0 Flares Twitter 0 Facebook 0 Google+ 0 LinkedIn 0 Pin It Share 0 Email -- Buffer 0 0 Flares ×

Jaargang 3, Kronkeling 107, donderdag 13 september, 2018

 

 

WILHELMINA

 

    ‘Scheveningen hautain,’ snotterde de man na het oplezen van de voorkant van het lokale krantje.
Het kwam er gewraakt uit.
‘Den Háág wel, maar Schèveningen…’
Wat door kon als een review voor een kuuroord klonk nu als een derdegraads brandwond.    ‘Niks hautain. Een arrogante badjuffrouw, dát was ze.’
Hij bracht het met zo veel omhaal dat ik de obelisk aan de voet van het duin waaraan we zaten even zag wankelen.
Met het helblonde -het kon ook wit zijn- door de straffe westenwind in een onwillige op zijn bruinverbrande hoofd geworpen toefje haar had hij wel iets weg van Kuifje maar dan zonder Bobby. Het teefje, half verscholen onder de bank waarop wij zaten bezat aan haar opgetrokken lippen te zien in tegenstelling tot zijn slimme neef een vooral hongerig soort intelligentie.
‘Ze doet je niks hoor,’ sprak het baasje niet ongeamuseerd. ‘Ze is bijna blind en lust alleen nog peperkoek. Daarbij, Willemientje is op jaren. Volgens de dierenarts zou ze omgerekend nu ongeveer zesenvijftig moeten zijn. De leeftijd waarop we allemaal een beetje bijziend worden. Sommigen een ietsepietsie meer. Of ze worden bij tijd en wijle sjaggie, he Willemien?’
Door het geven van een klopje gaf hij het dier te kennen dat het goed was.
‘Wilhelmina… een aparte naam voor een hond,’ begon ik, enthousiast. ‘Ze lust vast pepermuntjes.’
‘Dat zou je denken. Niet dus. Eigenlijk heet ze gewoon Wilhelmina. Meneer, u zou eens moeten weten de hoeveelste persoon u met die opmerking bent. ‘Noem haar dan ook niet zo,’ zeggen ze dan. Daar hebben ze een punt maar dan klopt het niet meer.’
In de veronderstelling dat ik op de een of andere wijze in het ootje genomen werd in welk geval de confrontatie snel kwam wachtte ik af.
‘Ik noem haar zo omdat ik op dezelfde dag dat ik haar vond, ik tegelijk een zilveren rijksdaalder uit 1939 tegenkwam met haar beeltenis erop. Wilhelmina dus. Het was op een maandag. Dat weet ik zeker want dat is bezorgdag en dan zit ik altijd op deze plek tot de leveranciers komen. En daar lag ze, die munt dus. Recht voor me raap. Gewoon open en bloot zeg maar, half in het zand. Vind u dat niet gek?’
Van de inspanning mij Prins-gemaal Hendrik voor te stellen die wanneer zijn Koningin daar recht tegenover hem zo in het zand had gelegen iets soortgelijks zou hebben gedacht, zag ik af.
‘Het heeft iets ongedwongens,’ vond ik oprecht. ‘U hebt ‘m toch zeker wel bewaard, hoop ik?’
‘Niet echt. Ik ben er gelijk mee naar de dierenwinkel in de Keizerstraat gegaan om hem te ruilen tegen een baal brokken, koekjes, een riem en een mand.’
‘U bent volgens mij trouwens niet van hier of ik vergis mij sterk in u,’ ging hij in een stuk door. Niet lokaal, bedoel ik daarmee. Dat kan ik zien maar bij u hoor ik het ook. Ikzelf ben trouwens ook niet van hier hoor. Oorspronkelijk kom ik uit hartje Utrecht. Wist ik veel van Scheveningen… In mijn tijd bleef je ‘s zomers in de stad. Zwemmen in de gracht, rotzooi trappen met de juten. Ik heb Scheveningen leren kennen van de ansichtkaarten die mijn dure vriendjes mij steeds iedere zomer stuurden. Met zulke enge blauwe luchten dat je er naar van werd. Het wolkenloze soort waarvan ik vanaf mijn balkon al kon zien dat ze wel nep moesten zijn. “Groeten uit Scheveningen”, stond er, met het gemeentewapen met de drie haringen. De kerktoren op het plaatje ernaast was die van Bergen aan Zee. Een foutje dacht ik dan, en dat waren er in die tijd meer dan één.’
Op mijn vraag hoe het kwam dat hij dat zo wist, wees hij naar een rijtje zichtbaar door de zilte lucht aangevreten bouwsels waarvan een, voorzien van openstaande witte luiken nog open bleek te zijn. De anderen waren kennelijk uit gebrek aan klandizie of wegens “einde seizoen” voortijdig al dichtgetimmerd.
‘U bent zo’n beetje mijn laatste klant dit jaar,’ sprak hij onder het opvallend soepel uit de knieën opveren mijn directe geldelijke vermogens inschattend. ‘Sorry. Dat ligt eraan wat of u hebben wou.’
‘Op zich eigenlijk niks,’ wilde ik achter hem aan lopend zeggen, maar bedacht me bij het zien van een aantal retro posters uit de jaren zestig.
‘Die zijn tegenwoordig erg gewild,’ knikte hij toen hij zag welke ik bedoelde. ‘Piz Buin. Rare naam wel als je er goed over nadenkt. “Pisbruin”, zo noemden wij het. Vroeger hing hier een enorm reclamebord van dat merk. Nu vraag ik mij alleen nog af wat voor lui in dat soort uitingen geïnteresseerd zijn. Ik bedoel: what’s in a name?’
‘Wilhelmina?’ probeerde ik en zag aan zijn gezicht dat het goed was.
‘Neem maar mee,’ zei hij in een grijns. ‘Die was ook de laatste van een tijdperk.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

     ‘

 

  

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *