ZE KOMT NIET MEER

Jaargang 2, aflevering 100, donderdag 26 juli 2018

 

 

 

ZE KOMT NIET MEER

 

    ‘Wil je stilstaan, zo krijg ik de bovenste knoopjes van je overhemd niet dicht!’
Hij wilde iets terug zeggen maar deed het niet. Bang om nog meer grieven van de zuster te moeten aanhoren besloot Gerritje dan maar zijn adem in te houden en niet te slikken. Op de meeste dagen vond hij haar wel lief, maar soms deed ze zo… Hij zocht naar een woord maar vond het niet.
‘Was het gisteren zondag?’ vroeg hij, het intussen erg benauwd krijgend van het gewriemel in de buurt van zijn keel.
Het antwoord was net zo kort als hij verwachtte.
‘Ja.’

‘En vandaag weer.’
‘Ja. Nu weer.’
‘Hoe kan het dan dat het vandaag weer zondag is?’
Op die vraag had zuster Innocentius gerekend.
‘Waarom vraag je dat? Natuurlijk kan dat,’ antwoordde ze, druk bezig Gerritjes overhemd in zijn broek te proppen. ‘Bij ons wel. Het is vandaag Sacramentsdag en dus zondag. Bovendien, jongetjes van vijf jaar horen alleen te antwoorden wanneer ze iets gevraagd wordt. Én ze horen altijd met twee woorden te spreken. Hebben ze je dat thuis soms niet geleerd?’
‘Ja. Ik bedoel: nee zuster,’ sprak de jongen beteuterd.
‘Waarom niet?’
‘Ik heb geen thuis. Ik woon toch hier?’
De woorden overvielen haar.
‘Ik haat zakcementsdag. En zondag. Zondag is een… rotdag,’ sprak hij boos. ‘Op zondag moet ik altijd mijn mooie kleren aan en mag ik nooit buiten spelen.’
‘Klopt. Zondag is de Dag des Heren. Dan wordt er niet gewerkt of gespeeld. Op zondag mag je van Hem uitrusten.’
‘Ik ben niet moe. Waarom moet ik deze kleren vandaag dan wel aan?’
‘Vandaag komt je moeder, wist je dat niet meer? Ik hoorde het van de hoofdzuster. Daarom moet je er netjes bijlopen. Anders kun je niet mee.’
In een poging een beeld van haar te krijgen keek hij de zuster half ongelovig aan. Hij had al lang niets meer van zijn moeder gehoord of gezien.
‘Echt? Komt ze nu wel? Hoe laat dan?’
‘Dat weet ik niet precies. Gewoon, straks.’
‘Hoe laat is straks?’
‘Over een uurtje. Ze moet eerst met de tram hierheen komen,’ antwoordde de zuster in een poging zijn schoenveters in een strik te knopen. ‘Daarna is het van de halte nog een stuk lopen en dan pas is ze hier.’
Zuster Innocentius wist heel goed dat het allerminst zeker was wat ze zei. Ook dat ze diep van binnen het kereltje wel mocht en dat liegen binnen de congregatie niet mocht. Ze had met hem te doen. De vorige keer, afgelopen zondag, wist ze, was de zesde keer op een rij dat de moeder van Gerritje ondanks haar beloften en zonder reden opeens niet meer van zich had laten horen en ook niet meer was komen opdagen. Totdat ze gisteravond opeens belde met de mededeling dat hij vanmiddag door haar zou worden opgehaald.
‘Als ze komt, mag ik dan gelijk mee naar buiten?’ vroeg Gerritje hoopvol.
‘Natuurlijk,’ gaf de zuster blijmoedig toe. ‘Daarom heb je nu ook je zondagse kleren aan.’
Als dat zo was dan zat daar wat wat in, vond Gerritje. Net zoals hij een hekel had aan zondagen had hij een hekel aan zijn zondagse pak. Vooral aan het strikje en het bovenste knoopje van zijn overhemd. Die zaten veel te strak om zijn hals zodat hij het regelmatig benauwd had en regelmatig het gevoel kreeg alsof hij stikte.
‘Morgen ook?’
‘Dat denk ik niet,’ antwoordde ze. ‘Je moeder is druk met haar werk. Daardoor heeft ze denk ik geen tijd om voor je te zorgen. Daarom woon je ook hier.’
Daar moest Gerritje verder over nadenken.
‘Voor altijd?’
Zuster Innocentius veinsde een glimlach. Ze mocht de jongen graag en wenste dat hij daarom stopte met het stellen van dat soort vragen. De meesten ervan kon ze toch niet beantwoorden wist ze, al wilde ze dat diep van binnen wel. De familie van het kind gaf immers nooit thuis.
‘Niet voor altijd. Dat kan niet. Wees even braaf en sta stil, dan kan ik je haar kammen.’
Met een knik stemde hij in.
‘Waarom niet, zuster?’
‘Omdat je straks te oud bent. Dan moet je weg. Naar je moeder, of anders naar een ander tehuis.’
‘En als mijn moeder nog steeds niet thuis is of niemand anders wil mij hebben?’
‘Dan moet je naar een weeshuis. Dat is een plek waar kinderen wonen zonder moeder of vader. Of allebei.’
Dat zette Gerritje aan het denken. Tranen welden op achter zijn ogen en zijn onderlip begon te trillen.
‘Ik heb wel een moeder, zuster.’
‘Ja,’ antwoordde zuster Innocentius. ‘Jij hebt wel een moeder.’
‘En straks mag ik met haar mee.’
De zuster knikte. ‘Kom, we gaan alvast naar beneden.’
Daar aangekomen, in de hal op de begane grond zette ze Gerritje neer op een bank, recht tegenover de grote voordeur.
‘Kijk Gerritje,’ zei ze, wijzend op de deur. ‘Nu goed opletten. Daardoor komt straks je moeder om je op te halen. Dus niet weglopen. Aan het eind van de middag brengt ze je weer terug. Veel plezier met zijn tweetjes.’
Toen de zuster weg was voelde Gerritje zich een beetje onzeker worden. Eigenlijk wist hij niet zo goed meer hoe zijn moeder er precies uit zag. Wel ongeveer. Dat kwam door de hoofddoek die ze steeds droeg, stelde hij vast. Ook hoe ze klonk was hij vergeten, bedacht hij.
Het fijnst vond hij het, voor zover hij het zich kon herinneren was als ze hem vroeg waar hij heen wilde, dan koos hij zonder na te hoeven denken voor de film. Daar, in het donker onder het kijken naar het grote witte scherm waarop mensen en dingen uit zichzelf bewogen voelde hij zich het prettigst. Dichtbij zijn moeder, naast haar zittend met een zakje Treets in zijn hand kon hij haar horen lachen en als het even stil was zelfs horen ademen. Hij kon haar zelfs ruiken, veel lekkerder dan de zusters. Die roken raar, naar schoonmaakmiddel, vond hij. Behalve zuster Innocentius.
De uren kropen voorbij. Inmiddels was het drie uur ‘s middags geworden en waren een aantal kinderen door hun moeder opgehaald, maar die van hem was er niet bij.
Toen de klok boven de deur aangaf dat het al weer vijf uur was geweest zat hij er nog steeds.
‘Ben je al terug?’ vroeg de zuster verbaasd bij het van de trap af komend toen ze Gerritje daar nog steeds zag zitten.
Met zijn ogen vol tranen, heftig nee-knikkend stoof hij van de bank af, recht in haar armen.
‘Ze komt niet meer,’ antwoordde hij snotterend. ‘Ik blijf voortaan bij jou. Jij bent mijn moeder.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken. Je kunt jezelf ook abonneren op het wekelijks ontvangen van een nieuw verhaal in je mailbox. Daarvoor klik je hier.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

  

 

 

 

 

 

CASA DA PAZ

Jaargang 2, aflevering 99, donderdag 19 juli 2018

 

 

CASA DA PAZ

 

In het Portugese dorpje waar ik woon, verschijnen ten tijde waarop de toppen van de omringende bergen door de eerste zonnestralen beschenen worden, vier mannen van een bij de eerste waarneming, onbeduidend kaliber. Het weinig illuster ogende kwartet hoort bij het groepje bewoners van het plaatselijke gekkenhuis, Casa da Paz, wat Huis van de Vrede betekent, al doet de naam vermoeden dat het hier gaat om een illegale sigarenfabriek. Insiders en dorpelingen weten dat het een voormalige, tot woonadres van uitsluitend mannen met een labiele aard bestemde boerenstede is. Gelegen op afstand van de dorpskern zorgt het voor een betrekkelijke rust in het gehucht.
Van haar bewoners is door knappe koppen ooit vastgesteld dat zij niet degene waren die het zwarte garen hebben uitgevonden. De Engelsen zeggen daarentegen “They’re not the sharpest tool in the shed,” wat in dit geval de lading ruimschoots dekt.
Vrijheid blijheid, moet de leiding van het tehuis dan ook ooit hebben bedacht, want sindsdien worden iedere ochtend de minst gevaarlijke bewoners de straat op geschopt waarna zij zich elk van hun door henzelf bedachte taak ten goede van de gemeenschap kweten of wat daar volgens eigen goeddunken voor door gaat.
Het voornoemde kwartet bestaat uit de verkeersregelaar, de kabouter, de vuilnisman en de heilsoldaat. De kans ze alle vier te missen is net zo groot als de mogelijkheid om op vrijdagmiddag een nuchtere Portugees in het dorp tegen te komen.
Afhankelijk van het moment van de dag kom je bij het bereiken van een bocht in de weg of op de hoek van een kruispunt de verkeersregelaar tegen. Dat regelen doet hij voorzien van een ver over zijn oren getrokken grijs petje, door het uitsteken van slechts een half lichaamsdeel, een nauwelijks waarneembare vinger. Het werkt ongeveer zoals de richtingaanwijzer, in het Vlaams “pijlpinker” geheten van een Volkswagen kever uit 1953 dat doet. Is “de kust” veilig, dan klapt hij zijn wijsvinger uit en wijst hij ermee in de richting van een zijstraat waar een tegenligger uit komt maar waar je niet heen wilt.
Wie nietsvermoedend zijn goed bedoelde instructies opvolgt loopt de kans verderop zijn collega, de heilsoldaat tegen te komen, pontificaal langs de kant van de weg zittend met zijn benen languit op het asfalt, passerende auto’s tot amputatie uitnodigend. Met zijn houding als zwaar beschonken caféganger laat hij je denken aan het lied: “Hij sjouwde van kroegie naar kroegie” waarbij hij diep voorover loopt, met de vingers van zijn naast het lichaam afhangende armen de grond rakend. Zijn oogopslag is die van een geit.
De weg naar beneden, de heuvel af volgend, ontwaar je vanzelf de kabouter. Met zijn geringe lengte, volle witte baard en bijpassende oogopslag acht je hem in staat je te kunnen vertellen hoelang Sneeuwwitje in haar glazen kist moet hebben gelegen. Maar omdat sprookjes in Portugal niet bestaan zegt hij niets. Evenwel hoort hij in het straatbeeld thuis, de bekrompen- en benepenheid van de dorpsbewoners symboliserend.
Van het viertal is de vuilnisman de meest actieve. Volle afvalbakken of kwetterende buurvrouwen en mannen die niet goed staan worden rücksichtslos maar bekwaam door hem aan de weg gezet, waarbij hij met zijn spiedende blik de omgeving aftast, op zoek naar nog meer zaken die niet kloppen. Dat is wennen, vooral wanneer je niet beter weet en hij bij het vragen naar de weg zijn hoofd bij je door het raam steekt met een blik zoals een bokser dat voorafgaand aan de wedstrijd met zijn tegenstander doet. In dat geval doet een biscuitje in zijn geopende mond steken wonderen.
Rond de middag, zo tegen een uur of één verdwijnen ze als voor een wolk beduchte cicades, tijdelijk van straat. Het is tijd voor siësta op zijn Spaans, want officieel heeft Portugal het fenomeen nooit gekend, om pas na drieën weer tevoorschijn te komen om, gedreven door de geur van een klaproos en totale onnut de wegen rondom het dorp wat op te vrolijken, want uit jezelf lachen is zeldzaam in deze streek.
Wie pas echt lachen wilt meldt zich bij de plaatselijke politiepost waar een dienstdoende agent met paardrijlaarzen aan die verdacht veel lijkt op een agent weggelopen uit de serie Pippi Langkous, het slachtoffer van een diefstal zonder blikken of blozen vraagt om de naam en adres van de dief op een aangifteformulier in te vullen waarna hij alle tijd neemt het rapport op een oude Remington schrijfmachine voorzien van zes lagen carbonpapier uit te typen.
Zonder de mannen van Casa La Paz werd het hier een gemeente zoals alle anderen waar goed bedoelde, maar voor een leefbare samenleving dodelijke efficiëntie en overijverige dienders de wet bepalen. Veiligheid staat voorop, ook in dit dorp waar nog nooit iemand van ramkraken heeft gehoord, laat staan ooit heeft meegemaakt. Dat heeft ook geen zin. De enige pinautomaat in het dorp wordt eenmaal per maand bijgevuld en is de volgende dag alweer leeg. Veiliger kan niet.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

   

    

 

ALLEMAAL CHINEZEN (II)

Jaargang 2, aflevering 98, donderdag 12 juni 2018

 

 

ALLEMAAL CHINEZEN (II)

 

Als toerist merk je überhaupt weinig van wat zich er onder de gele smoglaag die Manilla voortdurend in zijn greep houdt, bevindt. Dat wordt anders wanneer “Joe”, zoals iedere buitenlander in het voorbijgaan wordt genoemd, zich laat zien. Vanwege mijn huwelijk met een Filippijnse heb ik een streepje voor, wat er twee worden zodra ik mijn mond opendoe en ik in bijzijn van het volk zowaar een paar woorden Filippijns blijk te kunnen spreken. Het Tagalog leent zich namelijk uitstekend voor het dagelijks gebruik en klinkt logisch vergeleken bij de combinaties oerklanken die na een tijdlang er te wonen Nederlands schijnen te zijn. “Oksel” klinkt bijna vies, dierlijk zou je kunnen zeggen, terwijl het Filippijnse “kili-kili” voor hetzelfde onderdeel logischer, zelfs stuk frisser overkomt. Je zou er bijna vrolijk van worden. De Filipino speelt dan ook graag met zijn taal die zich daar prima voor leent. Rijdt er een auto voorbij met twaalf antennes, voorzien van koplampen waar groen licht uit schijnt met blauwe in plaats van rode achterlichten dan heet dat een “Colorum Car”, en “susmaryyosep” wordt geroepen tijdens bij wijze van een vloek het passeren van de heilige drie-eenheid Jezus, Maria en Jozef.
Getrouwd zijn met een eilandbewoonster heeft het voordeel dat zich voor mij als buitenlander deuren openen die voor Juan de la Cruz, oftewel de Filippijnse Jan Modaal gesloten blijven. Dat heeft als gevolg dat ik overal voor VIP wordt aangezien en wordt uitgenodigd door de lokale jetset. Zo overkwam het mij al aanwezig te mogen zijn bij de verjaardag van van de Pauselijke Nuntius, kegelde ik ballen om in de tuin van een ex-cronie van de wegens fraude en corruptie gevluchte president Ferdinand Marcos, en was ik eregast in het huis van een sjeik die bij kennismaking een nichtje van mijn vrouw en Nederlander bleek te zijn en van achteren gewoon van Eldik heette. Nadien werd er iedere week wel een uitnodiging aan het hek van onze gehuurde villa bezorgd die werd aangenomen door een van onze twee huishoudsters, een “twee voor de prijs van een” ingehuurde tweeling uit de provincie Mindanao.
Was hij minder geslaagd als volksvriend, echt beroerd was Marcos als president zeker niet. Een van zijn betere ideeën was de uitvinding van de “barangay”, de in iedere deelwijk nadrukkelijk aanwezige hulppolitie, dit vanwege de enorme armoede, het daarmee gepaard gaande geweld wat als gevolg van drankzucht en diefstal geen overbodige luxe bleek.
Maar we dwalen af
Vervolg ik mijn weg over de markt, dan overkomt het mij elke meter die ik afleg te worden aangehouden met de vraag waar ik vandaan kom. Als ik dan zeg: ‘Uit Holland’ valt alle aanvankelijke gereserveerdheid weg en blijken Cruijff en Dutch Maid Nederlands belangrijkste exportproducten. De laatstgenoemde, een dooddoenertje omdat de tulpenvelden, molens en Zeeuwse Meisjes op de blikken verpakking de bevolking misleid dat het hier om Hollands glorie zou gaan, is in wezen een roestig blik met klatergoud omdat de inhoud een slap smakend restant is dat overblijft nadat al het bruikbare er in Nederland uit is gehaald. Dat geeft wat mij betreft niets, zolang het maar niet het predikaat draagt dat het hier om melk gaat.
Zoals thuis schuilt ook hier achter alles een illusie die groter wordt naarmate hij door meer mensen wordt gedroomd. Zo ook in dit geval. Dat de Filippijnse Chinezen met hun kenmerkende stoïcijnse houding alleen het uitbreiden van de handel en het voeren van dubbele boekhoudingen nastreven is er een. Het nastreven van persoonlijk geluk is een ander, een die evenwel onzichtbaar blijft omdat het ongeluk brengt zodra je er openlijk mee te koop loopt. Dat heeft het gevolg dat er driftig illegaal wordt gegokt in achter hun restaurants en geldwisselkantoren gelegen kamertjes waar de roulettemolen nooit tot stilstand komt
Bevriend te zijn met een Tsinoy heeft voor een buitenlander zo zijn voordelen. Dat komt tot uiting in het op de hoogte raken van lokale gewoontes en regels.
Mijn nieuwe vriend heet Jun, een kennis van mijn vrouw tevens goedlachse, uiterst vriendelijke en aimabele eigenaar van een geldwisselkantoor in de wijk Binondo waar ik tegen een schappelijk tarief mijn guldens voor Peso’s in mag ruilen.
Jun vertelt:
‘Mocht je onverhoopt midden in de nacht de weg op gaan, doe mij en je vrouw dan een plezier en stop voor niets en niemand. Ook niet wanneer je een ongeluk ziet gebeuren. Wil je niet in de problemen komen dan is het enige dat je als niet-Filipino hoort te doen is doorrijden en niet meer omkijken.’
Het horen van dit opmerkelijke advies komt vreemd over bij een Westerling. Geleerd hulp te verlenen waar dan ook, doet je niet zo snel stilstaan bij het horen van de reden.
‘Tegen de tijd dat de hulpdiensten er zijn, als die al komen, is iedere betrokkene allang vertrokken. Schuldig of niet. Jij als buitenstaander, onbekend met het systeem krijgt als enige aanwezige getuige de schuld van het ongeluk in je schoenen geschoven en het maakt daarbij niet uit wie je bent.’
Een paar weken later werd ik rond zeven uur gebeld door de zus van mijn vrouw met de boodschap dat ze een ongeluk had gekregen en in het ziekenhuis lag. De weken erna was het steeds heen en weer rijden, ook ‘s nachts, om de schoonzus of zwager belast met de wake, af te lossen.

Op een van die in het aardedonker afgelegde tochten richting Manilla na net de oprit te hebben verlaten, zag ik op ongeveer honderd meter voor mij in het licht van de koplampen een zwarte schim op de weg. Dichterbij gekomen bleek de schim de onderkant te zijn van een auto die door onbekende oorzaak op zijn zij terecht was gekomen en nu dwars over de snelweg lag. In een flits van een seconde kon ik nog net het levenloos lijkende lichaam van de bestuurder zien, half uit het zijraampje hangend. Doorrijdend dacht ik aan Jun’s woorden die ik na opnieuw in het buitenland te zijn gaan wonen, nog lang niet ben vergeten.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

  

ALLEMAAL CHINEZEN (II)

Jaargang 2, aflevering 98, donderdag 12 juni 2018

 

 

ALLEMAAL CHINEZEN (II)

 

Als toerist merk je überhaupt weinig van wat zich er onder de gele smoglaag die Manilla voortdurend in zijn greep houdt, bevindt. Dat wordt anders wanneer “Joe”, zoals iedere buitenlander in het voorbijgaan wordt genoemd, zich laat zien. Vanwege mijn huwelijk met een Filippijnse heb ik een streepje voor, wat er twee worden zodra ik mijn mond opendoe en ik in bijzijn van het volk zowaar een paar woorden Filippijns blijk te kunnen spreken. Het Tagalog leent zich namelijk uitstekend voor het dagelijks gebruik en klinkt logisch vergeleken bij de combinaties oerklanken die na een tijdlang er te wonen Nederlands schijnen te zijn. “Oksel” klinkt bijna vies, dierlijk zou je kunnen zeggen, terwijl het Filippijnse “kili-kili” voor hetzelfde onderdeel logischer, zelfs stuk frisser overkomt. Je zou er bijna vrolijk van worden. De Filipino speelt dan ook graag met zijn taal die zich daar prima voor leent. Rijdt er een auto voorbij met twaalf antennes, voorzien van koplampen waar groen licht uit schijnt met blauwe in plaats van rode achterlichten dan heet dat een “Colorum Car”, en “susmaryyosep” wordt geroepen tijdens bij wijze van een vloek het passeren van de heilige drie-eenheid Jezus, Maria en Jozef.
Getrouwd zijn met een eilandbewoonster heeft het voordeel dat zich voor mij als buitenlander deuren openen die voor Juan de la Cruz, oftewel de Filippijnse Jan Modaal gesloten blijven. Dat heeft als gevolg dat ik overal voor VIP wordt aangezien en wordt uitgenodigd door de lokale jetset. Zo overkwam het mij al aanwezig te mogen zijn bij de verjaardag van van de Pauselijke Nuntius, kegelde ik ballen om in de tuin van een ex-cronie van de wegens fraude en corruptie gevluchte president Ferdinand Marcos, en was ik eregast in het huis van een sjeik die bij kennismaking een nichtje van mijn vrouw en Nederlander bleek te zijn en van achteren gewoon van Eldik heette. Nadien werd er iedere week wel een uitnodiging aan het hek van onze gehuurde villa bezorgd die werd aangenomen door een van onze twee huishoudsters, een “twee voor de prijs van een” ingehuurde tweeling uit de provincie Mindanao.
Was hij minder geslaagd als volksvriend, echt beroerd was Marcos als president zeker niet. Een van zijn betere ideeën was de uitvinding van de “barangay”, de in iedere deelwijk nadrukkelijk aanwezige hulppolitie, dit vanwege de enorme armoede, het daarmee gepaard gaande geweld wat als gevolg van drankzucht en diefstal geen overbodige luxe bleek.
Maar we dwalen af
Vervolg ik mijn weg over de markt, dan overkomt het mij elke meter die ik afleg te worden aangehouden met de vraag waar ik vandaan kom. Als ik dan zeg: ‘Uit Holland’ valt alle aanvankelijke gereserveerdheid weg en blijken Cruijff en Dutch Maid Nederlands belangrijkste exportproducten. De laatstgenoemde, een dooddoenertje omdat de tulpenvelden, molens en Zeeuwse Meisjes op de blikken verpakking de bevolking misleid dat het hier om Hollands glorie zou gaan, is in wezen een roestig blik met klatergoud omdat de inhoud een slap smakend restant is dat overblijft nadat al het bruikbare er in Nederland uit is gehaald. Dat geeft wat mij betreft niets, zolang het maar niet het predikaat draagt dat het hier om melk gaat.
Zoals thuis schuilt ook hier achter alles een illusie die groter wordt naarmate hij door meer mensen wordt gedroomd. Zo ook in dit geval. Dat de Filippijnse Chinezen met hun kenmerkende stoïcijnse houding alleen het uitbreiden van de handel en het voeren van dubbele boekhoudingen nastreven is er een. Het nastreven van persoonlijk geluk is een ander, een die evenwel onzichtbaar blijft omdat het ongeluk brengt zodra je er openlijk mee te koop loopt. Dat heeft het gevolg dat er driftig illegaal wordt gegokt in achter hun restaurants en geldwisselkantoren gelegen kamertjes waar de roulettemolen nooit tot stilstand komt
Bevriend te zijn met een Tsinoy heeft voor een buitenlander zo zijn voordelen. Dat komt tot uiting in het op de hoogte raken van lokale gewoontes en regels.
Mijn nieuwe vriend heet Jun, een kennis van mijn vrouw tevens goedlachse, uiterst vriendelijke en aimabele eigenaar van een geldwisselkantoor in de wijk Binondo waar ik tegen een schappelijk tarief mijn guldens voor Peso’s in mag ruilen.
Jun vertelt:
    ‘Mocht je onverhoopt midden in de nacht de weg op gaan, doe mij en je vrouw dan een plezier en stop voor niets en niemand. Ook niet wanneer je een ongeluk ziet gebeuren. Wil je niet in de problemen komen dan is het enige dat je als niet-Filipino hoort te doen is doorrijden en niet meer omkijken.’
Het horen van dit opmerkelijke advies komt vreemd over bij een Westerling. Geleerd hulp te verlenen waar dan ook, doet je niet zo snel stilstaan bij het horen van de reden.
   ‘Tegen de tijd dat de hulpdiensten er zijn, als die al komen, is iedere betrokkene allang vertrokken. Schuldig of niet. Jij als buitenstaander, onbekend met het systeem krijgt als enige aanwezige getuige de schuld van het ongeluk in je schoenen geschoven en het maakt daarbij niet uit wie je bent.’
Een paar weken later werd ik rond zeven uur gebeld door de zus van mijn vrouw met de boodschap dat ze een ongeluk had gekregen en in het ziekenhuis lag. De weken erna was het steeds heen en weer rijden, ook ‘s nachts, om de schoonzus of zwager belast met de wake, af te lossen.

Op een van die in het aardedonker afgelegde tochten richting Manilla na net de oprit te hebben verlaten, zag ik op ongeveer honderd meter voor mij in het licht van de koplampen een zwarte schim op de weg. Dichterbij gekomen bleek de schim de onderkant te zijn van een auto die door onbekende oorzaak op zijn zij terecht was gekomen en nu dwars over de snelweg lag. In een flits van een seconde kon ik nog net het levenloos lijkende lichaam van de bestuurder zien, half uit het zijraampje hangend. Doorrijdend dacht ik aan Jun’s woorden die ik na opnieuw in het buitenland te zijn gaan wonen, nog lang niet ben vergeten.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

  

ALLEMAAL CHINEZEN (I)

Jaargang 2, aflevering 96, donderdag 05 juli 2018

 

 

 

ALLEMAAL CHINEZEN (I)

Tijdens een wandeling door de oude wijken van de Filippijnse hoofdstad Manilla komt vanaf de Teodora Alonzo Street, Ongpin street in lopend, onmiddelijk de vraag naar boven wat al die Chinezen daar doen. Nadrukkelijk aanwezig met hun restaurants, eetkramen, specerijenwinkels, geldwisselkantoren en wasserijen tonen ze aan dat dit stukje van de door miljoenen bewoonde metropool al sinds het einde van de Spaanse overheersing aan hen toebehoort. Zeshonderdduizend Chinezen. Dat lijkt veel, toch bepalen ze slechts anderhalf procent van de totale bevolking en word je na een tijdje bevangen door het idee dat je ze allemaal gezien hebt.
Wanneer alle buiten hun eigen land wonende Chinezen naar huis terugkeren zou dat met gemak een kanteling van de aardas teweeg brengen, bedenk ik mij bij mijn bezoek aan Santa Cruz, een druk door Chinezen bevolkte wijk, Chinatown genoemd. Dat het nog veel drukker kan bewijst hun aanwezigheid op de Divisoria, Manilla’s centrale markt.
Terwijl ik mij tussen de massa zwartharige hoofdjes door laveer komen ze, aangetrokken door mijn er bovenuit stekende blonde Hollandse kop op mij af. Of ik iets van ze wil kopen. Wanneer ik als buitenlander aangeef niets te kunnen beginnen met een roze beha in een schamel maatje bb geeft dat volgens hen niets en wordt ik breed lachend verwezen naar een grijnzend vrouwtje dat gehurkt achter een door lege kratten geschraagde plank vol met gebakken varkensoren zit. Nu sta ik erom bekend het meest vreemde voedsel niet uit de weg te gaan en overweeg een aankoop. Maar de pret wordt al snel gedrukt door de komst van een Chinees die mij meetroont naar zijn walhalla, een kraam met blikken scharen en messen waarvan ik weet dat ze bij de allereerste keer in het gebruik uiteen zullen vallen, wat mij dwingt door te lopen.
Of je er nu wel of niet iets koopt, je loopt er constant rond met het gevoel een goede daad te hebben verricht. Heb je je laten overhalen tot de aanschaf van slechts een boordeknoopje dan is er nog steeds geen man overboord. Aan het onzinnig lage bedrag dat je ervoor hebt uitgegeven loop je geen bult op en bij het terugbrengen blijkt de kraam allang verdwenen te zijn, wat je weer een wandeling door de mensenmassa’s scheelt.
Van die anderhalf procent Chinezen maakt een nog veel kleinere minderheid de dienst uit in het land. Het zijn de kleinkinderen van de eerste generatie zich tot multinational opgewerkte Chinezen, verwikkeld in hun eeuwigdurende strijd om de macht met de van Spaanse afkomst zijnde nazaten van puissant rijke families met als inzet het bepalen wie de volgende nieuwe president wordt en het beheersen van het bestedingspatroon van de Filippijnse consument. Volgens een ondefinieerbare verdeelsleutel is bijna alles van waarde in de handen van een paar families, van cementfabrieken tot bierbrouwerijen en alles daartussenin met Unilever als derde op de loer liggende partij om zo snel als de raven kunnen vliegen met faillissement bedreigde levensmiddelenproducenten voor een prikkie te kunnen overnemen.
Als deelnemer aan het moordend drukke en vierentwintig uur in totale chaos zijnde verkeer in de stad maak je grote kans hun zonen tegen te komen. Rondrijdend in hun brandnieuwe rondom geblindeerde Toyota busjes met -o zo handig- verwisselbare kentekenplaten, door de bevolking “fly by night vehicles” genoemd en gemakkelijk te herkennen aan rondom de auto gemonteerde spiegels maken zij de dienst in het verkeer uit, stoptekens van de omkoopbare politie negerend. Wie het gedrag van deze verwende industriëlenzoontjes niet aan staat of zich in hun “dode hoek” bevindt, krijgt te maken met hun tegen kidnapping in dienst genomen zwaarbewapende bodyguards. Te lang achter ze blijven rijden levert meestal een uitzicht op het uiteinde van de afgezaagde loop van een shotgun.
De scheidslijn met de in Manilla actieve bendes waar je als buitenlandse toerist niets van merkt blijkt flinterdun wanneer de zoveelste betrokken blijkt te zijn bij de handel in verdovende middelen. Als toerist merk je überhaupt weinig van wat zich er onder de gele smoglaag die Manilla voortdurend in zijn greep houdt, bevindt. Dat wordt anders wanneer “Joe”, zoals iedere buitenlander in het voorbijgaan wordt genoemd, zich laat zien. Vanwege mijn relatie met een Filippijnse heb ik een streepje voor, wat er twee worden zodra ik mijn mond opendoe en ik in bijzijn van het volk zowaar een paar woorden Filippijns blijk te kunnen spreken. Het Tagalog leent zich namelijk uitstekend voor het dagelijks gebruik en klinkt logisch vergeleken bij de combinaties oerklanken die bij elkaar genomen voor Nederlands door moeten gaan. “Oksel” klinkt vies, bijna dierlijk zou je kunnen zeggen, terwijl “kili-kili” voor hetzelfde onderdeel een stuk frisser, in ieder geval aannemelijker overkomt. Je zou er bijna vrolijk van worden. De Filipino speelt dan ook graag met zijn taal die zich daar prima voor leent. Rijdt er een auto voorbij met twaalf antennes, voorzien van koplampen waar groen licht uit schijnt met blauwe in plaats van rode achterlichten dan heet dat een “Colorum Car”, en “susmaryyosep” wordt geroepen tijdens bij wijze van een vloek het passeren van de heilige drie-eenheid Jezus, Maria en Jozef.
Getrouwd zijn met een eilandbewoonster heeft het voordeel dat zich deuren openen die voor Juan de la Cruz, oftewel Jan Modaal gesloten blijven, wat als gevolg heeft overal voor VIP te worden gezien en als gevolg daarvan te worden uitgenodigd. Zo overkwam het mij aanwezig te zijn bij een feest in de tuin van de Pauselijke Nuntius, kegelde ik ballen om in de tuin van een ex-cronie van de wegens fraude en corruptie gevluchte president Ferdinand Marcos en was ik eregast in het huis van een sjeik die bij kennismaking een Nederlander bleek te zijn en van Eldik heette. Nadien waande ik mij tot het selecte clubje lokale jetset te horen wanneer er weer een uitnodiging aan het hek van onze gehuurde villa werd bezorgd.
Echt beroerd was Marcos als president zeker niet en had hij zeker volgens zijn moeder ook goede kanten. Een daarvan was de uitvinding van de “barangay” bijvoorbeeld, de in iedere deelwijk nadrukkelijk aanwezige wijkpolitie wat vanwege de armoede, drankzucht en diefstal geen overbodige luxe bleek.

 

(wordt vervolgd)

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.