BRIEVEN I, VAN VADERS EN VUURLUIKEN

Brieven I

 

 

VAN VADERS EN VUURLUIKEN

 

Amice,

 

Het is met een ingetogen vertoon van jolijt dat uw vriend en toegewijd correspondent zich deze keer tot u richt na uw uiterst belangwekkende zaken aan mij ter kennis te hebben gegeven.
Vanmorgen, het kan een kwartier maar evengoed ook een half uur zijn geweest, in ieder geval ruimschoots na het krieken, zoals ik het rumoerige moment van de dageraad waarop lastige ouden van dagen in de straat hun honden voeren met brood en botten noem, toen mijn zoon die al eerder “op” was, meldde dat meneer pastoor in hoogst eigen persoon in het keukenraam was verschenen!…
Het is vanaf deze plek dat ik met grote nuchterheid weet te stellen dat pastoors, ingerekend andere gezagsdragers van geestelijke aard zich normaal gesproken zelden of nooit op deze wijze aan hun kudde tonen. U zult zich dus mijn opwinding kunnen voorstellen, wetende dat ondergetekende niet praktiseert als gelovige binnen de Rooms-katholieke kerk en om die reden Zijn volgelingen of afspiegelingen van Hem naar verderop gelegen plekken verwijst. Daarnaast zult u zich mijn nog grotere opwinding voor moeten stellen als ik u bericht dat zijn verschijning niet alleen hemzelf betrof, maar werd vergezeld van de heer Leo Ferro, dorpssmid van Ferreiras.

Amice, ik pas ervoor u te vertellen hoe de zaken in zowel het aetherische alswel dit ondermaanse in elkaar steken. Gij weet evenals ik hoe de dingen die wij kunnen waarnemen zich soms zo ongelijksoortig kunnen voordoen, in verscheidenheid verkeren, kortom, gij weet zowel van de hoed als de rand. Met andere woorden: wij noemen elkaar geen imbeciel. Luttele, vooreerst onbenullig zaken blijven je bij en weten van geen wijken terwijl weer andere, aanzienlijk belangrijker zaken nog voordat ze de kans krijgen te bezinken je hoofd alweer verlaten met een snelheid al betrof het een kolonie stokstaartjes, op de vlucht geslagen voor het kwaad dat hen dagelijks boven het olijke kopje zweeft. Waarschijnlijker was de vergelijking met een horde mollen vele malen toepasselijker geweest. Helaas gaat die hier niet op. Het portret van een ondergronds levend dier zoals een mol roept bij het publiek een exacter beeld op bij het schetsen van mijn te betreuren bestaan.
Ter zake nu.
U zult zich om bovenvermelde reden mijn gezicht voor kunnen stellen bij het waarnemen van het gezelschap, wetende dat ondergetekende literair nogal eens een draakje met de Portugezen mag steken, dus stelt u zich mijn moeite die tegen heug en meug te moeten onderdrukken eens voor! Vanzelfsprekend haast ik mij erbij toe te moeten voegen, sterker, u op het hart te drukken als ik u verzeker zulks in het geval zeker niet met kwade bedoelingen of vanuit gevoelens van rancune zou hebben gedaan.
Hoe dan ook, het duurde even voordat ik besefte wat de aard van de verschijning was. Het kwam doordat de heer Ferro mij de avond ervoor zijn antwoord gaf op een eerder door mij aan hem gezonden bericht, waarin hij mij meedeelde al de volgende ochtend om negen uur langs te willen komen, om, vergezeld van de Vader van Paderne zoals hij daarin stelde, mij daarmee in de veronderstelling latend dat hij mij, vader van twee zonen, daarmee bedoelde, “deze” op verzoek te analyseren. Met “deze” vermoedde ik dat hij duidde op de kachelkap.

Dat zit zo: eerdaags was de heer Ferro, eerzaam burger van Ferreiras, handwerksman tevens smid van professie, bij mij ten huize voor het afleveren van een door ons bestelde kachelkap. Zo u weet bezat mijn kachel die daardoor voorheen nog stond te nietsnutten geen kap en was om die reden buiten gebruik gesteld. Het was ook nadat de voornoemde heer Ferro na aflevering van de door hemzelf met achterlating van de kap en een riedel humoristisch bedoeld Portugees -de man ondertekend met een knuffel- weer vertrok met zijn door ons onderling vooraf afgesproken honorarium (wij zijn niet gek), toen ik mij herinnerde de man in de vooravond nog snel een bericht te hebben gezonden voor het doen voltrekken van een ander godswonder. Zoals u misschien niet weet bezitten veel Portugese woningen geen stormluiken, dit vanwege het milde klimaat. Vele nachten van langdurig geklepper zorgden er echter voor dat twee ervan inmiddels letterlijk uit hun scharnieren zijn geroest. Herstel is hier geboden en een bericht is immers zo gezonden, zo redeneerde ik.
Of het de morfine was, mijn door de pijn nachtelijk en veelvuldig ijlen in de richting van het urinaal, ik wil er vanaf wezen. Pas toen ik vernam dat het meneer pastoor was die aan het keukenraam stond, begreep ik dat hij het was die bedoeld werd met “de Vader van Paderne”.
Een misverstand, zult u zeggen. Daarbij blijft het helaas niet. In een bescheiden bericht aan de heer Ferro mijn huis niet vóór november te bezoeken om de brandluiken te onderzoeken om de doodeenvoudige reden dat zulks geen zin heeft omdat ik niet kan lopen, had ik geschreven:
“De kamer waarin ik gelijk een kasplantje een nietig bestaan leidt is een van de ruimtes waar een vuurluik ontbreekt. Om mij daarin te moeten zien existeren is meer dan ik als mens zal kunnen verdragen. Mijn oprechte excuses daarvoor. De verwachting is dat ik tot november zal moeten rehabiliteren zodat ik weer als vanouds zal kunnen lopen. Ik zal u persoonlijk informeren wanneer dit gebeurt.”
U zult mijn schaamte kunnen begrijpen. De man heeft mijn geweeklaag als zijnde letterlijk beschouwd! Desalniettemin beloofde meneer Pastoor nadat ik hem via mijn zoon gerust stelde dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen, een goed woordje voor mij te doen en wanneer ik verlegen zat om hulp, ik maar naar de kerk toe zou hoeven te komen lopen. Het was maar een klein eindje.

 

Met een stevige handdruk, uw toegenegen vriend,

 

Ben Midland

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

  

 

 

WILHELMINA

Jaargang 3, Kronkeling 107, donderdag 13 september, 2018

 

 

WILHELMINA

 

    ‘Scheveningen hautain,’ snotterde de man na het oplezen van de voorkant van het lokale krantje.
Het kwam er gewraakt uit.
‘Den Háág wel, maar Schèveningen…’
Wat door kon als een review voor een kuuroord klonk nu als een derdegraads brandwond.    ‘Niks hautain. Een arrogante badjuffrouw, dát was ze.’
Hij bracht het met zo veel omhaal dat ik de obelisk aan de voet van het duin waaraan we zaten even zag wankelen.
Met het helblonde -het kon ook wit zijn- door de straffe westenwind in een onwillige op zijn bruinverbrande hoofd geworpen toefje haar had hij wel iets weg van Kuifje maar dan zonder Bobby. Het teefje, half verscholen onder de bank waarop wij zaten bezat aan haar opgetrokken lippen te zien in tegenstelling tot zijn slimme neef een vooral hongerig soort intelligentie.
‘Ze doet je niks hoor,’ sprak het baasje niet ongeamuseerd. ‘Ze is bijna blind en lust alleen nog peperkoek. Daarbij, Willemientje is op jaren. Volgens de dierenarts zou ze omgerekend nu ongeveer zesenvijftig moeten zijn. De leeftijd waarop we allemaal een beetje bijziend worden. Sommigen een ietsepietsie meer. Of ze worden bij tijd en wijle sjaggie, he Willemien?’
Door het geven van een klopje gaf hij het dier te kennen dat het goed was.
‘Wilhelmina… een aparte naam voor een hond,’ begon ik, enthousiast. ‘Ze lust vast pepermuntjes.’
‘Dat zou je denken. Niet dus. Eigenlijk heet ze gewoon Wilhelmina. Meneer, u zou eens moeten weten de hoeveelste persoon u met die opmerking bent. ‘Noem haar dan ook niet zo,’ zeggen ze dan. Daar hebben ze een punt maar dan klopt het niet meer.’
In de veronderstelling dat ik op de een of andere wijze in het ootje genomen werd in welk geval de confrontatie snel kwam wachtte ik af.
‘Ik noem haar zo omdat ik op dezelfde dag dat ik haar vond, ik tegelijk een zilveren rijksdaalder uit 1939 tegenkwam met haar beeltenis erop. Wilhelmina dus. Het was op een maandag. Dat weet ik zeker want dat is bezorgdag en dan zit ik altijd op deze plek tot de leveranciers komen. En daar lag ze, die munt dus. Recht voor me raap. Gewoon open en bloot zeg maar, half in het zand. Vind u dat niet gek?’
Van de inspanning mij Prins-gemaal Hendrik voor te stellen die wanneer zijn Koningin daar recht tegenover hem zo in het zand had gelegen iets soortgelijks zou hebben gedacht, zag ik af.
‘Het heeft iets ongedwongens,’ vond ik oprecht. ‘U hebt ‘m toch zeker wel bewaard, hoop ik?’
‘Niet echt. Ik ben er gelijk mee naar de dierenwinkel in de Keizerstraat gegaan om hem te ruilen tegen een baal brokken, koekjes, een riem en een mand.’
‘U bent volgens mij trouwens niet van hier of ik vergis mij sterk in u,’ ging hij in een stuk door. Niet lokaal, bedoel ik daarmee. Dat kan ik zien maar bij u hoor ik het ook. Ikzelf ben trouwens ook niet van hier hoor. Oorspronkelijk kom ik uit hartje Utrecht. Wist ik veel van Scheveningen… In mijn tijd bleef je ‘s zomers in de stad. Zwemmen in de gracht, rotzooi trappen met de juten. Ik heb Scheveningen leren kennen van de ansichtkaarten die mijn dure vriendjes mij steeds iedere zomer stuurden. Met zulke enge blauwe luchten dat je er naar van werd. Het wolkenloze soort waarvan ik vanaf mijn balkon al kon zien dat ze wel nep moesten zijn. “Groeten uit Scheveningen”, stond er, met het gemeentewapen met de drie haringen. De kerktoren op het plaatje ernaast was die van Bergen aan Zee. Een foutje dacht ik dan, en dat waren er in die tijd meer dan één.’
Op mijn vraag hoe het kwam dat hij dat zo wist, wees hij naar een rijtje zichtbaar door de zilte lucht aangevreten bouwsels waarvan een, voorzien van openstaande witte luiken nog open bleek te zijn. De anderen waren kennelijk uit gebrek aan klandizie of wegens “einde seizoen” voortijdig al dichtgetimmerd.
‘U bent zo’n beetje mijn laatste klant dit jaar,’ sprak hij onder het opvallend soepel uit de knieën opveren mijn directe geldelijke vermogens inschattend. ‘Sorry. Dat ligt eraan wat of u hebben wou.’
‘Op zich eigenlijk niks,’ wilde ik achter hem aan lopend zeggen, maar bedacht me bij het zien van een aantal retro posters uit de jaren zestig.
‘Die zijn tegenwoordig erg gewild,’ knikte hij toen hij zag welke ik bedoelde. ‘Piz Buin. Rare naam wel als je er goed over nadenkt. “Pisbruin”, zo noemden wij het. Vroeger hing hier een enorm reclamebord van dat merk. Nu vraag ik mij alleen nog af wat voor lui in dat soort uitingen geïnteresseerd zijn. Ik bedoel: what’s in a name?’
‘Wilhelmina?’ probeerde ik en zag aan zijn gezicht dat het goed was.
‘Neem maar mee,’ zei hij in een grijns. ‘Die was ook de laatste van een tijdperk.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

     ‘

 

  

DRANG

Jaargang 3, Kronkeling Nr. 106, donderdag 6 september 2018

 

 

DRANG

 

In het voorjaar, meestentijds rond Pasen, en dan op zulke momenten waarop ze mij het slechtst uitkomen, word ik gegrepen door een curieuze drang. Gratis, dat weer wel.
De oorzaak van het defect -de drang is inmiddels ondraaglijk- kan in vergelijking met andere gratis Hollandse dagbestemmingen inferieur worden genoemd, zelfs minder nog dan de op TV ons gratis door fabrikanten van gehoorapparaatjes of opticiens aangeboden klok. Instituten als kinderjaren en het journaal vind ik sowieso ongeschikt om door op winst beluste firma’s te worden geaccrediteerd.
In het Duits krijgt het woord drang de klank als een begeerte naar iets, “ein unvollendete.” Die van mij daarentegen is klar definiert, afkomstig uit de jaren zeventig als gevolg van een psychose uit een unnachgiebig starre houding van mijn opvoeders wat ik jammer vind omdat ik die nadien nooit heb kunnen analyseren.
U begrijpt inmiddels dat het hier niet gaat om onverwerkt kinderleed, of onbevredigde materiële verlangens. Daarin moet ik u teleurstellen.
Mijn prive-psychose betreft de onbedwingbare dwang alsnog de Keukenhof in Lisse te moeten bezoeken.
Dit behoeft uitleg.
Dat het ondanks dat tot nu toe nog steeds niet van een bezoek is gekomen is te wijten aan het bestaan van de psychose zelf en een menselijk fenomeen: het wegblijven bij een vaste bezienswaardigheid om de reden dat je het object op elk gewenst ogenblik daarna alsnog kan bezoeken.
In dit geval was de oorzaak van het uitstel de afwezigheid van enig talent voor rijvaardigheid en anticiperingsvermogen van mijn stiefvader. Hij was in de jaren zeventig de laatste Nederlander die -met de hakken over de sloot- op zijn eenenveertigste zijn rijbewijs wist binnen te halen, tot schrik van mijn moeder, bang als ze was dat hij direct goud uit zijn roze papiertje wilde slaan, wat inderdaad gebeurde.
‘Zondag is het zover. We gaan naar de Keukenhof,’ meldde hij opgetogen.
‘Zondag al?’ pruttelde mijn moeder.
‘Waarom niet. Wie houdt ons tegen?’
‘Is dat nu wel verstandig,’ vroeg ze. ‘Je hebt nog geen enkele ervaring.’
‘Dat komt onderweg vanzelf wel,’ zo luidde zijn weerwoord. ‘Als we verkeerd rijden merken we dat vroeg genoeg.’
Waar ook wat op aan te merken viel waren zijn zenuwen. Ter hoogte van het halverwege de A12 gelegen tankstation ging het mis toen het raam van het portier aan mijn kant in honderden stukjes glas uiteenviel en ter plaatse kon worden gerepareerd met behulp van een stuk van ma’s tussen de rubbers ingeklemde regenponcho. Lezers zal het intussen zijn opgevallen dat als met de A12 en Den Haag als gekozen vertrekpunt de route is naar de Keukenhof, Arnhem eerder als doel in zicht komt.
Bij Woerden vielen de zenuwen van mijn stiefvader die door het puntje van zijn tong buitenboord te steken, niets van zijn miskleun wilde laten merken, pas goed op. Bij het bord Afslag Alphen a/d Rijn wist hij alsnog achteraan aan te sluiten bij de uitlaatgassen van andere auto’s met de Keukenhof in het vizier, herkenbaar aan de verveelde gele sticker op de blikken achterruit.
‘Wat wordt het hier opeens druk,’ merkte mijn moeder op, wakker geschrokken door het kabaal  afkomstig uit een radio van een pal naast de weg geparkeerd Oud-Hollandse frietkraam. “…Naar de bollen,’ klonk het.
Aanleiding voor haar was het zien van de van twee kanten tegelijk zich op dezelfde weg als waar wij op reden zich er tussen wurmend rijen auto’s.
‘Waar moeten al die mensen naartoe?’
‘Naar waar wij en de rest van het land juist vandaag ook allemaal naartoe schijnen te moeten moeders,’ liet Pa sarcastisch geworden weten. ‘Dat gezin voor ons ook. Dat is toevallig. En die daarvoor…’
‘En alles dat achter ons rijdt,’ liet ik na een blik uit de achterruit weten.’
‘En de rest. Alle Duitsers, Belgen, Fransen, zes touringcars vol Japanners, twee met Zweden, Denen, en vier vol met bejaarden,’ meldde mijn halfzus ongevraagd, vanaf de achterbank bezig met het smeden van onze plannen: het aanvallen van het restaurant. Als altijd hongerige puber had ik zo mijn eigen ideeën over het identificeren en vangen van geschikt “wild.”
    ‘Zo wordt het niks. We kunnen beter omkeren en het op een andere dag nog eens proberen,’ gaf hij ten slotte uren later toe.
‘Ja. Het liefst op maandagmorgen,’ probeerde ik.
‘Dat zou je wel willen,’ was pa’s antwoord die de BMW voor ons in een beweging dezelfde rij waarin wij stonden zag verlaten.
‘Waarom ook niet? De Keukenhof is dan wel aan het eind van deze weg, hemelsbreed nog steeds 2,4 kilometer maar als er niets veranderd blijft hij onbereikbaar.’Bruusk gooide hij het stuur om zodat hij zonder te kijken achteruit een stuk van de andere stoep moest nemen, daardoor tegen een draaiorgel aanreed dat toepasselijk het nummer “Naar de bollen,” van Louis Davids uit zijn binnenste liet horen die hij daar kennelijk niet verwachtte, vernielde twee daar volgens het bordje door de Keukenhof aangeboden cementen bloembakken vol trompetnarcissen en voort ging het weer, dit keer in tegenovergestelde richting waar de voorste wagen van het ons nu tegemoet rijdende bloemencorso verscheen. Gelukkig bleek de optochtleider in ons geval erg coulant. We mochten van hem zomaar de rijen auto’s verlaten en zomaar doorrijden als het maar in de richting van de snelweg was.
Uren na thuiskomst zat Louis Davids deuntje nog steeds in mijn hoofd.
“Naar de bollen, naar die rottige bollen…”

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

  

 

 

 

BORIS

Jaargang 3, Kronkeling 105, 30 augustus 2018

 

 

    ‘Ik moet naar de Oude Molstraat, maar ik wil niet.’
De kennelijk aan mij gedane mededeling van de man klonk als het laatste verzet tegen een op handen zijnde deportatie.
‘Eigenlijk moet ik ook op de Lutherse Burgwal wezen, maar daar is het minder leuk.’
Beiden stonden we aan de rand van de stoep, te wachten op het moment dat het voetgangerslicht voor ons beide uitkomst ging bieden. Aan zijn juveniele gezicht en ietwat onbeholpen postuur te zien was hij van een jonge leeftijd, omstreeks de twintig, schatte ik.    ‘In de Molstraat is het waar ze mij kennen gezelliger, maar ze sluiten eerder,’ vervolgde hij spijtig nadat het voor ons eindelijk op groen sprong en we weer konden lopen. ‘En op de Burgwal zijn ze wel langer open en is het drukker maar daar ken ik weer niemand.’
Als Hagenaar was ik bekend met beide café’s maar was er jaren niet meer geweest en kon mij er als gevolg daarvan op dat moment weinig opwindends meer bij voorstellen.
‘Dan gaat u toch gewoon niet naar de Oude Molstraat?’ stelde ik voor. ‘Probeer dan eerst die op de Lutherse Burgwal. Bevalt die niet dan kunt u altijd nog besluiten om terug te gaan.’
Aan zijn abrupt tot een volledige stop gekomen blik kon ik zien dat hij mijn voorstel sterk overwoog. Met zijn slungelige houding en het rond zijn gezicht neerhangende, stroblonde vlassige haar had hij op het eerste gezicht wat weg van een vogelverschrikker.
‘Dat is een keus. Maar stel nou dat er op de Burgwal toevallig vanavond iemand is die mij wel kent? Dan loop ik de volgende dag de hele tijd met het gevoel rond dat ik er dan nooit achter zal komen of het in de Molstraat niet leuker was dan op de Burgwal.’

Op die geestelijke spreidstand wist ik niet zo een-twee-drie een passend antwoord te vinden.    ‘Bel ze dan op, bij de Mol,’ antwoordde ik zo opgeruimd mogelijk. ‘Vraag ze of het druk is. En anders hoor je dat vanzelf wel aan de achtergrondgeluiden.’
Hij schudde een paar keer zijn hoofd. ‘Ze nemen niet op, dat weet ik zeker. Ik heb het al eerder geprobeerd.’
‘Als ze niet opnemen is het meestal druk,’ poogde ik bij wijze van laatste redmiddel. ‘Dan weet je genoeg.’
Even scheen hij mijn voorstel in overweging te nemen.
‘Kijk, op de Burgwal is het altijd druk,’ zei hij zorgvuldig doch op behoedzame toon. ‘Die garantie heb ik. Ik voel me er tussen de vele verschillende mensen die er komen meer… op mijn gemak. Ik heb last van pleinvrees, ziet u. Gewoon thuis of in druktes heb ik er geen last van. Wel als ik ergens alleen ben of sta, zoals daarnet. Dan raak ik in paniek en wordt ik het liefst meteen onzichtbaar of zak ik ter plekke door de grond. Raar, vind u niet?’
‘Och,’ antwoordde ik. ‘Het valt reuze mee vind ik zelf. Er zijn wel ergere dingen waar een mens aan kan lijden. Vroeg of laat krijgen we allemaal wel ergens last van. Dat van jou zit aan de binnenkant waar niemand het ziet. Een horrelvoet daarentegen…’
Ik leek hem daar wat mee op te beuren, want rond zijn roze, vlezige mond verscheen na twee aanvankelijk nog argwanende plooien een innemende grijns.
‘Die heb ik gelukkig niet,’ lachte hij. ‘Ik heet Boris,’ mij een milde hand toestekend. ‘Sorry. Ik weet niet waarom het mij juist nu overkomt. Normaal gesproken zou ik het nooit gedurfd hebben u een hand te geven, maar bij u heb ik om de een of andere manier het zekere gevoel dat ik u iets kan toevertrouwen. Het is of ik u vaag ergens van ken, al heb ik geen flauw idee waarvan. Wat doet u als ik vragen mag?’
Ik vertelde hem dat ik schrijver was van onder meer korte verhalen die ik bij wijze van krant op een website plaats zodat mensen die daar behoefte aan hebben ze gratis kunnen lezen.    ‘Cool, een schrijver,’ antwoordde hij breed grijnzend. ‘Daar zal het dan wel door komen. Dat ik u daarnet om een of andere reden aan moet hebben gevoeld, bedoel ik. Schrijvers zijn vaak hooggevoelig voor veel dingen, heb ik ergens gelezen, net als ik.’
Een lichte blos trok over zijn gezicht.
‘Excuses. Daar moet u verder niets achter zoeken hoor. Het komt doordat de meeste andere mensen die ik ken zo… gedempt zijn in hun contact met anderen. Veel minder…‘
‘Al goed. Minder wat?’ reageerde ik voorzichtig, want als het om het beoordelen van andermans oprecht geuite gevoelens gaat, ben ik erg terughoudend.
‘Nou, ze zijn zo geesteloos, vind ik. Ik ben negentien jaar en van een andere generatie dan u, al wil ik er gelijk bij zeggen dat ik u niet oud vind, integendeel. Wat ik daarmee bedoel is dat als ik u niet had gevraagd had naar welk café ik het beste eerst heen kon gaan dan was u gewoon doorgelopen en had u waarschijnlijk ‘rot op, gek’ naar mij geroepen, of mij in het voorbijgaan gezegd dat ik niet goed snik was, dat wist ik daarnet heel zeker. Maar het doet mij niets meer. Het overkomt mij zowat iedere dag. Ik ben nu eenmaal een flapuit qua karakter. Daar moet ik tegenwoordig erg mee oppassen, dat weet ik. Je kunt beter je mond houden op straat maar dat verdom ik. Maar u deed dat niet. U bleef staan om naar mij te luisteren. Dat ben ik niet meer gewend, dat iemand, een vreemde, zomaar naar mij luistert. Het heeft ervoor gezorgd dat ik alleen nog maar kom op plekken waar ik mijzelf veilig voel.’    ‘Je lijkt me een verstandige jongen,’ merkte ik op.
Na te zijn gestopt keek hij mij aanvankelijk weifelend aan.
‘Meent u dat nou?’
‘Zeker. Anders had ik het niet tegen je gezegd.’
‘Weet u, dat zeggen er wel meer. Om de waarheid te zeggen, een paar vrienden. De enigen die ik nog over heb. De rest is afgehaakt. Ik was te saai in hun ogen. Ik drink niet zoveel als zij bijna elke avond doen. Hooguit een of twee biertjes, meer niet. Die dat destijds zeiden zijn de verkeerde vriendjes van nu, zag ik na een tijdje in. Het soort dat niet wil deugen. Nog steeds niet. Ze noemen mij saai, maar zelf zijn ze leeg. Ze hangen rond in foute café’s waar altijd gedonder is en halen rottigheid uit. Niks voor mij.’
‘Hier moet ik linksaf,’ sprak hij plotsklaps stilstaand, mij voor de tweede keer een hand gevend. ‘Dank u wel meneer. Ik vond het een leuk gesprek. Het was helemaal zoals ik mij het had voorgesteld. De ontmoeting met een schrijver. En nog bedankt voor de tip voor de Burgwal, ook al nemen ze daar niet op.’
Ik knikte terug. ‘Ik vond het een enerverend onderhoud.’
‘Dat is typisch een antwoord van een schrijver,’ meldde hij. ‘Zulke dingen zegt mijn vader, een onverbeterlijke boekenworm ook soms.’
‘Dat zal best. Het blijft jammer, voor de Burgwal’ zei ik.
‘Hoezo?’
‘Daar krijgen ze vast spijt van wanneer ze je beter kenden. Ik wens je nog een fijne avond, Boris.’
‘O, zo. Nou, ik u ook. Dag!’
Bij thuiskomst vertelde ik mijn vrouw over de ontmoeting die ik had met Boris.

    ‘Ze bestaan nog, de jongens uit de jeugdboeken die ik vroeger las. Ze zijn niets veranderd, hooguit wat gemoedelijker geworden. En voorzichtiger. Die hebben we hard nodig in dit land. Deze heette Boris. Die komt er wel.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

  

    

 

    

 

APOCALYPSE NOW (II)

Jaargang 3, Kronkeling 104, donderdag 23 augustus 2018

 

 

APOCALYPSE NOW (II)

 

    ‘Je ziet er belabberd uit,’ liet mijn vrouw mij na twee dagen uit wat op een verschrikking was uitgelopen, weten. ‘Weet je zeker dat we er goed aan hebben gedaan er weg te lopen?’
Voor het verzinnen van een passend antwoord hoefde ik niet na te denken.
‘Als ik er gebleven was zouden we er vast en zeker levend zijn opgepeuzeld door levensgrote bacteriën of virussen zo hongerig als ratten,’ verzekerde ik. ‘We kunnen het wel elders gaan proberen, voor een second opinie.’
Wat later bevond ik mij sabbelend op een Wilhelmina pepermuntje in de wachtkamer van de praktijk van een in de buurt wonende Hollandse dokter.
‘U lijdt aan zware bloedarmoede,’ stelde de man na de uitslag van het lab vast. ‘U kunt zo niet blijven doorlopen en al helemaal geen pepermuntjes sabbelen. Het beste is dat u zich onmiddellijk in het ziekenhuis meldt.’

Na in te hebben gezien dat ik dit keer weinig keus had, pakte ik een toilettas en schone onderkleding en een t-shirt bij elkaar in een tas en schoof naast mijn vrouw de auto in.
    ‘Kijk pa, ze hebben hier ook een mor-tu-a-rium,’ speldde de jongste bereidwillig een half uur later vanaf de achterbank bij het zien van een naast de Eerste Hulp gelegen deur. Erop was wat hij noemt een piratenvlag te zien.
‘Ja. Wel handig, zo vlak ernaast,’ vulde ik snel aan, inmiddels bekend met pubers in een leeftijd wie je hun nog niet dòòrontwikkelde frontale hersenkwab de kans moet geven voor hun eigenaars beurt te antwoorden.
Eenmaal binnengekomen werd het wat sommige vaste bewoners van de wachtkamer die daar nog steeds schenen te zitten een apart weerzien, maar dan met gemengde gevoelens. De intake-zuster was intussen ingeruild voor een zwaarder exemplaar. Het inlijfritueel met de vinger was compleet met de standaard infuuszak hetzelfde gebleven.
‘Hoe lang zou het dit keer duren voor ze erachter komen dat we hier nu al weer zes uur lang voor niets zitten?’ zei mijn vrouw toen het buiten weer donker was. ‘Ik ga op zoek naar een dokter voor jou. Eentje die mij mij iets kan vertellen over waar dit over gaat en wat er met je gaat gebeuren. Of beter: waarom nog steeds niet.’
Ze was weer snel terug, de stromen mensen die na een dag voor niets te hebben gewacht met moeite ontwijkend. Dit keer echter met een op een jonge Rudolf Valentino lijkende man in haar kielzog, op wiens nog jeugdige gezicht ik puistjes ontdekte die mij zeiden dat er iets was met zijn frontale hersenkwab.
‘Dit is jouw dokter,’ sprak ze. ‘Hij heeft ons iets te vertellen.
 Ik heb er een paar aan hun jas getrokken die er uitzagen als een dokter en je naam “jakoeboes” geroepen in de hoop dat er een hapte. Deze reageerde.
‘Bent u jakoeboes?’ wilde de man weten, waarop ik dat beaamde.Vervolgens luisterde hij naar de volgroeide bassen van de Stradella accordeon die ik in mijn strottenhoofd had zitten en trok tegelijkertijd het onderste lid van mijn linkeroog naar beneden.
    ‘U bent ziek,’ sprak hij.
Portugezen maken niet zulke grapjes. Wel over ezels, kippen, geiten, vrouwen met snorren en voetbal.
‘Om u de waarheid te vertellen: wij tasten omtrent u in het duister,’ meneer jakoeboes,’ meldde hij in een Franckenschnitzel Engels. ‘Er zullen meer tests op u moeten worden gedaan. Ik ben hematologisch specialist en stel voor een gat van tien centimeter diep in uw sleutelbeen te zullen boren. Met dat wat daar uitkomt voer ik zeker een week lang mijn goudvissen.’ Dat was tenminste waar ik hem van verdacht dat hij tegen mij zei want ik luisterde niet. Alle hoop laten varend zag ik intussen hoe in de gang achter hem twee brandweerlieden, -in Portugal verricht de brandweer buiten het uitrukken en blussen ook diensten aan de gezondheidszorg- een brancard tussen hen in voortduwden met er op onder een wit laken een persoon.
‘Een punctie, is dat echt noodzakelijk?’ vroeg mijn vrouw geschrokken. ‘Zijn er geen andere manieren om erachter te komen wat mijn man heeft?’
‘Een paar,’ gaf de man toe. ‘We willen zekerheid. Die krijgen we met een punctie.’
‘Volgens mij houden ze iets achter, iets dat ze ons niet willen zeggen,’ zei ze met grote stelligheid in mijn richting.
‘Ken je het verhaal van Sherlock Holmes “Het Avontuur van de Gespikkelde Band,” waarin hij zegt: ‘When a doctor does go wrong, he is the first of criminals. He has the nerve and he has the knowledge”? vraag ik haar. ‘Dit is hetzelfde. Die man komt bij mij nergens aan. Een hand kan hij van mij krijgen. Meer niet.’
‘Ik kom later bij u terug, meneer jakoeboes, zei hij na een moment. ‘Het is tijd voor mijn pauze. Blijft u hier een uurtje wachten, dan wordt u straks opgehaald voor de ingreep.’
Drie uur ‘s morgens, zonder nog de dokter te zijn tegengekomen vonden we het wachten weer welletjes. Zonder het wakend oog van een bewaker, nog met het infuus in mijn arm gestoken  verlieten we het ziekenhuis, mijn vrouw voorop.
‘Wat een afschuwelijk oord. Ik wil hier nooit meer heen,’ liet ze mij nadat ik haar mijn arm aanbood weten. ‘Bestaan er geen andere of zijn ze allemaal zo erg?’
‘Die vraag kun je jezelf inderdaad stellen,’ was mijn antwoord. ‘Ik vermoed dat veel dingen hier eender zijn geregeld. ‘s lands wijs, ‘s lands eer.’
‘Maar wat doen we nu? Je bent nog steeds ziek.’
‘Eerst slapen,’ opperde ik. ‘En morgen wakker worden uit de slechtste parodie op een rampenfilm ooit gemaakt. Daarna kijken we verder.’
‘Bijna,’ zei ze, wegrijdend van het in de mistroostige gele straatverlichting gehulde gebouw. ‘Alleen de acteurs. Die waren echt.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

APOCALYPSE NOW (I)

Jaargang 3, Kronkeling Nr. 103, donderdag 16 augustus 2018

 

 

 

APOCALYPSE NOW (I)

 

    ‘Ik wed dat van al deze mensen die hier zitten er geen enkel een beetje besef heeft van persoonlijke hygiëne,’ sprak mijn vrouw afkeurend bij het zien van de menigte. ‘Kijk nou!’
Ze doelde onopvallend op een doodziek uitziende, voortdurend ongegeneerd voor zich uit hoestende man met meer dan alleen een vale gelaatskleur op zijn gezicht, slechts een paar meter van ons verwijderd. Hij was zijn gesnotter en geblaf kennelijk meer dan zat want moeite om de vloed binnenboord te houden ondernam hij niet meer.
‘Aan zijn kleur te zien kan die vent elk moment ter plekke komen te overlijden,’ vervolgde ze. ‘Dit ziekenhuis klopt voor geen meter. Zoals hij zitten ze er allemaal bij. Het vooraf uitreiken van mondkapjes bij de ingang zou hier geen slecht idee zijn.’
Omdat ik mij de laatste weken te midden van een griepgolf niet lekker voelde en mijn huid een gele kleur vertoonde, had ik om meer duidelijkheid te krijgen over wat ik mankeerde, uren daarvoor het besluit genomen om een bezoek te brengen aan de huisartsenpost bij ons in de buurt, waar ik, nadat bloed bij mij was afgenomen ik met spoed naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis werd verwezen.
Bij binnenkomst in de hal bleek de eerste hulpafdeling te bestaan uit een hoekje achter een gordijn waar een aan een tafeltje gezeten intake-zuster gezeten de inkomende patiënten eiste te zien, en aan haar gebaren te merken, ze de taak had gekregen ze te inspecteren.
‘Mag ik uw vinger hebben?’ vroeg ze toen het mijn beurt was in het Engels.

Omdat ik daar voor het moment geen bezwaar in zag voldeed ik aan haar verzoek, waarna ze hem in een plastic hoesje stak met aan het uiteinde een apparaat om met dezelfde vlijt iets in mijn oor te steken dat driemaal piepte. In dezelfde beweging trok ze uit een lade een oranje bandje dat ze strak om mijn pols bevestigde.

‘U mag daar weer gaan zitten tot u wordt opgeroepen,’ snauwde ze, wijzend op een paar dozijn rijen goor uitziende banken met daarop gezeten de ons al bekende, zwaar blaffende, hun bacillen om zich heen sproeiende meute.
‘Hè? Jij hebt oranje,’ sprak mijn vrouw. ‘De meesten die hier zitten hebben een geel of een groen bandje. Wat zou het verschil zijn?’
‘Een wraakactie vermoed ik, opgezet vanuit Paleis Noordeinde’, antwoordde ik semi-gevat. ‘Ze hebben mij eindelijk door. Ik krijg straks de slechtste behandeling ooit.’
‘Dat heb je dan over jezelf uitgeroepen,’ lachte ze. ‘Als Republikein lusten ze je inmiddels rauw.’
‘Zou het? Die vrouw daar heeft groen, maar ziet ze er veilig uit? Maar het zou kunnen dat ze pseudo-somatisch is, in welk geval het klopt. Geel, dat zijn dan de twijfelgevallen.’
‘Dat wordt straks lachen,’ zei ze, de tekst op mijn bandje bekijkend. ‘Ze hebben al je doopnamen overgenomen op het bandje. Daar komen ze nooit uit.’
Drie uur later bleek ze het bij het juiste eind te hebben, toen uit een onzichtbare speaker de vraag klonk of ene Joekoboes zich wilde melden bij de bloedafnamezaal. Alleen.
‘Ik mag niet mee naar binnen,’ liet mijn vrouw mij weten. ‘Ik zie je straks wel weer.’
In de zaal, wat op het eerste gezicht nog het meest weghad van een pitstop voor deelnemers aan de 24-uursrace van Le Mans voor rolstoelgebruikers gedurende hun plaspauze, werd ik uitgenodigd plaats te nemen in een daarvoor bestemde schietstoel. Voor ik er erg in had was ik zes buisjes bloed armer en kreeg ik een infuus in mijn linkerarm geschoten met daaraan een zak met erin een zoutoplossing.
‘Wat gaan ze met je doen,’ vroeg mijn vrouw die ondanks de haar de toegang ontzeggende beveiliger zich normaal nooit door niemand laat tegenhouden.
‘Ik weet het niet, maar het lijkt serieus te worden,’ antwoordde ik. ‘We zullen het straks wel te horen krijgen.’
“Straks” is in Nederland een redelijk begrip. In landen zoals Portugal daarentegen staat het voor de periode waarin een regering kan vallen, opnieuw gekozen worden waarna vanwege verkiezingsfraude een coup ‘d’État plaatsvindt en de ontstane dictatuur vervolgens opnieuw omvalt.
Om 0.00 uur zaten we er nog steeds, dit keer met toestemming herenigd in de wachtkamer nadat de bloedzuster met de zak infuus had geknoeid. Om ons heen lagen, hingen en zaten op en over de banken door de diverse griepvirussen de elkaar er voortdurend mee besmettende inwoners van het land waar het was of de zwarte dood er opnieuw was uitgebroken. Als de op dat moment voor het eerst er binnenkomende nieuwe bezoeker een nietsvermoedende buitenlander was geweest was hij in de stellige mening hebben verkeerd op de set van een Amerikaanse rampenfilm te zijn terechtgekomen.
‘Straks staan ze allemaal als een man op en blijkt het nep te zijn,’ merkte ik vol walging op in de richting van mijn vrouw bij het horen van het uit de toiletgroep opstijgende gerochel. ‘Net als in die videoclip van Michael Jackson. Ze grimeren is niet nodig.’
‘Deze hele vleugel sluiten en ontsmetten, dat is nodig,’ vulde ze aan. ‘Er komt hier vast nooit inspectie.’
‘Tot hoe laat moeten we eigenlijk blijven we wachten,’ vroeg ik na een uur aan een voorbijsnellende, als dokter vermomde patiënt die achteraf bonafide bleek te zijn. ‘Ik ben hier al sinds vijf uur vanmiddag. Zo schiet het niet op.
    ‘Er komt zo een collega van mij bij u, meneer,’ sprak de man vriendelijk. ‘Het is gewoon een kwestie van op uw beurt blijven wachten.’
Toen het drie uur ‘s nachts was geworden vonden we het welletjes en verlieten we heimelijk, ik met nog steeds het infuus in mijn arm gestoken via de eerste hulp uitgang, onder het wakend oog van de bewaker het ziekenhuis waar nog steeds dezelfde mensen zaten die we er sinds de middag ervoor hadden gezien.

 

(Wordt vervolgd)

 

 

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

SENHOR FRANCESCO

Jaargang 3, Kronkeling 102, donderdag 9 augustus 2018

 

 

SENHOR FRANCISCO

 

Op dezelfde kamer van het ziekenhuis waar ik wegens gezondheidsklachten een paar dagen ben opgenomen, ligt naast mij een man van wie je zou kunnen zeggen dat hij een eenzijdige aanvaring heeft gehad met het noodlot. In zijn troebele ogen ligt voortdurend een blik van pijn begraven met daarbij erin opgesloten een melancholiek soort berusting, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is dat het juist hém weer moest zijn overkomen. Je hebt van die mensen.
Uit zijn goedhartige oogopslag is op te maken dat hij de dagen zat is. Die van hem dan, wel te verstaan. Niet de mijne, want ik moet nog even door. Met zijn amper drie turven lang, Portugees van geboorte en ondanks een geamputeerd linkeronderbeen het anderhalve meter lange ziekenhuisbed volledig vullend verdrijft hij vanonder zijn snor de tijd, kreunend, noodgedwongen met het doen van volstrekt niets, een voor mij schier onbegrijpelijk anti-festijn omdat ik altijd zonodig iets nuttigs om handen moet hebben.
Heeft men hem nodig, dan luistert hij indien het hem welgevalt, naar de naam Senhor Francesco. Afgezien van zijn schijnbare volledige inertheid is Senhor Francesco wel degelijk in staat tot het doen van iets, en wel van dingen die niet mogen of de constante irritatie van de zusters oproept. Dat doet hij grotendeels onmerkbaar onder het laken door bijvoorbeeld het verband van zijn andere, enig overgebleven beschadigde voet te verwijderen want zijn andere voet bestaat allang niet meer. De reden is te lezen aan de hand van de getatoeëerde data op zijn rechterarm die meldt dat hij tussen ‘73 en ‘75 in Angola was waar hij aan het front heeft gevochten.
Sinds zijn karma heeft ontdekt dat aan het uiteinde van een kabel boven zijn hoofd een knop zit waarmee hij de zusters naar believen voor niets kan oproepen, zijn de spruiten gaar. Wat daarna volgt is een reeks uitbranders op zijn Portugees aan Senhor Francesco’s adres, temperamentvol en zeer luid en duidelijk hoorbaar over de gangen.
Volgens een zuster delen wij dezelfde leeftijd wat goed mogelijk, maar niet zichtbaar is. Nordisch eikenhout is kennelijk minder flexibel dan Iberisch scharrelstruikenhout maar ziet er duurzamer uit. Het oog wil ook wat.
Twee keer per dag rinkelt zijn oude Nokia die, ruim voordat hij erin slaagt zich met luier en al aan de boven zijn bed hangende beugel overeind te hijsen, daarbij de katheter met bijbehorende zak, slang, drie infusen en het zuurstof niet allemaal tegelijk over het hoofd ziend, er voortijdig mee stopt, net voordat hij het kreng uiteindelijk te pakken krijgt. Tenminste, als hij tussendoor, zichzelf onder een laken verstoppend niet zelf weer op de verkeerde knop, de rode, heeft gedrukt.
Iedere keer wanneer het ding zijn lawaaitoon produceert en ik de bij voorbaat mislukte poging tot redderen wat er te redderen valt, aanschouw, vraag ik mij af wat zijn familie die het kennelijk niet laten kan hem lastig te vallen of zelfs maar geen notie hebben van wat ze ermee teweeg brengen, in vredesnaam bezielt om zo’n man iedere keer lastig te moeten vallen, want het apparaat houdt overeenkomstig de wetten der logica zijn muil precies er dan mee op, nog net voordat hij het kan pakken.
Ik merk bij mijzelf dat het mij hartgrondig boos maakt, maar dat komt omdat ik als pragmaticus niet ben opgewassen tegen in zulke gevallen volstrekt zinloos gestelde vragen als “Heb je vanmorgen je tanden wel gepoetst” aan een terminale patiënt die net zijn codicil heeft ondertekend.
Van bij ziekenhuizen voorgeschreven rust op de gangen is overigens geen sprake. Een Siciliaanse kermis komt dichterbij in de buurt. Zusters kibbelen en bekvechten kakofonisch als oude wijven over dingen op een toon en volume waarvan een hond bevriest wat tijdens het opkomen van de zon begeleid wordt door het gekerm een armee van uit hun verplichte roes ontwaakte, vanwege vroegtijdige ouderdom lamenterende patiënten en hun voorwereldlijk gesnotborrel en ongerepte niesbuien. Een van hen, een met het uiterlijk van een zich wit geschrokken geest wegens ontsnappingspogingen aan zijn bed gekluisterd een paar kamers verderop gelegen oude man roept de hele dag beurtelings: “Olé!!” en: “Portuguese!!”
Bezoek voor Senhor Francesco komt zelden en is beduidend minder geworden nadat de familie te horen kreeg dat er niet meer voor de man inzit dan wat de ziekenhuiskeuken hem dagelijks verschaft: een keihard broodje met suiker, “knarsham” geheten op zijn Haags. De rest gaat naar de varkens.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

ZE KOMT NIET MEER

Jaargang 2, aflevering 100, donderdag 26 juli 2018

 

 

 

ZE KOMT NIET MEER

 

    ‘Wil je stilstaan, zo krijg ik de bovenste knoopjes van je overhemd niet dicht!’
Hij wilde iets terug zeggen maar deed het niet. Bang om nog meer grieven van de zuster te moeten aanhoren besloot Gerritje dan maar zijn adem in te houden en niet te slikken. Op de meeste dagen vond hij haar wel lief, maar soms deed ze zo… Hij zocht naar een woord maar vond het niet.
‘Was het gisteren zondag?’ vroeg hij, het intussen erg benauwd krijgend van het gewriemel in de buurt van zijn keel.
Het antwoord was net zo kort als hij verwachtte.
‘Ja.’

‘En vandaag weer.’
‘Ja. Nu weer.’
‘Hoe kan het dan dat het vandaag weer zondag is?’
Op die vraag had zuster Innocentius gerekend.
‘Waarom vraag je dat? Natuurlijk kan dat,’ antwoordde ze, druk bezig Gerritjes overhemd in zijn broek te proppen. ‘Bij ons wel. Het is vandaag Sacramentsdag en dus zondag. Bovendien, jongetjes van vijf jaar horen alleen te antwoorden wanneer ze iets gevraagd wordt. Én ze horen altijd met twee woorden te spreken. Hebben ze je dat thuis soms niet geleerd?’
‘Ja. Ik bedoel: nee zuster,’ sprak de jongen beteuterd.
‘Waarom niet?’
‘Ik heb geen thuis. Ik woon toch hier?’
De woorden overvielen haar.
‘Ik haat zakcementsdag. En zondag. Zondag is een… rotdag,’ sprak hij boos. ‘Op zondag moet ik altijd mijn mooie kleren aan en mag ik nooit buiten spelen.’
‘Klopt. Zondag is de Dag des Heren. Dan wordt er niet gewerkt of gespeeld. Op zondag mag je van Hem uitrusten.’
‘Ik ben niet moe. Waarom moet ik deze kleren vandaag dan wel aan?’
‘Vandaag komt je moeder, wist je dat niet meer? Ik hoorde het van de hoofdzuster. Daarom moet je er netjes bijlopen. Anders kun je niet mee.’
In een poging een beeld van haar te krijgen keek hij de zuster half ongelovig aan. Hij had al lang niets meer van zijn moeder gehoord of gezien.
‘Echt? Komt ze nu wel? Hoe laat dan?’
‘Dat weet ik niet precies. Gewoon, straks.’
‘Hoe laat is straks?’
‘Over een uurtje. Ze moet eerst met de tram hierheen komen,’ antwoordde de zuster in een poging zijn schoenveters in een strik te knopen. ‘Daarna is het van de halte nog een stuk lopen en dan pas is ze hier.’
Zuster Innocentius wist heel goed dat het allerminst zeker was wat ze zei. Ook dat ze diep van binnen het kereltje wel mocht en dat liegen binnen de congregatie niet mocht. Ze had met hem te doen. De vorige keer, afgelopen zondag, wist ze, was de zesde keer op een rij dat de moeder van Gerritje ondanks haar beloften en zonder reden opeens niet meer van zich had laten horen en ook niet meer was komen opdagen. Totdat ze gisteravond opeens belde met de mededeling dat hij vanmiddag door haar zou worden opgehaald.
‘Als ze komt, mag ik dan gelijk mee naar buiten?’ vroeg Gerritje hoopvol.
‘Natuurlijk,’ gaf de zuster blijmoedig toe. ‘Daarom heb je nu ook je zondagse kleren aan.’
Als dat zo was dan zat daar wat wat in, vond Gerritje. Net zoals hij een hekel had aan zondagen had hij een hekel aan zijn zondagse pak. Vooral aan het strikje en het bovenste knoopje van zijn overhemd. Die zaten veel te strak om zijn hals zodat hij het regelmatig benauwd had en regelmatig het gevoel kreeg alsof hij stikte.
‘Morgen ook?’
‘Dat denk ik niet,’ antwoordde ze. ‘Je moeder is druk met haar werk. Daardoor heeft ze denk ik geen tijd om voor je te zorgen. Daarom woon je ook hier.’
Daar moest Gerritje verder over nadenken.
‘Voor altijd?’
Zuster Innocentius veinsde een glimlach. Ze mocht de jongen graag en wenste dat hij daarom stopte met het stellen van dat soort vragen. De meesten ervan kon ze toch niet beantwoorden wist ze, al wilde ze dat diep van binnen wel. De familie van het kind gaf immers nooit thuis.
‘Niet voor altijd. Dat kan niet. Wees even braaf en sta stil, dan kan ik je haar kammen.’
Met een knik stemde hij in.
‘Waarom niet, zuster?’
‘Omdat je straks te oud bent. Dan moet je weg. Naar je moeder, of anders naar een ander tehuis.’
‘En als mijn moeder nog steeds niet thuis is of niemand anders wil mij hebben?’
‘Dan moet je naar een weeshuis. Dat is een plek waar kinderen wonen zonder moeder of vader. Of allebei.’
Dat zette Gerritje aan het denken. Tranen welden op achter zijn ogen en zijn onderlip begon te trillen.
‘Ik heb wel een moeder, zuster.’
‘Ja,’ antwoordde zuster Innocentius. ‘Jij hebt wel een moeder.’
‘En straks mag ik met haar mee.’
De zuster knikte. ‘Kom, we gaan alvast naar beneden.’
Daar aangekomen, in de hal op de begane grond zette ze Gerritje neer op een bank, recht tegenover de grote voordeur.
‘Kijk Gerritje,’ zei ze, wijzend op de deur. ‘Nu goed opletten. Daardoor komt straks je moeder om je op te halen. Dus niet weglopen. Aan het eind van de middag brengt ze je weer terug. Veel plezier met zijn tweetjes.’
Toen de zuster weg was voelde Gerritje zich een beetje onzeker worden. Eigenlijk wist hij niet zo goed meer hoe zijn moeder er precies uit zag. Wel ongeveer. Dat kwam door de hoofddoek die ze steeds droeg, stelde hij vast. Ook hoe ze klonk was hij vergeten, bedacht hij.
Het fijnst vond hij het, voor zover hij het zich kon herinneren was als ze hem vroeg waar hij heen wilde, dan koos hij zonder na te hoeven denken voor de film. Daar, in het donker onder het kijken naar het grote witte scherm waarop mensen en dingen uit zichzelf bewogen voelde hij zich het prettigst. Dichtbij zijn moeder, naast haar zittend met een zakje Treets in zijn hand kon hij haar horen lachen en als het even stil was zelfs horen ademen. Hij kon haar zelfs ruiken, veel lekkerder dan de zusters. Die roken raar, naar schoonmaakmiddel, vond hij. Behalve zuster Innocentius.
De uren kropen voorbij. Inmiddels was het drie uur ‘s middags geworden en waren een aantal kinderen door hun moeder opgehaald, maar die van hem was er niet bij.
Toen de klok boven de deur aangaf dat het al weer vijf uur was geweest zat hij er nog steeds.
‘Ben je al terug?’ vroeg de zuster verbaasd bij het van de trap af komend toen ze Gerritje daar nog steeds zag zitten.
Met zijn ogen vol tranen, heftig nee-knikkend stoof hij van de bank af, recht in haar armen.
‘Ze komt niet meer,’ antwoordde hij snotterend. ‘Ik blijf voortaan bij jou. Jij bent mijn moeder.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken. Je kunt jezelf ook abonneren op het wekelijks ontvangen van een nieuw verhaal in je mailbox. Daarvoor klik je hier.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

  

 

 

 

 

 

CASA DA PAZ

Jaargang 2, aflevering 99, donderdag 19 juli 2018

 

 

CASA DA PAZ

 

In het Portugese dorpje waar ik woon, verschijnen ten tijde waarop de toppen van de omringende bergen door de eerste zonnestralen beschenen worden, vier mannen van een bij de eerste waarneming, onbeduidend kaliber. Het weinig illuster ogende kwartet hoort bij het groepje bewoners van het plaatselijke gekkenhuis, Casa da Paz, wat Huis van de Vrede betekent, al doet de naam vermoeden dat het hier gaat om een illegale sigarenfabriek. Insiders en dorpelingen weten dat het een voormalige, tot woonadres van uitsluitend mannen met een labiele aard bestemde boerenstede is. Gelegen op afstand van de dorpskern zorgt het voor een betrekkelijke rust in het gehucht.
Van haar bewoners is door knappe koppen ooit vastgesteld dat zij niet degene waren die het zwarte garen hebben uitgevonden. De Engelsen zeggen daarentegen “They’re not the sharpest tool in the shed,” wat in dit geval de lading ruimschoots dekt.
Vrijheid blijheid, moet de leiding van het tehuis dan ook ooit hebben bedacht, want sindsdien worden iedere ochtend de minst gevaarlijke bewoners de straat op geschopt waarna zij zich elk van hun door henzelf bedachte taak ten goede van de gemeenschap kweten of wat daar volgens eigen goeddunken voor door gaat.
Het voornoemde kwartet bestaat uit de verkeersregelaar, de kabouter, de vuilnisman en de heilsoldaat. De kans ze alle vier te missen is net zo groot als de mogelijkheid om op vrijdagmiddag een nuchtere Portugees in het dorp tegen te komen.
Afhankelijk van het moment van de dag kom je bij het bereiken van een bocht in de weg of op de hoek van een kruispunt de verkeersregelaar tegen. Dat regelen doet hij voorzien van een ver over zijn oren getrokken grijs petje, door het uitsteken van slechts een half lichaamsdeel, een nauwelijks waarneembare vinger. Het werkt ongeveer zoals de richtingaanwijzer, in het Vlaams “pijlpinker” geheten van een Volkswagen kever uit 1953 dat doet. Is “de kust” veilig, dan klapt hij zijn wijsvinger uit en wijst hij ermee in de richting van een zijstraat waar een tegenligger uit komt maar waar je niet heen wilt.
Wie nietsvermoedend zijn goed bedoelde instructies opvolgt loopt de kans verderop zijn collega, de heilsoldaat tegen te komen, pontificaal langs de kant van de weg zittend met zijn benen languit op het asfalt, passerende auto’s tot amputatie uitnodigend. Met zijn houding als zwaar beschonken caféganger laat hij je denken aan het lied: “Hij sjouwde van kroegie naar kroegie” waarbij hij diep voorover loopt, met de vingers van zijn naast het lichaam afhangende armen de grond rakend. Zijn oogopslag is die van een geit.
De weg naar beneden, de heuvel af volgend, ontwaar je vanzelf de kabouter. Met zijn geringe lengte, volle witte baard en bijpassende oogopslag acht je hem in staat je te kunnen vertellen hoelang Sneeuwwitje in haar glazen kist moet hebben gelegen. Maar omdat sprookjes in Portugal niet bestaan zegt hij niets. Evenwel hoort hij in het straatbeeld thuis, de bekrompen- en benepenheid van de dorpsbewoners symboliserend.
Van het viertal is de vuilnisman de meest actieve. Volle afvalbakken of kwetterende buurvrouwen en mannen die niet goed staan worden rücksichtslos maar bekwaam door hem aan de weg gezet, waarbij hij met zijn spiedende blik de omgeving aftast, op zoek naar nog meer zaken die niet kloppen. Dat is wennen, vooral wanneer je niet beter weet en hij bij het vragen naar de weg zijn hoofd bij je door het raam steekt met een blik zoals een bokser dat voorafgaand aan de wedstrijd met zijn tegenstander doet. In dat geval doet een biscuitje in zijn geopende mond steken wonderen.
Rond de middag, zo tegen een uur of één verdwijnen ze als voor een wolk beduchte cicades, tijdelijk van straat. Het is tijd voor siësta op zijn Spaans, want officieel heeft Portugal het fenomeen nooit gekend, om pas na drieën weer tevoorschijn te komen om, gedreven door de geur van een klaproos en totale onnut de wegen rondom het dorp wat op te vrolijken, want uit jezelf lachen is zeldzaam in deze streek.
Wie pas echt lachen wilt meldt zich bij de plaatselijke politiepost waar een dienstdoende agent met paardrijlaarzen aan die verdacht veel lijkt op een agent weggelopen uit de serie Pippi Langkous, het slachtoffer van een diefstal zonder blikken of blozen vraagt om de naam en adres van de dief op een aangifteformulier in te vullen waarna hij alle tijd neemt het rapport op een oude Remington schrijfmachine voorzien van zes lagen carbonpapier uit te typen.
Zonder de mannen van Casa La Paz werd het hier een gemeente zoals alle anderen waar goed bedoelde, maar voor een leefbare samenleving dodelijke efficiëntie en overijverige dienders de wet bepalen. Veiligheid staat voorop, ook in dit dorp waar nog nooit iemand van ramkraken heeft gehoord, laat staan ooit heeft meegemaakt. Dat heeft ook geen zin. De enige pinautomaat in het dorp wordt eenmaal per maand bijgevuld en is de volgende dag alweer leeg. Veiliger kan niet.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

   

    

 

ALLEMAAL CHINEZEN (II)

Jaargang 2, aflevering 98, donderdag 12 juni 2018

 

 

ALLEMAAL CHINEZEN (II)

 

Als toerist merk je überhaupt weinig van wat zich er onder de gele smoglaag die Manilla voortdurend in zijn greep houdt, bevindt. Dat wordt anders wanneer “Joe”, zoals iedere buitenlander in het voorbijgaan wordt genoemd, zich laat zien. Vanwege mijn huwelijk met een Filippijnse heb ik een streepje voor, wat er twee worden zodra ik mijn mond opendoe en ik in bijzijn van het volk zowaar een paar woorden Filippijns blijk te kunnen spreken. Het Tagalog leent zich namelijk uitstekend voor het dagelijks gebruik en klinkt logisch vergeleken bij de combinaties oerklanken die na een tijdlang er te wonen Nederlands schijnen te zijn. “Oksel” klinkt bijna vies, dierlijk zou je kunnen zeggen, terwijl het Filippijnse “kili-kili” voor hetzelfde onderdeel logischer, zelfs stuk frisser overkomt. Je zou er bijna vrolijk van worden. De Filipino speelt dan ook graag met zijn taal die zich daar prima voor leent. Rijdt er een auto voorbij met twaalf antennes, voorzien van koplampen waar groen licht uit schijnt met blauwe in plaats van rode achterlichten dan heet dat een “Colorum Car”, en “susmaryyosep” wordt geroepen tijdens bij wijze van een vloek het passeren van de heilige drie-eenheid Jezus, Maria en Jozef.
Getrouwd zijn met een eilandbewoonster heeft het voordeel dat zich voor mij als buitenlander deuren openen die voor Juan de la Cruz, oftewel de Filippijnse Jan Modaal gesloten blijven. Dat heeft als gevolg dat ik overal voor VIP wordt aangezien en wordt uitgenodigd door de lokale jetset. Zo overkwam het mij al aanwezig te mogen zijn bij de verjaardag van van de Pauselijke Nuntius, kegelde ik ballen om in de tuin van een ex-cronie van de wegens fraude en corruptie gevluchte president Ferdinand Marcos, en was ik eregast in het huis van een sjeik die bij kennismaking een nichtje van mijn vrouw en Nederlander bleek te zijn en van achteren gewoon van Eldik heette. Nadien werd er iedere week wel een uitnodiging aan het hek van onze gehuurde villa bezorgd die werd aangenomen door een van onze twee huishoudsters, een “twee voor de prijs van een” ingehuurde tweeling uit de provincie Mindanao.
Was hij minder geslaagd als volksvriend, echt beroerd was Marcos als president zeker niet. Een van zijn betere ideeën was de uitvinding van de “barangay”, de in iedere deelwijk nadrukkelijk aanwezige hulppolitie, dit vanwege de enorme armoede, het daarmee gepaard gaande geweld wat als gevolg van drankzucht en diefstal geen overbodige luxe bleek.
Maar we dwalen af
Vervolg ik mijn weg over de markt, dan overkomt het mij elke meter die ik afleg te worden aangehouden met de vraag waar ik vandaan kom. Als ik dan zeg: ‘Uit Holland’ valt alle aanvankelijke gereserveerdheid weg en blijken Cruijff en Dutch Maid Nederlands belangrijkste exportproducten. De laatstgenoemde, een dooddoenertje omdat de tulpenvelden, molens en Zeeuwse Meisjes op de blikken verpakking de bevolking misleid dat het hier om Hollands glorie zou gaan, is in wezen een roestig blik met klatergoud omdat de inhoud een slap smakend restant is dat overblijft nadat al het bruikbare er in Nederland uit is gehaald. Dat geeft wat mij betreft niets, zolang het maar niet het predikaat draagt dat het hier om melk gaat.
Zoals thuis schuilt ook hier achter alles een illusie die groter wordt naarmate hij door meer mensen wordt gedroomd. Zo ook in dit geval. Dat de Filippijnse Chinezen met hun kenmerkende stoïcijnse houding alleen het uitbreiden van de handel en het voeren van dubbele boekhoudingen nastreven is er een. Het nastreven van persoonlijk geluk is een ander, een die evenwel onzichtbaar blijft omdat het ongeluk brengt zodra je er openlijk mee te koop loopt. Dat heeft het gevolg dat er driftig illegaal wordt gegokt in achter hun restaurants en geldwisselkantoren gelegen kamertjes waar de roulettemolen nooit tot stilstand komt
Bevriend te zijn met een Tsinoy heeft voor een buitenlander zo zijn voordelen. Dat komt tot uiting in het op de hoogte raken van lokale gewoontes en regels.
Mijn nieuwe vriend heet Jun, een kennis van mijn vrouw tevens goedlachse, uiterst vriendelijke en aimabele eigenaar van een geldwisselkantoor in de wijk Binondo waar ik tegen een schappelijk tarief mijn guldens voor Peso’s in mag ruilen.
Jun vertelt:
‘Mocht je onverhoopt midden in de nacht de weg op gaan, doe mij en je vrouw dan een plezier en stop voor niets en niemand. Ook niet wanneer je een ongeluk ziet gebeuren. Wil je niet in de problemen komen dan is het enige dat je als niet-Filipino hoort te doen is doorrijden en niet meer omkijken.’
Het horen van dit opmerkelijke advies komt vreemd over bij een Westerling. Geleerd hulp te verlenen waar dan ook, doet je niet zo snel stilstaan bij het horen van de reden.
‘Tegen de tijd dat de hulpdiensten er zijn, als die al komen, is iedere betrokkene allang vertrokken. Schuldig of niet. Jij als buitenstaander, onbekend met het systeem krijgt als enige aanwezige getuige de schuld van het ongeluk in je schoenen geschoven en het maakt daarbij niet uit wie je bent.’
Een paar weken later werd ik rond zeven uur gebeld door de zus van mijn vrouw met de boodschap dat ze een ongeluk had gekregen en in het ziekenhuis lag. De weken erna was het steeds heen en weer rijden, ook ‘s nachts, om de schoonzus of zwager belast met de wake, af te lossen.

Op een van die in het aardedonker afgelegde tochten richting Manilla na net de oprit te hebben verlaten, zag ik op ongeveer honderd meter voor mij in het licht van de koplampen een zwarte schim op de weg. Dichterbij gekomen bleek de schim de onderkant te zijn van een auto die door onbekende oorzaak op zijn zij terecht was gekomen en nu dwars over de snelweg lag. In een flits van een seconde kon ik nog net het levenloos lijkende lichaam van de bestuurder zien, half uit het zijraampje hangend. Doorrijdend dacht ik aan Jun’s woorden die ik na opnieuw in het buitenland te zijn gaan wonen, nog lang niet ben vergeten.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.