0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 Pin It Share 0 Email -- Buffer 0 0 Flares ×

Jaargang 3, Kronkeling 104, donderdag 23 augustus 2018

 

 

APOCALYPSE NOW (II)

 

    ‘Je ziet er belabberd uit,’ liet mijn vrouw mij na twee dagen uit wat op een verschrikking was uitgelopen, weten. ‘Weet je zeker dat we er goed aan hebben gedaan er weg te lopen?’
Voor het verzinnen van een passend antwoord hoefde ik niet na te denken.
‘Als ik er gebleven was zouden we er vast en zeker levend zijn opgepeuzeld door levensgrote bacteriën of virussen zo hongerig als ratten,’ verzekerde ik. ‘We kunnen het wel elders gaan proberen, voor een second opinie.’
Wat later bevond ik mij sabbelend op een Wilhelmina pepermuntje in de wachtkamer van de praktijk van een in de buurt wonende Hollandse dokter.
‘U lijdt aan zware bloedarmoede,’ stelde de man na de uitslag van het lab vast. ‘U kunt zo niet blijven doorlopen en al helemaal geen pepermuntjes sabbelen. Het beste is dat u zich onmiddellijk in het ziekenhuis meldt.’

Na in te hebben gezien dat ik dit keer weinig keus had, pakte ik een toilettas en schone onderkleding en een t-shirt bij elkaar in een tas en schoof naast mijn vrouw de auto in.
    ‘Kijk pa, ze hebben hier ook een mor-tu-a-rium,’ speldde de jongste bereidwillig een half uur later vanaf de achterbank bij het zien van een naast de Eerste Hulp gelegen deur. Erop was wat hij noemt een piratenvlag te zien.
‘Ja. Wel handig, zo vlak ernaast,’ vulde ik snel aan, inmiddels bekend met pubers in een leeftijd wie je hun nog niet dòòrontwikkelde frontale hersenkwab de kans moet geven voor hun eigenaars beurt te antwoorden.
Eenmaal binnengekomen werd het wat sommige vaste bewoners van de wachtkamer die daar nog steeds schenen te zitten een apart weerzien, maar dan met gemengde gevoelens. De intake-zuster was intussen ingeruild voor een zwaarder exemplaar. Het inlijfritueel met de vinger was compleet met de standaard infuuszak hetzelfde gebleven.
‘Hoe lang zou het dit keer duren voor ze erachter komen dat we hier nu al weer zes uur lang voor niets zitten?’ zei mijn vrouw toen het buiten weer donker was. ‘Ik ga op zoek naar een dokter voor jou. Eentje die mij mij iets kan vertellen over waar dit over gaat en wat er met je gaat gebeuren. Of beter: waarom nog steeds niet.’
Ze was weer snel terug, de stromen mensen die na een dag voor niets te hebben gewacht met moeite ontwijkend. Dit keer echter met een op een jonge Rudolf Valentino lijkende man in haar kielzog, op wiens nog jeugdige gezicht ik puistjes ontdekte die mij zeiden dat er iets was met zijn frontale hersenkwab.
‘Dit is jouw dokter,’ sprak ze. ‘Hij heeft ons iets te vertellen.
 Ik heb er een paar aan hun jas getrokken die er uitzagen als een dokter en je naam “jakoeboes” geroepen in de hoop dat er een hapte. Deze reageerde.
‘Bent u jakoeboes?’ wilde de man weten, waarop ik dat beaamde.Vervolgens luisterde hij naar de volgroeide bassen van de Stradella accordeon die ik in mijn strottenhoofd had zitten en trok tegelijkertijd het onderste lid van mijn linkeroog naar beneden.
    ‘U bent ziek,’ sprak hij.
Portugezen maken niet zulke grapjes. Wel over ezels, kippen, geiten, vrouwen met snorren en voetbal.
‘Om u de waarheid te vertellen: wij tasten omtrent u in het duister,’ meneer jakoeboes,’ meldde hij in een Franckenschnitzel Engels. ‘Er zullen meer tests op u moeten worden gedaan. Ik ben hematologisch specialist en stel voor een gat van tien centimeter diep in uw sleutelbeen te zullen boren. Met dat wat daar uitkomt voer ik zeker een week lang mijn goudvissen.’ Dat was tenminste waar ik hem van verdacht dat hij tegen mij zei want ik luisterde niet. Alle hoop laten varend zag ik intussen hoe in de gang achter hem twee brandweerlieden, -in Portugal verricht de brandweer buiten het uitrukken en blussen ook diensten aan de gezondheidszorg- een brancard tussen hen in voortduwden met er op onder een wit laken een persoon.
‘Een punctie, is dat echt noodzakelijk?’ vroeg mijn vrouw geschrokken. ‘Zijn er geen andere manieren om erachter te komen wat mijn man heeft?’
‘Een paar,’ gaf de man toe. ‘We willen zekerheid. Die krijgen we met een punctie.’
‘Volgens mij houden ze iets achter, iets dat ze ons niet willen zeggen,’ zei ze met grote stelligheid in mijn richting.
‘Ken je het verhaal van Sherlock Holmes “Het Avontuur van de Gespikkelde Band,” waarin hij zegt: ‘When a doctor does go wrong, he is the first of criminals. He has the nerve and he has the knowledge”? vraag ik haar. ‘Dit is hetzelfde. Die man komt bij mij nergens aan. Een hand kan hij van mij krijgen. Meer niet.’
‘Ik kom later bij u terug, meneer jakoeboes, zei hij na een moment. ‘Het is tijd voor mijn pauze. Blijft u hier een uurtje wachten, dan wordt u straks opgehaald voor de ingreep.’
Drie uur ‘s morgens, zonder nog de dokter te zijn tegengekomen vonden we het wachten weer welletjes. Zonder het wakend oog van een bewaker, nog met het infuus in mijn arm gestoken  verlieten we het ziekenhuis, mijn vrouw voorop.
‘Wat een afschuwelijk oord. Ik wil hier nooit meer heen,’ liet ze mij nadat ik haar mijn arm aanbood weten. ‘Bestaan er geen andere of zijn ze allemaal zo erg?’
‘Die vraag kun je jezelf inderdaad stellen,’ was mijn antwoord. ‘Ik vermoed dat veel dingen hier eender zijn geregeld. ‘s lands wijs, ‘s lands eer.’
‘Maar wat doen we nu? Je bent nog steeds ziek.’
‘Eerst slapen,’ opperde ik. ‘En morgen wakker worden uit de slechtste parodie op een rampenfilm ooit gemaakt. Daarna kijken we verder.’
‘Bijna,’ zei ze, wegrijdend van het in de mistroostige gele straatverlichting gehulde gebouw. ‘Alleen de acteurs. Die waren echt.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *