Groot en sterk en van ons heengegaan.

Groot en sterk, waar is mijn kracht gebleven

De ziekte heeft mij tot het uiterste gedreven

Het ging niet meer, het was weg, het werd mij niet meer gegeven

Dus:

Voor hen die niet kunnen slapen…

En anderen die nog moeten beginnen…

Leef met de dag, iets anders kan ik nu niet meer verzinnen.

 

In liefdevolle herinnering

 

Ben Midland.

BRIEVEN I, VAN VADERS EN VUURLUIKEN

Brieven I

 

 

VAN VADERS EN VUURLUIKEN

 

Amice,

 

Het is met een ingetogen vertoon van jolijt dat uw vriend en toegewijd correspondent zich deze keer tot u richt na uw uiterst belangwekkende zaken aan mij ter kennis te hebben gegeven.
Vanmorgen, het kan een kwartier maar evengoed ook een half uur zijn geweest, in ieder geval ruimschoots na het krieken, zoals ik het rumoerige moment van de dageraad waarop lastige ouden van dagen in de straat hun honden voeren met brood en botten noem, toen mijn zoon die al eerder “op” was, meldde dat meneer pastoor in hoogst eigen persoon in het keukenraam was verschenen!…
Het is vanaf deze plek dat ik met grote nuchterheid weet te stellen dat pastoors, ingerekend andere gezagsdragers van geestelijke aard zich normaal gesproken zelden of nooit op deze wijze aan hun kudde tonen. U zult zich dus mijn opwinding kunnen voorstellen, wetende dat ondergetekende niet praktiseert als gelovige binnen de Rooms-katholieke kerk en om die reden Zijn volgelingen of afspiegelingen van Hem naar verderop gelegen plekken verwijst. Daarnaast zult u zich mijn nog grotere opwinding voor moeten stellen als ik u bericht dat zijn verschijning niet alleen hemzelf betrof, maar werd vergezeld van de heer Leo Ferro, dorpssmid van Ferreiras.

Amice, ik pas ervoor u te vertellen hoe de zaken in zowel het aetherische alswel dit ondermaanse in elkaar steken. Gij weet evenals ik hoe de dingen die wij kunnen waarnemen zich soms zo ongelijksoortig kunnen voordoen, in verscheidenheid verkeren, kortom, gij weet zowel van de hoed als de rand. Met andere woorden: wij noemen elkaar geen imbeciel. Luttele, vooreerst onbenullig zaken blijven je bij en weten van geen wijken terwijl weer andere, aanzienlijk belangrijker zaken nog voordat ze de kans krijgen te bezinken je hoofd alweer verlaten met een snelheid al betrof het een kolonie stokstaartjes, op de vlucht geslagen voor het kwaad dat hen dagelijks boven het olijke kopje zweeft. Waarschijnlijker was de vergelijking met een horde mollen vele malen toepasselijker geweest. Helaas gaat die hier niet op. Het portret van een ondergronds levend dier zoals een mol roept bij het publiek een exacter beeld op bij het schetsen van mijn te betreuren bestaan.
Ter zake nu.
U zult zich om bovenvermelde reden mijn gezicht voor kunnen stellen bij het waarnemen van het gezelschap, wetende dat ondergetekende literair nogal eens een draakje met de Portugezen mag steken, dus stelt u zich mijn moeite die tegen heug en meug te moeten onderdrukken eens voor! Vanzelfsprekend haast ik mij erbij toe te moeten voegen, sterker, u op het hart te drukken als ik u verzeker zulks in het geval zeker niet met kwade bedoelingen of vanuit gevoelens van rancune zou hebben gedaan.
Hoe dan ook, het duurde even voordat ik besefte wat de aard van de verschijning was. Het kwam doordat de heer Ferro mij de avond ervoor zijn antwoord gaf op een eerder door mij aan hem gezonden bericht, waarin hij mij meedeelde al de volgende ochtend om negen uur langs te willen komen, om, vergezeld van de Vader van Paderne zoals hij daarin stelde, mij daarmee in de veronderstelling latend dat hij mij, vader van twee zonen, daarmee bedoelde, “deze” op verzoek te analyseren. Met “deze” vermoedde ik dat hij duidde op de kachelkap.

Dat zit zo: eerdaags was de heer Ferro, eerzaam burger van Ferreiras, handwerksman tevens smid van professie, bij mij ten huize voor het afleveren van een door ons bestelde kachelkap. Zo u weet bezat mijn kachel die daardoor voorheen nog stond te nietsnutten geen kap en was om die reden buiten gebruik gesteld. Het was ook nadat de voornoemde heer Ferro na aflevering van de door hemzelf met achterlating van de kap en een riedel humoristisch bedoeld Portugees -de man ondertekend met een knuffel- weer vertrok met zijn door ons onderling vooraf afgesproken honorarium (wij zijn niet gek), toen ik mij herinnerde de man in de vooravond nog snel een bericht te hebben gezonden voor het doen voltrekken van een ander godswonder. Zoals u misschien niet weet bezitten veel Portugese woningen geen stormluiken, dit vanwege het milde klimaat. Vele nachten van langdurig geklepper zorgden er echter voor dat twee ervan inmiddels letterlijk uit hun scharnieren zijn geroest. Herstel is hier geboden en een bericht is immers zo gezonden, zo redeneerde ik.
Of het de morfine was, mijn door de pijn nachtelijk en veelvuldig ijlen in de richting van het urinaal, ik wil er vanaf wezen. Pas toen ik vernam dat het meneer pastoor was die aan het keukenraam stond, begreep ik dat hij het was die bedoeld werd met “de Vader van Paderne”.
Een misverstand, zult u zeggen. Daarbij blijft het helaas niet. In een bescheiden bericht aan de heer Ferro mijn huis niet vóór november te bezoeken om de brandluiken te onderzoeken om de doodeenvoudige reden dat zulks geen zin heeft omdat ik niet kan lopen, had ik geschreven:
“De kamer waarin ik gelijk een kasplantje een nietig bestaan leidt is een van de ruimtes waar een vuurluik ontbreekt. Om mij daarin te moeten zien existeren is meer dan ik als mens zal kunnen verdragen. Mijn oprechte excuses daarvoor. De verwachting is dat ik tot november zal moeten rehabiliteren zodat ik weer als vanouds zal kunnen lopen. Ik zal u persoonlijk informeren wanneer dit gebeurt.”
U zult mijn schaamte kunnen begrijpen. De man heeft mijn geweeklaag als zijnde letterlijk beschouwd! Desalniettemin beloofde meneer Pastoor nadat ik hem via mijn zoon gerust stelde dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen, een goed woordje voor mij te doen en wanneer ik verlegen zat om hulp, ik maar naar de kerk toe zou hoeven te komen lopen. Het was maar een klein eindje.

 

Met een stevige handdruk, uw toegenegen vriend,

 

Ben Midland

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

  

 

 

WILHELMINA

Jaargang 3, Kronkeling 107, donderdag 13 september, 2018

 

 

WILHELMINA

 

    ‘Scheveningen hautain,’ snotterde de man na het oplezen van de voorkant van het lokale krantje.
Het kwam er gewraakt uit.
‘Den Háág wel, maar Schèveningen…’
Wat door kon als een review voor een kuuroord klonk nu als een derdegraads brandwond.    ‘Niks hautain. Een arrogante badjuffrouw, dát was ze.’
Hij bracht het met zo veel omhaal dat ik de obelisk aan de voet van het duin waaraan we zaten even zag wankelen.
Met het helblonde -het kon ook wit zijn- door de straffe westenwind in een onwillige op zijn bruinverbrande hoofd geworpen toefje haar had hij wel iets weg van Kuifje maar dan zonder Bobby. Het teefje, half verscholen onder de bank waarop wij zaten bezat aan haar opgetrokken lippen te zien in tegenstelling tot zijn slimme neef een vooral hongerig soort intelligentie.
‘Ze doet je niks hoor,’ sprak het baasje niet ongeamuseerd. ‘Ze is bijna blind en lust alleen nog peperkoek. Daarbij, Willemientje is op jaren. Volgens de dierenarts zou ze omgerekend nu ongeveer zesenvijftig moeten zijn. De leeftijd waarop we allemaal een beetje bijziend worden. Sommigen een ietsepietsie meer. Of ze worden bij tijd en wijle sjaggie, he Willemien?’
Door het geven van een klopje gaf hij het dier te kennen dat het goed was.
‘Wilhelmina… een aparte naam voor een hond,’ begon ik, enthousiast. ‘Ze lust vast pepermuntjes.’
‘Dat zou je denken. Niet dus. Eigenlijk heet ze gewoon Wilhelmina. Meneer, u zou eens moeten weten de hoeveelste persoon u met die opmerking bent. ‘Noem haar dan ook niet zo,’ zeggen ze dan. Daar hebben ze een punt maar dan klopt het niet meer.’
In de veronderstelling dat ik op de een of andere wijze in het ootje genomen werd in welk geval de confrontatie snel kwam wachtte ik af.
‘Ik noem haar zo omdat ik op dezelfde dag dat ik haar vond, ik tegelijk een zilveren rijksdaalder uit 1939 tegenkwam met haar beeltenis erop. Wilhelmina dus. Het was op een maandag. Dat weet ik zeker want dat is bezorgdag en dan zit ik altijd op deze plek tot de leveranciers komen. En daar lag ze, die munt dus. Recht voor me raap. Gewoon open en bloot zeg maar, half in het zand. Vind u dat niet gek?’
Van de inspanning mij Prins-gemaal Hendrik voor te stellen die wanneer zijn Koningin daar recht tegenover hem zo in het zand had gelegen iets soortgelijks zou hebben gedacht, zag ik af.
‘Het heeft iets ongedwongens,’ vond ik oprecht. ‘U hebt ‘m toch zeker wel bewaard, hoop ik?’
‘Niet echt. Ik ben er gelijk mee naar de dierenwinkel in de Keizerstraat gegaan om hem te ruilen tegen een baal brokken, koekjes, een riem en een mand.’
‘U bent volgens mij trouwens niet van hier of ik vergis mij sterk in u,’ ging hij in een stuk door. Niet lokaal, bedoel ik daarmee. Dat kan ik zien maar bij u hoor ik het ook. Ikzelf ben trouwens ook niet van hier hoor. Oorspronkelijk kom ik uit hartje Utrecht. Wist ik veel van Scheveningen… In mijn tijd bleef je ‘s zomers in de stad. Zwemmen in de gracht, rotzooi trappen met de juten. Ik heb Scheveningen leren kennen van de ansichtkaarten die mijn dure vriendjes mij steeds iedere zomer stuurden. Met zulke enge blauwe luchten dat je er naar van werd. Het wolkenloze soort waarvan ik vanaf mijn balkon al kon zien dat ze wel nep moesten zijn. “Groeten uit Scheveningen”, stond er, met het gemeentewapen met de drie haringen. De kerktoren op het plaatje ernaast was die van Bergen aan Zee. Een foutje dacht ik dan, en dat waren er in die tijd meer dan één.’
Op mijn vraag hoe het kwam dat hij dat zo wist, wees hij naar een rijtje zichtbaar door de zilte lucht aangevreten bouwsels waarvan een, voorzien van openstaande witte luiken nog open bleek te zijn. De anderen waren kennelijk uit gebrek aan klandizie of wegens “einde seizoen” voortijdig al dichtgetimmerd.
‘U bent zo’n beetje mijn laatste klant dit jaar,’ sprak hij onder het opvallend soepel uit de knieën opveren mijn directe geldelijke vermogens inschattend. ‘Sorry. Dat ligt eraan wat of u hebben wou.’
‘Op zich eigenlijk niks,’ wilde ik achter hem aan lopend zeggen, maar bedacht me bij het zien van een aantal retro posters uit de jaren zestig.
‘Die zijn tegenwoordig erg gewild,’ knikte hij toen hij zag welke ik bedoelde. ‘Piz Buin. Rare naam wel als je er goed over nadenkt. “Pisbruin”, zo noemden wij het. Vroeger hing hier een enorm reclamebord van dat merk. Nu vraag ik mij alleen nog af wat voor lui in dat soort uitingen geïnteresseerd zijn. Ik bedoel: what’s in a name?’
‘Wilhelmina?’ probeerde ik en zag aan zijn gezicht dat het goed was.
‘Neem maar mee,’ zei hij in een grijns. ‘Die was ook de laatste van een tijdperk.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

     ‘

 

  

POLLY

Jaargang 3, Kronkeling 101, donderdag 2 augustus 2018

 

 

POLLY

 

Hoe het kwam dat ik hem leerde kennen herinner ik mij niet meer maar het leverde een langdurige vriendschap op met Polly, een amicale, goedlachse inwoner van Las Pinas in de Filippijnen. Polly, zoals zijn bijnaam luidde, heette eigenlijk Pontius en deed zoals hij mij toevertrouwde, iets met auto’s. Ook met die van mij verzekerde hij, want daar stond hij op.
‘Om onze vriendschap te bezegelen,’ zoals hij het omschreef. Wat dat precies inhield daar liet hij zich op dat moment niet direct over uit, behalve dat het volgens hem dringend nodig was en ik verzeker u: het was veel en ingrijpend.
Polly’s huis, een losstaande woning met vier kamers waar het naar een pitstop rook, stond en lag vol met gereedschap, carrosseriedelen, motoronderdelen en automaterialen. Zijn tuin werd bezet door vier vrolijk om mij heen kwispelende honden, tientallen personenauto’s en jeepney’s, een soort zelfgebouwde variatie op het thema Willy’s Overland jeep uit de Tweede Wereldoorlog.
Vergezeld van een grijns meldde Polly dat ik de volgende ochtend al vroeg mijn auto moest komen brengen en dat ik hem twee weken kwijt zou zijn, niet langer. Als leenwagen zou ik zolang een andere meekrijgen. Ook mocht ik tussendoor komen kijken.
Toen ik vier dagen later de straat waar hij woonde, inreed zag ik mijn auto nergens. Wel een dof glanzend, tot op het bot afgekrabd skelet van een voertuig dat eruit zag alsof het jarenlang in de brandende zon van een woestijn had gelegen, blootgesteld aan meedogenloze zandstormen. Op het dak ervan zat een man die ik niet kende in hurkzitting, gewapend met een stukje ijzer, bezig de laatste restjes oude verf er vanaf te schrapen. Net toen ik hem wilde vragen: ‘Valt het werk een beetje mee?’ zag ik dat het mijn auto was waar hij bovenop zat, en leerde ik dat “ho!” en “hu!” tegen hem roepen, volkomen zinloos was. Op dat moment verscheen Polly vanuit een zijdeur van het huis.
‘Hoe vind je ‘m? We doen hem even overnieuw. Ik wilde dat je even langskwam om te zeggen wat voor kleur hij moet worden.’
Onder het bekijken van het volledig gestripte en van alle waardigheid ontdane vehikel wilde ik zeggen: ‘doe maar een kleurtje,’ maar dat zou te gevaarlijk zijn en hetzelfde effect hebben als meedoen met een gay parade. In plaats daarvan zei ik: ‘Doe maar wit. Dat was hij een week geleden toch al en wit is een rustige, niet opvallende kleur. Moet je nog veel trouwens?’
‘Ivoor-wit dus,’ gaf hij als antwoord. ‘Alleen de binnenkant zelf moet nog gestript worden. En airco aanleggen. Zonder dat leg je het af.’
Een andere man met gering postuur die mij daarnet nog niet was opgevallen kwam met een een stuk karton naar buiten en begon, gebogen onder de motorkap terwijl hij een oog dichtkneep erin te snijden en te vouwen totdat het in zijn ogen de gewenste vorm had, in die van mij dat van een manke kraanvogel.
‘Dat is Rommel,’ verduidelijkte Polly.
‘Lijkt mij ook,’ zei ik, blij dat mijn vriend het met mij eens was. ‘Origami verveelt snel als je er niet goed in bent. Bovendien leidt het tot niets. Was het ijzer geweest…’
Polly keek mij aan met een blik of ik niet goed snik was.
‘Rommel is zijn naam. Hij is door zijn moeder genoemd naar de Duitse generaal met die naam. Met dat karton imiteert hij een bevestigingspunt voor de compressor.’
Even later keerde Rommel terug. De kraanvogel was verdwenen. Ervoor in de plaats lag in zijn hand een met zwarte verf bespoten, in een haakse hoek gebogen stuk ijzer met een aantal gaten erin geboord.
Na twee uur werk in een moordend hete zon waren Rommel en de ander die Bong werd genoemd klaar.
‘We kunnen nog niet proefdraaien,’ liet Polly mij weten. ‘Eerst moet het interieur worden teruggeplaatst. En volgende week hebben we nog een bruiloft te vieren. Jij bent erbij.’
De bruiloft was die van Polly’s oudste zoon, een magere doch breedsprakige jongen van omstreeks drieëntwintig jaar op wie de bijnaam “blaaskaak” paste als aangemeten.
De volgende dag werden achtereenvolgens een levende geitebok, een varken, drie jonge geitjes en zes kippen afgeleverd en over het hek in de tuin gezet. De levende have, zo verzekerde Polly mij, vormde bij elkaar de door de gasten te genieten bruiloftsmaaltijd.
Nu heb ik iets met dieren, wat de geitenbok ook moet hebben gemerkt want hij kwam al snel op mij afgelopen en legde zijn kopje op mijn knie. Zoiets doet mijn hart breken, maar wat in dit geval erger erger was voor hem dan voor mij: het schept een band.
Mij nog steeds nergens van bewust viel het kwartje drie dagen later al snel, spoediger dan Freek Vonk het mij zou kunnen hebben vertellen. U bent dus gewaarschuwd.
Een van de mannelijke familieleden stortte zich op de geitebok terwijl een ander het dier een fles met onduidelijke inhoud in de bek stak, de nek van het dier omhoog houdend waarna het weer werd losgelaten. Eenzelfde lot onderging het varken, de geitjes en de kippen waarna de geitebok mee de keuken in werd genomen.Een voor een kwamen ze na een uur weer naar buiten, zo goed als onherkenbaar wat voor de genodigden hetzelfde klinkt als eetbaar.
Een Filipino heeft ooit eens tegen mij gezegd: ‘wij Pinoys eten alles dat zwemt, vier poten heeft of vliegt, behalve een onderzeeër, een tafel en een vliegtuig.’
Het werd later, het aantal gasten nam nog steeds toe en het bier stroomde rijkelijk, zij het volgens de Filippijnse methode. Vanuit de overbevolkte keuken klonk geschreeuw wat duidde op paniek; er waren meer gasten komen opdagen dan dat er eten voor ze beschikbaar was. Met de tegenwoordigheid van een pas gekozen vakbondsleider en een blik van “dit gaat goed komen” nam Polly het roer over en blafte een paar maal in de richting van de kombuis.
In het tijdsbestek van nauwelijks drie kwartier konden de borden weer worden gevuld en miste ik de honden.
Ik heb er niet van gegeten. De band die ik had met de geitenbok was voor mij voldoende.

  

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

  

 

 

 

 

 

 

   

 

CASA DA PAZ

Jaargang 2, aflevering 99, donderdag 19 juli 2018

 

 

CASA DA PAZ

 

In het Portugese dorpje waar ik woon, verschijnen ten tijde waarop de toppen van de omringende bergen door de eerste zonnestralen beschenen worden, vier mannen van een bij de eerste waarneming, onbeduidend kaliber. Het weinig illuster ogende kwartet hoort bij het groepje bewoners van het plaatselijke gekkenhuis, Casa da Paz, wat Huis van de Vrede betekent, al doet de naam vermoeden dat het hier gaat om een illegale sigarenfabriek. Insiders en dorpelingen weten dat het een voormalige, tot woonadres van uitsluitend mannen met een labiele aard bestemde boerenstede is. Gelegen op afstand van de dorpskern zorgt het voor een betrekkelijke rust in het gehucht.
Van haar bewoners is door knappe koppen ooit vastgesteld dat zij niet degene waren die het zwarte garen hebben uitgevonden. De Engelsen zeggen daarentegen “They’re not the sharpest tool in the shed,” wat in dit geval de lading ruimschoots dekt.
Vrijheid blijheid, moet de leiding van het tehuis dan ook ooit hebben bedacht, want sindsdien worden iedere ochtend de minst gevaarlijke bewoners de straat op geschopt waarna zij zich elk van hun door henzelf bedachte taak ten goede van de gemeenschap kweten of wat daar volgens eigen goeddunken voor door gaat.
Het voornoemde kwartet bestaat uit de verkeersregelaar, de kabouter, de vuilnisman en de heilsoldaat. De kans ze alle vier te missen is net zo groot als de mogelijkheid om op vrijdagmiddag een nuchtere Portugees in het dorp tegen te komen.
Afhankelijk van het moment van de dag kom je bij het bereiken van een bocht in de weg of op de hoek van een kruispunt de verkeersregelaar tegen. Dat regelen doet hij voorzien van een ver over zijn oren getrokken grijs petje, door het uitsteken van slechts een half lichaamsdeel, een nauwelijks waarneembare vinger. Het werkt ongeveer zoals de richtingaanwijzer, in het Vlaams “pijlpinker” geheten van een Volkswagen kever uit 1953 dat doet. Is “de kust” veilig, dan klapt hij zijn wijsvinger uit en wijst hij ermee in de richting van een zijstraat waar een tegenligger uit komt maar waar je niet heen wilt.
Wie nietsvermoedend zijn goed bedoelde instructies opvolgt loopt de kans verderop zijn collega, de heilsoldaat tegen te komen, pontificaal langs de kant van de weg zittend met zijn benen languit op het asfalt, passerende auto’s tot amputatie uitnodigend. Met zijn houding als zwaar beschonken caféganger laat hij je denken aan het lied: “Hij sjouwde van kroegie naar kroegie” waarbij hij diep voorover loopt, met de vingers van zijn naast het lichaam afhangende armen de grond rakend. Zijn oogopslag is die van een geit.
De weg naar beneden, de heuvel af volgend, ontwaar je vanzelf de kabouter. Met zijn geringe lengte, volle witte baard en bijpassende oogopslag acht je hem in staat je te kunnen vertellen hoelang Sneeuwwitje in haar glazen kist moet hebben gelegen. Maar omdat sprookjes in Portugal niet bestaan zegt hij niets. Evenwel hoort hij in het straatbeeld thuis, de bekrompen- en benepenheid van de dorpsbewoners symboliserend.
Van het viertal is de vuilnisman de meest actieve. Volle afvalbakken of kwetterende buurvrouwen en mannen die niet goed staan worden rücksichtslos maar bekwaam door hem aan de weg gezet, waarbij hij met zijn spiedende blik de omgeving aftast, op zoek naar nog meer zaken die niet kloppen. Dat is wennen, vooral wanneer je niet beter weet en hij bij het vragen naar de weg zijn hoofd bij je door het raam steekt met een blik zoals een bokser dat voorafgaand aan de wedstrijd met zijn tegenstander doet. In dat geval doet een biscuitje in zijn geopende mond steken wonderen.
Rond de middag, zo tegen een uur of één verdwijnen ze als voor een wolk beduchte cicades, tijdelijk van straat. Het is tijd voor siësta op zijn Spaans, want officieel heeft Portugal het fenomeen nooit gekend, om pas na drieën weer tevoorschijn te komen om, gedreven door de geur van een klaproos en totale onnut de wegen rondom het dorp wat op te vrolijken, want uit jezelf lachen is zeldzaam in deze streek.
Wie pas echt lachen wilt meldt zich bij de plaatselijke politiepost waar een dienstdoende agent met paardrijlaarzen aan die verdacht veel lijkt op een agent weggelopen uit de serie Pippi Langkous, het slachtoffer van een diefstal zonder blikken of blozen vraagt om de naam en adres van de dief op een aangifteformulier in te vullen waarna hij alle tijd neemt het rapport op een oude Remington schrijfmachine voorzien van zes lagen carbonpapier uit te typen.
Zonder de mannen van Casa La Paz werd het hier een gemeente zoals alle anderen waar goed bedoelde, maar voor een leefbare samenleving dodelijke efficiëntie en overijverige dienders de wet bepalen. Veiligheid staat voorop, ook in dit dorp waar nog nooit iemand van ramkraken heeft gehoord, laat staan ooit heeft meegemaakt. Dat heeft ook geen zin. De enige pinautomaat in het dorp wordt eenmaal per maand bijgevuld en is de volgende dag alweer leeg. Veiliger kan niet.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

   

    

 

KOUD VLEES

Jaargang 2, aflevering 94, donderdag 21 juni 2018

 

 

 

KOUD VLEES

 

    ‘Doe maar rustig aan. We hebben immers alle tijd.’
Mismoedig tuurt de knappe blonde vrouw naar de T-bone steak op haar bord. Ze zucht.
‘Sorry Freek. Hoe moet ik dat daar ooit opkrijgen? Ik ben van huis uit geen echte vleeseter,  wist je dat niet?’
Ongeduldig wijst de man, type verlopen charmeur met peper-en-zoutkleurig, stug haar met zijn vork naar het stuk vlees dat daar ligt. ‘Je stelt je aan, Trudy. Zoveel is het niet. Begin nou maar, het zal vast wel meevallen. Het valt zo van je mes, kijk!’
Met een van hopeloosheid doortrokken gezicht werpt ze een blik op het stuk vlees dat hij haar voorhoudt.
‘Nogal logisch. Dat van jou is well-done. Dat van mij is zo goed als rauw, wat ik niet lust. En volgens mij heb ik een verkeerd mes. Dit is niet voor vlees want het is bot, voel maar. Kun je niks anders voor me bestellen?’
‘Weet je wel hoe duur het hier is,’ opperde Freek. ‘En dan, ik dacht dat je wel trek had in een stevige maaltijd. Goed voor het libido, zeggen ze.’
‘Het jouwe dan misschien,’ sprak ze geïrriteerd. ‘Ik heb genoeg van mezelf. Als jij zo’n behoefte heb aan extra testosteron, waarom eet jij dan geen rauw vlees?’
‘Dat doe ik ook, dat zie je toch? En mijn T-bone is groter dan het jouwe dus eet nou maar,’ weersprak Freek. ‘Er zit ook ijzer in, en vitamine B12. Goed voor het bloed.’
Na meerdere, verwoede pogingen er met haar mes doorheen te komen smeet ze tenslotte hardhandig haar bestek neer en begroef haar gezicht in beide handen.
‘Nu stel je je toch echt aan, Trudy,’ gaf Freek na een moment te hebben nagedacht te kennen. ‘Maar ik zal het goed met je maken.’
Met een handgebaar boven zijn hoofd gaf hij de uitbater van de bistro die kwam aangesneld te kennen dat er iets was.
‘Meneer, mevrouw, is alles naar wens?’
‘Bijna,’ antwoordde Freek de zwaar besnorde man die zichtbaar moeite had zijn buik tussen de tafeltjes door te manoeuvreren. ‘Op een kleinigheid na. Volgens mevrouw hier klopt het mes niet.’
‘Niet? Dan kijken we er toch even naar,’ antwoordde de man verongelijkt.
Na een volle minuut zwoegen gaf hij het op. ‘Mevrouw heeft volkomen gelijk. De keuken moet een vergissing hebben gemaakt. Mag ik?’ vroeg hij, en begon met een lang, gekarteld vleesmes haar stuk in plakjes te snijden.
‘Zo. Nu moet het wel lukken,’ sprak hij jolig. ‘Het beweegt niet meer. Nog een flesje wijn erbij als schadevergoeding en om de tranen weg te spoelen?’
Trudy schudde bruusk haar hoofd. Toen hij weg was barstte ze in snikken uit.
‘Wat is er nou weer?’ vroeg Freek, gegeneerd om zich heen kijkend. ‘Het drama is nu toch opgelost?’    ‘Dat bedoel ik juist,’ snotterde Trudy. ‘Hoe grof kun je zijn!’
‘Hoe bedoel…’
‘Die, die woesteling van daarnet,’ onderbrak ze hem. ‘Hij gaf mij het gevoel een klein kind te zijn. Alsof ik niet zou weten hoe ik met bestek om weet te gaan. Freek, ik wil hier weg.’
‘Alleen maar omdat hij je hielp? Je had toch gelijk? Het mes klopte niet. Zal ik een ander voor je gaan halen?’
‘Nee bedankt. Zo smaakt het mij niet meer. Mijn eten is verpest. Hij heeft er allemaal kleine plakjes van gemaakt waardoor het nu koud is. En koud vlees lust ik niet.’
‘Laat me dan iets anders voor je bestellen. Tournedos, lust je dat? Of Spaanse slakken, escargots. Die moet je eens proberen. Dan doe ik mee, vanwege de knoflook.’
Ze schudde geschokt haar hoofd.
‘Wil je mij soms dood hebben? Die dingen zitten vol met zwaar metaal en pesticiden. Een vriendin van mij at ze laatst, met haaruitval als gevolg. Nee, dank je.’
Met tegenzin schoof Freek haar een enveloppe toe.
‘Wat is dit?’ vroeg Trudy, haar tranen drogend. ‘Toch niet voor mij, hoop ik?’
‘Nee,’ schudde Freek zijn hoofd. ‘Voor de ober, die woesteling van daarnet. Natuurlijk is het voor jou, voor wie anders?’
‘Maar wat is het?’
‘Dat weet je als je het openmaakt. Maar voor jouw beeldvorming: het is je ontslagbrief. We hebben het nu twee maanden geprobeerd en ik heb daarnet besloten dat het vanavond je laatste avond is. Zo kunnen we niet verder.’
Met trillende onderlip scheurde ze de enveloppe open en barstte na het lezen opnieuw in snikken uit.
‘Freek, hoe kun je? Je had dit dus van tevoren al gepland, begrijp ik.’
‘Ja. Excuses daarvoor,’ opperde Freek. ‘Maar ik kon niet anders. De zaak heeft een figuur nodig die mij als het nodig is kan vervangen en met alle respect: Jij kunt het niet. Ik heb bij de reservering om een bot mes voor jou verzocht. Expres. Je zult het wel laag bijdegronds, of voor mijn part gemeen vinden, maar het is mijn enige methode om te zien wat voor vlees, vergeef me de woordspeling, ik in de kuip heb. Wees blij. In Alaska gooien ze je bij wijze van test in een rivier van acht graden en laten ze je naar huis terug zwemmen. Zo ben ik niet. Als je wilt kun je gaan. Ik betaal wel.’
Vanachter zijn bord keek hij toe hoe ze opstond en vertrok.
‘Johnny,’ riep Freek naar de ober. ‘Morgen komt er weer een dus graag van hetzelfde. En het mag nog wel wat botter.’

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

    

 

  

 

 

 

 

 

BIJ DE PTT

Jaargang 2, aflevering 30, donderdag 20 maart, 2018

 

 

 

BIJ DE PTT

Iedere morgen voordat ik mij aan het werk zet begeef ik mij samen met de hond op straat, een routine met een voor mij verfrissende uitwerking, als een eye-opener. Voor de hond is het een sprookje, dat van door exotische teefjes onder struiken en bomen gedeponeerde duizend-en-een-plasjes dat maar geen werkelijkheid wil worden.
De dag overziend had ik niet direct in de gaten dat op de stoep waar ik liep iets was veranderd. Om precies te zijn: er was ‘s nachts iets bijgekomen.
Het was een grijze tent met daaronder een groot gat in de grond. “PTT Telecom” stond op de zijkant, het soort urban camouflage dat veelvuldig in gebruik was bij werknomaden in dienst van Nederland’s voormalige staatsbedrijf.
Als het vod met dezelfde afmetingen in een winkel voor kampeerspullen te koop zou zijn aangeboden had de verkoper het vast aangeprezen als een “broedplaats”, geschikt voor backpack-stelletjes met gevoel voor romantiek, bedenk ik mij. Maar bij nadere beschouwing bleek het canvas dat die nacht uit te lucht scheen te zijn gevallen nog anders iets te bevatten. Vanonder het zeil staken vier in rubber laarzen en overalls gestoken benen van ongetwijfeld twee PTT werknemers die blijkbaar geen moeite hadden met hun knus bemeten behuizing.
‘Koos,’ klonk het vanonder het zeil. ‘Heb je die koppelkast nou?’
‘Net wel,’ meldde een tweede stem. ‘Sta jij der soms weer op met die lompe poten van je?’
‘Lamaar. Heb ‘m al. Alleen deze nog en dan kun je van Tichelen bellen. Die staat in de buurt van huisautomaat 16b.’
Onbekend met het jargon probeerde ik mij een voorwerp bij het woord huisautomaat voor te stellen, iets wat vanzelfsprekend niet lukte, al leek het mij op het eerste gehoor een handig ding. Ik kon ze natuurlijk gewoon om opheldering vragen maar zoiets doe je nu eenmaal niet snel op dit vroege tijdstip, staande bij een kuil vol modder met daarin twee tot op het bot humeurige werklieden.
Van diezelfde compagnie der Posterijen, Telefonie en Telegrafie herinner ik mij namelijk dat er strenge mannen in stofjassen rondliepen die, als ze dat wilden, met een druk op de knop ervoor konden zorgen dat alle telefoongesprekken bedoeld voor het Ministerie van Oorlog voortaan bij jou binnenkwamen.
Mijn eigen ervaringen met het bedrijf waar de klokken volgens opgaaf van de stem achter het nummer 002 vaker synchroon liepen dan de zon zelf strekten zich uit tot het domein van het alleen door de alleenstaande werkende moeder thuisgelaten kind: het bedenken van zinloze, kostbare telefoonspelletjes.
Een daarvan was het met mijn ogen dicht draaien van een willekeurig nummer waarbij ik de grootste lol had als mijn poging een aardige mevrouw of meneer opleverde die ongeacht het uur nietsvermoedend de hoorn opnam.
‘Hallo, met mevrouw Lely-van der Ham. Wie is daar?’
‘Ik,’ was dan mijn standaard antwoord.
‘Ach, wat leuk, een vreemd jongetje!’ was meestal de erop volgende reactie. ‘Hoe heet jij?’
‘Basje. De rest mag ik niet zeggen van mijn moeder,’ antwoordde ik naar waarheid. ‘Anders wordt ze straks door de telefoon lastig gevallen door vreemde meneren.’
‘Wat een verstandige moeder heb jij, Basje. Zeg, weet jij eigenlijk wel hoe laat het is?’
‘Nee. Maar ik mocht opblijven van mijn moeder.’
‘Zo. Dat dacht ik al. Zeg Basje, weet je dat wat jij doet heel duur is en dat je moeder het vast niet leuk zal vinden als ze erachter komt wat jij ‘s nachts met de telefoon doet?’
‘Geeft niet. Mijn moeder verdient genoeg centjes.’
‘Zozo. Zijn jullie thuis zo rijk. Gelukkig maar. Waar werkt ze dan?’
‘Bij de PTT.’

Naast mijn moeder die er telefoniste was, werkten de meeste van mijn ooms bij het bedrijf, een feit dat ervoor zorgde dat de telefoon bij ons thuis wat eerder werd aangesloten en vaker storingsvrij werkte, en we thuis regelmatig collega’s over de vloer kregen die er een handje van hadden voortijdig alle eetbaars wat in huis was te confisqueren. Ook werden er vaak wederzijdse bezoeken afgelegd, zo ook tijdens verjaardagen, kerst en Sinterklaas. Het waren gelegenheden waarbij de nep-oom die eigenlijk een meneer van de PTT was en ik van mijn ouders oom moest noemen zich als weldoener voordeed en zich in de beste stoel te laten vallen waar hij de rest van de avond niet meer uitkwam.
Het voordeel van haar tewerkstelling bij het bedrijf was dat er thuis nooit gebrek was aan servies, handdoeken, bestek, regen- en vuil bestendige werkkleding, laarzen en overalls. Tenminste, als je er niets op tegen had de naam “PTT Telecom” overal tegen te komen, of in kleding rond te lopen met de tekst erop gedrukt.
Trots als een pauw liep ik met mijn donkergrijze jack met op de borst de met rood stiksel aangebrachte afkorting “PTT” over het schoolplein ter vervanging van de jas die ik wel nodig had maar waarvoor geen geld was. De pret duurde tot het moment dat mijn schoolvriendjes mij verklaarden dat de afkorting stond voor “Plastieke Tieten Trekkers.”
Sindsdien hangt het in de kast en ik heb het daarna nooit meer aangetrokken.

    

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

   

 

      

    ‘

 

 

 

VEERTIG BALLEN EN EEN PIEK

Jaargang 2, aflevering 25, 22 februari 2018

 

 

VEERTIG BALLEN EN EEN PIEK

Voor Dave…

 

    ‘Snap jij hoe hij dat doet,’ roept mijn stiefvader in de richting van mijn moeder bij het betreden van mijn als harem ingerichte kamer. ‘Moet je zien! Johnny Walker, Four Roses Bourbon whiskey, Jack Daniels, Captain Morgan, Jim Bean, Glennfiddich. Een normaal mens schopt zichzelf ermee in coma maar bij hem merk je er nooit iets van.’
‘In a gadda da vida, brother, dus relax en neem een joint,’ wil ik zeggen. ‘Als je zoekt naar illegaal binnengesmokkelde chicks: die heb ik niet voor je, maar daar, naast mijn matras liggen rooie Libanon en zwarte Kashmir. De vloe en de aansteker liggen erbij. Daar, naast die chilm. Nee, die niet, dat is een vaasje voor de wierook joh. Wordt je ook stoned van maar dan anders, weetjewel. Je blijft er korter mee in de groove hangen, maar op den duur werkt het.’
Maar ik zeg niets en staar in een roes door een blauwe mistbank heen naar het op een met behanglijm “uit het gele pakje” stuk spaanplaat geplakte poster van een psychedelisch landschap waar een paarse boom tegen een oranje wolk met een tak in een gat onderaan de stam van een roze populier friemelt. Maar het kan ook een lariks zijn, bedenk ik mij.
Op de golven van Fleetwood Mac’s “Then play on”, drijf ik weer weg naar een horizon vol vreetkicks, lachbuien en nummers van Bob Marley waar nooit een eind aan komt.
Bob Marley.
Was ik maar bruin denk ik opeens. Dan spoot ik mijn schoenen over met zilververf en vernielde ik elke week een gitaar, herstel: tien Fender Stratocaster gitaren, woonde ik voor de rest van mijn leven onder een boom in Electric Ladyland en blowde iedere dag de vouwen uit mijn bellbottom broek. Maar ik ben gewoon wit en woon in een ERA flat op tien hoog.
Mijn enige vertier bestaat uit mezelf iedere dag als het werk erop zit een stuk in mijn kraag te zuipen, lekker bassen met de versterker op tien tegen de centrale verwarming aan zodat de hele flat mee-jamt op de tonen van mijn persoonlijke Bill Wyman impressie, en straks aan tafel met mijn stiefvader meezeiken over de alwéér slappe spruiten van eergisteren.
In de Coca Cola spiegel waar ik bij voldoende dope (zonder dope geen hope) in verdwijn, zie ik het langharige, vijftiende lid van Deep Purple, zittend in lotushouding, gekleed in een op het Waterlooplein gescoorde poncho, spijkerbroek en Tsjechische laarzen.
De plaat is afgelopen, merk ik, en leg snel een andere op de draaitafel.
‘We gaan zo eten,’ roept de ouwe met zijn hoofd om de deur. ‘Spruitjes. En je moeder wilt weten of je nog uitgaat vanavond.’
Ik knik.
Wat is dat voor pestherrie?’ roept hij nu.
‘Dit is progressieve Britse rock, man,’ corrigeer ik hem hoofdschuddend. ‘In the Court of the Crimson King. Moet jij niet naar James Last luisteren?’
Drie kwartier later, met de smaak van laffe, ontzielde spruitjes nog op mijn tong loop ik door het centrum en trek ik stuurloos puberend uit de automatiek op de hoek van de Prinsenstraat en de Nobelstraat achter elkaar veertig gehaktballen uit de muur die ik aangestaard door de geschokte uitbater achter elkaar in mijn mond begin te steken.
‘Die eet je hoop ik toch niet allemaal zelf op zeker,’ merkt hij bezorgd op. ‘Niet dat het geen goeie zijn.’    ‘Tuurlijk niet,’ jok ik met volle mond. ‘Ben je gek! De rest van de band staat hier om de hoek. Ze hebben honger. Heb je een zakje?’
Dat excuus van “om de hoek” klopte, bedenk ik me achteraf. Dat is de plek waar café Big Brothers Factory zich bevindt waar de Golden Earring en David Bowie wel eens jammen, samen met Jan Akkerman en waar ikzelf zolang het licht voor de laatste ronde niet aangaat ongestraft mijn lach-, vreet-, en jankkicks ongestraft mag botvieren op Fons de barman. Hij is de enige op de wereld die me begrijpt. Tenminste, zolang ik aan de lopende band wodka-sju’s naar binnen blijf kieperen.
Hij herkent me en gunt me onder het inschenken een vette knipoog.
‘Da’s dan één piek. ‘T is rustig vanavond. Was je al in het Paard geweest?’
Ik schud nee. ‘Vanavond niet gozer. The Clash treedt er op. Niet bepaald mijn smaak. Heb je geen funk in de kast staan?’ vraag ik, wijzend op de rijen vinyl achter hem. ‘Goed voor de stofwisseling.’
Uit de zesmaal tweehonderd Watt speakers knettert even later op mijn verzoek “Live it up” van de Isley Brothers en ik loop tevreden maar misselijk geworden naar buiten waar ik leunend tegen de gevel op de muziek ga staan meegrooven, mijzelf intussen verbazend over de lege zak in mijn hand waar daarvoor nog veertig gehaktballen in zaten.
Kijkend naar de overkant zie ik hoe de eigenaar van de kantoorboekhandel het licht uitdoet en de rolluiken laat zakken.
Straks op weg naar huis niet vergeten Norit mee te nemen.

Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Abonneer je dan op de nieuwsbrief door hier te klikken.

Vind je het leuk te worden voorgelezen? Ben Midland is op YouTube! Klik hier om naar zijn kanaal te gaan.

 

 

 

  ‘

 

ALLEMAAL DOOIEN

Jaargang 2, afflevering 33, donderdag 20 april 2017

 

 

 

 

ALLEMAAL DOOIEN

 

Op een herfstige, doordeweekse dag besloten mijn vrouw en ik sinds lange tijd weer eens een bezoek te brengen aan de ruïne van Brederode, het tijdens de opstand van het Kaas & Broodvolk in 1492 door onze Oosterburen expres vernietigde kasteel, gelegen in de mij zo bekende Santpoortse heerlijkheid.
Slenterend over het binnenplein, de nissen bewonderend waarin het onkruid nu welig tierde maar waar volgens de door hem in de muur gekerfde boodschap ene Maarten in 1981 op die plek iets had gedaan bij Frederique, waren wij getuige van het leeglopen van een langs de weg gestopte knalgele touringcar die op dat ogenblik zijn lading bestaande uit twee dozijn joelende schoolkinderen uitbraakte.
  “Daar gaat je uitstapje naar de middeleeuwen,” zei mijn vrouw in haar poging boven het uit de horde opstijgende voorwereldlijk gekrijs uit te komen. “Zo verjagen ze de geest van Brederode die hier vast nog wel ergens rond hangt.”
  “Onthoofd,” zei ik in de hoop dat de razende meute het tegenover de ingang gelegen restaurant als bestemming zou kiezen. “Lancelot van Brederode werd niet opgehangen maar onthoofd. Zou hun leiding weten dat het hier een heerlijkheid is?”
Tijdens het beklimmen van de donjon, de hoogste en meest versterkte toren vanaf waar we van het vrije uitzicht wilden genieten werd op de begane grond aan het rumoer te horen verwoede pogingen gedaan de ruïne alsnog van zijn laatste restje historische waarde te ontdoen.
  “O schone maagd!” sprak opeens een hoogdravend klinkende stem uit het trapgat achter ons. “O mokkapunt, is uw liefde mij niet gegund?”
  “Dat zal voor jou zijn,” zei ik tegen mijn vrouw die naast mij stond. “Ik ben vóór emancipatie. Bovendien staat mijn mannelijke geaardheid het openlijk verspreiden van zoete praatjes in de weg.”
Uit het trapgat steeg een meisje van een jaar of veertien met lang blond haar omhoog, gevolgd door een ongeveer even oude roodharige jongen.
  “Hè, hier zijn mensen!” riep de jongen toen hij ons in de gaten kreeg. “Ik dacht dat wij de enigsten waren. Hoe lang zijn jullie er al?”
  “Ik al vanaf 1954,” meldde ik bij wijze van attestatie de vita in het besef dat je per slot van rekening nooit van te voren kunt weten wat iemand met de door jou verstrekte expliciet foute informatie van plan is.
  “Al zo lang?” vroeg het meisje onzeker. “Dan bent u zeker de kasteelheer.”
  “Dat kan niet, stomme trut,” onderbrak de jongen haar, zichtbaar geërgerd door haar opmerking. “Hij is van látere datum,” mij daarmee de sensatie schenkend hoe een stuk oude Leidsche kaas zich ongeveer moest voelen. “De kasteelheer is al jáááren dood. Die komt al bijna weer terug.”
  “We zijn hier voor een opdracht,” vulde ze hem niet helemaal zeker meer van haar zaak aan. “Een schoolproject. Niks aan maar het moet.”
  “Geschiedenis,” verbeterde hij. “We moeten uitzoeken wie hier gewoond heeft. Weet u dat misschien?”
  “Zo’n beetje,” zei ik op mijn hoede, want als het om het prijsgeven van informatie gaat die door verder te kijken dan je neus lang is wat ik uit principe prefereer ben ik opeens hopeloos ouderwets.
Met mijn gedachten nog steeds bij de Leidsche kaas besloot ik eromheen te draaien.
  “Beneden in de grote kamer hangt een stamboom. Daar vind je vast wel waarnaar je op zoek bent.”
  “Een stamboom!” riep het meisje verrukt uit als ware het woord de sleutel tot het eeuwig durende geluk. “Dat is een plaatje van een familie van vroeger met allemaal dooien. Kom mee. Daar moeten we heen! Als de rest van de klas hem intussen al niet heeft gevonden.”
In drie stappen was de jongen bij de trap die hij onder het gillen van de kreet ‘Aaivanhooo, Aaivanhooo!’ weer begon af te dalen, gevolgd door het deemoedig kijkende meisje.
  “Denk je dat hij het zal vinden,” vroeg mijn vrouw.
  “Ik hoop het. Sir Roger Moore had Saksisch bloed en ik durf te wedden die jongen vast ook. Tegen de tijd dat hij bij Yolande van Lalaing is aangeland horen we het wel.”
De trappen afdalend zagen we het tweetal weer terug, met belangstelling de stamboomkaart bestuderend.
  “Ik vind dat je hem meer had moeten vertellen,” fluisterde mijn vrouw. “Een beetje helpen kan geen kwaad. Dat deden ze bij ons vroeger ook.”
  “Bij ons? Ik weet niet hoe het met jou zit maar ik hoefde niets te proberen,” pareerde ik. “Geen trucjes, niet spieken en zeker geen geslijm. Ze zagen je aankomen. Mijn rug doet nog zeer als ik denk aan die leraar die mij bij iedere keer dat ik iets probeerde tegen de centrale verwarming smeet. Dat het nu allemaal wel kan is te danken aan het ruggengraatloze beleid dat vanuit Den Haag de scholen wordt opgedrongen. Ik noem als het moet in mijn slaap nog steeds alle Friese steden uit mijn hoofd. Neem nou hoofdrekenen. Dat werd er vroeger met de harde methode ingeslagen met het gevolg dat ik de tafel van zeven beter ken dan de leidraad van het Groene Boekje. Toen kwam de rekenlineaal die je binnen de kortste keren alleen mocht gebruiken als je -let op- er mee om wist te gaan. Daarna kwam de zakjapanner, een rekenmachientje dat in het begin verboden was en je direct in kon leveren bij de juf. Binnen een jaar mocht je hem wel gebruiken. Komt-ie weer: alleen als je er mee om wist te gaan. En nu wordt je als buitenstaander gestimuleerd de oplossing aan kinderen die de jouwe niet zijn voor te zeggen. Zo kweek je kandidaten voor de lopende band in de luciferhoutjeszagerij of de rolmopsenfabriek.”
  “En,” vroeg mijn vrouw in het voorbijgaan aan de jongen. “De jonkvrouw al gevonden?”
  “Ja. Tenminste, dat denk ik,” sprak hij radicaal. “Iets met Bredero en Jolanda de Weetikveel. De meester vond het goed genoeg dus ben ik klaar.”
  “Zie je nou wel,” foeterde ik terug. “Jolanda de Weetikveel. De meester, vermoedelijk een waarvan je amper het verschil met een leerling kan zien in een zelfgebreide trui en jezussandalen vond het natuurlijk weer eens goed genoeg omdat hij van zichzelf vindt dat de bloedjes er -het wordt eentonig- mee om weten te gaan. Op die manier kun je wel met alles omgaan. Ziedaar de teloorgang der grondbeginselen van de pedagogie. Maar mijn zegen heb je.”
Bij het naar de uitgang lopen zagen we hem, de hoeder van het aan hem geleende grut. Het was een in een grijs pak met gesteven overhemd en dito boordje gestoken heerschap, voorzien van een parmantig naar voren stekend sikje.
  “Bent u de meneer die Teun en Anne heeft voorgezegd dat dit kasteel werd bewoond door de Brederodes,” vroeg hij aan mij in het voorbijlopen.
  “In het geheel niet,” antwoordde ik. “Teun heeft het zelf opgezocht. Wees maar trots op die jongen.”
  “Denk je dat hij er iets mee gaat doen,” vroeg mijn vrouw.
  “Ik hoop het. Ik herinner me een uitspraak: ‘Justitie is beter dan ridderlijkheid in het geval wanneer we niet allebei kunnen hebben.’ De deur voor elkaar openhouden is mooi maar het moet wel een deur zijn die ergens naar leidt. Teun was op weg die deur te vinden. Er was alleen iemand nodig om hem te openen.”
  “Jij.”
  “Het zij zo. Zijn leraar vroeg erom. En bovendien had de echte kasteelheer het vast wel goed gevonden. Zou Maarten anticonceptiemiddelen bij zich hebben gehad?”

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor, Bol.com te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!

 

 

   

 

  

 

 

  

 

 

   

 

BLOKJE OM

Jaargang 2, aflevering 32, donderdag 13 april 2017

 

 

 

 

 

BLOKJE OM

 

  “Ik ben buiten,” zei George tegen zijn vrouw. “Even de hond uitlaten.”
Dinie’s wenkbrauwen kropen omhoog naar de plek op haar voorhoofd waar drie diepe rimpels zich vertoonden.
  “Maar we hebben helemaal geen hond,” antwoordde ze. Geschokt dacht ze na. Er gingen de laatste tijd wel meer verhalen onder haar vriendinnen in het rond over mannen die van de ene op de andere dag tekenen van geestelijke aftakeling vertoonden.
  “Luister,” sprak hij gedecideerd. “Jij weet dat, ik weet dat, alleen de hond zelf weet dat nog niet. Kom mee, Fido. Baasje staat te wachten.”
Ze wilde er nog iets achteraan zeggen maar bedacht zich. Zijn humor was nu eenmaal anders dan die van haar zodat ze er nooit helemaal zeker van was of zijn fratsen wel als humor bedoeld waren.
  “Zit!” hoorde ze hem in de gang zeggen. “Eerst je riem omdoen want zo kun je niet mee.”
Toen ze de voordeur in het slot hoorde vallen werd ze een beetje bang.
Buiten beende George voort, met in zijn jaszak een onzichtbare hondenriem. Dat hij het haar op deze manier moest laten merken voelde allesbehalve prettig aan, op het onaangename af zelfs, maar wilde hij dat er iets ging veranderen dan moest het maar gelijk gebeuren. Op de oude manier zo doorgaan kon niet meer en was ook niet meer vol te houden. Bovendien, meer dan praten zat er de laatste tijd ook al niet meer in en zelfs dat was ernstig aan slijtage onderhevig, alsof je steeds hetzelfde boek leest of naar die ene oude ansichtkaart aan de muur kijkt. Die aan hem gericht was al een beetje vaal van kleur en kreukelig geworden.
Bij het passeren van zijn stamkroeg zag hij door de vitrage heen dat het binnen druk was en besloot er even naar binnen te gaan.
  “Navend,” prevelde hij onder het plaatsnemen op een kruk. Zijn kruk.
  “Ook een goeienavond George,” groette de eigenaar hem terug. “Wat zal het zijn vandaag. Hetzelfde maar weer?”
George knikte. “En een bak water voor de hond.”
De eigenaar keek op van het poleren.
  “Welke hond? Ik zie niks. Trouwens, sinds wanneer heb jij een hond?”
  “Sinds vanavond. Hij doet je niks hoor. ‘T is een rustig beessie. Kijk maar. Fido: af!”
Met een gezicht of hij het in Keulen en Aken tegelijkertijd hoorde donderen tuurde de eigenaar over de rand van de bar waar hij niets zag, in elk geval geen hond.
  “Ga uitgerekend jij mij nou een beetje zitten te belazeren, George?” was zijn reactie. “Er is geen hond. Moet ik soms een ambulance voor je bellen? Neem er anders intussen maar eentje van mij. Om je aangevreten synapsen te spoelen.”
Met een royaal gebaar haalde hij de fles jonge klare tevoorschijn en kiepte het glas van George vol tot aan de rand.
  “Zo. En nou ga jij mij eens haarfijn vertellen wat er met jou de laatste tijd aan de hand is,” sprak hij wrevelig. “Ik heb je al langer in de smiezen en ik zeg je: als je zo doorgaat trek je het niet meer. Je zit erbij als een augurk uit het zuur. Een tip van mij: als het gebeurt doe het dan AUB niet hier. Dat schrikt de klanten af.”
Somber haalde George zijn schouders op.
  “Wat moet er dan gebeuren? Er is niks met me Joop. Geef die hond nou maar water, wil je. En doe er een koekje bij. Dat beest heeft honger.”
Met een diepe zucht greep Joop een schaal en vulde hem met water.
  “Een water, één. En de koekjes zijn op. Normaliter krijg ik ze gratis bij de pakken koffie maar ze hebben deze week niet geleverd.”
  “‘T is al goed Joop,” zuchtte George. “Ik geef hem -het is een reutje- straks thuis wel wat, he Fido?”
De eigenaar schudde zijn hoofd waarbij zijn dikke vlezige wangen heen en weer wiebelden.
  “Als je maar weet dat ik je de volgende keer niet meer schenk. Beroepsrisico.”
George dacht even na.
  “Goed dan. Als je mij belooft het niet rond te zullen bazuinen. Dit is privé.”
  “Op het graf van mijn moeder, en die is niet eens dood.”
Een licht grijnsje ontsproot aan George’s lippen.
  “Er is geen hond. Dat is een verzinsel om naar buiten te komen voor een blokje om. Gewoon even weg bij Guantanamo Bay. Zo noem ik Dinie tegenwoordig. Ze is de laatste tijd zo…. anders. Ze gedraagt zich alsof ik de laatste vent op Aarde ben die als je een kwartje in zijn gleuf doet voor een onbeperkte tijd gaat zitten luisteren. Ieder verhaal dat ze me vertelde heb ik daarvoor al vijftig keer gehoord. De sjeu is eraf. Daarbij, niemand komt aan mijn gleuf.”
Met een luide ‘pets’ knapte het glas in Joop’s handen kapot.
  “Luister!” sprak die onthutst. “Waarom gaan jullie er niet eens een keer samen op uit. Gezellig de stad in, lekker pierewaaien of zo. Altijd maar dat binnen op elkaars lip zitten is dodelijk.”
  “Dat hebben we al geprobeerd, wat dacht je? Zonder resultaat overigens. Je kunt me net zo goed vragen in mijn eentje de Frederikkazerne te belegeren. Het effect is hetzelfde. Doe mij er nog maar een.”
  “Wat dacht je van een therapeut inschakelen,” opperde Joop. “Dat werkt vaak. Die lui zijn in staat om zonder dat je het doorhebt je te vertellen welke kleur onderbroek je over pakweg drie jaar zal dragen. Dat weet mijn vrouw zelfs niet eens, laat staan ik.”
  “Je bedoelt een schimmenschifter, zo’n vaag tiep dat als je van hem wilt weten hoe laat het is je vervolgens vraagt wat je er zelf van denkt en voor je het weet je portemonnee uit je zak heeft getoverd. Mij niet gezien. Nee, ik ben verbliksemd, verdoemd tot het de rest van mijn leven te moeten uithouden met Pierrot. Elke dag is als een rondje in de draaimolen met dezelfde afgebladderde plastic paardjes, volkomen identieke, lullige brandweerautootjes zonder pedalen en eendere fietsjes zonder bel. Maar ik wíl geen fietsje. Ik wil een woest grommende Harley Davidson van minimaal duizend cc met een knallende uitlaat waarmee ik de buurt op stelten kan zetten en iedereen de pleuris uit zijn lijf kan laten schrikken verdomme! Mijn hele godganse leven heb ik in die achterlijke draaimolen doorgebracht, altijd maar op een fietsje, nooit op een motor, zelfs niet achter het stuur van een brandweerauto. Steeds als het geld van andere jongetjes op was en ik eindelijk de kans had om een keer op zo’n motor plaats te kunnen nemen was mijn moeder daar weer om te roepen dat het wel genoeg was voor die dag en we naar huis moesten. Nu ik doorheb hoe lang ik mij zo heb laten koeioneren is voor mij het hek van de dam, voorgoed. Dus heb ik vanaf vandaag een hond, hé Fido?” Hij is mijn vrijgeleide, mijn, hoe zeggen de Fransen dat ook alweer, mijn ‘laissez-passer.’ Overigens, wist je dat Fido Latijns is en ‘trouw’ betekent? Nou, dat istie! Als ik straks mijn bed opzoek en uren later weer wakker wordt zit Fido al te wachten op het moment dat ik hem mee naar buiten neem.”
  “En Dinie?”
  “Die snapt er natuurlijk niks van. Als ze slim is gaat ze naar het dierenasiel. Daar hebben ze nog wel een aftandse poes. Kunnen ze samen door de ramen kijken hoe Fido en ik de bloemetjes buiten zetten. Kom Fido, er loopt daar buiten vast nog wel een leuk teefje om mee te spelen. Wat krijg je van me, Joop?”
  “Niets,” antwoordde Joop. “Het is van ‘t huis. Ik verdom het medeplichtig te zijn aan het verzieken van de levens van zij die zich als doel hebben gekozen dat van zichzelf op te offeren om dat van anderen te verbeteren.”

 

Vind je dit leuk? Wil je nog meer van dit soort verhalen lezen? Doe de schrijver een plezier en deel dit verhaal met anderen. Je helpt hem ook door een keer op de link van zijn sponsor, Bol.com te klikken. Iets bestellen is beslist niet nodig! Zo blijven alle verhalen gratis beschikbaar! (Ben spaart voor een deur in de WC) Alvast heel erg bedankt allemaal!