BORIS

Jaargang 3, Kronkeling 105, 30 augustus 2018

 

 

    ‘Ik moet naar de Oude Molstraat, maar ik wil niet.’
De kennelijk aan mij gedane mededeling van de man klonk als het laatste verzet tegen een op handen zijnde deportatie.
‘Eigenlijk moet ik ook op de Lutherse Burgwal wezen, maar daar is het minder leuk.’
Beiden stonden we aan de rand van de stoep, te wachten op het moment dat het voetgangerslicht voor ons beide uitkomst ging bieden. Aan zijn juveniele gezicht en ietwat onbeholpen postuur te zien was hij van een jonge leeftijd, omstreeks de twintig, schatte ik.    ‘In de Molstraat is het waar ze mij kennen gezelliger, maar ze sluiten eerder,’ vervolgde hij spijtig nadat het voor ons eindelijk op groen sprong en we weer konden lopen. ‘En op de Burgwal zijn ze wel langer open en is het drukker maar daar ken ik weer niemand.’
Als Hagenaar was ik bekend met beide café’s maar was er jaren niet meer geweest en kon mij er als gevolg daarvan op dat moment weinig opwindends meer bij voorstellen.
‘Dan gaat u toch gewoon niet naar de Oude Molstraat?’ stelde ik voor. ‘Probeer dan eerst die op de Lutherse Burgwal. Bevalt die niet dan kunt u altijd nog besluiten om terug te gaan.’
Aan zijn abrupt tot een volledige stop gekomen blik kon ik zien dat hij mijn voorstel sterk overwoog. Met zijn slungelige houding en het rond zijn gezicht neerhangende, stroblonde vlassige haar had hij op het eerste gezicht wat weg van een vogelverschrikker.
‘Dat is een keus. Maar stel nou dat er op de Burgwal toevallig vanavond iemand is die mij wel kent? Dan loop ik de volgende dag de hele tijd met het gevoel rond dat ik er dan nooit achter zal komen of het in de Molstraat niet leuker was dan op de Burgwal.’

Op die geestelijke spreidstand wist ik niet zo een-twee-drie een passend antwoord te vinden.    ‘Bel ze dan op, bij de Mol,’ antwoordde ik zo opgeruimd mogelijk. ‘Vraag ze of het druk is. En anders hoor je dat vanzelf wel aan de achtergrondgeluiden.’
Hij schudde een paar keer zijn hoofd. ‘Ze nemen niet op, dat weet ik zeker. Ik heb het al eerder geprobeerd.’
‘Als ze niet opnemen is het meestal druk,’ poogde ik bij wijze van laatste redmiddel. ‘Dan weet je genoeg.’
Even scheen hij mijn voorstel in overweging te nemen.
‘Kijk, op de Burgwal is het altijd druk,’ zei hij zorgvuldig doch op behoedzame toon. ‘Die garantie heb ik. Ik voel me er tussen de vele verschillende mensen die er komen meer… op mijn gemak. Ik heb last van pleinvrees, ziet u. Gewoon thuis of in druktes heb ik er geen last van. Wel als ik ergens alleen ben of sta, zoals daarnet. Dan raak ik in paniek en wordt ik het liefst meteen onzichtbaar of zak ik ter plekke door de grond. Raar, vind u niet?’
‘Och,’ antwoordde ik. ‘Het valt reuze mee vind ik zelf. Er zijn wel ergere dingen waar een mens aan kan lijden. Vroeg of laat krijgen we allemaal wel ergens last van. Dat van jou zit aan de binnenkant waar niemand het ziet. Een horrelvoet daarentegen…’
Ik leek hem daar wat mee op te beuren, want rond zijn roze, vlezige mond verscheen na twee aanvankelijk nog argwanende plooien een innemende grijns.
‘Die heb ik gelukkig niet,’ lachte hij. ‘Ik heet Boris,’ mij een milde hand toestekend. ‘Sorry. Ik weet niet waarom het mij juist nu overkomt. Normaal gesproken zou ik het nooit gedurfd hebben u een hand te geven, maar bij u heb ik om de een of andere manier het zekere gevoel dat ik u iets kan toevertrouwen. Het is of ik u vaag ergens van ken, al heb ik geen flauw idee waarvan. Wat doet u als ik vragen mag?’
Ik vertelde hem dat ik schrijver was van onder meer korte verhalen die ik bij wijze van krant op een website plaats zodat mensen die daar behoefte aan hebben ze gratis kunnen lezen.    ‘Cool, een schrijver,’ antwoordde hij breed grijnzend. ‘Daar zal het dan wel door komen. Dat ik u daarnet om een of andere reden aan moet hebben gevoeld, bedoel ik. Schrijvers zijn vaak hooggevoelig voor veel dingen, heb ik ergens gelezen, net als ik.’
Een lichte blos trok over zijn gezicht.
‘Excuses. Daar moet u verder niets achter zoeken hoor. Het komt doordat de meeste andere mensen die ik ken zo… gedempt zijn in hun contact met anderen. Veel minder…‘
‘Al goed. Minder wat?’ reageerde ik voorzichtig, want als het om het beoordelen van andermans oprecht geuite gevoelens gaat, ben ik erg terughoudend.
‘Nou, ze zijn zo geesteloos, vind ik. Ik ben negentien jaar en van een andere generatie dan u, al wil ik er gelijk bij zeggen dat ik u niet oud vind, integendeel. Wat ik daarmee bedoel is dat als ik u niet had gevraagd had naar welk café ik het beste eerst heen kon gaan dan was u gewoon doorgelopen en had u waarschijnlijk ‘rot op, gek’ naar mij geroepen, of mij in het voorbijgaan gezegd dat ik niet goed snik was, dat wist ik daarnet heel zeker. Maar het doet mij niets meer. Het overkomt mij zowat iedere dag. Ik ben nu eenmaal een flapuit qua karakter. Daar moet ik tegenwoordig erg mee oppassen, dat weet ik. Je kunt beter je mond houden op straat maar dat verdom ik. Maar u deed dat niet. U bleef staan om naar mij te luisteren. Dat ben ik niet meer gewend, dat iemand, een vreemde, zomaar naar mij luistert. Het heeft ervoor gezorgd dat ik alleen nog maar kom op plekken waar ik mijzelf veilig voel.’    ‘Je lijkt me een verstandige jongen,’ merkte ik op.
Na te zijn gestopt keek hij mij aanvankelijk weifelend aan.
‘Meent u dat nou?’
‘Zeker. Anders had ik het niet tegen je gezegd.’
‘Weet u, dat zeggen er wel meer. Om de waarheid te zeggen, een paar vrienden. De enigen die ik nog over heb. De rest is afgehaakt. Ik was te saai in hun ogen. Ik drink niet zoveel als zij bijna elke avond doen. Hooguit een of twee biertjes, meer niet. Die dat destijds zeiden zijn de verkeerde vriendjes van nu, zag ik na een tijdje in. Het soort dat niet wil deugen. Nog steeds niet. Ze noemen mij saai, maar zelf zijn ze leeg. Ze hangen rond in foute café’s waar altijd gedonder is en halen rottigheid uit. Niks voor mij.’
‘Hier moet ik linksaf,’ sprak hij plotsklaps stilstaand, mij voor de tweede keer een hand gevend. ‘Dank u wel meneer. Ik vond het een leuk gesprek. Het was helemaal zoals ik mij het had voorgesteld. De ontmoeting met een schrijver. En nog bedankt voor de tip voor de Burgwal, ook al nemen ze daar niet op.’
Ik knikte terug. ‘Ik vond het een enerverend onderhoud.’
‘Dat is typisch een antwoord van een schrijver,’ meldde hij. ‘Zulke dingen zegt mijn vader, een onverbeterlijke boekenworm ook soms.’
‘Dat zal best. Het blijft jammer, voor de Burgwal’ zei ik.
‘Hoezo?’
‘Daar krijgen ze vast spijt van wanneer ze je beter kenden. Ik wens je nog een fijne avond, Boris.’
‘O, zo. Nou, ik u ook. Dag!’
Bij thuiskomst vertelde ik mijn vrouw over de ontmoeting die ik had met Boris.

    ‘Ze bestaan nog, de jongens uit de jeugdboeken die ik vroeger las. Ze zijn niets veranderd, hooguit wat gemoedelijker geworden. En voorzichtiger. Die hebben we hard nodig in dit land. Deze heette Boris. Die komt er wel.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

  

    

 

    

 

APOCALYPSE NOW (II)

Jaargang 3, Kronkeling 104, donderdag 23 augustus 2018

 

 

APOCALYPSE NOW (II)

 

    ‘Je ziet er belabberd uit,’ liet mijn vrouw mij na twee dagen uit wat op een verschrikking was uitgelopen, weten. ‘Weet je zeker dat we er goed aan hebben gedaan er weg te lopen?’
Voor het verzinnen van een passend antwoord hoefde ik niet na te denken.
‘Als ik er gebleven was zouden we er vast en zeker levend zijn opgepeuzeld door levensgrote bacteriën of virussen zo hongerig als ratten,’ verzekerde ik. ‘We kunnen het wel elders gaan proberen, voor een second opinie.’
Wat later bevond ik mij sabbelend op een Wilhelmina pepermuntje in de wachtkamer van de praktijk van een in de buurt wonende Hollandse dokter.
‘U lijdt aan zware bloedarmoede,’ stelde de man na de uitslag van het lab vast. ‘U kunt zo niet blijven doorlopen en al helemaal geen pepermuntjes sabbelen. Het beste is dat u zich onmiddellijk in het ziekenhuis meldt.’

Na in te hebben gezien dat ik dit keer weinig keus had, pakte ik een toilettas en schone onderkleding en een t-shirt bij elkaar in een tas en schoof naast mijn vrouw de auto in.
    ‘Kijk pa, ze hebben hier ook een mor-tu-a-rium,’ speldde de jongste bereidwillig een half uur later vanaf de achterbank bij het zien van een naast de Eerste Hulp gelegen deur. Erop was wat hij noemt een piratenvlag te zien.
‘Ja. Wel handig, zo vlak ernaast,’ vulde ik snel aan, inmiddels bekend met pubers in een leeftijd wie je hun nog niet dòòrontwikkelde frontale hersenkwab de kans moet geven voor hun eigenaars beurt te antwoorden.
Eenmaal binnengekomen werd het wat sommige vaste bewoners van de wachtkamer die daar nog steeds schenen te zitten een apart weerzien, maar dan met gemengde gevoelens. De intake-zuster was intussen ingeruild voor een zwaarder exemplaar. Het inlijfritueel met de vinger was compleet met de standaard infuuszak hetzelfde gebleven.
‘Hoe lang zou het dit keer duren voor ze erachter komen dat we hier nu al weer zes uur lang voor niets zitten?’ zei mijn vrouw toen het buiten weer donker was. ‘Ik ga op zoek naar een dokter voor jou. Eentje die mij mij iets kan vertellen over waar dit over gaat en wat er met je gaat gebeuren. Of beter: waarom nog steeds niet.’
Ze was weer snel terug, de stromen mensen die na een dag voor niets te hebben gewacht met moeite ontwijkend. Dit keer echter met een op een jonge Rudolf Valentino lijkende man in haar kielzog, op wiens nog jeugdige gezicht ik puistjes ontdekte die mij zeiden dat er iets was met zijn frontale hersenkwab.
‘Dit is jouw dokter,’ sprak ze. ‘Hij heeft ons iets te vertellen.
 Ik heb er een paar aan hun jas getrokken die er uitzagen als een dokter en je naam “jakoeboes” geroepen in de hoop dat er een hapte. Deze reageerde.
‘Bent u jakoeboes?’ wilde de man weten, waarop ik dat beaamde.Vervolgens luisterde hij naar de volgroeide bassen van de Stradella accordeon die ik in mijn strottenhoofd had zitten en trok tegelijkertijd het onderste lid van mijn linkeroog naar beneden.
    ‘U bent ziek,’ sprak hij.
Portugezen maken niet zulke grapjes. Wel over ezels, kippen, geiten, vrouwen met snorren en voetbal.
‘Om u de waarheid te vertellen: wij tasten omtrent u in het duister,’ meneer jakoeboes,’ meldde hij in een Franckenschnitzel Engels. ‘Er zullen meer tests op u moeten worden gedaan. Ik ben hematologisch specialist en stel voor een gat van tien centimeter diep in uw sleutelbeen te zullen boren. Met dat wat daar uitkomt voer ik zeker een week lang mijn goudvissen.’ Dat was tenminste waar ik hem van verdacht dat hij tegen mij zei want ik luisterde niet. Alle hoop laten varend zag ik intussen hoe in de gang achter hem twee brandweerlieden, -in Portugal verricht de brandweer buiten het uitrukken en blussen ook diensten aan de gezondheidszorg- een brancard tussen hen in voortduwden met er op onder een wit laken een persoon.
‘Een punctie, is dat echt noodzakelijk?’ vroeg mijn vrouw geschrokken. ‘Zijn er geen andere manieren om erachter te komen wat mijn man heeft?’
‘Een paar,’ gaf de man toe. ‘We willen zekerheid. Die krijgen we met een punctie.’
‘Volgens mij houden ze iets achter, iets dat ze ons niet willen zeggen,’ zei ze met grote stelligheid in mijn richting.
‘Ken je het verhaal van Sherlock Holmes “Het Avontuur van de Gespikkelde Band,” waarin hij zegt: ‘When a doctor does go wrong, he is the first of criminals. He has the nerve and he has the knowledge”? vraag ik haar. ‘Dit is hetzelfde. Die man komt bij mij nergens aan. Een hand kan hij van mij krijgen. Meer niet.’
‘Ik kom later bij u terug, meneer jakoeboes, zei hij na een moment. ‘Het is tijd voor mijn pauze. Blijft u hier een uurtje wachten, dan wordt u straks opgehaald voor de ingreep.’
Drie uur ‘s morgens, zonder nog de dokter te zijn tegengekomen vonden we het wachten weer welletjes. Zonder het wakend oog van een bewaker, nog met het infuus in mijn arm gestoken  verlieten we het ziekenhuis, mijn vrouw voorop.
‘Wat een afschuwelijk oord. Ik wil hier nooit meer heen,’ liet ze mij nadat ik haar mijn arm aanbood weten. ‘Bestaan er geen andere of zijn ze allemaal zo erg?’
‘Die vraag kun je jezelf inderdaad stellen,’ was mijn antwoord. ‘Ik vermoed dat veel dingen hier eender zijn geregeld. ‘s lands wijs, ‘s lands eer.’
‘Maar wat doen we nu? Je bent nog steeds ziek.’
‘Eerst slapen,’ opperde ik. ‘En morgen wakker worden uit de slechtste parodie op een rampenfilm ooit gemaakt. Daarna kijken we verder.’
‘Bijna,’ zei ze, wegrijdend van het in de mistroostige gele straatverlichting gehulde gebouw. ‘Alleen de acteurs. Die waren echt.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

APOCALYPSE NOW (I)

Jaargang 3, Kronkeling Nr. 103, donderdag 16 augustus 2018

 

 

 

APOCALYPSE NOW (I)

 

    ‘Ik wed dat van al deze mensen die hier zitten er geen enkel een beetje besef heeft van persoonlijke hygiëne,’ sprak mijn vrouw afkeurend bij het zien van de menigte. ‘Kijk nou!’
Ze doelde onopvallend op een doodziek uitziende, voortdurend ongegeneerd voor zich uit hoestende man met meer dan alleen een vale gelaatskleur op zijn gezicht, slechts een paar meter van ons verwijderd. Hij was zijn gesnotter en geblaf kennelijk meer dan zat want moeite om de vloed binnenboord te houden ondernam hij niet meer.
‘Aan zijn kleur te zien kan die vent elk moment ter plekke komen te overlijden,’ vervolgde ze. ‘Dit ziekenhuis klopt voor geen meter. Zoals hij zitten ze er allemaal bij. Het vooraf uitreiken van mondkapjes bij de ingang zou hier geen slecht idee zijn.’
Omdat ik mij de laatste weken te midden van een griepgolf niet lekker voelde en mijn huid een gele kleur vertoonde, had ik om meer duidelijkheid te krijgen over wat ik mankeerde, uren daarvoor het besluit genomen om een bezoek te brengen aan de huisartsenpost bij ons in de buurt, waar ik, nadat bloed bij mij was afgenomen ik met spoed naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis werd verwezen.
Bij binnenkomst in de hal bleek de eerste hulpafdeling te bestaan uit een hoekje achter een gordijn waar een aan een tafeltje gezeten intake-zuster gezeten de inkomende patiënten eiste te zien, en aan haar gebaren te merken, ze de taak had gekregen ze te inspecteren.
‘Mag ik uw vinger hebben?’ vroeg ze toen het mijn beurt was in het Engels.

Omdat ik daar voor het moment geen bezwaar in zag voldeed ik aan haar verzoek, waarna ze hem in een plastic hoesje stak met aan het uiteinde een apparaat om met dezelfde vlijt iets in mijn oor te steken dat driemaal piepte. In dezelfde beweging trok ze uit een lade een oranje bandje dat ze strak om mijn pols bevestigde.

‘U mag daar weer gaan zitten tot u wordt opgeroepen,’ snauwde ze, wijzend op een paar dozijn rijen goor uitziende banken met daarop gezeten de ons al bekende, zwaar blaffende, hun bacillen om zich heen sproeiende meute.
‘Hè? Jij hebt oranje,’ sprak mijn vrouw. ‘De meesten die hier zitten hebben een geel of een groen bandje. Wat zou het verschil zijn?’
‘Een wraakactie vermoed ik, opgezet vanuit Paleis Noordeinde’, antwoordde ik semi-gevat. ‘Ze hebben mij eindelijk door. Ik krijg straks de slechtste behandeling ooit.’
‘Dat heb je dan over jezelf uitgeroepen,’ lachte ze. ‘Als Republikein lusten ze je inmiddels rauw.’
‘Zou het? Die vrouw daar heeft groen, maar ziet ze er veilig uit? Maar het zou kunnen dat ze pseudo-somatisch is, in welk geval het klopt. Geel, dat zijn dan de twijfelgevallen.’
‘Dat wordt straks lachen,’ zei ze, de tekst op mijn bandje bekijkend. ‘Ze hebben al je doopnamen overgenomen op het bandje. Daar komen ze nooit uit.’
Drie uur later bleek ze het bij het juiste eind te hebben, toen uit een onzichtbare speaker de vraag klonk of ene Joekoboes zich wilde melden bij de bloedafnamezaal. Alleen.
‘Ik mag niet mee naar binnen,’ liet mijn vrouw mij weten. ‘Ik zie je straks wel weer.’
In de zaal, wat op het eerste gezicht nog het meest weghad van een pitstop voor deelnemers aan de 24-uursrace van Le Mans voor rolstoelgebruikers gedurende hun plaspauze, werd ik uitgenodigd plaats te nemen in een daarvoor bestemde schietstoel. Voor ik er erg in had was ik zes buisjes bloed armer en kreeg ik een infuus in mijn linkerarm geschoten met daaraan een zak met erin een zoutoplossing.
‘Wat gaan ze met je doen,’ vroeg mijn vrouw die ondanks de haar de toegang ontzeggende beveiliger zich normaal nooit door niemand laat tegenhouden.
‘Ik weet het niet, maar het lijkt serieus te worden,’ antwoordde ik. ‘We zullen het straks wel te horen krijgen.’
“Straks” is in Nederland een redelijk begrip. In landen zoals Portugal daarentegen staat het voor de periode waarin een regering kan vallen, opnieuw gekozen worden waarna vanwege verkiezingsfraude een coup ‘d’État plaatsvindt en de ontstane dictatuur vervolgens opnieuw omvalt.
Om 0.00 uur zaten we er nog steeds, dit keer met toestemming herenigd in de wachtkamer nadat de bloedzuster met de zak infuus had geknoeid. Om ons heen lagen, hingen en zaten op en over de banken door de diverse griepvirussen de elkaar er voortdurend mee besmettende inwoners van het land waar het was of de zwarte dood er opnieuw was uitgebroken. Als de op dat moment voor het eerst er binnenkomende nieuwe bezoeker een nietsvermoedende buitenlander was geweest was hij in de stellige mening hebben verkeerd op de set van een Amerikaanse rampenfilm te zijn terechtgekomen.
‘Straks staan ze allemaal als een man op en blijkt het nep te zijn,’ merkte ik vol walging op in de richting van mijn vrouw bij het horen van het uit de toiletgroep opstijgende gerochel. ‘Net als in die videoclip van Michael Jackson. Ze grimeren is niet nodig.’
‘Deze hele vleugel sluiten en ontsmetten, dat is nodig,’ vulde ze aan. ‘Er komt hier vast nooit inspectie.’
‘Tot hoe laat moeten we eigenlijk blijven we wachten,’ vroeg ik na een uur aan een voorbijsnellende, als dokter vermomde patiënt die achteraf bonafide bleek te zijn. ‘Ik ben hier al sinds vijf uur vanmiddag. Zo schiet het niet op.
    ‘Er komt zo een collega van mij bij u, meneer,’ sprak de man vriendelijk. ‘Het is gewoon een kwestie van op uw beurt blijven wachten.’
Toen het drie uur ‘s nachts was geworden vonden we het welletjes en verlieten we heimelijk, ik met nog steeds het infuus in mijn arm gestoken via de eerste hulp uitgang, onder het wakend oog van de bewaker het ziekenhuis waar nog steeds dezelfde mensen zaten die we er sinds de middag ervoor hadden gezien.

 

(Wordt vervolgd)

 

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

SENHOR FRANCESCO

Jaargang 3, Kronkeling 102, donderdag 9 augustus 2018

 

 

SENHOR FRANCISCO

 

Op dezelfde kamer van het ziekenhuis waar ik wegens gezondheidsklachten een paar dagen ben opgenomen, ligt naast mij een man van wie je zou kunnen zeggen dat hij een eenzijdige aanvaring heeft gehad met het noodlot. In zijn troebele ogen ligt voortdurend een blik van pijn begraven met daarbij erin opgesloten een melancholiek soort berusting, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat het juist hém weer moest zijn overkomen. Je hebt van die mensen.
Uit zijn goedhartige oogopslag is op te maken dat hij de dagen zat is. Die van hem dan, wel te verstaan. Niet de mijne, want ik moet nog even door. Met zijn amper drie turven lang, Portugees van geboorte en ondanks een geamputeerd linkeronderbeen het anderhalve meter lange ziekenhuisbed volledig vullend verdrijft hij vanonder zijn snor de tijd, kreunend, noodgedwongen met het doen van volstrekt niets, een voor mij schier onbegrijpelijk anti-festijn omdat ik altijd zonodig iets nuttigs om handen moet hebben.
Heeft men hem nodig, dan luistert hij indien het hem welgevalt, naar de naam Senhor Francesco. Afgezien van zijn schijnbare volledige inertheid is Senhor Francesco wel degelijk in staat tot het doen van iets, en wel van dingen die niet mogen of de constante irritatie van de zusters oproept. Dat doet hij grotendeels onmerkbaar onder het laken door bijvoorbeeld het verband van zijn andere, enig overgebleven beschadigde voet te verwijderen want zijn andere voet bestaat allang niet meer. De reden is te lezen aan de hand van de getatoeëerde data op zijn rechterarm die meldt dat hij tussen ‘73 en ‘75 in Angola was waar hij aan het front heeft gevochten.
Sinds zijn karma heeft ontdekt dat aan het uiteinde van een kabel boven zijn hoofd een knop zit waarmee hij de zusters naar believen voor niets kan oproepen, zijn de spruiten gaar. Wat daarna volgt is een reeks uitbranders op zijn Portugees aan Senhor Francesco’s adres, temperamentvol en zeer luid en duidelijk hoorbaar over de gangen.
Volgens een zuster delen wij dezelfde leeftijd wat goed mogelijk, maar niet zichtbaar is. Nordisch eikenhout is kennelijk minder flexibel dan Iberisch scharrelstruikenhout maar ziet er duurzamer uit. Het oog wil ook wat.
Twee keer per dag rinkelt zijn oude Nokia die, ruim voordat hij erin slaagt zich met luier en al aan de boven zijn bed hangende beugel overeind te hijsen, daarbij de katheter met bijbehorende zak, slang, drie infusen en het zuurstof niet allemaal tegelijk over het hoofd ziend, er voortijdig mee stopt, net voordat hij het kreng uiteindelijk te pakken krijgt. Tenminste, als hij tussendoor, zichzelf onder een laken verstoppend niet zelf weer op de verkeerde knop, de rode, heeft gedrukt.
Iedere keer wanneer het ding zijn lawaaitoon produceert en ik de bij voorbaat mislukte poging tot redderen wat er te redderen valt, aanschouw, vraag ik mij af wat zijn familie die het kennelijk niet laten kan hem lastig te vallen of zelfs maar geen notie hebben van wat ze ermee teweeg brengen, in vredesnaam bezielt om zo’n man iedere keer lastig te moeten vallen, want het apparaat houdt overeenkomstig de wetten der logica zijn muil precies er dan mee op, nog net voordat hij het kan pakken.
Ik merk bij mijzelf dat het mij hartgrondig boos maakt, maar dat komt omdat ik als pragmaticus niet ben opgewassen tegen in zulke gevallen volstrekt zinloos gestelde vragen als “Heb je vanmorgen je tanden wel gepoetst” aan een terminale patiënt die net zijn codicil heeft ondertekend.
Van bij ziekenhuizen voorgeschreven rust op de gangen is overigens geen sprake. Een Siciliaanse kermis komt dichterbij in de buurt. Zusters kibbelen en bekvechten kakofonisch als oude wijven over dingen op een toon en volume waarvan een hond bevriest wat tijdens het opkomen van de zon begeleid wordt door het gekerm een armee van uit hun verplichte roes ontwaakte, vanwege vroegtijdige ouderdom lamenterende patiënten en hun voorwereldlijk gesnotborrel en ongerepte niesbuien. Een van hen, een met het uiterlijk van een zich wit geschrokken geest wegens ontsnappingspogingen aan zijn bed gekluisterd een paar kamers verderop gelegen oude man roept de hele dag beurtelings: “Olé!!” en: “Portuguese!!”
Bezoek voor Senhor Francesco komt zelden en is beduidend minder geworden nadat de familie te horen kreeg dat er niet meer voor de man inzit dan wat de ziekenhuiskeuken hem dagelijks verschaft: een keihard broodje met suiker, “knarsham” geheten op zijn Haags. De rest gaat naar de varkens.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

POLLY

Jaargang 3, Kronkeling 101, donderdag 2 augustus 2018

 

 

POLLY

 

Hoe het kwam dat ik hem leerde kennen herinner ik mij niet meer maar het leverde een langdurige vriendschap op met Polly, een amicale, goedlachse inwoner van Las Pinas in de Filippijnen. Polly, zoals zijn bijnaam luidde, heette eigenlijk Pontius en deed zoals hij mij toevertrouwde, iets met auto’s. Ook met die van mij verzekerde hij, want daar stond hij op.
‘Om onze vriendschap te bezegelen,’ zoals hij het omschreef. Wat dat precies inhield daar liet hij zich op dat moment niet direct over uit, behalve dat het volgens hem dringend nodig was en ik verzeker u: het was veel en ingrijpend.
Polly’s huis, een losstaande woning met vier kamers waar het naar een pitstop rook, stond en lag vol met gereedschap, carrosseriedelen, motoronderdelen en automaterialen. Zijn tuin werd bezet door vier vrolijk om mij heen kwispelende honden, tientallen personenauto’s en jeepney’s, een soort zelfgebouwde variatie op het thema Willy’s Overland jeep uit de Tweede Wereldoorlog.
Vergezeld van een grijns meldde Polly dat ik de volgende ochtend al vroeg mijn auto moest komen brengen en dat ik hem twee weken kwijt zou zijn, niet langer. Als leenwagen zou ik zolang een andere meekrijgen. Ook mocht ik tussendoor komen kijken.
Toen ik vier dagen later de straat waar hij woonde, inreed zag ik mijn auto nergens. Wel een dof glanzend, tot op het bot afgekrabd skelet van een voertuig dat eruit zag alsof het jarenlang in de brandende zon van een woestijn had gelegen, blootgesteld aan meedogenloze zandstormen. Op het dak ervan zat een man die ik niet kende in hurkzitting, gewapend met een stukje ijzer, bezig de laatste restjes oude verf er vanaf te schrapen. Net toen ik hem wilde vragen: ‘Valt het werk een beetje mee?’ zag ik dat het mijn auto was waar hij bovenop zat, en leerde ik dat “ho!” en “hu!” tegen hem roepen, volkomen zinloos was. Op dat moment verscheen Polly vanuit een zijdeur van het huis.
‘Hoe vind je ‘m? We doen hem even overnieuw. Ik wilde dat je even langskwam om te zeggen wat voor kleur hij moet worden.’
Onder het bekijken van het volledig gestripte en van alle waardigheid ontdane vehikel wilde ik zeggen: ‘doe maar een kleurtje,’ maar dat zou te gevaarlijk zijn en hetzelfde effect hebben als meedoen met een gay parade. In plaats daarvan zei ik: ‘Doe maar wit. Dat was hij een week geleden toch al en wit is een rustige, niet opvallende kleur. Moet je nog veel trouwens?’
‘Ivoor-wit dus,’ gaf hij als antwoord. ‘Alleen de binnenkant zelf moet nog gestript worden. En airco aanleggen. Zonder dat leg je het af.’
Een andere man met gering postuur die mij daarnet nog niet was opgevallen kwam met een een stuk karton naar buiten en begon, gebogen onder de motorkap terwijl hij een oog dichtkneep erin te snijden en te vouwen totdat het in zijn ogen de gewenste vorm had, in die van mij dat van een manke kraanvogel.
‘Dat is Rommel,’ verduidelijkte Polly.
‘Lijkt mij ook,’ zei ik, blij dat mijn vriend het met mij eens was. ‘Origami verveelt snel als je er niet goed in bent. Bovendien leidt het tot niets. Was het ijzer geweest…’
Polly keek mij aan met een blik of ik niet goed snik was.
‘Rommel is zijn naam. Hij is door zijn moeder genoemd naar de Duitse generaal met die naam. Met dat karton imiteert hij een bevestigingspunt voor de compressor.’
Even later keerde Rommel terug. De kraanvogel was verdwenen. Ervoor in de plaats lag in zijn hand een met zwarte verf bespoten, in een haakse hoek gebogen stuk ijzer met een aantal gaten erin geboord.
Na twee uur werk in een moordend hete zon waren Rommel en de ander die Bong werd genoemd klaar.
‘We kunnen nog niet proefdraaien,’ liet Polly mij weten. ‘Eerst moet het interieur worden teruggeplaatst. En volgende week hebben we nog een bruiloft te vieren. Jij bent erbij.’
De bruiloft was die van Polly’s oudste zoon, een magere doch breedsprakige jongen van omstreeks drieëntwintig jaar op wie de bijnaam “blaaskaak” paste als aangemeten.
De volgende dag werden achtereenvolgens een levende geitebok, een varken, drie jonge geitjes en zes kippen afgeleverd en over het hek in de tuin gezet. De levende have, zo verzekerde Polly mij, vormde bij elkaar de door de gasten te genieten bruiloftsmaaltijd.
Nu heb ik iets met dieren, wat de geitenbok ook moet hebben gemerkt want hij kwam al snel op mij afgelopen en legde zijn kopje op mijn knie. Zoiets doet mijn hart breken, maar wat in dit geval erger erger was voor hem dan voor mij: het schept een band.
Mij nog steeds nergens van bewust viel het kwartje drie dagen later al snel, spoediger dan Freek Vonk het mij zou kunnen hebben vertellen. U bent dus gewaarschuwd.
Een van de mannelijke familieleden stortte zich op de geitebok terwijl een ander het dier een fles met onduidelijke inhoud in de bek stak, de nek van het dier omhoog houdend waarna het weer werd losgelaten. Eenzelfde lot onderging het varken, de geitjes en de kippen waarna de geitebok mee de keuken in werd genomen.Een voor een kwamen ze na een uur weer naar buiten, zo goed als onherkenbaar wat voor de genodigden hetzelfde klinkt als eetbaar.
Een Filipino heeft ooit eens tegen mij gezegd: ‘wij Pinoys eten alles dat zwemt, vier poten heeft of vliegt, behalve een onderzeeër, een tafel en een vliegtuig.’
Het werd later, het aantal gasten nam nog steeds toe en het bier stroomde rijkelijk, zij het volgens de Filippijnse methode. Vanuit de overbevolkte keuken klonk geschreeuw wat duidde op paniek; er waren meer gasten komen opdagen dan dat er eten voor ze beschikbaar was. Met de tegenwoordigheid van een pas gekozen vakbondsleider en een blik van “dit gaat goed komen” nam Polly het roer over en blafte een paar maal in de richting van de kombuis.
In het tijdsbestek van nauwelijks drie kwartier konden de borden weer worden gevuld en miste ik de honden.
Ik heb er niet van gegeten. De band die ik had met de geitenbok was voor mij voldoende.

  

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.