BRIEVEN I, VAN VADERS EN VUURLUIKEN

Brieven I

 

 

VAN VADERS EN VUURLUIKEN

 

Amice,

 

Het is met een ingetogen vertoon van jolijt dat uw vriend en toegewijd correspondent zich deze keer tot u richt na uw uiterst belangwekkende zaken aan mij ter kennis te hebben gegeven.
Vanmorgen, het kan een kwartier maar evengoed ook een half uur zijn geweest, in ieder geval ruimschoots na het krieken, zoals ik het rumoerige moment van de dageraad waarop lastige ouden van dagen in de straat hun honden voeren met brood en botten noem, toen mijn zoon die al eerder “op” was, meldde dat meneer pastoor in hoogst eigen persoon in het keukenraam was verschenen!…
Het is vanaf deze plek dat ik met grote nuchterheid weet te stellen dat pastoors, ingerekend andere gezagsdragers van geestelijke aard zich normaal gesproken zelden of nooit op deze wijze aan hun kudde tonen. U zult zich dus mijn opwinding kunnen voorstellen, wetende dat ondergetekende niet praktiseert als gelovige binnen de Rooms-katholieke kerk en om die reden Zijn volgelingen of afspiegelingen van Hem naar verderop gelegen plekken verwijst. Daarnaast zult u zich mijn nog grotere opwinding voor moeten stellen als ik u bericht dat zijn verschijning niet alleen hemzelf betrof, maar werd vergezeld van de heer Leo Ferro, dorpssmid van Ferreiras.

Amice, ik pas ervoor u te vertellen hoe de zaken in zowel het aetherische alswel dit ondermaanse in elkaar steken. Gij weet evenals ik hoe de dingen die wij kunnen waarnemen zich soms zo ongelijksoortig kunnen voordoen, in verscheidenheid verkeren, kortom, gij weet zowel van de hoed als de rand. Met andere woorden: wij noemen elkaar geen imbeciel. Luttele, vooreerst onbenullig zaken blijven je bij en weten van geen wijken terwijl weer andere, aanzienlijk belangrijker zaken nog voordat ze de kans krijgen te bezinken je hoofd alweer verlaten met een snelheid al betrof het een kolonie stokstaartjes, op de vlucht geslagen voor het kwaad dat hen dagelijks boven het olijke kopje zweeft. Waarschijnlijker was de vergelijking met een horde mollen vele malen toepasselijker geweest. Helaas gaat die hier niet op. Het portret van een ondergronds levend dier zoals een mol roept bij het publiek een exacter beeld op bij het schetsen van mijn te betreuren bestaan.
Ter zake nu.
U zult zich om bovenvermelde reden mijn gezicht voor kunnen stellen bij het waarnemen van het gezelschap, wetende dat ondergetekende literair nogal eens een draakje met de Portugezen mag steken, dus stelt u zich mijn moeite die tegen heug en meug te moeten onderdrukken eens voor! Vanzelfsprekend haast ik mij erbij toe te moeten voegen, sterker, u op het hart te drukken als ik u verzeker zulks in het geval zeker niet met kwade bedoelingen of vanuit gevoelens van rancune zou hebben gedaan.
Hoe dan ook, het duurde even voordat ik besefte wat de aard van de verschijning was. Het kwam doordat de heer Ferro mij de avond ervoor zijn antwoord gaf op een eerder door mij aan hem gezonden bericht, waarin hij mij meedeelde al de volgende ochtend om negen uur langs te willen komen, om, vergezeld van de Vader van Paderne zoals hij daarin stelde, mij daarmee in de veronderstelling latend dat hij mij, vader van twee zonen, daarmee bedoelde, “deze” op verzoek te analyseren. Met “deze” vermoedde ik dat hij duidde op de kachelkap.

Dat zit zo: eerdaags was de heer Ferro, eerzaam burger van Ferreiras, handwerksman tevens smid van professie, bij mij ten huize voor het afleveren van een door ons bestelde kachelkap. Zo u weet bezat mijn kachel die daardoor voorheen nog stond te nietsnutten geen kap en was om die reden buiten gebruik gesteld. Het was ook nadat de voornoemde heer Ferro na aflevering van de door hemzelf met achterlating van de kap en een riedel humoristisch bedoeld Portugees -de man ondertekend met een knuffel- weer vertrok met zijn door ons onderling vooraf afgesproken honorarium (wij zijn niet gek), toen ik mij herinnerde de man in de vooravond nog snel een bericht te hebben gezonden voor het doen voltrekken van een ander godswonder. Zoals u misschien niet weet bezitten veel Portugese woningen geen stormluiken, dit vanwege het milde klimaat. Vele nachten van langdurig geklepper zorgden er echter voor dat twee ervan inmiddels letterlijk uit hun scharnieren zijn geroest. Herstel is hier geboden en een bericht is immers zo gezonden, zo redeneerde ik.
Of het de morfine was, mijn door de pijn nachtelijk en veelvuldig ijlen in de richting van het urinaal, ik wil er vanaf wezen. Pas toen ik vernam dat het meneer pastoor was die aan het keukenraam stond, begreep ik dat hij het was die bedoeld werd met “de Vader van Paderne”.
Een misverstand, zult u zeggen. Daarbij blijft het helaas niet. In een bescheiden bericht aan de heer Ferro mijn huis niet vóór november te bezoeken om de brandluiken te onderzoeken om de doodeenvoudige reden dat zulks geen zin heeft omdat ik niet kan lopen, had ik geschreven:
“De kamer waarin ik gelijk een kasplantje een nietig bestaan leidt is een van de ruimtes waar een vuurluik ontbreekt. Om mij daarin te moeten zien existeren is meer dan ik als mens zal kunnen verdragen. Mijn oprechte excuses daarvoor. De verwachting is dat ik tot november zal moeten rehabiliteren zodat ik weer als vanouds zal kunnen lopen. Ik zal u persoonlijk informeren wanneer dit gebeurt.”
U zult mijn schaamte kunnen begrijpen. De man heeft mijn geweeklaag als zijnde letterlijk beschouwd! Desalniettemin beloofde meneer Pastoor nadat ik hem via mijn zoon gerust stelde dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen, een goed woordje voor mij te doen en wanneer ik verlegen zat om hulp, ik maar naar de kerk toe zou hoeven te komen lopen. Het was maar een klein eindje.

 

Met een stevige handdruk, uw toegenegen vriend,

 

Ben Midland

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

  

 

 

WILHELMINA

Jaargang 3, Kronkeling 107, donderdag 13 september, 2018

 

 

WILHELMINA

 

    ‘Scheveningen hautain,’ snotterde de man na het oplezen van de voorkant van het lokale krantje.
Het kwam er gewraakt uit.
‘Den Háág wel, maar Schèveningen…’
Wat door kon als een review voor een kuuroord klonk nu als een derdegraads brandwond.    ‘Niks hautain. Een arrogante badjuffrouw, dát was ze.’
Hij bracht het met zo veel omhaal dat ik de obelisk aan de voet van het duin waaraan we zaten even zag wankelen.
Met het helblonde -het kon ook wit zijn- door de straffe westenwind in een onwillige op zijn bruinverbrande hoofd geworpen toefje haar had hij wel iets weg van Kuifje maar dan zonder Bobby. Het teefje, half verscholen onder de bank waarop wij zaten bezat aan haar opgetrokken lippen te zien in tegenstelling tot zijn slimme neef een vooral hongerig soort intelligentie.
‘Ze doet je niks hoor,’ sprak het baasje niet ongeamuseerd. ‘Ze is bijna blind en lust alleen nog peperkoek. Daarbij, Willemientje is op jaren. Volgens de dierenarts zou ze omgerekend nu ongeveer zesenvijftig moeten zijn. De leeftijd waarop we allemaal een beetje bijziend worden. Sommigen een ietsepietsie meer. Of ze worden bij tijd en wijle sjaggie, he Willemien?’
Door het geven van een klopje gaf hij het dier te kennen dat het goed was.
‘Wilhelmina… een aparte naam voor een hond,’ begon ik, enthousiast. ‘Ze lust vast pepermuntjes.’
‘Dat zou je denken. Niet dus. Eigenlijk heet ze gewoon Wilhelmina. Meneer, u zou eens moeten weten de hoeveelste persoon u met die opmerking bent. ‘Noem haar dan ook niet zo,’ zeggen ze dan. Daar hebben ze een punt maar dan klopt het niet meer.’
In de veronderstelling dat ik op de een of andere wijze in het ootje genomen werd in welk geval de confrontatie snel kwam wachtte ik af.
‘Ik noem haar zo omdat ik op dezelfde dag dat ik haar vond, ik tegelijk een zilveren rijksdaalder uit 1939 tegenkwam met haar beeltenis erop. Wilhelmina dus. Het was op een maandag. Dat weet ik zeker want dat is bezorgdag en dan zit ik altijd op deze plek tot de leveranciers komen. En daar lag ze, die munt dus. Recht voor me raap. Gewoon open en bloot zeg maar, half in het zand. Vind u dat niet gek?’
Van de inspanning mij Prins-gemaal Hendrik voor te stellen die wanneer zijn Koningin daar recht tegenover hem zo in het zand had gelegen iets soortgelijks zou hebben gedacht, zag ik af.
‘Het heeft iets ongedwongens,’ vond ik oprecht. ‘U hebt ‘m toch zeker wel bewaard, hoop ik?’
‘Niet echt. Ik ben er gelijk mee naar de dierenwinkel in de Keizerstraat gegaan om hem te ruilen tegen een baal brokken, koekjes, een riem en een mand.’
‘U bent volgens mij trouwens niet van hier of ik vergis mij sterk in u,’ ging hij in een stuk door. Niet lokaal, bedoel ik daarmee. Dat kan ik zien maar bij u hoor ik het ook. Ikzelf ben trouwens ook niet van hier hoor. Oorspronkelijk kom ik uit hartje Utrecht. Wist ik veel van Scheveningen… In mijn tijd bleef je ‘s zomers in de stad. Zwemmen in de gracht, rotzooi trappen met de juten. Ik heb Scheveningen leren kennen van de ansichtkaarten die mijn dure vriendjes mij steeds iedere zomer stuurden. Met zulke enge blauwe luchten dat je er naar van werd. Het wolkenloze soort waarvan ik vanaf mijn balkon al kon zien dat ze wel nep moesten zijn. “Groeten uit Scheveningen”, stond er, met het gemeentewapen met de drie haringen. De kerktoren op het plaatje ernaast was die van Bergen aan Zee. Een foutje dacht ik dan, en dat waren er in die tijd meer dan één.’
Op mijn vraag hoe het kwam dat hij dat zo wist, wees hij naar een rijtje zichtbaar door de zilte lucht aangevreten bouwsels waarvan een, voorzien van openstaande witte luiken nog open bleek te zijn. De anderen waren kennelijk uit gebrek aan klandizie of wegens “einde seizoen” voortijdig al dichtgetimmerd.
‘U bent zo’n beetje mijn laatste klant dit jaar,’ sprak hij onder het opvallend soepel uit de knieën opveren mijn directe geldelijke vermogens inschattend. ‘Sorry. Dat ligt eraan wat of u hebben wou.’
‘Op zich eigenlijk niks,’ wilde ik achter hem aan lopend zeggen, maar bedacht me bij het zien van een aantal retro posters uit de jaren zestig.
‘Die zijn tegenwoordig erg gewild,’ knikte hij toen hij zag welke ik bedoelde. ‘Piz Buin. Rare naam wel als je er goed over nadenkt. “Pisbruin”, zo noemden wij het. Vroeger hing hier een enorm reclamebord van dat merk. Nu vraag ik mij alleen nog af wat voor lui in dat soort uitingen geïnteresseerd zijn. Ik bedoel: what’s in a name?’
‘Wilhelmina?’ probeerde ik en zag aan zijn gezicht dat het goed was.
‘Neem maar mee,’ zei hij in een grijns. ‘Die was ook de laatste van een tijdperk.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

     ‘

 

  

DRANG

Jaargang 3, Kronkeling Nr. 106, donderdag 6 september 2018

 

 

DRANG

 

In het voorjaar, meestentijds rond Pasen, en dan op zulke momenten waarop ze mij het slechtst uitkomen, word ik gegrepen door een curieuze drang. Gratis, dat weer wel.
De oorzaak van het defect -de drang is inmiddels ondraaglijk- kan in vergelijking met andere gratis Hollandse dagbestemmingen inferieur worden genoemd, zelfs minder nog dan de op TV ons gratis door fabrikanten van gehoorapparaatjes of opticiens aangeboden klok. Instituten als kinderjaren en het journaal vind ik sowieso ongeschikt om door op winst beluste firma’s te worden geaccrediteerd.
In het Duits krijgt het woord drang de klank als een begeerte naar iets, “ein unvollendete.” Die van mij daarentegen is klar definiert, afkomstig uit de jaren zeventig als gevolg van een psychose uit een unnachgiebig starre houding van mijn opvoeders wat ik jammer vind omdat ik die nadien nooit heb kunnen analyseren.
U begrijpt inmiddels dat het hier niet gaat om onverwerkt kinderleed, of onbevredigde materiële verlangens. Daarin moet ik u teleurstellen.
Mijn prive-psychose betreft de onbedwingbare dwang alsnog de Keukenhof in Lisse te moeten bezoeken.
Dit behoeft uitleg.
Dat het ondanks dat tot nu toe nog steeds niet van een bezoek is gekomen is te wijten aan het bestaan van de psychose zelf en een menselijk fenomeen: het wegblijven bij een vaste bezienswaardigheid om de reden dat je het object op elk gewenst ogenblik daarna alsnog kan bezoeken.
In dit geval was de oorzaak van het uitstel de afwezigheid van enig talent voor rijvaardigheid en anticiperingsvermogen van mijn stiefvader. Hij was in de jaren zeventig de laatste Nederlander die -met de hakken over de sloot- op zijn eenenveertigste zijn rijbewijs wist binnen te halen, tot schrik van mijn moeder, bang als ze was dat hij direct goud uit zijn roze papiertje wilde slaan, wat inderdaad gebeurde.
‘Zondag is het zover. We gaan naar de Keukenhof,’ meldde hij opgetogen.
‘Zondag al?’ pruttelde mijn moeder.
‘Waarom niet. Wie houdt ons tegen?’
‘Is dat nu wel verstandig,’ vroeg ze. ‘Je hebt nog geen enkele ervaring.’
‘Dat komt onderweg vanzelf wel,’ zo luidde zijn weerwoord. ‘Als we verkeerd rijden merken we dat vroeg genoeg.’
Waar ook wat op aan te merken viel waren zijn zenuwen. Ter hoogte van het halverwege de A12 gelegen tankstation ging het mis toen het raam van het portier aan mijn kant in honderden stukjes glas uiteenviel en ter plaatse kon worden gerepareerd met behulp van een stuk van ma’s tussen de rubbers ingeklemde regenponcho. Lezers zal het intussen zijn opgevallen dat als met de A12 en Den Haag als gekozen vertrekpunt de route is naar de Keukenhof, Arnhem eerder als doel in zicht komt.
Bij Woerden vielen de zenuwen van mijn stiefvader die door het puntje van zijn tong buitenboord te steken, niets van zijn miskleun wilde laten merken, pas goed op. Bij het bord Afslag Alphen a/d Rijn wist hij alsnog achteraan aan te sluiten bij de uitlaatgassen van andere auto’s met de Keukenhof in het vizier, herkenbaar aan de verveelde gele sticker op de blikken achterruit.
‘Wat wordt het hier opeens druk,’ merkte mijn moeder op, wakker geschrokken door het kabaal  afkomstig uit een radio van een pal naast de weg geparkeerd Oud-Hollandse frietkraam. “…Naar de bollen,’ klonk het.
Aanleiding voor haar was het zien van de van twee kanten tegelijk zich op dezelfde weg als waar wij op reden zich er tussen wurmend rijen auto’s.
‘Waar moeten al die mensen naartoe?’
‘Naar waar wij en de rest van het land juist vandaag ook allemaal naartoe schijnen te moeten moeders,’ liet Pa sarcastisch geworden weten. ‘Dat gezin voor ons ook. Dat is toevallig. En die daarvoor…’
‘En alles dat achter ons rijdt,’ liet ik na een blik uit de achterruit weten.’
‘En de rest. Alle Duitsers, Belgen, Fransen, zes touringcars vol Japanners, twee met Zweden, Denen, en vier vol met bejaarden,’ meldde mijn halfzus ongevraagd, vanaf de achterbank bezig met het smeden van onze plannen: het aanvallen van het restaurant. Als altijd hongerige puber had ik zo mijn eigen ideeën over het identificeren en vangen van geschikt “wild.”
    ‘Zo wordt het niks. We kunnen beter omkeren en het op een andere dag nog eens proberen,’ gaf hij ten slotte uren later toe.
‘Ja. Het liefst op maandagmorgen,’ probeerde ik.
‘Dat zou je wel willen,’ was pa’s antwoord die de BMW voor ons in een beweging dezelfde rij waarin wij stonden zag verlaten.
‘Waarom ook niet? De Keukenhof is dan wel aan het eind van deze weg, hemelsbreed nog steeds 2,4 kilometer maar als er niets veranderd blijft hij onbereikbaar.’Bruusk gooide hij het stuur om zodat hij zonder te kijken achteruit een stuk van de andere stoep moest nemen, daardoor tegen een draaiorgel aanreed dat toepasselijk het nummer “Naar de bollen,” van Louis Davids uit zijn binnenste liet horen die hij daar kennelijk niet verwachtte, vernielde twee daar volgens het bordje door de Keukenhof aangeboden cementen bloembakken vol trompetnarcissen en voort ging het weer, dit keer in tegenovergestelde richting waar de voorste wagen van het ons nu tegemoet rijdende bloemencorso verscheen. Gelukkig bleek de optochtleider in ons geval erg coulant. We mochten van hem zomaar de rijen auto’s verlaten en zomaar doorrijden als het maar in de richting van de snelweg was.
Uren na thuiskomst zat Louis Davids deuntje nog steeds in mijn hoofd.
“Naar de bollen, naar die rottige bollen…”

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.