0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 Pin It Share 0 Email -- Buffer 0 0 Flares ×

Jaargang 3, Kronkeling 105, 30 augustus 2018

 

 

    ‘Ik moet naar de Oude Molstraat, maar ik wil niet.’
De kennelijk aan mij gedane mededeling van de man klonk als het laatste verzet tegen een op handen zijnde deportatie.
‘Eigenlijk moet ik ook op de Lutherse Burgwal wezen, maar daar is het minder leuk.’
Beiden stonden we aan de rand van de stoep, te wachten op het moment dat het voetgangerslicht voor ons beide uitkomst ging bieden. Aan zijn juveniele gezicht en ietwat onbeholpen postuur te zien was hij van een jonge leeftijd, omstreeks de twintig, schatte ik.    ‘In de Molstraat is het waar ze mij kennen gezelliger, maar ze sluiten eerder,’ vervolgde hij spijtig nadat het voor ons eindelijk op groen sprong en we weer konden lopen. ‘En op de Burgwal zijn ze wel langer open en is het drukker maar daar ken ik weer niemand.’
Als Hagenaar was ik bekend met beide café’s maar was er jaren niet meer geweest en kon mij er als gevolg daarvan op dat moment weinig opwindends meer bij voorstellen.
‘Dan gaat u toch gewoon niet naar de Oude Molstraat?’ stelde ik voor. ‘Probeer dan eerst die op de Lutherse Burgwal. Bevalt die niet dan kunt u altijd nog besluiten om terug te gaan.’
Aan zijn abrupt tot een volledige stop gekomen blik kon ik zien dat hij mijn voorstel sterk overwoog. Met zijn slungelige houding en het rond zijn gezicht neerhangende, stroblonde vlassige haar had hij op het eerste gezicht wat weg van een vogelverschrikker.
‘Dat is een keus. Maar stel nou dat er op de Burgwal toevallig vanavond iemand is die mij wel kent? Dan loop ik de volgende dag de hele tijd met het gevoel rond dat ik er dan nooit achter zal komen of het in de Molstraat niet leuker was dan op de Burgwal.’

Op die geestelijke spreidstand wist ik niet zo een-twee-drie een passend antwoord te vinden.    ‘Bel ze dan op, bij de Mol,’ antwoordde ik zo opgeruimd mogelijk. ‘Vraag ze of het druk is. En anders hoor je dat vanzelf wel aan de achtergrondgeluiden.’
Hij schudde een paar keer zijn hoofd. ‘Ze nemen niet op, dat weet ik zeker. Ik heb het al eerder geprobeerd.’
‘Als ze niet opnemen is het meestal druk,’ poogde ik bij wijze van laatste redmiddel. ‘Dan weet je genoeg.’
Even scheen hij mijn voorstel in overweging te nemen.
‘Kijk, op de Burgwal is het altijd druk,’ zei hij zorgvuldig doch op behoedzame toon. ‘Die garantie heb ik. Ik voel me er tussen de vele verschillende mensen die er komen meer… op mijn gemak. Ik heb last van pleinvrees, ziet u. Gewoon thuis of in druktes heb ik er geen last van. Wel als ik ergens alleen ben of sta, zoals daarnet. Dan raak ik in paniek en wordt ik het liefst meteen onzichtbaar of zak ik ter plekke door de grond. Raar, vind u niet?’
‘Och,’ antwoordde ik. ‘Het valt reuze mee vind ik zelf. Er zijn wel ergere dingen waar een mens aan kan lijden. Vroeg of laat krijgen we allemaal wel ergens last van. Dat van jou zit aan de binnenkant waar niemand het ziet. Een horrelvoet daarentegen…’
Ik leek hem daar wat mee op te beuren, want rond zijn roze, vlezige mond verscheen na twee aanvankelijk nog argwanende plooien een innemende grijns.
‘Die heb ik gelukkig niet,’ lachte hij. ‘Ik heet Boris,’ mij een milde hand toestekend. ‘Sorry. Ik weet niet waarom het mij juist nu overkomt. Normaal gesproken zou ik het nooit gedurfd hebben u een hand te geven, maar bij u heb ik om de een of andere manier het zekere gevoel dat ik u iets kan toevertrouwen. Het is of ik u vaag ergens van ken, al heb ik geen flauw idee waarvan. Wat doet u als ik vragen mag?’
Ik vertelde hem dat ik schrijver was van onder meer korte verhalen die ik bij wijze van krant op een website plaats zodat mensen die daar behoefte aan hebben ze gratis kunnen lezen.    ‘Cool, een schrijver,’ antwoordde hij breed grijnzend. ‘Daar zal het dan wel door komen. Dat ik u daarnet om een of andere reden aan moet hebben gevoeld, bedoel ik. Schrijvers zijn vaak hooggevoelig voor veel dingen, heb ik ergens gelezen, net als ik.’
Een lichte blos trok over zijn gezicht.
‘Excuses. Daar moet u verder niets achter zoeken hoor. Het komt doordat de meeste andere mensen die ik ken zo… gedempt zijn in hun contact met anderen. Veel minder…‘
‘Al goed. Minder wat?’ reageerde ik voorzichtig, want als het om het beoordelen van andermans oprecht geuite gevoelens gaat, ben ik erg terughoudend.
‘Nou, ze zijn zo geesteloos, vind ik. Ik ben negentien jaar en van een andere generatie dan u, al wil ik er gelijk bij zeggen dat ik u niet oud vind, integendeel. Wat ik daarmee bedoel is dat als ik u niet had gevraagd had naar welk café ik het beste eerst heen kon gaan dan was u gewoon doorgelopen en had u waarschijnlijk ‘rot op, gek’ naar mij geroepen, of mij in het voorbijgaan gezegd dat ik niet goed snik was, dat wist ik daarnet heel zeker. Maar het doet mij niets meer. Het overkomt mij zowat iedere dag. Ik ben nu eenmaal een flapuit qua karakter. Daar moet ik tegenwoordig erg mee oppassen, dat weet ik. Je kunt beter je mond houden op straat maar dat verdom ik. Maar u deed dat niet. U bleef staan om naar mij te luisteren. Dat ben ik niet meer gewend, dat iemand, een vreemde, zomaar naar mij luistert. Het heeft ervoor gezorgd dat ik alleen nog maar kom op plekken waar ik mijzelf veilig voel.’    ‘Je lijkt me een verstandige jongen,’ merkte ik op.
Na te zijn gestopt keek hij mij aanvankelijk weifelend aan.
‘Meent u dat nou?’
‘Zeker. Anders had ik het niet tegen je gezegd.’
‘Weet u, dat zeggen er wel meer. Om de waarheid te zeggen, een paar vrienden. De enigen die ik nog over heb. De rest is afgehaakt. Ik was te saai in hun ogen. Ik drink niet zoveel als zij bijna elke avond doen. Hooguit een of twee biertjes, meer niet. Die dat destijds zeiden zijn de verkeerde vriendjes van nu, zag ik na een tijdje in. Het soort dat niet wil deugen. Nog steeds niet. Ze noemen mij saai, maar zelf zijn ze leeg. Ze hangen rond in foute café’s waar altijd gedonder is en halen rottigheid uit. Niks voor mij.’
‘Hier moet ik linksaf,’ sprak hij plotsklaps stilstaand, mij voor de tweede keer een hand gevend. ‘Dank u wel meneer. Ik vond het een leuk gesprek. Het was helemaal zoals ik mij het had voorgesteld. De ontmoeting met een schrijver. En nog bedankt voor de tip voor de Burgwal, ook al nemen ze daar niet op.’
Ik knikte terug. ‘Ik vond het een enerverend onderhoud.’
‘Dat is typisch een antwoord van een schrijver,’ meldde hij. ‘Zulke dingen zegt mijn vader, een onverbeterlijke boekenworm ook soms.’
‘Dat zal best. Het blijft jammer, voor de Burgwal’ zei ik.
‘Hoezo?’
‘Daar krijgen ze vast spijt van wanneer ze je beter kenden. Ik wens je nog een fijne avond, Boris.’
‘O, zo. Nou, ik u ook. Dag!’
Bij thuiskomst vertelde ik mijn vrouw over de ontmoeting die ik had met Boris.

    ‘Ze bestaan nog, de jongens uit de jeugdboeken die ik vroeger las. Ze zijn niets veranderd, hooguit wat gemoedelijker geworden. En voorzichtiger. Die hebben we hard nodig in dit land. Deze heette Boris. Die komt er wel.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

  

    

 

    

 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *