamingo’s.
Als ik langzaam liep zou ik ongeveer om vijf over drie op die plek arriveren, prentte ik mijzelf in en had ik tijd genoeg om op mijn gemak naar de eigenaar van het bericht op zoek te gaan.
Onderweg merkte ik dat de zenuwen mij parten begonnen te spelen, bang als ik was niet te weten wie of wat ik daar aan zou treffen. In gedachten zag ik een boze drugsbaron voor mij, gekleed in een roze pak met in zijn zog een als een drag-queen geklede bruidegom, een morsdood bruidje in zijn armen voor zich uit dragend. Eindelijk bereikte ik de vijver waarin twee dozijn flamingo’s onverstoord bezig waren hun maaltijd te vergaren.
Het werd twaalf over drie. Met een sierlijk boogje wierp ik het tot een propje ineengefrommeld stukje papier in het water.
‘Die meneer gooit rommel in het water!’ klikte het lelijke jongetje op een paar meter van mij vandaan.
‘En jij bent de zoon van een NSB’er wilde ik zeggen, maar hield mij in.
Leunend op het hek keek ik om mij heen in een poging om tussen het toegestroomde publiek iets of iemand te onderscheiden die op de afzender dan wel geadresseerde leek. Met een blik op het bord kwam ik tot de conclusie dat kwart over drie overeenkwam met de tijd dat de flamingo’s werden gevoerd, wat mij zei dat het tijdstip niet zomaar was gekozen.
De gezichten om mij heen afspeurend op typische Jolanda, gay of gelaatstrekken van een drugsleider verliet ik de plek. Sommige zaken kun je beter met rust laten en deze ging mij bovendien niet aan, vond ik.
‘Pap, die meneer van daarnet gaat er vandoor,’ hoor ik het jongetje vlak achter mij zeggen.
‘Zo. Ik vond hem al een beetje op een crimineel lijken,’ antwoordde de vader.
Pas in de tram op weg naar huis durfde ik weer adem te halen.
Jolanda, als je dit leest: wees niet boos op mij, maar op de NSB.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

  

      

 

    

 

 

OMA TWEE PUNT NUL

Jaargang 2, aflevering 87, donderdag 3 mei 2018

 

 

 

OMA TWEE-PUNT-NUL

 

Sinds twee jaar heb ik weer een oma. Een heel bezit, want op je 63ste te kunnen zeggen: ‘Ik ga even bij oma langs,’ is als het winnen van de Staatsloterij: de kans dat op het bekende adres je biologische oma de deur opendoet is een op twintig miljard. Dat werd mij nog eens duidelijk gemaakt na de door mijn zonen van uitzinnige vreugde geslaakte uitingen nadat ik ze vertelde dat we weer een oma bezaten. Dat oma’s geen leverworsten of kipkluifjes zijn, en geen etiketje hebben met daarop de uiterste houdbaarheidsdatum hoefde ik ze niet te zeggen, op de hoogte als ze zijn van de mogelijkheid dat oma’s als zowel opa’s in een en dezelfde maand binnen hetzelfde jaar totaal onverwacht kunnen komen te overlijden.
Het euvel bleek tijdens pasen het jaar daarop, na hun weigering aan de ontbijttafel te komen zitten.
‘Oma en opa zijn er niet meer en dan is er geen moer meer aan,’ luidde hun officiële aanklacht in mijn richting. Ondanks hierdoor geraakt te zijn en ik door de voorraad oma’s heen was is het daadwerkelijk op zoek gaan naar een nieuwe oma tegenwoordig een hachelijk avontuur besef ik mij, een opgave die je in de praktijk wel uit je hoofd laat. Mijn gedane voorstel om haar dan maar op te graven en middels een fietspomp weer tot leven te wekken werkte dan ook averechts met de mededeling dat ik een engerd en een psychopaat ben.
Mijn eerste kennismaking met Oma 2.0 oftewel Jayne zoals ze heet, luidde het nieuwe begin in van een verloren gewaand tijdperk, dat van het aan de deur waar nog een klopper op zit iedere keer hartelijk begroet worden op een manier zoals alleen oma’s dat kunnen en het haar helpen met van een hoge kast aftillen van een vaas waar ze vanwege haar niet-krimpvast zijn zelf niet meer bij kan, of het overschilderen van een gele vlek op het plafond die weg moest omdat die haar doet denken aan een bij de familie in onmin geraakte verre, foute oom waarvan niemand zich meer wist te herinneren waaraan hij zich schuldig aan had gemaakt. Elk klusje eindigt met het drinken van koffie met een koekje en het praten over de dingen van weleer waarbij ik intussen de vergeelde schilderijen aan de muren bestudeer en constateer dat oma’s in een aantal dingen erg veel op elkaar lijken.
Bij oma Jayne, een wat je kunt noemen een ontwikkelde persoonlijkheid, kun je net als bij die van je zelf op elk moment van de dag aan komen lopen wat wel enig geduld vergt. In haar vroegere carrière als reporter/redacteur bij een bekend radiostation op het exotische Bermuda waar ze is geboren en getogen deelde ze als natural beauty de dansvloer ooit met een piepjonge Tom Jones wat iets zegt over haar smaak. Dat sindsdien de tijd ook op Jayne zijn verderfelijke invloed heeft doen gelden is, wanneer ik de foto’s waarop ze staat afgebeeld bekijk een onvergeeflijke daad van Moeder Natuur. Gekweld door een vanwege optrekkende artrose schuifelende pas is het overbruggen van de afstanden tussen de kamers van haar huis dat niet ver van het mijne verwijderd ligt, tegenwoordig een bijna onoverkomelijke opgave.              ‘We veranderen elke dag allemaal een klein beetje in standbeelden,’ is een van haar uitspraken.
Regelmatig ook wordt ik door haar gebeld dat ‘het weer zover is.’ Dan weet ik dat ze weer eens ergens over is gevallen. Ook dat wanneer ze daarna de voordeur voor mij opent ik kan verwachten tegen een of twee blauwe ogen aan te zullen lopen.
‘Het is niets, alleen maar een kleedje,’ vertrouwt ze mij met een zo onschuldig mogelijke blik toe. ‘Ik tilde mijn linkervoet niet goed op.’
Na een stevige reprimande te hebben uitgedeeld aan het kleedje neem ik plaats op een sofa temidden van stapels nog te lezen boeken, omringd door foto’s van weleer.
‘Anyway,’ laat ze mij vervolgens weten, want Jayne is van huis uit Engelstalig, ‘De dokter zegt dat ik mijn voeten voortaan wat hoger op moet tillen. Koffie?’ En voordat ik kan antwoorden is ze al weg want met haar geheugen dat zo scherp is als een scheermes hoeft ze mij al sinds de eerste keer niet meer te vragen hoe ik die het liefst drink.
‘Volgende maand komt mijn zoon even over,’ laat ze mij bij binnenkomst met een gezicht blij van geest weten, een blad met daarop twee mokken voor zich uit dragend op een manier waardoor ik het niet kan laten weer even aan dat kleedje te moeten denken.
Haar mededeling die om de een of andere reden niet als een verrassing komt maakt dat ik het liefst iets had gezegd wat ik al langer voel aankomen, dat ik het schandalig van hem vind dat hij niet meer tijd voor zijn moeder heeft gereserveerd, uit ervaring wetende dat hij nooit langer dan twee dagen zal blijven. Maar ik doe het niet omdat ik weet dat zoonlief in de Verenigde Staten woont en ongetwijfeld een loonslaaf is in dienst van Uncle Sam waar nooit niemand tijd heeft, zakendoen voorgaat en uiteindelijk altijd iets op moet leveren.
“Het hart van een moeder is een diepe afgrond waar je altijd vergeving zult vinden,” schreef Honoré de Balzac. Het is een statement als een koe en valt of staat met het bezit van een parachute waarvan naarmate de ouderdom ervan toeneemt, de betrouwbaarheid van de koordjes langzamerhand verstrijkt. Het daar achter komen valt meestal gelijk met de datum van haar overlijden.
Net zoals alle andere oma’s bezit Jayne een door schade en schande, ups and downs verkregen alleswetende, berustende blik. Het is die van de trotse, nimmer van de rechterbaan wijkende bezitter van een Jaguar V6: het kán allemaal wel sneller maar de noodzaak dat aan iedereen te willen tonen ontbreekt. Dat inzicht en het ontbreken van de behoefte het allemaal sneller te willen doen dan onze omgeving: kom daar tegenwoordig nog maar eens om. Het is datgene wat een oma tot een oma maakt.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.