VERA

Jaargang 2, aflevering 95, donderdag 28 juni 2018

 

 

VERA

 

Het komt zelden voor dat ik mij tegenwoordig nog laat overhalen tot het afleggen van een bezoekje aan mensen die ik niet ken. Vaak zegt de persoon in kwestie na lang van tevoren een afspraak te hebben gemaakt op het laatste moment toch nog af, of verloopt het samenzijn vanaf het begin teleurstellend. In die gevallen vind ik het zonde van mijn tijd. Slechts een enkele keer en dan nog alleen voor sommigen laat ik mij overhalen en maak ik een uitzondering. Zo ook voor Vera, een kersverse kennis van mijn vrouw. Met haar zomerjurkje, hoog opgeknotte, hoogblonde haar en extra donker aangezette wenkbrauwen leek ze op een burlesque uitvoering van een bekende Zweedse actrice met de naam waar ik maar niet op kan komen.
Vera, in jaren net de vijftig aangetikt, is een vrouw waarvan Yogi Berra zou zeggen: “De conversatie kwam maar moeilijk op gang. Ze sprak teveel.” Al tijdens het betreden van haar stukje land kregen we een voorproefje van waar het de komende twee uur om zou draaien. Rondkijkend in haar nieuwe woning was de grote hoeveelheid prullaria het eerste dat ons opviel.
‘Zoals je ziet ben ik een verzamelaar,’ sprak ze, het tot een knot opgestoken haar schikkend. ‘Ik koop niets. Alles wat je hier ziet komt uit onbewoonbare woningen en ruïnes. Die kast daar heb ik nog net kunnen redden uit de handen van een man die hem wilde dumpen. Mooi he? En van dat schattige tafeltje daar en die kist heb ik zoals je ziet een keukenblad gemaakt. Ook wat ik niet zelf kan gebruiken neem ik mee. Het kan later nog een keer van pas komen of ik verkoop het aan Hollanders. Die kopen alles wat los en vast zit, vaak voor veel te veel geld.’
Onder het maken van veel weidse gebaren nodigde ze ons uit plaats te nemen in de schaduw onder de boom voor haar huis.
‘Maar ik haal alleen iets weg als ik zeker weet dat er niemand meer komt. Is het gras eromheen platgelopen dan blijf ik er uit de buurt. Staat het hoog dan ga ik mijn gang. Sapje? Of hebben jullie liever een wijntje?’
Met mijn blik op de fles wijn gericht, intussen oploslimonade uit mijn plastic bekertje nippend stel ik de vraag wat ze doet als ze onverwacht toch mensen in een ruïne tegenkomt. Het antwoord komt vergezeld van een brede lach.
‘Dan doe ik net of ik ze niet versta of dat ik geïnteresseerd ben om het te kopen. Dat werkt altijd en in het ergste geval kom ik er met mijn Portugees wel uit.’
Met haar armen vol vegen van rode klei wijst Vera op het naast het huis gelegen stuk grond. ‘Maar nu heb ik even geen tijd voor die dingen. Straks komt de aannemer met een vrachtwagen potgrond. Die tuin moet af. Ik heb er al zoveel tijd in gestoken. Vooral in het graf.’
‘Graf?’ vraagt mijn vrouw.
‘Ja. van mijn beste vriendin, Maria. We hebben het er lang over gehad. Op het laatst was het haar nadrukkelijke wens hier bij mij begraven te worden, zo dicht mogelijk bij me. De urn met haar as dan wel te verstaan. Sinds kort mag dat, zelfs in dit Rooms-katholieke land. Ze was ongetrouwd, had dus kip noch kraai en toen ze nog zieker werd vond ze het wel best. Ik snap dat ook wel. Kanker, weet je. Na overleg hebben we besloten dat ze hier begraven zou worden, onder die amandelboom daar.’
Wijzend op een plek recht voor haar waar een stekje van een amandelboom zijn best deed zich uit de rode klei op te richten ging ze verder, zij het dit keer over iets anders.
‘Die aannemer, Pedro heet hij, is een waar godsgeschenk, weet je. Vergeleken bij anderen komt hij wel als je hem nodig hebt en rekent gewone prijzen, ook voor buitenlanders. Als je iets door hem gedaan wilt hebben hoef je maar te bellen.’
Vervolgens schaterlachend wijdde ze uit over een Hollands stel dat door Pedro en handlangers een zwembad op het dak van hun aan zee gelegen appartement lieten bouwen.
‘En moet je rekenen dat een Portugees plat dak zoveel gewicht helemaal niet kan hebben, dat weet ieder kind.’
Denkend aan de vooroorlogse “lasagna” constructie van mijn eigen platte dak thuis kon ik bracht ik naar voren het met haar eens te zijn. Van mensen die door het leven gaan daarbij alles dat in ze opkomt voorop de tong hebben liggen kom je veel te weten.
‘De truc is dat hij voor mij de aankopen doet,’ vervolgt Vera ongevraagd. ‘Die doe ik sind ik hem ken nooit meer alleen. Op de een of andere manier weet hij altijd een lagere prijs te bedingen voor iets waarvoor ik als ik hetzelfde probeer minimaal het driedubbele kwijt ben.’
Beleefd glimlachend en ja-knikkend besefte ik dat als ik het in mijn hoofd zou halen de beste man in zijn domicilie telefonisch te benaderen met de vraag of hij voor mij wat werk zou kunnen verrichten, ik onmiddellijk bakzeil zou halen.
‘Nee hoor meneer, dat zit er voorlopig niet in, het spijt mij. Ik heb net sinaasappelschurft opgelopen. Wat zegt u? Ja, een zeer besmettelijke variatie. Bovendien heb ik bij het inkorten van een stalen pijp mijn rechterhand afgezaagd en de enige palmboom die naast mijn huis stond is vannacht op mijn huis gevallen. Toevallig, niet?’
Bij het afscheid nemen beloofden we snel weer contact op te nemen. De volgende morgen probeerde ik Pedro zelf te bellen met het verzoek om langs te komen, tot op heden zonder resultaat. Vera hebben we nadien wel gesproken. Ze komt snel langs.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

KOUD VLEES

Jaargang 2, aflevering 94, donderdag 21 juni 2018

 

 

 

KOUD VLEES

 

    ‘Doe maar rustig aan. We hebben immers alle tijd.’
Mismoedig tuurt de knappe blonde vrouw naar de T-bone steak op haar bord. Ze zucht.
‘Sorry Freek. Hoe moet ik dat daar ooit opkrijgen? Ik ben van huis uit geen echte vleeseter,  wist je dat niet?’
Ongeduldig wijst de man, type verlopen charmeur met peper-en-zoutkleurig, stug haar met zijn vork naar het stuk vlees dat daar ligt. ‘Je stelt je aan, Trudy. Zoveel is het niet. Begin nou maar, het zal vast wel meevallen. Het valt zo van je mes, kijk!’
Met een van hopeloosheid doortrokken gezicht werpt ze een blik op het stuk vlees dat hij haar voorhoudt.
‘Nogal logisch. Dat van jou is well-done. Dat van mij is zo goed als rauw, wat ik niet lust. En volgens mij heb ik een verkeerd mes. Dit is niet voor vlees want het is bot, voel maar. Kun je niks anders voor me bestellen?’
‘Weet je wel hoe duur het hier is,’ opperde Freek. ‘En dan, ik dacht dat je wel trek had in een stevige maaltijd. Goed voor het libido, zeggen ze.’
‘Het jouwe dan misschien,’ sprak ze geïrriteerd. ‘Ik heb genoeg van mezelf. Als jij zo’n behoefte heb aan extra testosteron, waarom eet jij dan geen rauw vlees?’
‘Dat doe ik ook, dat zie je toch? En mijn T-bone is groter dan het jouwe dus eet nou maar,’ weersprak Freek. ‘Er zit ook ijzer in, en vitamine B12. Goed voor het bloed.’
Na meerdere, verwoede pogingen er met haar mes doorheen te komen smeet ze tenslotte hardhandig haar bestek neer en begroef haar gezicht in beide handen.
‘Nu stel je je toch echt aan, Trudy,’ gaf Freek na een moment te hebben nagedacht te kennen. ‘Maar ik zal het goed met je maken.’
Met een handgebaar boven zijn hoofd gaf hij de uitbater van de bistro die kwam aangesneld te kennen dat er iets was.
‘Meneer, mevrouw, is alles naar wens?’
‘Bijna,’ antwoordde Freek de zwaar besnorde man die zichtbaar moeite had zijn buik tussen de tafeltjes door te manoeuvreren. ‘Op een kleinigheid na. Volgens mevrouw hier klopt het mes niet.’
‘Niet? Dan kijken we er toch even naar,’ antwoordde de man verongelijkt.
Na een volle minuut zwoegen gaf hij het op. ‘Mevrouw heeft volkomen gelijk. De keuken moet een vergissing hebben gemaakt. Mag ik?’ vroeg hij, en begon met een lang, gekarteld vleesmes haar stuk in plakjes te snijden.
‘Zo. Nu moet het wel lukken,’ sprak hij jolig. ‘Het beweegt niet meer. Nog een flesje wijn erbij als schadevergoeding en om de tranen weg te spoelen?’
Trudy schudde bruusk haar hoofd. Toen hij weg was barstte ze in snikken uit.
‘Wat is er nou weer?’ vroeg Freek, gegeneerd om zich heen kijkend. ‘Het drama is nu toch opgelost?’    ‘Dat bedoel ik juist,’ snotterde Trudy. ‘Hoe grof kun je zijn!’
‘Hoe bedoel…’
‘Die, die woesteling van daarnet,’ onderbrak ze hem. ‘Hij gaf mij het gevoel een klein kind te zijn. Alsof ik niet zou weten hoe ik met bestek om weet te gaan. Freek, ik wil hier weg.’
‘Alleen maar omdat hij je hielp? Je had toch gelijk? Het mes klopte niet. Zal ik een ander voor je gaan halen?’
‘Nee bedankt. Zo smaakt het mij niet meer. Mijn eten is verpest. Hij heeft er allemaal kleine plakjes van gemaakt waardoor het nu koud is. En koud vlees lust ik niet.’
‘Laat me dan iets anders voor je bestellen. Tournedos, lust je dat? Of Spaanse slakken, escargots. Die moet je eens proberen. Dan doe ik mee, vanwege de knoflook.’
Ze schudde geschokt haar hoofd.
‘Wil je mij soms dood hebben? Die dingen zitten vol met zwaar metaal en pesticiden. Een vriendin van mij at ze laatst, met haaruitval als gevolg. Nee, dank je.’
Met tegenzin schoof Freek haar een enveloppe toe.
‘Wat is dit?’ vroeg Trudy, haar tranen drogend. ‘Toch niet voor mij, hoop ik?’
‘Nee,’ schudde Freek zijn hoofd. ‘Voor de ober, die woesteling van daarnet. Natuurlijk is het voor jou, voor wie anders?’
‘Maar wat is het?’
‘Dat weet je als je het openmaakt. Maar voor jouw beeldvorming: het is je ontslagbrief. We hebben het nu twee maanden geprobeerd en ik heb daarnet besloten dat het vanavond je laatste avond is. Zo kunnen we niet verder.’
Met trillende onderlip scheurde ze de enveloppe open en barstte na het lezen opnieuw in snikken uit.
‘Freek, hoe kun je? Je had dit dus van tevoren al gepland, begrijp ik.’
‘Ja. Excuses daarvoor,’ opperde Freek. ‘Maar ik kon niet anders. De zaak heeft een figuur nodig die mij als het nodig is kan vervangen en met alle respect: Jij kunt het niet. Ik heb bij de reservering om een bot mes voor jou verzocht. Expres. Je zult het wel laag bijdegronds, of voor mijn part gemeen vinden, maar het is mijn enige methode om te zien wat voor vlees, vergeef me de woordspeling, ik in de kuip heb. Wees blij. In Alaska gooien ze je bij wijze van test in een rivier van acht graden en laten ze je naar huis terug zwemmen. Zo ben ik niet. Als je wilt kun je gaan. Ik betaal wel.’
Vanachter zijn bord keek hij toe hoe ze opstond en vertrok.
‘Johnny,’ riep Freek naar de ober. ‘Morgen komt er weer een dus graag van hetzelfde. En het mag nog wel wat botter.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

    

 

  

 

 

 

 

 

HET KAN BETER

Jaargang 2, aflevering 93, donderdag 14 juni 2018

 

 

 

HET KAN BETER

 

Regelmatig overkomt het mij dat ik mijn tot een prop verwerkte kleren de volgende dag terug vind temidden van een berg verf- en cementschilfers. De oorzaak daarvan is het uitblijven van achterstallige, dringend aan de slaapkamer en andere ruimtes door mij uit te voeren werkzaamheden. Ik beken dan ook schuld. Sommige dingen kunnen beter.
Zo gebeurt het dat door het niet bezitten van een kachel mijn huisgenoten en ikzelf ‘s winters tenenkromtrekkend met zwarte voetzolen door het huis lopen wat veroorzaakt wordt doordat de vloer uit aangestampte aarde bestaat. In sommige dingen ben ik heel conservatief. Ik weet dan ook al van tevoren dat ondanks de protesten van mijn huisgenoten die dingen niet snel zullen veranderen.
“Een Conservatief vindt dat niets zou moeten worden gedaan wanneer het voor de eerste keer is” schreef de Britse politicus Thomas Fuller terecht. Het is door een vloer van louter aarde dat de mens, ijdel van nature, met beide benen op de grond blijft staan. Daardoor beseft hij tevens zijn gebondenheid met het element waaruit hij is geboren en maakt het uitstrooien van oma’s resten over de keukenvloer -haar laatste wens- veel toepasselijker.
Dat conservatisme mijnerzijds geldt ook voor het niet repareren van de diepzeetrog ontstaan in mijn matras vanwege het ‘s nachts overmatig woelen, wat een schrijverskwaal kan worden genoemd, en het uitstellen van de montage van de plafonniere in de slaapkamer. Op die plek siert nu een plastic kroonsteentje het plafond. Van de twee daarvandaan in het firmament verdwijnende blauwe en bruine draadjes weet ik dat bij het vastgrijpen van het blote eindje van het bruine, ik direct op commentaar van mijn vrouw kan rekenen.
‘Heb je het licht gevonden, schat? Je lijkt zo op Catweazle.’
Zo ook het opnieuw afhangen van de keukenkastjes en het vervangen van de lichtschakelaar in de badkamer. Daartegen staat al jaren bij wijze van permanent opgeheven wijsvinger de steel van een progressieve trekker, die er voor zorgt dat de schakelaar in de bovenste stand blijft staan zodat wanneer ik de ruimte heb verlaten het licht niet weer vanzelf achter mij aanfloept. Ondanks dat overkomt het mij bij regelmaat dat het licht toch aan is bij het betreden van de ruimte. Een voorbijganger zou als die ons kon horen, gegarandeerd gaan twijfelen aan onze verstandelijke vermogens.
‘Schat, staat de trekker tegen de knop?’
‘Ik zal eens kijken. Een moment.’
‘Doe dat… En?’
‘Het licht op de badkamer was inderdaad aan. Raar. Wie zat er als laatste op de WC?’
‘Dat weet ik niet. Je kunt het beter even vragen.’
‘Doe ik.’
‘En?’
‘Iets met ‘ik heb niets gedaan,’ en over een dader en een kerkhof. En er hing geen briefje bij.’
‘En nu?’
‘Hij staat er weer tegen. De trekker. Tegen de schakelaar.’
‘Mooi zo.’
Gelukkig zijn de meeste tekortkomingen bouwtechnisch gezien ontstaan buiten mijn tijdperk in een tijd waarin het vaste assortiment van de lokale bouwmarkt nog geen aangestampte aarde bevatte. Dat schept een geldig excuus.
Steeds vaker echter, vooral tegen de tijd dat de winter met veel regen laat merken dat zijn heerschappij tegen het einde loopt, heb ik het gevoel op een ondergelopen terp te wonen, omspoeld als ik wordt door brede, de woning omringende stromen. Dat hoort zo, is mij kortgeleden verteld, en is deel van de lokale cultuur. Dat ik het ook nog geloof lukt alleen bij het zien van de tientallen oude, nieuwsgierige vrouwtjes, door ingewijden “Whatsapp” genoemde rij op het dorpsplein voor het huis van de dokter.
‘Laat je niets door ze wijsmaken, de oudste is nog geen achtenveertig,’ laat Joao Carvalho, de kampioen Jeu de Boule van het vorige jaar mij na een geslaagde worp in het kniehoge water weten. ‘Dat komt door het optrekkend vocht. Geen enkel huis is ertegen bestand.’
Senhor Joao Carvalho, in het dagelijks leven beheerder van het nabij gelegen openbare knekelveld vergeet erbij te melden dat de gemiddelde Portugees al op zijn achtenveertigste met pensioen gaat. Dat komt door…, u raadt het al.
De meeste inwoners van de Algarve leven van dag tot dag. wat het verschijnsel met zich meebrengt dat er slechts vooruit wordt gekeken zolang de zon bij de inhoud van een wijnfles kan. Dat heeft consequenties voor de dag erna, op een tijdstip dat het café nog niet open is en de Portugees constateert dat er geen geld meer is voor het herstellen van zijn bromfiets. Dat vindt hij niet erg want het scheelt hem werk. Geld verdienen is dan ook geen populaire bezigheid en wordt alleen gedaan wanneer de Portugees zelf vindt dat het er langzamerhand weer eens tijd voor wordt, zo zoetjesaan. Op geld uitgeven rust, zolang het geen alcohol is, een vloek. Zo heb ik gezien dat mijn buurman bij gebrek aan beter en bij wijze van smering, slaolie op de ketting van de fiets van zijn zoontje doet en hij zijn huis met waterverf schildert wat bij de eerstvolgende bui alweer door de straten stroomt. Intussen hangt zijn voorgevel vol met kabels voor de TV en satellietschotel op zo’n manier dat die er de eerstvolgende keer bij het passeren van het straatje door een bestelwagen van DHL weer afgereden wordt.
‘Dit is Portugal en dit hoort bij onze cultuur,’ laat men desgevraagd weten. ‘Het is ons land, dus doen wij de dingen op onze manier.’
“Penny-wise, pound foolish,” zeggen de in grote getale in de Algarve neergestreken Engelsen in zo’n geval, door de andere allochtonen “Codfish-Aristocracy” en door de lokale bevolking “rode kreeften” genoemd. Maar ze hebben gelijk. Intussen blijft Joao zich afvragen hoe het komt dat de ketting van zijn fiets er na een regenbui weer afloopt.
Het kan beter.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

   

 

 

 

 

 

BESTE JONGENS

Jaargang 2, aflevering 92, donderdag 7 juni 2018

 

 

BESTE JONGENS

 

Op het bankje in het wachthok van de halte van de tram die mij naar de Haagse Markt zou brengen zat al iemand. Het was een in een door de regen bedorven pak geklede man met opvallend neerhangende wenkbrauwen en piekerig, over zijn oren uitstaand haar. Het gaf hem het voorkomen van een wijze uil, op weg naar een belangrijke uilenconferentie in een ver bos. Naast hem op de grond stond een klein model koffer, een van het formaat waarmee een Britse vliegtuigmaatschappij de verstandelijke vermogens van haar passagiers meent te kunnen bepalen.
    ‘Ik haat het wanneer mensen tegen mij liegen,’ zei hij hardop.
Ik knikte maar eens, onwetend maar nieuwsgierig naar wat nog zou volgen.
‘Tegenwoordig heb je dat maar te slikken. Voor je het weet heb jij het gedaan en zit je op het bureau.’
De mededeling bleek voor mij te zijn bestemd en moest een gerichte pass voorstellen. Inziend dat hij hem ging missen nam hij gas terug.
‘Maar als ik u zo eens bekijk loop ik weinig risico.’
Nu bezit ik, tenminste volgens mijzelf, naast het postuur als dat van een bootwerker, een eerlijk voorkomen. Zigeunermeisjes, landlopers en bedelaars weten mijn smoel met de precisie van een miljoenenvretende radarinstallatie temidden van een duizendkoppig winkelpubliek namelijk altijd feilloos te traceren. Stofzuigerverkopers en vertegenwoordigers in encyclopedieën watertanden verlekkerd als ik de voordeur open en weigeren mijn woning te verlaten, niet voordat ik iets uit hun assortiment bezit. Op afbetaling, maar dat spreekt vanzelf.
‘Want waar ziet u mij voor aan, meneer?’ oreerde hij voort. ‘Zie ik eruit als iemand die de boel wil belazeren?’
Het antwoord op die vraag afwegende reageerde ik niet direct. De man zou zomaar eens een stofzuiger vanonder zijn regenjas vandaan kunnen halen.
In plaats daarvan glimlachte ik terug wat werd toegestaan.
‘Het is een modeverschijnsel, iets van de laatste jaren, denk ik,’ sprak hij. ‘Het viel mij op toen ik bij mijn zwager thuis een nieuwe TV zag staan. Zo’n plat model. Ik zei langs mijn neus weg dat die dingen duur waren waarop hij antwoordde dat het ding een rib uit zijn lijf heeft gekost en dat hij nu blut was. Bankroet, noemde hij dat. Nou ken ik hem tamelijk goed want hij was tot aan toen we ruzie kregen jarenlang mijn vaste vismaatje. De keer dat ik hem daarna tegen het lijf liep was hij nog steeds “bankroet” zei hij, maar meneer was in de tussentijd wel drie keer op vakantie geweest naar de Malledieven, had intussen een nieuwe keuken laten installeren en overal in zijn huis parket laten leggen. Door een vakman, zei er nog bij. Vroeg hij mij of ik het mooi vond. Meneer, het was een genot om te zien en ook nog eens puntgaaf, dat parket dan. Maar dat zei ik niet. Ik zei: ‘je doet maar.’ Dat was tegen het zere been.
Gisteren sprak ik hem weer. Hij was geen spat veranderd. Nog steeds dezelfde patjepeejer als vroeger. Constant maar roepen dat hij geen geld had en het in de tussentijd over de balk blijven smijten of het niets is. Een andere auto, computers, dure hengels… Kijk, en daar wordt ik persoonlijk een beetje bedroefd van. Als ik tegen u zeg dat ik geen geld heb dan mag u van mij rustig aannemen dat dat zo is. Uitspraken van zulke mensen als mijn zwager, die neem ik tegenwoordig met een kilootje zout. Ze kunnen me wat. Gelukkig ben ik van nature niet jaloers. Dat laat ik aan anderen over. Maar ik vraag u: moet dat nou zo nodig, die uitsloverij? Het enige dat je ermee bereikt is dat niemand op het laatst elkaar meer gelooft. Het maakt mij niet uit maar als iemand morgen naar mij toekomt en zegt: Huib, -want zo heet ik- Huib, ik ben platzak, kun je me matsen met een paar pegels? Dan ben ik niet thuis en blijft bij mij de knip erop. Ik geloof niemand meer. Maar wanneer ík dat zeg dan gelooft niemand mij. Die ouwe, zeggen ze dan, heeft vast nog wel ergens wat centjes liggen dus het zal wel meevallen wat hij zegt. Zo heb ik het nakijken, dankzij hém! Van mij mag-ie er nog zo’n ongeluk bij krijgen!’
Toen ik hem vroeg wat zijn zwager was overkomen en vertelde dat ik als stukjesschrijver altijd op zoek ben naar gebeurtenissen en aparte situaties verscheen rond zijn lippen een duivelse grijns.
‘Als ik dat vertel, schrijft u dat dan ook op?’
‘Alles. Alleen als u dat wilt en ik uw toestemming krijgt,’ beloofde ik.
‘Bij deze dan,’ glimlachte hij veelbetekenend. ‘Bart, zo heet mijn zwager,’ begon hij, ‘en ik dus visten vroeger altijd samen. Elke zaterdagmorgen op karpers in een meertje, een oude zandafgraving. “De Put”, heette die kuil. Niks bijzonders, zo op het gezicht. Maar karpers dat er zaten! Beste jongens!’
Met zijn armen een wijds gebaar makend alsof hij zich klaar maakte om aan het kruis te worden gespijkerd en een veelzeggend gezicht duidde hij op hun omvang.
‘Toen al liet hij, de rat, geen minuut onbenut om zijn omgeving maar vooral mij, ik dus, duidelijk te maken dat het hem in het leven beter afging dan een ander. Op een dag kwam hij aangereden met over zijn schouder een joekel van een foedraal, zeg maar model lijkenzak. Dus vroeg ik hem wat daarin zat. ‘De langste en beste karperhengel die er bestaat,’ zei hij en aan zijn gezicht zag ik dat hij het meende, de uitslover. Achtdelig, verzekerde hij mij, en ook nog eens volledig telescopisch uitschuifbaar, volgens de handleiding. Dat wilde ik natuurlijk wel eens zien. Dus hij, apetrots en glimmend van eigendunk schroefde de dop eraf en gooit uit. Daarna heb ik het een uur lang uitgegild van het lachen. Gelukkig had ik een waterdicht vispak aan dus niemand kon zien dat ik in mijn broek had gezeken. Hij natuurlijk boos, wat zeg ik? Pisnijdig. Ik moest hem daarna beloven het er nooit maar dan ook nooit met iemand over te hebben. Maar mijn motto is nu eenmaal “zeg nooit nooit,” dat blijkt nu maar weer. Hij, de sufferd, had de dop van het verkeerde uiteinde eraf geschroefd. Die van de achterkant. Ik zie ze nog gaan, achter elkaar, al die acht losse delen brandnieuw eersteklas fiberglas. Foep-foep-foep… Zo in het water! Meneer, ik heb me bezeikt. Hij wilde er nog achteraan duiken maar die put was minstens dertig meter diep, dat haalde hij nooit en het was veel te koud. Sindsdien is het niet meer goed tussen ons. Steeds als ik hem zie moet ik aan die hengel denken en bescheur ik mijzelf. Mag een gezonde Hollandse jongen misschien ook eens een keertje lachen?’

Huub, bij deze.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.